Elohim Bijbel

Richteren 8

123456789101112131415161718192021

Efraïm, Sukkot en Penuël, de efod en de dood van Gideon

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Efraïm klaagt

1De mannen van Efraïm zeiden tegen hem: „Wat is dit voor iets dat je ons hebt aangedaan? Je hebt ons niet geroepen toen je ging strijden tegen Midian.” Zij maakten hem hevig verwijten.
וַיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
אִ֣ישׁ
(ish)
mannen van
אֶפְרַ֗יִם
(efrayim)
Efraïm
מָֽה
(ma)
wat
הַדָּבָ֤ר
(hadavar)
het ding
הַזֶּה֙
(haze)
dit
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
deed je
לָּ֔נוּ
(lanu)
aan ons
לְבִלְתִּי֙
(levilti)
door niet
קְרֹ֣אות
(qerovt)
te roepen
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
כִּ֥י
(ki)
toen
הָלַ֖כְתָּ
(halakhta)
je ging
לְהִלָּחֵ֣ם
(lehilachem)
om te strijden
בְּמִדְיָ֑ן
(bemidyan)
tegen Midian
וַיְרִיב֥וּן
(vayrivun)
en maakten verwijten
אִתּ֖וֹ
(ito)
hem
בְּחָזְקָֽה
(bechazeqa)
hevig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Efraïmieten voelen zich gepasseerd.

Efraïm is de machtigste stam in het noorden; vergelijk Richt. 12:1–6, waar het opnieuw gebeurt, tegen Jefta.

2Hij zei tegen hen: „Wat heb ik nu gedaan in vergelijking met jullie? Is de nalezing van Efraïm niet beter dan de druivenoogst van Abiëzer?
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
מֶה
(me)
wat
עָשִׂ֥יתִי
(asiti)
heb ik gedaan
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
כָּכֶ֑ם
(kakhem)
zoals jullie
הֲל֗וֹא
(halo)
niet
ט֛וֹב
(tov)
beter
עֹלְל֥וֹת
(olelot)
nalezing van
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
מִבְצִ֥יר
(mivtsir)
dan druivenoogst van
אֲבִיעֶֽזֶר
(aviezer)
Abiëzer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹלֲלוֹת (olelot), ‘nalezing’, tegenover בָּצִיר (batsir), ‘druivenoogst’: Gideon zegt dat de kleine daad van Efraïm meer waard is dan zijn eigen grote oogst.

Abiëzer is Gideons familie (Richt. 6:11).

3Elohim heeft de vorsten van Midian, Oreb en Zeëb, in jullie hand gegeven. Wat kon ik doen in vergelijking met jullie?” Toen hij dit zei, werd hun gemoed rustiger tegenover hem.
בְּיֶדְכֶם֩
(beyedkhem)
in jullie hand
נָתַ֨ן
(natan)
gaf
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֤י
(sarei)
vorsten van
מִדְיָן֙
(midyan)
Midian
אֶת
(et)
(obj.)
עֹרֵ֣ב
(orev)
Oreb
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זְאֵ֔ב
(zeev)
Zeëb
וּמַה
(uma)
en wat
יָּכֹ֖לְתִּי
(yakholti)
kon ik
עֲשׂ֣וֹת
(asot)
doen
כָּכֶ֑ם
(kakhem)
zoals jullie
אָ֗ז
(az)
toen
רָפְתָ֤ה
(rafeta)
werd rustig
רוּחָם֙
(rucham)
hun gemoed
מֵֽעָלָ֔יו
(mealav)
tegenover hem
בְּדַבְּר֖וֹ
(bedabero)
toen hij sprak
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘gemoed’: letterlijk ‘geest’ of ‘adem’.

Hun woede zakte weg.

Wij vertalen ‘gemoed’.

Sukkot en Penuël weigeren

4Gideon kwam bij de Jordaan en stak over, hij en de 300 man die bij hem waren. Zij waren vermoeid, maar zij bleven achtervolgen.
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
גִדְע֖וֹן
(gidon)
Gideon
הַיַּרְדֵּ֑נָה
(hayardena)
naar de Jordaan
עֹבֵ֣ר
(over)
stak over
ה֗וּא
(hu)
hij
וּשְׁלֹשׁ
(ushelosh)
en drie
מֵא֤וֹת
(meot)
honderd
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
עֲיֵפִ֖ים
(ayefim)
vermoeid
וְרֹדְפִֽים
(verodefim)
en achtervolgend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Jordaan is de rivier ten oosten van de vallei van Jizreël.

Gideon steekt hem over, richting Sukkot, ten oosten van de rivier (Jordanië).

5Hij zei tegen de mannen van Sukkot: „Geef toch broden aan het volk dat mij volgt, want zij zijn vermoeid. Ik ben Zebach en Zalmunna, de koningen van Midian, aan het achtervolgen.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
לְאַנְשֵׁ֣י
(leanshei)
tot mannen van
סֻכּ֔וֹת
(sukot)
Sukkot
תְּנוּ
(tenu)
geef
נָא֙
(na)
toch
כִּכְּר֣וֹת
(kikerot)
broden van
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
לָעָ֖ם
(laam)
aan het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בְּרַגְלָ֑י
(beraglay)
in mijn voetspoor
כִּי
(ki)
want
עֲיֵפִ֣ים
(ayefim)
vermoeid
הֵ֔ם
(hem)
zij
וְאָנֹכִ֗י
(veanokhi)
en ik
רֹדֵ֛ף
(rodef)
achtervolg
אַחֲרֵ֛י
(acharei)
achter
זֶ֥בַח
(zevach)
Zebach
וְצַלְמֻנָּ֖ע
(vetsalmuna)
en Zalmunna
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
מִדְיָֽן
(midyan)
Midian
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sukkot ligt ten oosten van de Jordaan, in de vallei van de Jabbok.

Het ligt waarschijnlijk bij Tell Deir Alla (Jordanië).

Dit is waarschijnlijk, niet zeker.

Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba.

Uitleg

Zebach (זֶבַח) en Zalmunna (צַלְמֻנָּע) zijn koningen van Midian.

In Ps. 83:12 worden zij samen met Oreb en Zeëb genoemd.

כִּכְּרוֹת (kikkarot), ‘broden’: ronde, platte broden.

Zie ook Exod. 29:23.

6De oversten van Sukkot zeiden: „Is de hand van Zebach en Zalmunna nu al in jouw hand? Moeten wij dan brood geven aan jouw leger?”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zeiden
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
סֻכּ֔וֹת
(sukot)
Sukkot
הֲ֠כַף
(hakhaf)
de hand
זֶ֧בַח
(zevach)
Zebach
וְצַלְמֻנָּ֛ע
(vetsalmuna)
en Zalmunna
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
בְּיָדֶ֑ךָ
(beyadekha)
in jouw hand
כִּֽי
(ki)
dat
נִתֵּ֥ן
(niten)
wij geven
לִֽצְבָאֲךָ֖
(litsvaakha)
aan je leger
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

‘De hand van Zebach en Zalmunna’ (כַּף, kaf): letterlijk ‘handpalm’.

De oversten van Sukkot zeggen: je hebt hen nog niet gevangen, waarom zouden wij je helpen?

Zij durven Midian niet te beledigen.

7Gideon zei: „Daarom dit: wanneer Yahweh Zebach en Zalmunna in mijn hand geeft, dan zal ik jullie vlees dorsen. Ik doe dat met de doornen van de woestijn en met distels.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
גִּדְע֔וֹן
(gidon)
Gideon
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
בְּתֵ֧ת
(betet)
wanneer geeft
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
זֶ֥בַח
(zevach)
Zebach
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צַלְמֻנָּ֖ע
(tsalmuna)
Zalmunna
בְּיָדִ֑י
(beyadi)
in mijn hand
וְדַשְׁתִּי֙
(vedashti)
en ik zal dorsen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשַׂרְכֶ֔ם
(besarkhem)
jullie vlees
אֶת
(et)
met
קוֹצֵ֥י
(qotsei)
doornen van
הַמִּדְבָּ֖ר
(hamidbar)
de woestijn
וְאֶת
(veet)
en met
הַֽבַּרְקֳנִֽים
(habarqonim)
de distels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דּוּשׁ (dush), ‘dorsen’: met zware sleden over het koren heen gaan.

Gideon dreigt de mannen van Sukkot zo te dorsen met doornen.

Vergelijk Amos 1:3.

8Van daar trok hij op naar Penuël. Hij sprak hen op dezelfde wijze aan. De mannen van Penuël antwoordden hem zoals de mannen van Sukkot hadden geantwoord.
וַיַּ֤עַל
(vayaal)
en trok op
מִשָּׁם֙
(misham)
vandaar
פְּנוּאֵ֔ל
(penuel)
naar Penuël
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
tot hen
כָּזֹ֑את
(kazot)
zo
וַיַּעֲנ֤וּ
(vayaanu)
en antwoordden
אוֹתוֹ֙
(oto)
hem
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
פְנוּאֵ֔ל
(penuel)
Penuël
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָנ֖וּ
(anu)
antwoordden
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
סֻכּֽוֹת
(sukot)
Sukkot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Penuël ligt aan de Jabbok, ten oosten van de Jordaan (Gen. 32:31–32).

De ligging is waarschijnlijk Tulul ed-Dhahab in Jordanië.

Zeker is dat niet.

Zie Peniël: De ligging van Peniël is niet zeker; de plaats lag bij de Jabbok.

Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker.

9Ook tegen de mannen van Penuël zei hij: „Wanneer ik in vrede terugkom, zal ik deze toren afbreken.”
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en zei
גַּם
(gam)
ook
לְאַנְשֵׁ֥י
(leanshei)
tot mannen van
פְנוּאֵ֖ל
(penuel)
Penuël
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
בְּשׁוּבִ֣י
(beshuvi)
wanneer ik terugkom
בְשָׁל֔וֹם
(beshalom)
in vrede
אֶתֹּ֖ץ
(etots)
zal ik afbreken
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּגְדָּ֥ל
(hamigdal)
de toren
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Peniël: De ligging van Peniël is niet zeker; de plaats lag bij de Jabbok.

Uitleg

Een ‘toren’ (מִגְדָּל, migdal) is een versterkte toren, vermoedelijk de vesting van de stad.

De gevangenneming van Zebach en Zalmunna

10Zebach en Zalmunna waren in Karkor, en hun legers met hen, ongeveer 15.000 man. Dat waren allen die waren overgebleven van heel het leger van de zonen van het oosten. Er waren 120.000 man gevallen die het zwaard trokken.
וְזֶ֨בַח
(vezevach)
en Zebach
וְצַלְמֻנָּ֜ע
(vetsalmuna)
en Zalmunna
בַּקַּרְקֹ֗ר
(baqarqor)
in Karkor
וּמַחֲנֵיהֶ֤ם
(umachaneihem)
en hun legers
עִמָּם֙
(imam)
met hen
כַּחֲמֵ֤שֶׁת
(kachameshet)
ongeveer vijf
עָשָׂר֙
(asar)
tien
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
כֹּ֚ל
(kol)
alle
הַנּ֣וֹתָרִ֔ים
(hanotarim)
de overgeblevenen
מִכֹּ֖ל
(mikol)
van heel
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
leger van
בְנֵי
(benei)
zonen van
קֶ֑דֶם
(qedem)
het oosten
וְהַנֹּ֣פְלִ֔ים
(vehanofelim)
en de gevallenen
מֵאָ֨ה
(mea)
honderd
וְעֶשְׂרִ֥ים
(veesrim)
en twintig
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
אִ֖ישׁ
(ish)
man
שֹׁ֥לֵֽף
(sholef)
die trokken
חָֽרֶב
(charev)
zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Karkor ligt ver in de oostelijke woestijn, ten oosten van de Jordaan; de plaats is onbekend.

Uitleg

Het leger van Midian en zijn bondgenoten telde dus ongeveer 135.000 man: 120.000 gevallen en 15.000 overgebleven.

Zie Richt. 6:33.

11Gideon trok op over de weg van de tentbewoners, ten oosten van Nobach en Jogbea. Hij versloeg het leger, want het leger voelde zich veilig.
וַיַּ֣עַל
(vayaal)
en trok op
גִּדְע֗וֹן
(gidon)
Gideon
דֶּ֚רֶךְ
(derekh)
weg van
הַשְּׁכוּנֵ֣י
(hashekhunei)
de bewoners van
בָֽאֳהָלִ֔ים
(baohalim)
in tenten
מִקֶּ֥דֶם
(miqedem)
ten oosten van
לְנֹ֖בַח
(lenovach)
van Nobach
וְיָגְבֳּהָ֑ה
(veyagboha)
en Jogbea
וַיַּךְ֙
(vayakh)
en versloeg
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽמַּחֲנֶ֔ה
(hamachane)
het leger
וְהַֽמַּחֲנֶ֖ה
(vehamachane)
en het leger
הָ֥יָה
(haya)
was
בֶֽטַח
(betach)
veilig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Nobach en Jogbea liggen ten oosten van de Jordaan, in het gebied van Gad (Num. 32:35, 42).

Jogbea is het huidige Khirbet el-Jubeihat (Jordanië).

Nobach is onbekend.

Zie Jogbeha: Jogbeha wordt gezocht bij Khirbet el-Jubeihat, in de buurt van Amman.

Uitleg

שָׁכֵן בָּאֳהָלִים (shokhnei ha’ohalim), ‘de tentbewoners’: nomaden uit de woestijn, die in tenten leven.

12Zebach en Zalmunna vluchtten. Hij achtervolgde hen en nam de twee koningen van Midian gevangen, Zebach en Zalmunna. Heel het leger joeg hij schrik aan.
וַיָּנ֗וּסוּ
(vayanusu)
en vluchtten
זֶ֚בַח
(zevach)
Zebach
וְצַלְמֻנָּ֔ע
(vetsalmuna)
en Zalmunna
וַיִּרְדֹּ֖ף
(vayirdof)
en achtervolgde
אַחֲרֵיהֶ֑ם
(achareihem)
hen
וַיִּלְכֹּ֞ד
(vayilkod)
en nam gevangen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
מִדְיָ֗ן
(midyan)
Midian
אֶת
(et)
(obj.)
זֶ֨בַח֙
(zevach)
Zebach
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צַלְמֻנָּ֔ע
(tsalmuna)
Zalmunna
וְכָל
(vekhal)
en heel
הַֽמַּחֲנֶ֖ה
(hamachane)
het leger
הֶחֱרִֽיד
(hecherid)
joeg schrik aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba.

Gideon straft Sukkot en Penuël

13Gideon, de zoon van Joas, keerde terug van de strijd, van de hoogte van Cheres.
וַיָּ֛שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
גִּדְע֥וֹן
(gidon)
Gideon
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹאָ֖שׁ
(yoash)
Joas
מִן
(min)
van
הַמִּלְחָמָ֑ה
(hamilchama)
de strijd
מִֽלְמַעֲלֵ֖ה
(milmaale)
van de hoogte van
הֶחָֽרֶס
(hechares)
Cheres
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

הַחֶרֶס (heheres), ‘Cheres’: het woord betekent ‘zon’ of ‘aardewerk’.

Het kan een plaatsnaam zijn (de hoogte van Cheres), of ‘vóór zonsopgang’ of ‘bij de opkomst van de zon’.

De betekenis is niet zeker.

Wij houden ‘hoogte van Cheres’ als plaatsnaam, zoals in Richt. 1:35 een andere plaats Har-Cheres heet.

Zie ookRe 1:35
14Hij nam een jongen van de mannen van Sukkot gevangen en ondervroeg hem. Die schreef voor hem de oversten van Sukkot en zijn oudsten op: 77 man.
וַיִּלְכָּד
(vayilkad)
en nam gevangen
נַ֛עַר
(naar)
jongen
מֵאַנְשֵׁ֥י
(meanshei)
van mannen van
סֻכּ֖וֹת
(sukot)
Sukkot
וַיִּשְׁאָלֵ֑הוּ
(vayishalehu)
en ondervroeg hem
וַיִּכְתֹּ֨ב
(vayikhtov)
en schreef op
אֵלָ֜יו
(elav)
voor hem
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֤י
(sarei)
oversten van
סֻכּוֹת֙
(sukot)
Sukkot
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זְקֵנֶ֔יהָ
(zeqeneiha)
zijn oudsten
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
וְשִׁבְעָ֖ה
(veshiva)
en zeven
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

Het Hebreeuws spreekt van 77 oudsten en oversten, geteld door een jongen die Gideon gevangen nam.

Het getal laat zien hoe groot het bestuur van de stad was.

15Hij kwam bij de mannen van Sukkot en zei: „Zie, Zebach en Zalmunna, over wie jullie mij bespot hebben. Jullie zeiden: ‘Is de hand van Zebach en Zalmunna nu al in jouw hand? Moeten wij dan brood geven aan jouw vermoeide mannen?’”
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
tot
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
סֻכּ֔וֹת
(sukot)
Sukkot
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנֵּ֖ה
(hine)
zie
זֶ֣בַח
(zevach)
Zebach
וְצַלְמֻנָּ֑ע
(vetsalmuna)
en Zalmunna
אֲשֶׁר֩
(asher)
over wie
חֵרַפְתֶּ֨ם
(cheraftem)
jullie bespotten
אוֹתִ֜י
(oti)
mij
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
הֲ֠כַף
(hakhaf)
de hand
זֶ֣בַח
(zevach)
Zebach
וְצַלְמֻנָּ֤ע
(vetsalmuna)
en Zalmunna
עַתָּה֙
(ata)
nu
בְּיָדֶ֔ךָ
(beyadekha)
in jouw hand
כִּ֥י
(ki)
dat
נִתֵּ֛ן
(niten)
wij geven
לַאֲנָשֶׁ֥יךָ
(laanasheikha)
aan je mannen
הַיְּעֵפִ֖ים
(hayeefim)
de vermoeiden
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker.

Zie ookRe 8:6–7
16Hij nam de oudsten van de stad en de doornen van de woestijn en de distels. Daarmee liet hij de mannen van Sukkot ervaren wat hij bedoelde.
וַיִּקַּח֙
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
oudsten van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קוֹצֵ֥י
(qotsei)
doornen van
הַמִּדְבָּ֖ר
(hamidbar)
de woestijn
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַֽבַּרְקֳנִ֑ים
(habarqonim)
de distels
וַיֹּ֣דַע
(vayoda)
en liet ervaren
בָּהֶ֔ם
(bahem)
daarmee
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
סֻכּֽוֹת
(sukot)
Sukkot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker.

Lezing

וַיֹּדַע (vayoda), ‘liet ervaren’: letterlijk ‘hij liet weten’.

Sommige oude handschriften en vertalingen lezen וַיָּדֶשׁ (vayyadesh), ‘hij dorste’.

Dat past bij de dreiging in vers 7.

Wij houden de klinkers van het Hebreeuws en vertalen ‘liet ervaren wat hij bedoelde’.

17Hij brak de toren van Penuël af en doodde de mannen van de stad.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְדַּ֥ל
(migdal)
toren van
פְּנוּאֵ֖ל
(penuel)
Penuël
נָתָ֑ץ
(natats)
brak af
וַֽיַּהֲרֹ֖ג
(vayaharog)
en doodde
אֶת
(et)
(obj.)
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Peniël: De ligging van Peniël is niet zeker; de plaats lag bij de Jabbok.

Uitleg

Gideon volbrengt de dreiging van vers 9.

De toren van Penuël was een vesting.

De dood van Zebach en Zalmunna

18Hij zei tegen Zebach en Zalmunna: „Hoe waren de mannen die jullie bij de Tabor hebben gedood?” Zij zeiden: „Zoals jij, zo waren zij. Elk leek op een zoon van een koning.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
זֶ֨בַח֙
(zevach)
Zebach
וְאֶל
(veel)
en tot
צַלְמֻנָּ֔ע
(tsalmuna)
Zalmunna
אֵיפֹה֙
(eifo)
waar
הָאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֲרַגְתֶּ֖ם
(haragtem)
jullie doodden
בְּתָב֑וֹר
(betavor)
bij de Tabor
וַֽיֹּאמרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
כָּמ֣וֹךָ
(kamokha)
zoals jij
כְמוֹהֶ֔ם
(kemohem)
zoals zij
אֶחָ֕ד
(echad)
een
כְּתֹ֖אַר
(ketoar)
zoals gestalte van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Tabor is een berg in het noorden van Israël, aan de rand van de vallei van Jizreël (Israël).

Wat Zebach en Zalmunna daar deden, vertelt de Bijbel niet.

Uitleg

Gideon wil weten wat hij niet eerder wist: zij hadden zijn broers gedood.

De mannen leken op ‘zonen van een koning’: zij waren dus van adel.

19Hij zei: „Het waren mijn broers, de zonen van mijn moeder. Zo waar Yahweh leeft: als jullie hen in leven hadden gelaten, zou ik jullie niet doden.”
וַיֹּאמַ֕ר
(vayomar)
en zei
אַחַ֥י
(achay)
mijn broers
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
אִמִּ֖י
(imi)
mijn moeder
הֵ֑ם
(hem)
zij
חַי
(chay)
zo waar leeft
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
ל֚וּ
(lu)
als
הַחֲיִתֶ֣ם
(hachayitem)
jullie in leven lieten
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
לֹ֥א
(lo)
niet
הָרַ֖גְתִּי
(haragti)
zou ik doden
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַי־יְהוָה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eed.

Gideon wil de bloedwraak uitvoeren voor zijn broers (vergelijk Num. 35:19).

Zie ookNum 35:19
20Hij zei tegen Jeter, zijn eerstgeborene: „Sta op, dood hen.” Maar de jongen trok zijn zwaard niet, want hij was bang. Hij was nog een jongen.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
לְיֶ֣תֶר
(leyeter)
tot Jeter
בְּכוֹר֔וֹ
(bekhoro)
zijn eerstgeborene
ק֖וּם
(qum)
sta op
הֲרֹ֣ג
(harog)
dood
אוֹתָ֑ם
(otam)
hen
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁלַ֨ף
(shalaf)
trok
הַנַּ֤עַר
(hanaar)
de jongen
חַרְבּוֹ֙
(charbo)
zijn zwaard
כִּ֣י
(ki)
want
יָרֵ֔א
(yare)
hij vreesde
כִּ֥י
(ki)
want
עוֹדֶ֖נּוּ
(odenu)
nog
נָֽעַר
(naar)
jongen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יֶתֶר (Yeter), ‘Jeter’: Gideons oudste zoon.

Hij is nog een jongen (na’ar) en durft niet.

21Zebach en Zalmunna zeiden: „Sta jij op en val ons aan, want zoals de man is, is zijn kracht.” Gideon stond op en doodde Zebach en Zalmunna. Hij nam de maantjes die aan de halzen van hun kamelen hingen.
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en zeiden
זֶ֣בַח
(zevach)
Zebach
וְצַלְמֻנָּ֗ע
(vetsalmuna)
en Zalmunna
ק֤וּם
(qum)
sta op
אַתָּה֙
(ata)
jij
וּפְגַע
(ufega)
en val aan
בָּ֔נוּ
(banu)
ons
כִּ֥י
(ki)
want
כָאִ֖ישׁ
(kaish)
zoals de man
גְּבוּרָת֑וֹ
(gevurato)
zijn kracht
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
גִּדְע֗וֹן
(gidon)
Gideon
וַֽיַּהֲרֹג֙
(vayaharog)
en doodde
אֶת
(et)
(obj.)
זֶ֣בַח
(zevach)
Zebach
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צַלְמֻנָּ֔ע
(tsalmuna)
Zalmunna
וַיִּקַּח֙
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
הַשַּׂ֣הֲרֹנִ֔ים
(hasaharonim)
de maantjes
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּצַוְּארֵ֥י
(betsaverei)
aan de halzen van
גְמַלֵּיהֶֽם
(gemaleihem)
hun kamelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׂהֲרֹנִים (saharonim), ‘maantjes’: halvemaanvormige sieraden die kamelen om de hals droegen.

Zie ook vers 26; Jes. 3:18.

Gideon doodt hen zelf, zoals bij de bloedwraak.

Gideon weigert het koningschap

22De mannen van Israël zeiden tegen Gideon: „Heers over ons, jij en je zoon en ook de zoon van je zoon. Want jij hebt ons gered uit de hand van Midian.”
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
אִֽישׁ
(ish)
man van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
גִּדְע֔וֹן
(gidon)
Gideon
מְשָׁל
(meshal)
heers
בָּ֨נוּ֙
(banu)
over ons
גַּם
(gam)
ook
אַתָּ֔ה
(ata)
jij
גַּם
(gam)
ook
בִּנְךָ֖
(binkha)
je zoon
גַּ֣ם
(gam)
ook
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּנֶ֑ךָ
(benekha)
je zoon
כִּ֥י
(ki)
want
הוֹשַׁעְתָּ֖נוּ
(hoshatanu)
je redde ons
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
מִדְיָֽן
(midyan)
Midian
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשֹׁל (meshol), ‘heersen’: koning zijn.

De Israëlieten vragen om een erfelijk koningschap: ook de zoon en kleinzoon moeten heersen.

Zie ook Richt. 9 en 1 Sam. 8.

23Gideon zei tegen hen: „Ik zal niet over jullie heersen. Mijn zoon zal ook niet over jullie heersen. Yahweh zal over jullie heersen.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tot hen
גִּדְע֔וֹן
(gidon)
Gideon
לֹֽא
(lo)
niet
אֶמְשֹׁ֤ל
(emshol)
zal ik heersen
אֲנִי֙
(ani)
ik
בָּכֶ֔ם
(bakhem)
over jullie
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִמְשֹׁ֥ל
(yimshol)
zal heersen
בְּנִ֖י
(beni)
mijn zoon
בָּכֶ֑ם
(bakhem)
over jullie
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יִמְשֹׁ֥ל
(yimshol)
zal heersen
בָּכֶֽם
(bakhem)
over jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gideon wijst het koningschap af en erkent Yahweh als heerser.

Vergelijk 1 Sam. 8:7 en Deut. 17:14–20.

De efod van Gideon

24Gideon zei tegen hen: „Ik wil jullie één ding vragen: geef mij ieder de ring uit zijn buit.” Want zij hadden gouden ringen, omdat zij Ismaëlieten waren.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֜ם
(alehem)
tot hen
גִּדְע֗וֹן
(gidon)
Gideon
אֶשְׁאֲלָ֤ה
(eshala)
ik wil vragen
מִכֶּם֙
(mikem)
van jullie
שְׁאֵלָ֔ה
(sheela)
een vraag
וּתְנוּ
(utenu)
en geef
לִ֕י
(li)
mij
אִ֖ישׁ
(ish)
man
נֶ֣זֶם
(nezem)
ring van
שְׁלָל֑וֹ
(shelalo)
zijn buit
כִּֽי
(ki)
want
נִזְמֵ֤י
(nizmei)
ringen van
זָהָב֙
(zahav)
goud
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
כִּ֥י
(ki)
want
יִשְׁמְעֵאלִ֖ים
(yishmeelim)
Ismaëlieten
הֵֽם
(hem)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶזֶם (nezem), ‘ring’: een oorring of neusring (Gen. 24:22; Exod. 32:2–3).

Wij houden ‘ring’.

יִשְׁמְעֵאלִים (Yishme’elim), ‘Ismaëlieten’: hier een andere naam voor de Midianieten of voor de nomaden van de woestijn. Vergelijk Gen. 37:25–28, waar Midianieten en Ismaëlieten door elkaar genoemd worden.

25Zij zeiden: „Wij geven ze graag.” Zij spreidden een mantel uit en iedereen wierp daar de ring uit zijn buit op.
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zeiden
נָת֣וֹן
(naton)
zeker geven
נִתֵּ֑ן
(niten)
wij geven
וַֽיִּפְרְשׂוּ֙
(vayifresu)
en spreidden uit
אֶת
(et)
(obj.)
הַשִּׂמְלָ֔ה
(hasimla)
de mantel
וַיַּשְׁלִ֣יכוּ
(vayashlikhu)
en wierpen
שָׁ֔מָּה
(shama)
daarop
אִ֖ישׁ
(ish)
man
נֶ֥זֶם
(nezem)
ring van
שְׁלָלֽוֹ
(shelalo)
zijn buit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Het gewicht van de gouden ringen die hij had gevraagd was 1.700 sikkels goud. Daar kwamen de maantjes, de hangers en de purperen kleren van de koningen van Midian nog bij. Ook de kettingen aan de halzen van hun kamelen kwamen er nog bij.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
מִשְׁקַ֞ל
(mishqal)
gewicht van
נִזְמֵ֤י
(nizmei)
ringen van
הַזָּהָב֙
(hazahav)
het goud
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׁאָ֔ל
(shaal)
hij vroeg
אֶ֥לֶף
(elef)
duizend
וּשְׁבַע
(usheva)
en zeven
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
זָהָ֑ב
(zahav)
goud
לְ֠בַד
(levad)
behalve
מִן
(min)
van
הַשַּׂהֲרֹנִ֨ים
(hasaharonim)
de maantjes
וְהַנְּטִפ֜וֹת
(vehanetifot)
en de hangers
וּבִגְדֵ֣י
(uvigdei)
en kleren van
הָאַרְגָּמָ֗ן
(haargaman)
purper
שֶׁעַל֙
(sheal)
die
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
aan koningen van
מִדְיָ֔ן
(midyan)
Midian
וּלְבַד֙
(ulevad)
en behalve
מִן
(min)
van
הָ֣עֲנָק֔וֹת
(haanaqot)
de kettingen
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּצַוְּארֵ֥י
(betsaverei)
aan de halzen van
גְמַלֵּיהֶֽם
(gemaleihem)
hun kamelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba.

Uitleg

הַנְּטִיפוֹת (hannetifot), ‘de hangers’: druppelvormige sieraden, vermoedelijk oorhangers.

Purper was een kostbare kleur voor koningen.

Lezing

Het Hebreeuws noemt geen maat; er staat ‘duizend en zevenhonderd goud’.

Wij vullen ‘sikkels’ aan, zoals de gewoonte is bij goudgewichten.

Een sikkel is ongeveer 11,4 gram, dus 1.700 sikkels is ongeveer 19 kilogram.

27Gideon maakte er een efod van en plaatste die in zijn stad, in Ofra. Heel Israël ging daar achter hem aan hoereren. Het werd een valstrik voor Gideon en zijn huis.
וַיַּעַשׂ֩
(vayaas)
en maakte
אוֹת֨וֹ
(oto)
het
גִדְע֜וֹן
(gidon)
Gideon
לְאֵפ֗וֹד
(leefod)
tot efod
וַיַּצֵּ֨ג
(vayatseg)
en plaatste
אוֹת֤וֹ
(oto)
het
בְעִירוֹ֙
(beiro)
in zijn stad
בְּעָפְרָ֔ה
(beafera)
in Ofra
וַיִּזְנ֧וּ
(vayiznu)
en hoereerden
כָֽל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אַחֲרָ֖יו
(acharav)
achter hem aan
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het werd
לְגִדְע֥וֹן
(legidon)
voor Gideon
וּלְבֵית֖וֹ
(uleveito)
en voor zijn huis
לְמוֹקֵֽשׁ
(lemoqesh)
tot valstrik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ofra is niet vastgesteld (Richt. 6:11).

Uitleg

אֵפוֹד (efod): hier een gouden voorwerp, vermoedelijk een beeld of een kostbaar priesterkleed (vergelijk Exod. 28:6–14).

Het wordt een valstrik, omdat het volk ernaar toe gaat in plaats van naar het heiligdom.

Zie ook Richt. 17:5 en 18:14–20.

זָנָה (zanah), ‘hoereren’: seksuele ontrouw. In de Schrift ook gebruikt voor ontrouw aan Yahweh. Zie Exod. 34:15–16.

Rust, Gideons gezin en zijn dood

28Midian werd onderworpen voor de zonen van Israël. Zij konden hun hoofd niet meer opheffen. Het land had veertig jaar rust, in de dagen van Gideon.
וַיִּכָּנַ֣ע
(vayikana)
en werd onderworpen
מִדְיָ֗ן
(midyan)
Midian
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָסְפ֖וּ
(yasefu)
voegden toe
לָשֵׂ֣את
(laset)
om op te heffen
רֹאשָׁ֑ם
(rosham)
hun hoofd
וַתִּשְׁקֹ֥ט
(vatishqot)
en was rustig
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
het land
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
בִּימֵ֥י
(bimei)
in de dagen van
גִדְעֽוֹן
(gidon)
Gideon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Midian werd gebroken.

Het land kreeg veertig jaar rust (vergelijk Richt. 3:11 en 5:31).

29Jerubbaal, de zoon van Joas, ging terug en woonde in zijn huis.
וַיֵּ֛לֶךְ
(vayelekh)
en ging
יְרֻבַּ֥עַל
(yerubaal)
Jerubbaal
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹאָ֖שׁ
(yoash)
Joas
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
בְּבֵיתֽוֹ
(beveito)
in zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jerubbaal is de naam van Gideon (Richt. 6:32).

30Gideon had 70 zonen, die uit zijn lendenen voortkwamen, want hij had veel vrouwen.
וּלְגִדְע֗וֹן
(ulegidon)
en voor Gideon
הָיוּ֙
(hayu)
waren
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
zeventig
בָּנִ֔ים
(banim)
zonen
יֹצְאֵ֖י
(yotseei)
voortgekomen uit
יְרֵכ֑וֹ
(yerekho)
zijn lendenen
כִּֽי
(ki)
want
נָשִׁ֥ים
(nashim)
vrouwen
רַבּ֖וֹת
(rabot)
vele
הָ֥יוּ
(hayu)
waren
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Voortgekomen uit zijn lendenen’ (יֹצְאֵי יְרֵכוֹ, yots’ei yerekho): zijn eigen kinderen.

Hij had veel vrouwen, tegen de les van Deut. 17:17.

31Zijn bijvrouw, die in Sichem woonde, beviel ook van een zoon voor hem. Hij gaf hem de naam Abimelech.
וּפִֽילַגְשׁוֹ֙
(ufilagsho)
en zijn bijvrouw
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בִּשְׁכֶ֔ם
(bishkhem)
in Sichem
יָֽלְדָה
(yaleda)
beviel
לּ֥וֹ
(lo)
voor hem
גַם
(gam)
ook
הִ֖יא
(hi)
zij
בֵּ֑ן
(ben)
zoon
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en gaf
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
אֲבִימֶֽלֶךְ
(avimelekh)
Abimelech
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sichem ligt in het bergland van Efraïm, bij het huidige Tell Balata bij Nablus (Westelijke Jordaanoever).

Dit is zeker.

Uitleg

אֲבִימֶלֶךְ (Avimelekh), ‘Abimelech’: ‘mijn vader is koning’.

Zijn verhaal volgt in Richt. 9.

Hij krijgt een naam die past bij het koningschap dat zijn vader afwees.

32Gideon, de zoon van Joas, stierf in een goede ouderdom. Hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, in Ofra van de Abiëzeriet.
וַיָּ֛מָת
(vayamat)
en stierf
גִּדְע֥וֹן
(gidon)
Gideon
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹאָ֖שׁ
(yoash)
Joas
בְּשֵׂיבָ֣ה
(beseiva)
in grijsheid
טוֹבָ֑ה
(tova)
goed
וַיִּקָּבֵ֗ר
(vayiqaver)
en werd begraven
בְּקֶ֨בֶר֙
(beqever)
in het graf van
יוֹאָ֣שׁ
(yoash)
Joas
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
בְּעָפְרָ֖ה
(beafera)
in Ofra van
אֲבִ֥י
(avi)
vader van
הָֽעֶזְרִֽי
(haezri)
de Ezriet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ofra (van de Abiëzeriet, ligging onzeker): Ofra, de stad van Gideon, lag in het gebied van Manasse.

De precieze plaats is niet zeker; Afula in het noorden is voorgesteld.

Uitleg

Dezelfde uitdrukking ‘in een goede ouderdom’ staat bij Abraham (Gen. 15:15; 25:8).

Israël vergeet Yahweh

33Toen Gideon gestorven was, keerden de zonen van Israël terug en gingen de Baäls achterna hoereren. Zij maakten Baäl-Berit tot hun god.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כַּֽאֲשֶׁר֙
(kaasher)
toen
מֵ֣ת
(met)
stierf
גִּדְע֔וֹן
(gidon)
Gideon
וַיָּשׁ֨וּבוּ֙
(vayashuvu)
en keerden terug
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיִּזְנ֖וּ
(vayiznu)
en hoereerden
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
הַבְּעָלִ֑ים
(habealim)
de Baäls
וַיָּשִׂ֧ימוּ
(vayasimu)
en stelden
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor zich
בַּ֥עַל
(baal)
Baäl
בְּרִ֖ית
(berit)
Berit
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
tot god
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּעַל בְּרִית (Ba’al Berit), ‘Baäl van het verbond’: een god van Sichem (Richt. 9:4).

Zijn heiligdom stond in Sichem (Richt. 9:4, 46).

34De zonen van Israël dachten niet meer aan Yahweh, hun Elohim, die hen had gered uit de hand van al hun vijanden rondom.
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
זָֽכְרוּ֙
(zakheru)
dachten aan
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun Elohim
הַמַּצִּ֥יל
(hamatsil)
die redde
אוֹתָ֛ם
(otam)
hen
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
כָּל
(kal)
al
אֹיְבֵיהֶ֖ם
(oyeveihem)
hun vijanden
מִסָּבִֽיב
(misaviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het patroon van Richt. 2:11–19 begint opnieuw: na de dood van de rechter valt Israël af.

Vergelijk Richt. 3:7 en 2:19.

35Zij toonden ook geen trouw aan het huis van Jerubbaal-Gideon, voor al het goede dat hij Israël had gedaan.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
עָשׂ֣וּ
(asu)
deden
חֶ֔סֶד
(chesed)
trouw
עִם
(im)
met
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יְרֻבַּ֖עַל
(yerubaal)
Jerubbaal
גִּדְע֑וֹן
(gidon)
Gideon
כְּכָל
(kekhal)
overeenkomstig al
הַטּוֹבָ֔ה
(hatova)
het goede
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עָשָׂ֖ה
(asa)
hij deed
עִם
(im)
met
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: verbondstrouw.

Israël is Gideon niet trouw, zoals het ook Yahweh niet trouw is.

Zie Richt. 9:1–5.