Elohim Bijbel

Exodus 12

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

Pesach, de tiende plaag en de uittocht uit Egypte

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De instelling van Pesach

1Yahweh zei tot Mozes en Aäron in het land Egypte:
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽל
(veel)
en tot
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Dit hoofdstuk bevat de instelling van Pesach (1–28), de dood van de eerstgeborenen (29–36), de uittocht (37–42) en de regels voor deelname (43–51).

2„Deze maand is voor jullie het begin van de maanden; zij is voor jullie de eerste van de maanden van het jaar.
הַחֹ֧דֶשׁ
(hachodesh)
de maand
הַזֶּ֛ה
(haze)
deze
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
רֹ֣אשׁ
(rosh)
begin van
חֳדָשִׁ֑ים
(chodashim)
maanden
רִאשׁ֥וֹן
(rishon)
eerste
הוּא֙
(hu)
is zij
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jullie
לְחָדְשֵׁ֖י
(lechadeshei)
van de maanden van
הַשָּׁנָֽה
(hashana)
het jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘eerste maand’ is Aviv of Nisan (13:4; 23:15; Est. 3:7).

Vanaf nu begint daarmee het jaar voor de feesten van Israël.

3Spreek tot heel de gemeenschap van Israël en zeg: Op de tiende van deze maand moet ieder een lam nemen, per familie een lam, per huis een lam.
דַּבְּר֗וּ
(daberu)
spreek
אֶֽל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֤ת
(adat)
de gemeenschap van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בֶּעָשֹׂ֖ר
(beasor)
op de tiende
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְיִקְח֣וּ
(veyiqchu)
en laten zij nemen
לָהֶ֗ם
(lahem)
voor zich
אִ֛ישׁ
(ish)
ieder
שֶׂ֥ה
(se)
een lam
לְבֵית
(leveit)
per huis van
אָבֹ֖ת
(avot)
de vaders
שֶׂ֥ה
(se)
een lam
לַבָּֽיִת
(labayit)
per huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׂה (seh), ‘lam’, is een lam of een jonge geit.

Het wordt per familie genomen.

De tiende van de maand is vier dagen voor het slachten (vers 6).

4Als een huis te klein is voor een lam, laat hij dan samen met zijn buurman, die het dichtst bij zijn huis woont, een lam nemen, naar het aantal personen. Naar wat ieder eet, moeten jullie rekenen voor het lam.
וְאִם
(veim)
en indien
יִמְעַ֣ט
(yimat)
te klein is
הַבַּיִת֮
(habayit)
het huis
מִהְיֹ֣ת
(mihyot)
om te zijn
מִשֶּׂה֒
(mise)
voor een lam
וְלָקַ֣ח
(velaqach)
dan zal nemen
ה֗וּא
(hu)
hij
וּשְׁכֵנ֛וֹ
(ushekheno)
en zijn buurman
הַקָּרֹ֥ב
(haqarov)
die dichtbij
אֶל
(el)
bij
בֵּית֖וֹ
(beito)
zijn huis
בְּמִכְסַ֣ת
(bemikhsat)
volgens het aantal van
נְפָשֹׁ֑ת
(nefashot)
personen
אִ֚ישׁ
(ish)
ieder
לְפִ֣י
(lefi)
naar
אָכְל֔וֹ
(akhelo)
zijn eten
תָּכֹ֖סּוּ
(takhosu)
jullie rekenen
עַל
(al)
over
הַשֶּֽׂה
(hase)
het lam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Jullie lam moet zonder gebrek zijn, mannelijk, een jaar oud. Van de schapen of van de geiten moeten jullie het nemen.
שֶׂ֥ה
(se)
een lam
תָמִ֛ים
(tamim)
zonder gebrek
זָכָ֥ר
(zakhar)
mannelijk
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁנָ֖ה
(shana)
een jaar
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
מִן
(min)
van
הַכְּבָשִׂ֥ים
(hakevasim)
de schapen
וּמִן
(umin)
en van
הָעִזִּ֖ים
(haizim)
de geiten
תִּקָּֽחוּ
(tiqachu)
zullen jullie nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Het moet bij jullie bewaard worden tot de veertiende dag van deze maand. Dan moet heel de vergadering van de gemeenschap van Israël het slachten tussen de twee avonden.
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
לְמִשְׁמֶ֔רֶת
(lemishmeret)
ter bewaring
עַ֣ד
(ad)
tot
אַרְבָּעָ֥ה
(arbaa)
vier
עָשָׂ֛ר
(asar)
tien
י֖וֹם
(yom)
dag
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְשָׁחֲט֣וּ
(veshachatu)
en zullen slachten
אֹת֗וֹ
(oto)
het
כֹּ֛ל
(kol)
heel
קְהַ֥ל
(qehal)
de vergadering van
עֲדַֽת
(adat)
de gemeenschap van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
הָעַרְבָּֽיִם
(haarbayim)
de avonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּין הָעַרְבַּיִם (ben ha‘arbayim) is letterlijk ‘tussen de twee avonden’.

Dat is de tijd tussen zonsondergang en het begin van de nacht, of tussen de middag en zonsondergang; de uitleggers verschillen.

Zie ook Lev. 23:5; Num. 9:3, 5.

7Zij moeten van het bloed nemen en het aanbrengen op de beide deurposten en op de bovendorpel van de huizen waarin zij het eten.
וְלָֽקְחוּ֙
(velaqechu)
en zullen nemen
מִן
(min)
van
הַדָּ֔ם
(hadam)
het bloed
וְנָֽתְנ֛וּ
(venatenu)
en zullen aanbrengen
עַל
(al)
op
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
beide
הַמְּזוּזֹ֖ת
(hamezuzot)
deurposten
וְעַל
(veal)
en op
הַמַּשְׁק֑וֹף
(hamashqof)
de bovendorpel
עַ֚ל
(al)
op
הַבָּ֣תִּ֔ים
(habatim)
de huizen
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
יֹאכְל֥וּ
(yokhlu)
zij eten
אֹת֖וֹ
(oto)
het
בָּהֶֽם
(bahem)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zij moeten het vlees in deze nacht eten, gebraden op het vuur, met ongezuurde broden en bittere kruiden.
וְאָכְל֥וּ
(veakhelu)
en zullen eten
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּשָׂ֖ר
(habasar)
het vlees
בַּלַּ֣יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
צְלִי
(tseli)
gebraden van
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur
וּמַצּ֔וֹת
(umatsot)
en ongezuurde broden
עַל
(al)
op
מְרֹרִ֖ים
(merorim)
bittere kruiden
יֹאכְלֻֽהוּ
(yokhluhu)
zullen zij het eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְרֹרִים (merorim), ‘bittere kruiden’, verwijst naar de bitterheid van de slavernij (1:14; zie ook Num. 9:11).

9Eet er niets van rauw of gekookt in water, maar gebraden op het vuur, met zijn kop, zijn poten en zijn ingewanden.
אַל
(al)
niet
תֹּאכְל֤וּ
(tokhlu)
eet
מִמֶּ֨נּוּ֙
(mimenu)
ervan
נָ֔א
(na)
rauw
וּבָשֵׁ֥ל
(uvashel)
en gekookt
מְבֻשָּׁ֖ל
(mevushal)
gekookt
בַּמָּ֑יִם
(bamayim)
in water
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
indien
צְלִי
(tseli)
gebraden van
אֵ֔שׁ
(esh)
vuur
רֹאשׁ֥וֹ
(rosho)
zijn kop
עַל
(al)
met
כְּרָעָ֖יו
(keraav)
zijn poten
וְעַל
(veal)
en met
קִרְבּֽוֹ
(qirbo)
zijn inwendige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Laat er niets van overblijven tot de morgen; wat tot de morgen overblijft, moeten jullie met vuur verbranden.
וְלֹא
(velo)
en niet
תוֹתִ֥ירוּ
(totiru)
laat overblijven
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
ervan
עַד
(ad)
tot
בֹּ֑קֶר
(boqer)
morgen
וְהַנֹּתָ֥ר
(vehanotar)
en wat overblijft
מִמֶּ֛נּוּ
(mimenu)
ervan
עַד
(ad)
tot
בֹּ֖קֶר
(boqer)
morgen
בָּאֵ֥שׁ
(baesh)
met vuur
תִּשְׂרֹֽפוּ
(tisrofu)
verbrandt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zo moeten jullie het eten: jullie lendenen omgord, jullie sandalen aan jullie voeten en jullie staf in jullie hand. Eet het haastig. Het is een Pesach voor Yahweh.
וְכָכָה֮
(vekhakha)
en zo
תֹּאכְל֣וּ
(tokhlu)
zult eten
אֹתוֹ֒
(oto)
het
מָתְנֵיכֶ֣ם
(mateneikhem)
jullie lendenen
חֲגֻרִ֔ים
(chagurim)
omgord
נַֽעֲלֵיכֶם֙
(naaleikhem)
jullie sandalen
בְּרַגְלֵיכֶ֔ם
(beragleikhem)
aan jullie voeten
וּמַקֶּלְכֶ֖ם
(umaqelkhem)
en jullie staf
בְּיֶדְכֶ֑ם
(beyedkhem)
in jullie hand
וַאֲכַלְתֶּ֤ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
אֹתוֹ֙
(oto)
het
בְּחִפָּז֔וֹן
(bechipazon)
in haast
פֶּ֥סַח
(pesach)
pesach
ה֖וּא
(hu)
het is
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּסַח (pesach) is hier de naam van het lam en later van het feest.

Het werkwoord פָּסַח (pasach) in vers 13, 23 en 27 betekent ‘voorbijgaan’, ‘overspringen’ of ‘beschermen’ (Jes. 31:5).

12Want in deze nacht zal Ik door het land Egypte gaan en elke eerstgeborene in het land Egypte slaan, van mens tot dier. En over alle goden van Egypte zal Ik oordelen vellen. Ik ben Yahweh.
וְעָבַרְתִּ֣י
(veavarti)
en Ik zal doorgaan
בְאֶֽרֶץ
(beerets)
door het land van
מִצְרַיִם֮
(mitsrayim)
Egypte
בַּלַּ֣יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַזֶּה֒
(haze)
deze
וְהִכֵּיתִ֤י
(vehikeiti)
en Ik zal slaan
כָל
(kal)
elke
בְּכוֹר֙
(bekhor)
eerstgeborene
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
מֵאָדָ֖ם
(meadam)
van mens
וְעַד
(vead)
tot
בְּהֵמָ֑ה
(behema)
dier
וּבְכָל
(uvekhal)
en over alle
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
goden van
מִצְרַ֛יִם
(mitsrayim)
Egypte
אֶֽעֱשֶׂ֥ה
(eese)
zal Ik doen
שְׁפָטִ֖ים
(shefatim)
oordelen
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

‘Over alle goden van Egypte zal Ik oordelen vellen’: de tiende plaag treft ook de godenwereld van Egypte (zie ook Num. 33:4).

13Het bloed zal voor jullie een teken zijn op de huizen waar jullie zijn. Wanneer Ik het bloed zie, zal Ik aan jullie voorbijgaan, en er zal geen verderfelijke plaag onder jullie zijn wanneer Ik het land Egypte sla.
וְהָיָה֩
(vehaya)
en het zal zijn
הַדָּ֨ם
(hadam)
het bloed
לָכֶ֜ם
(lakhem)
voor jullie
לְאֹ֗ת
(leot)
tot een teken
עַ֤ל
(al)
op
הַבָּתִּים֙
(habatim)
de huizen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
שָׁ֔ם
(sham)
daar
וְרָאִ֨יתִי֙
(veraiti)
en Ik zal zien
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּ֔ם
(hadam)
het bloed
וּפָסַחְתִּ֖י
(ufasachti)
en Ik zal voorbijgaan
עֲלֵכֶ֑ם
(alekhem)
aan jullie
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִֽהְיֶ֨ה
(yihye)
zal zijn
בָכֶ֥ם
(bakhem)
onder jullie
נֶ֨גֶף֙
(negef)
plaag
לְמַשְׁחִ֔ית
(lemashchit)
tot verderf
בְּהַכֹּתִ֖י
(behakoti)
wanneer Ik sla
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מַשְׁחִית (mashchit), ‘verderver’ (vers 23), is degene die het verderf brengt.

Het bloed is een teken voor de bewoners; Yahweh ziet het en gaat voorbij.

14Deze dag zal voor jullie een gedachtenis zijn, en jullie moeten die vieren als feest voor Yahweh. Van generatie op generatie, als eeuwige verordening, moeten jullie die vieren.
וְהָיָה֩
(vehaya)
en zal zijn
הַיּ֨וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֤ה
(haze)
deze
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
לְזִכָּר֔וֹן
(lezikaron)
tot een gedachtenis
וְחַגֹּתֶ֥ם
(vechagotem)
en jullie zullen vieren
אֹת֖וֹ
(oto)
het
חַ֣ג
(chag)
een feest
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
לְדֹרֹ֣תֵיכֶ֔ם
(ledoroteikhem)
voor jullie generaties
חֻקַּ֥ת
(chuqat)
een verordening van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwigheid
תְּחָגֻּֽהוּ
(techaguhu)
zult jullie het vieren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Zeven dagen moeten jullie ongezuurde broden eten. Al op de eerste dag moeten jullie het zuurdeeg uit jullie huizen verwijderen. Want ieder die gezuurd brood eet van de eerste dag tot de zevende, die persoon zal uit Israël worden afgesneden.
שִׁבְעַ֤ת
(shivat)
zeven
יָמִים֙
(yamim)
dagen
מַצּ֣וֹת
(matsot)
ongezuurde broden
תֹּאכֵ֔לוּ
(tokhelu)
zult jullie eten
אַ֚ךְ
(akh)
maar
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הָרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
eerste
תַּשְׁבִּ֥יתוּ
(tashbitu)
zult jullie verwijderen
שְּׂאֹ֖ר
(seor)
zuurdeeg
מִבָּתֵּיכֶ֑ם
(mibateikhem)
uit jullie huizen
כִּ֣י
(ki)
want
כָּל
(kal)
ieder
אֹכֵ֣ל
(okhel)
die eet
חָמֵ֗ץ
(chamets)
gezuurd
וְנִכְרְתָ֞ה
(venikhreta)
en zal worden afgesneden
הַנֶּ֤פֶשׁ
(hanefesh)
de persoon
הַהִוא֙
(hahi)
die
מִיִּשְׂרָאֵ֔ל
(miyisrael)
uit Israël
מִיּ֥וֹם
(miyom)
van de dag
הָרִאשֹׁ֖ן
(harishon)
eerste
עַד
(ad)
tot
י֥וֹם
(yom)
de dag
הַשְּׁבִעִֽי
(hashevii)
zevende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Afgesneden’ (נִכְרְתָה, nikhretah) betekent hier uit het volk worden verwijderd; het kan de dood of verbanning zijn.

16Op de eerste dag is er een heilige samenkomst, en op de zevende dag is er een heilige samenkomst voor jullie. Op die dagen mag geen enkel werk gedaan worden, behalve wat door ieder gegeten wordt; alleen dat mag door jullie bereid worden.
וּבַיּ֤וֹם
(uvayom)
en op de dag
הָרִאשׁוֹן֙
(harishon)
eerste
מִקְרָא
(miqra)
een samenroeping
קֹ֔דֶשׁ
(qodesh)
heilige
וּבַיּוֹם֙
(uvayom)
en op de dag
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
zevende
מִקְרָא
(miqra)
een samenroeping
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilige
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
כָּל
(kal)
geen
מְלָאכָה֙
(melakha)
werk
לֹא
(lo)
niet
יֵעָשֶׂ֣ה
(yease)
zal gedaan worden
בָהֶ֔ם
(bahem)
daarin
אַ֚ךְ
(akh)
alleen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
יֵאָכֵ֣ל
(yeakhel)
gegeten wordt
לְכָל
(lekhal)
door iedere
נֶ֔פֶשׁ
(nefesh)
persoon
ה֥וּא
(hu)
dat
לְבַדּ֖וֹ
(levado)
alleen
יֵעָשֶׂ֥ה
(yease)
mag gedaan worden
לָכֶֽם
(lakhem)
door jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Jullie moeten de ongezuurde broden houden. Want op precies deze dag heb Ik jullie legerscharen uit het land Egypte geleid. Jullie moeten deze dag houden, van generatie op generatie, als eeuwige verordening.
וּשְׁמַרְתֶּם֮
(ushemartem)
en jullie zullen houden
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּצּוֹת֒
(hamatsot)
de ongezuurde broden
כִּ֗י
(ki)
want
בְּעֶ֨צֶם֙
(beetsem)
op de zelfde
הַיּ֣וֹם
(hayom)
dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
הוֹצֵ֥אתִי
(hotseti)
heb Ik uitgeleid
אֶת
(et)
(obj.)
צִבְאוֹתֵיכֶ֖ם
(tsivoteikhem)
jullie legerscharen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וּשְׁמַרְתֶּ֞ם
(ushemartem)
en jullie zullen houden
אֶת
(et)
(obj.)
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֛ה
(haze)
deze
לְדֹרֹתֵיכֶ֖ם
(ledoroteikhem)
voor jullie generaties
חֻקַּ֥ת
(chuqat)
een verordening van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Het feest van de ongezuurde broden (מַצּוֹת, matsot) is verbonden met Pesach; zie Lev. 23:5–8; Num. 28:16–25; Deut. 16:1–8.

Aanvullend

Jubileeën 49:1–23 beschrijft de instelling en de viering van het Pesach.

18In de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, in de avond, moeten jullie ongezuurde broden eten, tot de eenentwintigste dag van de maand, in de avond.
בָּרִאשֹׁ֡ן
(barishon)
in de eerste
בְּאַרְבָּעָה֩
(bearbaa)
op de vier
עָשָׂ֨ר
(asar)
tien
י֤וֹם
(yom)
dag
לַחֹ֨דֶשׁ֙
(lachodesh)
van de maand
בָּעֶ֔רֶב
(baerev)
in de avond
תֹּאכְל֖וּ
(tokhlu)
zult eten
מַצֹּ֑ת
(matsot)
ongezuurde broden
עַ֠ד
(ad)
tot
י֣וֹם
(yom)
de dag
הָאֶחָ֧ד
(haechad)
de eerste
וְעֶשְׂרִ֛ים
(veesrim)
en twintigste
לַחֹ֖דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
בָּעָֽרֶב
(baarev)
in de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De eerste maand heet in vers 2 ‘de eerste van de maanden’.

Op de veertiende in de avond begint de week van de ongezuurde broden.

19Zeven dagen mag er geen zuurdeeg in jullie huizen gevonden worden. Want ieder die iets gezuurds eet, die persoon zal uit de gemeenschap van Israël worden afgesneden, of hij een vreemdeling is of een inheemse van het land.
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
שְׂאֹ֕ר
(seor)
zuurdeeg
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמָּצֵ֖א
(yimatse)
zal gevonden worden
בְּבָתֵּיכֶ֑ם
(bevateikhem)
in jullie huizen
כִּ֣י
(ki)
want
כָּל
(kal)
ieder
אֹכֵ֣ל
(okhel)
die eet
מַחְמֶ֗צֶת
(machmetset)
iets gezuurds
וְנִכְרְתָ֞ה
(venikhreta)
en zal worden afgesneden
הַנֶּ֤פֶשׁ
(hanefesh)
de persoon
הַהִוא֙
(hahi)
die
מֵעֲדַ֣ת
(meadat)
uit de gemeenschap van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בַּגֵּ֖ר
(bager)
bij de vreemdeling
וּבְאֶזְרַ֥ח
(uveezrach)
en bij de inheemse
הָאָֽרֶץ
(haarets)
van het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Eet niets gezuurds; in al jullie woonplaatsen moeten jullie ongezuurde broden eten.”
כָּל
(kal)
alles
מַחְמֶ֖צֶת
(machmetset)
gezuurds
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹאכֵ֑לוּ
(tokhelu)
zult eten
בְּכֹל֙
(bekhol)
in alle
מוֹשְׁבֹ֣תֵיכֶ֔ם
(moshevoteikhem)
jullie woonplaatsen
תֹּאכְל֖וּ
(tokhlu)
zult eten
מַצּֽוֹת
(matsot)
ongezuurde broden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Mozes onderwijst de oudsten

21Mozes riep alle oudsten van Israël en zei tot hen: „Ga, neem voor jullie families kleinvee en slacht het Pesach.
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en riep
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
לְכָל
(lekhal)
alle
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
oudsten van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
tot hen
מִֽשְׁכ֗וּ
(mishkhu)
trekt uit
וּקְח֨וּ
(uqechu)
en neemt
לָכֶ֥ם
(lakhem)
voor jullie
צֹ֛אן
(tson)
kleinvee
לְמִשְׁפְּחֹתֵיכֶ֖ם
(lemishpechoteikhem)
voor jullie families
וְשַׁחֲט֥וּ
(veshachatu)
en slacht
הַפָּֽסַח
(hapasach)
het pesach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Neem een bos hysop, doop die in het bloed in de schaal, en breng van het bloed in de schaal aan op de bovendorpel en op de beide deurposten. En niemand van jullie mag de deur van zijn huis uitgaan tot de morgen.
וּלְקַחְתֶּ֞ם
(uleqachtem)
en neemt
אֲגֻדַּ֣ת
(agudat)
een bos
אֵז֗וֹב
(ezov)
hysop
וּטְבַלְתֶּם֮
(utevaltem)
en doopt
בַּדָּ֣ם
(badam)
in het bloed
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בַּסַּף֒
(basaf)
in de schaal
וְהִגַּעְתֶּ֤ם
(vehigatem)
en laat raken
אֶל
(el)
aan
הַמַּשְׁקוֹף֙
(hamashqof)
de bovendorpel
וְאֶל
(veel)
en aan
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
beide
הַמְּזוּזֹ֔ת
(hamezuzot)
deurposten
מִן
(min)
van
הַדָּ֖ם
(hadam)
het bloed
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בַּסָּ֑ף
(basaf)
in de schaal
וְאַתֶּ֗ם
(veatem)
en jullie
לֹ֥א
(lo)
niet
תֵצְא֛וּ
(tetseu)
zullen uitgaan
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
מִפֶּֽתַח
(mipetach)
uit de deur van
בֵּית֖וֹ
(beito)
zijn huis
עַד
(ad)
tot
בֹּֽקֶר
(boqer)
morgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hysop (אֵזוֹב, ezov) is een struikje waarmee men besprenkelde; zie ook Lev. 14:4–6; Num. 19:6, 18.

De ‘schaal’ (סַף, saf) kan ook ‘drempel’ betekenen; wij kiezen ‘schaal’ omdat het bloed daarin werd opgevangen.

23Want Yahweh zal door het land gaan om Egypte te slaan. Wanneer Hij het bloed ziet op de bovendorpel en op de beide deurposten, zal Yahweh aan de deur voorbijgaan en de verderver niet toelaten in jullie huizen te komen om te slaan.
וְעָבַ֣ר
(veavar)
en zal doorgaan
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
לִנְגֹּ֣ף
(lingof)
om te slaan
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְרַיִם֒
(mitsrayim)
Egypte
וְרָאָ֤ה
(veraa)
en zal zien
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּם֙
(hadam)
het bloed
עַל
(al)
op
הַמַּשְׁק֔וֹף
(hamashqof)
de bovendorpel
וְעַ֖ל
(veal)
en op
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
beide
הַמְּזוּזֹ֑ת
(hamezuzot)
deurposten
וּפָסַ֤ח
(ufasach)
en zal voorbijgaan
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
aan
הַפֶּ֔תַח
(hapetach)
de deur
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יִתֵּן֙
(yiten)
zal toelaten
הַמַּשְׁחִ֔ית
(hamashchit)
de verderver
לָבֹ֥א
(lavo)
binnen te komen
אֶל
(el)
naar
בָּתֵּיכֶ֖ם
(bateikhem)
jullie huizen
לִנְגֹּֽף
(lingof)
om te slaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Of het Yahweh zelf is die de eerstgeborenen slaat of ‘de verderver’ (hamashchit), laat de tekst open: Yahweh is de handelende, de verderver wordt van het huis weggehouden.

24Jullie moeten dit woord houden als een verordening voor jou en je zonen, voor altijd.
וּשְׁמַרְתֶּ֖ם
(ushemartem)
en jullie zullen houden
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
לְחָק
(lechaq)
als verordening
לְךָ֥
(lekha)
voor jou
וּלְבָנֶ֖יךָ
(ulevaneikha)
en voor je zonen
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Wanneer jullie in het land komen dat Yahweh jullie zal geven, zoals Hij gesproken heeft, moeten jullie deze dienst houden.
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
תָבֹ֣אוּ
(tavou)
jullie komen
אֶל
(el)
naar
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יִתֵּ֧ן
(yiten)
zal geven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
דִּבֵּ֑ר
(diber)
Hij sprak
וּשְׁמַרְתֶּ֖ם
(ushemartem)
dan zullen jullie houden
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֲבֹדָ֥ה
(haavoda)
de dienst
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26En wanneer jullie kinderen tot jullie zeggen: ‘Wat betekent deze dienst voor jullie?’,
וְהָיָ֕ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
יֹאמְר֥וּ
(yomru)
zullen zeggen
אֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
tot jullie
בְּנֵיכֶ֑ם
(beneikhem)
jullie kinderen
מָ֛ה
(ma)
wat
הָעֲבֹדָ֥ה
(haavoda)
de dienst
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27dan moeten jullie zeggen: ‘Het is het Pesachoffer voor Yahweh, die de huizen van de zonen van Israël in Egypte voorbijging toen Hij Egypte sloeg en onze huizen redde.’” Het volk boog zich en wierp zich neer.
וַאֲמַרְתֶּ֡ם
(vaamartem)
dan zullen jullie zeggen
זֶֽבַח
(zevach)
slachtoffer van
פֶּ֨סַח
(pesach)
pesach
ה֜וּא
(hu)
het is
לַֽיהוָ֗ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
פָּ֠סַח
(pasach)
voorbijging
עַל
(al)
over
בָּתֵּ֤י
(batei)
de huizen van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בְּמִצְרַ֔יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
בְּנָגְפּ֥וֹ
(benagpo)
toen Hij sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּתֵּ֣ינוּ
(bateinu)
onze huizen
הִצִּ֑יל
(hitsil)
redde Hij
וַיִּקֹּ֥ד
(vayiqod)
en boog
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
וַיִּֽשְׁתַּחֲוּֽוּ
(vayishtachauu)
en wierpen zich neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

De vraag van het kind (vers 26) is een van de kindervragen die later terugkomen; zie ook 13:8, 14; Deut. 6:20–25.

28De zonen van Israël gingen en deden zoals Yahweh Mozes en Aäron had geboden; zo deden zij.
וַיֵּלְכ֥וּ
(vayelekhu)
en gingen
וַיַּֽעֲשׂ֖וּ
(vayaasu)
en deden
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֧ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹ֖ן
(veaharon)
en Aäron
כֵּ֥ן
(ken)
zo
עָשֽׂוּ
(asu)
deden zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookHeb 11:28

De dood van de eerstgeborenen

29Het gebeurde te middernacht dat Yahweh elke eerstgeborene in het land Egypte sloeg, van de eerstgeborene van de farao, die op zijn troon zat, tot de eerstgeborene van de gevangene in de kerker, en elke eerstgeborene van het vee.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het geschiedde
בַּחֲצִ֣י
(bachatsi)
om het midden van
הַלַּ֗יְלָה
(halayla)
de nacht
וַֽיהוָה֮
(vaYahweh)
en Yahweh
הִכָּ֣ה
(hika)
sloeg
כָל
(kal)
elke
בְּכוֹר֮
(bekhor)
eerstgeborene
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַיִם֒
(mitsrayim)
Egypte
מִבְּכֹ֤ר
(mibekhor)
van de eerstgeborene van
פַּרְעֹה֙
(paro)
de farao
הַיֹּשֵׁ֣ב
(hayoshev)
die zit
עַל
(al)
op
כִּסְא֔וֹ
(kiso)
zijn troon
עַ֚ד
(ad)
tot
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
de eerstgeborene van
הַשְּׁבִ֔י
(hashevi)
de gevangene
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
הַבּ֑וֹר
(habor)
de kerker
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en elke
בְּכ֥וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
בְּהֵמָֽה
(behema)
vee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

De laatste plaag treft de eerstgeborenen van mens en dier.

‘De gevangene in de kerker’ (בֵּית הַבּוֹר, beit habor), letterlijk ‘het huis van de put’, is de laagste plaats in de samenleving.

Aanvullend

Jasher 81:1–6 vertelt de uittocht.

30De farao stond in die nacht op, hij en al zijn dienaren en heel Egypte. Er was een groot geschreeuw in Egypte, want er was geen huis waar geen dode was.
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en stond op
פַּרְעֹ֜ה
(paro)
de farao
לַ֗יְלָה
(layla)
de nacht
ה֤וּא
(hu)
die
וְכָל
(vekhal)
en alle
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
וְכָל
(vekhal)
en alle
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egyptenaren
וַתְּהִ֛י
(vatehi)
en er was
צְעָקָ֥ה
(tseaqa)
een geschreeuw
גְדֹלָ֖ה
(gedola)
groot
בְּמִצְרָ֑יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
כִּֽי
(ki)
want
אֵ֣ין
(ein)
er was geen
בַּ֔יִת
(bayit)
huis
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
אֵֽין
(ein)
niet
שָׁ֖ם
(sham)
daar
מֵֽת
(met)
een dode
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

31Hij liet Mozes en Aäron in de nacht roepen en zei: „Sta op, ga uit het midden van mijn volk weg, jullie en ook de zonen van Israël. Ga en dien Yahweh, zoals jullie hebben gezegd.
וַיִּקְרָא֩
(vayiqra)
en riep
לְמֹשֶׁ֨ה
(lemoshe)
Mozes
וּֽלְאַהֲרֹ֜ן
(uleaharon)
en Aäron
לַ֗יְלָה
(layla)
de nacht
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
ק֤וּמוּ
(qumu)
sta op
צְּאוּ֙
(tseu)
trek uit
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
עַמִּ֔י
(ami)
mijn volk
גַּם
(gam)
zowel
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
גַּם
(gam)
als
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וּלְכ֛וּ
(ulekhu)
en ga
עִבְד֥וּ
(ivdu)
dien
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּדַבֶּרְכֶֽם
(kedaberkhem)
zoals jullie hebben gezegd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dat de farao Mozes en Aäron ’s nachts roept, is zijn eigen weerlegging van wat hij in 10:28 zei: ‘zie mijn gezicht nooit meer’.

32Neem ook jullie kleinvee en rundvee mee, zoals jullie hebben gezegd, en ga. En zegen ook mij.”
גַּם
(gam)
ook
צֹאנְכֶ֨ם
(tsonkhem)
jullie kleinvee
גַּם
(gam)
ook
בְּקַרְכֶ֥ם
(beqarkhem)
jullie rundvee
קְח֛וּ
(qechu)
neem mee
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּבַּרְתֶּ֖ם
(dibartem)
jullie hebben gezegd
וָלֵ֑כוּ
(valekhu)
en ga
וּבֵֽרַכְתֶּ֖ם
(uverakhtem)
en zegen
גַּם
(gam)
ook
אֹתִֽי
(oti)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘En zegen ook mij’: de farao vraagt om zegen; dat kan oprecht zijn of de laatste poging van een verslagen koning.

33De Egyptenaren drongen bij het volk aan om hen snel uit het land te laten gaan, want zij zeiden: „Wij zijn allen dood.”
וַתֶּחֱזַ֤ק
(vatechezaq)
en drong aan
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
עַל
(al)
op
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
לְמַהֵ֖ר
(lemaher)
om te haasten
לְשַׁלְּחָ֣ם
(leshalecham)
hen te laten gaan
מִן
(min)
uit
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
כִּ֥י
(ki)
want
אָמְר֖וּ
(ameru)
zij zeiden
כֻּלָּ֥נוּ
(kulanu)
wij allen
מֵתִֽים
(metim)
doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Het volk nam zijn deeg mee voordat het gezuurd was, hun baktroggen in hun kleren gebonden op hun schouders.
וַיִּשָּׂ֥א
(vayisa)
en droeg
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
אֶת
(et)
(obj.)
בְּצֵק֖וֹ
(betseqo)
zijn deeg
טֶ֣רֶם
(terem)
voordat
יֶחְמָ֑ץ
(yechmats)
het gezuurd was
מִשְׁאֲרֹתָ֛ם
(misharotam)
hun baktroggen
צְרֻרֹ֥ת
(tserurot)
gebonden
בְּשִׂמְלֹתָ֖ם
(besimlotam)
in hun kleren
עַל
(al)
op
שִׁכְמָֽם
(shikhmam)
hun schouder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 7:28
35De zonen van Israël deden naar het woord van Mozes en vroegen de Egyptenaren om zilveren en gouden voorwerpen en om kleren.
וּבְנֵי
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
עָשׂ֖וּ
(asu)
deden
כִּדְבַ֣ר
(kidvar)
naar het woord van
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וַֽיִּשְׁאֲלוּ֙
(vayishalu)
en vroegen
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
van de Egyptenaren
כְּלֵי
(kelei)
voorwerpen van
כֶ֛סֶף
(kesef)
zilver
וּכְלֵ֥י
(ukhelei)
en voorwerpen van
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
וּשְׂמָלֹֽת
(usemalot)
en kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁאַל (sha’al) is hier ‘vragen’; de Egyptenaren geven (vers 36).

De tekst zegt niet dat het ‘lenen’ was.

Zie 3:21–22 en 11:2–3.

36Yahweh liet het volk gunst vinden in de ogen van de Egyptenaren, en zij gaven hun wat zij vroegen. Zo plunderden zij Egypte.
וַֽיהוָ֞ה
(vaYahweh)
en Yahweh
נָתַ֨ן
(natan)
gaf
אֶת
(et)
(obj.)
חֵ֥ן
(chen)
gunst van
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
de Egyptenaren
וַיַּשְׁאִל֑וּם
(vayashilum)
en zij gaven hun wat zij vroegen
וַֽיְנַצְּל֖וּ
(vaynatselu)
en zij plunderden
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

De uittocht uit Egypte

37De zonen van Israël braken op van Raämses naar Sukkot, ongeveer zeshonderdduizend man te voet, afgezien van de kleintjes.
וַיִּסְע֧וּ
(vayisu)
en braken op
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
מֵרַעְמְסֵ֖ס
(merameses)
van Raämses
סֻכֹּ֑תָה
(sukota)
naar Sukkot
כְּשֵׁשׁ
(keshesh)
ongeveer zes
מֵא֨וֹת
(meot)
honderd
אֶ֧לֶף
(elef)
duizend
רַגְלִ֛י
(ragli)
te voet
הַגְּבָרִ֖ים
(hagevarim)
de mannen
לְבַ֥ד
(levad)
afgezien van
מִטָּֽף
(mitaf)
kleintjes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Raämses lag in de oostelijke Nijldelta; Sukkot ligt ten oosten daarvan, in de buurt van Wadi Tumilat.

Het volk trekt vanaf Sukkot verder naar Etam (13:20).

Uitleg

‘Zeshonderdduizend man te voet’ (vergelijk Num. 1:46: 603.550) is de legersterkte van mannen, zonder vrouwen en kinderen.

Wij laten het getal staan; sommige uitleggers lezen ‘duizend’ (אֶלֶף, elef) als ‘geslacht’ of ‘eenheid’.

Vergelijk Gen. 46:3, waar Elohim zegt dat Hij Jakob in Egypte tot een groot volk zal maken.

Aanvullend

Jasher 81:1–5 bevestigt dit.

38Ook een grote gemengde schare trok met hen mee, en kleinvee en rundvee, zeer veel vee.
וְגַם
(vegam)
en ook
עֵ֥רֶב
(erev)
een gemengde schare
רַ֖ב
(rav)
grote
עָלָ֣ה
(ala)
trok op
אִתָּ֑ם
(itam)
met hen
וְצֹ֣אן
(vetson)
en kleinvee
וּבָקָ֔ר
(uvaqar)
en rundvee
מִקְנֶ֖ה
(miqne)
vee
כָּבֵ֥ד
(kaved)
zwaar
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵרֶב רַב (erev rav), ‘een grote gemengde schare’, zijn niet-Israëlieten die met hen meetrekken (Num. 11:4).

39Zij bakten van het deeg dat zij uit Egypte hadden meegenomen ongezuurde koeken, want het was niet gezuurd. Want zij waren uit Egypte verdreven en konden niet talmen. En zij hadden zich ook geen reisproviand klaargemaakt.
וַיֹּאפ֨וּ
(vayofu)
en zij bakten
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּצֵ֜ק
(habatseq)
het deeg
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
הוֹצִ֧יאוּ
(hotsiu)
zij hadden meegenomen
מִמִּצְרַ֛יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
עֻגֹ֥ת
(ugot)
koeken van
מַצּ֖וֹת
(matsot)
ongezuurd
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
חָמֵ֑ץ
(chamets)
was gezuurd
כִּֽי
(ki)
want
גֹרְשׁ֣וּ
(goreshu)
zij werden verdreven
מִמִּצְרַ֗יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יָֽכְלוּ֙
(yakhelu)
konden zij
לְהִתְמַהְמֵ֔הַּ
(lehitmahmeha)
talmen
וְגַם
(vegam)
en ook
צֵדָ֖ה
(tseda)
reisproviand
לֹא
(lo)
niet
עָשׂ֥וּ
(asu)
hadden zij gemaakt
לָהֶֽם
(lahem)
voor zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

40Het verblijf van de zonen van Israël in Egypte was vierhonderddertig jaar.
וּמוֹשַׁב֙
(umoshav)
en het verblijf van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
יָשְׁב֖וּ
(yashevu)
zij verbleven
בְּמִצְרָ֑יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
וְאַרְבַּ֥ע
(vearba)
en vier
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Lezing

De Masoretische tekst heeft hier ‘de zonen van Israël die in Egypte woonden’: 430 jaar.

De Samaritaanse tekst en de Griekse vertaling hebben ‘in Egypte en in Kanaän’, waardoor de 430 jaar bij Abraham beginnen (Gal. 3:17).

Wij volgen de Masoretische tekst.

Gen. 15:13 spreekt van 400 jaar vreemdelingschap.

Aanvullend

Jasher 81:3–4 geeft een korter verblijf: 210 jaar.

41Na afloop van de vierhonderddertig jaar, op precies diezelfde dag, trokken alle legerscharen van Yahweh uit het land Egypte.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het geschiedde
מִקֵּץ֙
(miqets)
aan het einde van
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
וְאַרְבַּ֥ע
(vearba)
en vier
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het geschiedde
בְּעֶ֨צֶם֙
(beetsem)
op de zelfde
הַיּ֣וֹם
(hayom)
dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
יָֽצְא֛וּ
(yatseu)
trokken uit
כָּל
(kal)
alle
צִבְא֥וֹת
(tsivot)
legerscharen van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

42Het is een nacht van waken voor Yahweh om hen uit het land Egypte te leiden. Deze nacht is een nacht van waken voor Yahweh voor alle zonen van Israël, van generatie op generatie.
לֵ֣יל
(leil)
een nacht van
שִׁמֻּרִ֥ים
(shimurim)
waken
הוּא֙
(hu)
het is
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
לְהוֹצִיאָ֖ם
(lehotsiam)
om hen uit te leiden
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
הֽוּא
(hu)
het is
הַלַּ֤יְלָה
(halayla)
de nacht
הַזֶּה֙
(haze)
deze
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
שִׁמֻּרִ֛ים
(shimurim)
waken
לְכָל
(lekhal)
voor alle
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְדֹרֹתָֽם
(ledorotam)
voor hun generaties
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

לֵיל שִׁמֻּרִים (leil shimmurim), ‘nacht van waken’: het is een nacht waarin Yahweh waakte en waarin Israël zal waken.

De uitdrukking is zeldzaam; hij komt alleen hier voor.

Regels voor het Pesach

43Yahweh zei tot Mozes en Aäron: „Dit is de verordening voor het Pesach: geen vreemde mag ervan eten.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹ֔ן
(veaharon)
en Aäron
זֹ֖את
(zot)
dit is
חֻקַּ֣ת
(chuqat)
de verordening van
הַפָּ֑סַח
(hapasach)
het pesach
כָּל
(kal)
elke
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵכָ֖ר
(nekhar)
een vreemde
לֹא
(lo)
niet
יֹ֥אכַל
(yokhal)
zal eten
בּֽוֹ
(bo)
ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De verzen 43–49 regelen wie aan het Pesach mag deelnemen.

Zie ook Num. 9:6–14.

44Maar iedere slaaf van iemand, gekocht met geld, mag ervan eten nadat jij hem hebt besneden.
וְכָל
(vekhal)
en elke
עֶ֥בֶד
(eved)
slaaf van
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
מִקְנַת
(miqnat)
gekocht met
כָּ֑סֶף
(kasef)
geld
וּמַלְתָּ֣ה
(umalta)
en jij besnijdt
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
אָ֖ז
(az)
dan
יֹ֥אכַל
(yokhal)
mag hij eten
בּֽוֹ
(bo)
ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45Een bijwoner en een loonarbeider mogen er niet van eten.
תּוֹשָׁ֥ב
(toshav)
bijwoner
וְשָׂכִ֖יר
(vesakhir)
en loonarbeider
לֹא
(lo)
niet
יֹ֥אכַל
(yokhal)
zal eten
בּֽוֹ
(bo)
ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
46In één huis moet het worden gegeten; je mag niets van het vlees naar buiten brengen, en jullie mogen er geen been van breken.
בְּבַ֤יִת
(bevayit)
in een huis
אֶחָד֙
(echad)
één
יֵאָכֵ֔ל
(yeakhel)
zal het gegeten worden
לֹא
(lo)
niet
תוֹצִ֧יא
(totsi)
breng uit
מִן
(min)
uit
הַבַּ֛יִת
(habayit)
het huis
מִן
(min)
van
הַבָּשָׂ֖ר
(habasar)
het vlees
ח֑וּצָה
(chutsa)
naar buiten
וְעֶ֖צֶם
(veetsem)
en een bot
לֹ֥א
(lo)
niet
תִשְׁבְּרוּ
(tishberu)
zult breken
בֽוֹ
(bo)
daarvan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Geen been breken’: Joh. 19:36 past dit op Jezus toe (vergelijk ook Num. 9:12; Ps. 34:21).

47Heel de gemeenschap van Israël moet het houden.
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֥ת
(adat)
de gemeenschap van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
יַעֲשׂ֥וּ
(yaasu)
zal doen
אֹתֽוֹ
(oto)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
48Wanneer een vreemdeling bij je verblijft en het Pesach voor Yahweh wil houden, laat dan al zijn mannen besneden worden. Dan mag hij naderen om het te houden, en hij zal zijn als een inheemse van het land. Maar geen onbesnedene mag ervan eten.
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
יָג֨וּר
(yagur)
verblijft
אִתְּךָ֜
(itekha)
bij jou
גֵּ֗ר
(ger)
een vreemdeling
וְעָ֣שָׂה
(veasa)
en hij viert
פֶסַח֮
(pesach)
pesach
לַיהוָה֒
(laYahweh)
voor Yahweh
הִמּ֧וֹל
(himol)
laat besnijden
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
כָל
(kal)
elke
זָכָ֗ר
(zakhar)
man
וְאָז֙
(veaz)
en dan
יִקְרַ֣ב
(yiqrav)
mag hij naderen
לַעֲשֹׂת֔וֹ
(laasoto)
om het te vieren
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en hij zal zijn
כְּאֶזְרַ֣ח
(keezrach)
als een inheemse
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
van het land
וְכָל
(vekhal)
en geen
עָרֵ֖ל
(arel)
onbesnedene
לֹֽא
(lo)
niet
יֹ֥אכַל
(yokhal)
zal eten
בּֽוֹ
(bo)
ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De vreemdeling die het Pesach wil houden, moet besneden zijn; dan geldt dezelfde wet voor hem als voor de inheemse (vers 49; Num. 9:14).

49Eén wet geldt voor de inheemse en voor de vreemdeling die in jullie midden verblijft.”
תּוֹרָ֣ה
(tora)
één
אַחַ֔ת
(achat)
wet
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
לָֽאֶזְרָ֑ח
(laezrach)
voor de inheemse
וְלַגֵּ֖ר
(velager)
en voor de vreemdeling
הַגָּ֥ר
(hagar)
die verblijft
בְּתוֹכְכֶֽם
(betokhekhem)
in jullie midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
50Alle zonen van Israël deden zoals Yahweh Mozes en Aäron had geboden; zo deden zij.
וַיַּֽעֲשׂ֖וּ
(vayaasu)
en deden
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֧ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
כֵּ֥ן
(ken)
zo
עָשֽׂוּ
(asu)
deden zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
51Op precies diezelfde dag leidde Yahweh de zonen van Israël naar hun legerscharen uit het land Egypte.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het geschiedde
בְּעֶ֖צֶם
(beetsem)
op de zelfde
הַיּ֣וֹם
(hayom)
dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
הוֹצִ֨יא
(hotsi)
leidde uit
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֧י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֖יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַל
(al)
naar
צִבְאֹתָֽם
(tsivotam)
hun legerscharen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Dit vers sluit af wat in vers 41 begon: ‘op precies diezelfde dag’ trok Israël uit, naar legerscharen.