Efraïm, Sukkot en Penuël, de efod en de dood van Gideon
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Efraïm klaagt
1De mannen van Efraïm zeiden tegen hem: „Wat is dit voor iets dat je ons hebt aangedaan? Je hebt ons niet geroepen toen je ging strijden tegen Midian.” Zij maakten hem hevig verwijten.
וַיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָ֜יו
(elav)
tot hem
אִ֣ישׁ
(ish)
mannen van
אֶפְרַ֗יִם
(efrayim)
Efraïm
מָֽה
(ma)
wat
הַדָּבָ֤ר
(hadavar)
het ding
הַזֶּה֙
(haze)
dit
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
deed je
לָּ֔נוּ
(lanu)
aan ons
לְבִלְתִּי֙
(levilti)
door niet
קְרֹ֣אות
(qerovt)
te roepen
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
כִּ֥י
(ki)
toen
הָלַ֖כְתָּ
(halakhta)
je ging
לְהִלָּחֵ֣ם
(lehilachem)
om te strijden
בְּמִדְיָ֑ן
(bemidyan)
tegen Midian
וַיְרִיב֥וּן
(vayrivun)
en maakten verwijten
אִתּ֖וֹ
(ito)
hem
בְּחָזְקָֽה
(bechazeqa)
hevig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De Efraïmieten voelen zich gepasseerd.
Efraïm is de machtigste stam in het noorden; vergelijk Richt. 12:1–6, waar het opnieuw gebeurt, tegen Jefta.
2Hij zei tegen hen: „Wat heb ik nu gedaan in vergelijking met jullie? Is de nalezing van Efraïm niet beter dan de druivenoogst van Abiëzer?
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
מֶה
(me)
wat
עָשִׂ֥יתִי
(asiti)
heb ik gedaan
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
כָּכֶ֑ם
(kakhem)
zoals jullie
הֲל֗וֹא
(halo)
niet
ט֛וֹב
(tov)
beter
עֹלְל֥וֹת
(olelot)
nalezing van
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
מִבְצִ֥יר
(mivtsir)
dan druivenoogst van
אֲבִיעֶֽזֶר
(aviezer)
Abiëzer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֹלֲלוֹת (olelot), ‘nalezing’, tegenover בָּצִיר (batsir), ‘druivenoogst’: Gideon zegt dat de kleine daad van Efraïm meer waard is dan zijn eigen grote oogst.
3Elohim heeft de vorsten van Midian, Oreb en Zeëb, in jullie hand gegeven. Wat kon ik doen in vergelijking met jullie?” Toen hij dit zei, werd hun gemoed rustiger tegenover hem.
בְּיֶדְכֶם֩
(beyedkhem)
in jullie hand
נָתַ֨ן
(natan)
gaf
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֤י
(sarei)
vorsten van
מִדְיָן֙
(midyan)
Midian
אֶת
(et)
(obj.)
עֹרֵ֣ב
(orev)
Oreb
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
זְאֵ֔ב
(zeev)
Zeëb
וּמַה
(uma)
en wat
יָּכֹ֖לְתִּי
(yakholti)
kon ik
עֲשׂ֣וֹת
(asot)
doen
כָּכֶ֑ם
(kakhem)
zoals jullie
אָ֗ז
(az)
toen
רָפְתָ֤ה
(rafeta)
werd rustig
רוּחָם֙
(rucham)
hun gemoed
מֵֽעָלָ֔יו
(mealav)
tegenover hem
בְּדַבְּר֖וֹ
(bedabero)
toen hij sprak
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רוּחַ (ruach), ‘gemoed’: letterlijk ‘geest’ of ‘adem’.
5Hij zei tegen de mannen van Sukkot: „Geef toch broden aan het volk dat mij volgt, want zij zijn vermoeid. Ik ben Zebach en Zalmunna, de koningen van Midian, aan het achtervolgen.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
לְאַנְשֵׁ֣י
(leanshei)
tot mannen van
סֻכּ֔וֹת
(sukot)
Sukkot
תְּנוּ
(tenu)
geef
נָא֙
(na)
toch
כִּכְּר֣וֹת
(kikerot)
broden van
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
לָעָ֖ם
(laam)
aan het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בְּרַגְלָ֑י
(beraglay)
in mijn voetspoor
כִּי
(ki)
want
עֲיֵפִ֣ים
(ayefim)
vermoeid
הֵ֔ם
(hem)
zij
וְאָנֹכִ֗י
(veanokhi)
en ik
רֹדֵ֛ף
(rodef)
achtervolg
אַחֲרֵ֛י
(acharei)
achter
זֶ֥בַח
(zevach)
Zebach
וְצַלְמֻנָּ֖ע
(vetsalmuna)
en Zalmunna
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
מִדְיָֽן
(midyan)
Midian
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Sukkot ligt ten oosten van de Jordaan, in de vallei van de Jabbok.
Het ligt waarschijnlijk bij Tell Deir Alla (Jordanië).
Dit is waarschijnlijk, niet zeker.
Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba.
Uitleg
Zebach (זֶבַח) en Zalmunna (צַלְמֻנָּע) zijn koningen van Midian.
In Ps. 83:12 worden zij samen met Oreb en Zeëb genoemd.
7Gideon zei: „Daarom dit: wanneer Yahweh Zebach en Zalmunna in mijn hand geeft, dan zal ik jullie vlees dorsen. Ik doe dat met de doornen van de woestijn en met distels.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
גִּדְע֔וֹן
(gidon)
Gideon
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
בְּתֵ֧ת
(betet)
wanneer geeft
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
זֶ֥בַח
(zevach)
Zebach
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צַלְמֻנָּ֖ע
(tsalmuna)
Zalmunna
בְּיָדִ֑י
(beyadi)
in mijn hand
וְדַשְׁתִּי֙
(vedashti)
en ik zal dorsen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשַׂרְכֶ֔ם
(besarkhem)
jullie vlees
אֶת
(et)
met
קוֹצֵ֥י
(qotsei)
doornen van
הַמִּדְבָּ֖ר
(hamidbar)
de woestijn
וְאֶת
(veet)
en met
הַֽבַּרְקֳנִֽים
(habarqonim)
de distels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דּוּשׁ (dush), ‘dorsen’: met zware sleden over het koren heen gaan.
Gideon dreigt de mannen van Sukkot zo te dorsen met doornen.
8Van daar trok hij op naar Penuël. Hij sprak hen op dezelfde wijze aan. De mannen van Penuël antwoordden hem zoals de mannen van Sukkot hadden geantwoord.
וַיַּ֤עַל
(vayaal)
en trok op
מִשָּׁם֙
(misham)
vandaar
פְּנוּאֵ֔ל
(penuel)
naar Penuël
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
tot hen
כָּזֹ֑את
(kazot)
zo
וַיַּעֲנ֤וּ
(vayaanu)
en antwoordden
אוֹתוֹ֙
(oto)
hem
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
פְנוּאֵ֔ל
(penuel)
Penuël
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָנ֖וּ
(anu)
antwoordden
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
סֻכּֽוֹת
(sukot)
Sukkot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Penuël ligt aan de Jabbok, ten oosten van de Jordaan (Gen. 32:31–32).
De ligging is waarschijnlijk Tulul ed-Dhahab in Jordanië.
Zeker is dat niet.
Zie Peniël: De ligging van Peniël is niet zeker; de plaats lag bij de Jabbok.
Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker.
10Zebach en Zalmunna waren in Karkor, en hun legers met hen, ongeveer 15.000 man. Dat waren allen die waren overgebleven van heel het leger van de zonen van het oosten. Er waren 120.000 man gevallen die het zwaard trokken.
וְזֶ֨בַח
(vezevach)
en Zebach
וְצַלְמֻנָּ֜ע
(vetsalmuna)
en Zalmunna
בַּקַּרְקֹ֗ר
(baqarqor)
in Karkor
וּמַחֲנֵיהֶ֤ם
(umachaneihem)
en hun legers
עִמָּם֙
(imam)
met hen
כַּחֲמֵ֤שֶׁת
(kachameshet)
ongeveer vijf
עָשָׂר֙
(asar)
tien
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
כֹּ֚ל
(kol)
alle
הַנּ֣וֹתָרִ֔ים
(hanotarim)
de overgeblevenen
מִכֹּ֖ל
(mikol)
van heel
מַחֲנֵ֣ה
(machane)
leger van
בְנֵי
(benei)
zonen van
קֶ֑דֶם
(qedem)
het oosten
וְהַנֹּ֣פְלִ֔ים
(vehanofelim)
en de gevallenen
מֵאָ֨ה
(mea)
honderd
וְעֶשְׂרִ֥ים
(veesrim)
en twintig
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
אִ֖ישׁ
(ish)
man
שֹׁ֥לֵֽף
(sholef)
die trokken
חָֽרֶב
(charev)
zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Karkor ligt ver in de oostelijke woestijn, ten oosten van de Jordaan; de plaats is onbekend.
Uitleg
Het leger van Midian en zijn bondgenoten telde dus ongeveer 135.000 man: 120.000 gevallen en 15.000 overgebleven.
12Zebach en Zalmunna vluchtten. Hij achtervolgde hen en nam de twee koningen van Midian gevangen, Zebach en Zalmunna. Heel het leger joeg hij schrik aan.
וַיָּנ֗וּסוּ
(vayanusu)
en vluchtten
זֶ֚בַח
(zevach)
Zebach
וְצַלְמֻנָּ֔ע
(vetsalmuna)
en Zalmunna
וַיִּרְדֹּ֖ף
(vayirdof)
en achtervolgde
אַחֲרֵיהֶ֑ם
(achareihem)
hen
וַיִּלְכֹּ֞ד
(vayilkod)
en nam gevangen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
מִדְיָ֗ן
(midyan)
Midian
אֶת
(et)
(obj.)
זֶ֨בַח֙
(zevach)
Zebach
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צַלְמֻנָּ֔ע
(tsalmuna)
Zalmunna
וְכָל
(vekhal)
en heel
הַֽמַּחֲנֶ֖ה
(hamachane)
het leger
הֶחֱרִֽיד
(hecherid)
joeg schrik aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba.
15Hij kwam bij de mannen van Sukkot en zei: „Zie, Zebach en Zalmunna, over wie jullie mij bespot hebben. Jullie zeiden: ‘Is de hand van Zebach en Zalmunna nu al in jouw hand? Moeten wij dan brood geven aan jouw vermoeide mannen?’”
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
tot
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
סֻכּ֔וֹת
(sukot)
Sukkot
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
הִנֵּ֖ה
(hine)
zie
זֶ֣בַח
(zevach)
Zebach
וְצַלְמֻנָּ֑ע
(vetsalmuna)
en Zalmunna
אֲשֶׁר֩
(asher)
over wie
חֵרַפְתֶּ֨ם
(cheraftem)
jullie bespotten
אוֹתִ֜י
(oti)
mij
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
הֲ֠כַף
(hakhaf)
de hand
זֶ֣בַח
(zevach)
Zebach
וְצַלְמֻנָּ֤ע
(vetsalmuna)
en Zalmunna
עַתָּה֙
(ata)
nu
בְּיָדֶ֔ךָ
(beyadekha)
in jouw hand
כִּ֥י
(ki)
dat
נִתֵּ֛ן
(niten)
wij geven
לַאֲנָשֶׁ֥יךָ
(laanasheikha)
aan je mannen
הַיְּעֵפִ֖ים
(hayeefim)
de vermoeiden
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker.
18Hij zei tegen Zebach en Zalmunna: „Hoe waren de mannen die jullie bij de Tabor hebben gedood?” Zij zeiden: „Zoals jij, zo waren zij. Elk leek op een zoon van een koning.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
זֶ֨בַח֙
(zevach)
Zebach
וְאֶל
(veel)
en tot
צַלְמֻנָּ֔ע
(tsalmuna)
Zalmunna
אֵיפֹה֙
(eifo)
waar
הָאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֲרַגְתֶּ֖ם
(haragtem)
jullie doodden
בְּתָב֑וֹר
(betavor)
bij de Tabor
וַֽיֹּאמרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
כָּמ֣וֹךָ
(kamokha)
zoals jij
כְמוֹהֶ֔ם
(kemohem)
zoals zij
אֶחָ֕ד
(echad)
een
כְּתֹ֖אַר
(ketoar)
zoals gestalte van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Tabor is een berg in het noorden van Israël, aan de rand van de vallei van Jizreël (Israël).
Wat Zebach en Zalmunna daar deden, vertelt de Bijbel niet.
Uitleg
Gideon wil weten wat hij niet eerder wist: zij hadden zijn broers gedood.
De mannen leken op ‘zonen van een koning’: zij waren dus van adel.
21Zebach en Zalmunna zeiden: „Sta jij op en val ons aan, want zoals de man is, is zijn kracht.” Gideon stond op en doodde Zebach en Zalmunna. Hij nam de maantjes die aan de halzen van hun kamelen hingen.
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en zeiden
זֶ֣בַח
(zevach)
Zebach
וְצַלְמֻנָּ֗ע
(vetsalmuna)
en Zalmunna
ק֤וּם
(qum)
sta op
אַתָּה֙
(ata)
jij
וּפְגַע
(ufega)
en val aan
בָּ֔נוּ
(banu)
ons
כִּ֥י
(ki)
want
כָאִ֖ישׁ
(kaish)
zoals de man
גְּבוּרָת֑וֹ
(gevurato)
zijn kracht
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
גִּדְע֗וֹן
(gidon)
Gideon
וַֽיַּהֲרֹג֙
(vayaharog)
en doodde
אֶת
(et)
(obj.)
זֶ֣בַח
(zevach)
Zebach
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צַלְמֻנָּ֔ע
(tsalmuna)
Zalmunna
וַיִּקַּח֙
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
הַשַּׂ֣הֲרֹנִ֔ים
(hasaharonim)
de maantjes
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּצַוְּארֵ֥י
(betsaverei)
aan de halzen van
גְמַלֵּיהֶֽם
(gemaleihem)
hun kamelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׂהֲרֹנִים (saharonim), ‘maantjes’: halvemaanvormige sieraden die kamelen om de hals droegen.
22De mannen van Israël zeiden tegen Gideon: „Heers over ons, jij en je zoon en ook de zoon van je zoon. Want jij hebt ons gered uit de hand van Midian.”
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
אִֽישׁ
(ish)
man van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
גִּדְע֔וֹן
(gidon)
Gideon
מְשָׁל
(meshal)
heers
בָּ֨נוּ֙
(banu)
over ons
גַּם
(gam)
ook
אַתָּ֔ה
(ata)
jij
גַּם
(gam)
ook
בִּנְךָ֖
(binkha)
je zoon
גַּ֣ם
(gam)
ook
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּנֶ֑ךָ
(benekha)
je zoon
כִּ֥י
(ki)
want
הוֹשַׁעְתָּ֖נוּ
(hoshatanu)
je redde ons
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
מִדְיָֽן
(midyan)
Midian
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְשֹׁל (meshol), ‘heersen’: koning zijn.
De Israëlieten vragen om een erfelijk koningschap: ook de zoon en kleinzoon moeten heersen.
24Gideon zei tegen hen: „Ik wil jullie één ding vragen: geef mij ieder de ring uit zijn buit.” Want zij hadden gouden ringen, omdat zij Ismaëlieten waren.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֜ם
(alehem)
tot hen
גִּדְע֗וֹן
(gidon)
Gideon
אֶשְׁאֲלָ֤ה
(eshala)
ik wil vragen
מִכֶּם֙
(mikem)
van jullie
שְׁאֵלָ֔ה
(sheela)
een vraag
וּתְנוּ
(utenu)
en geef
לִ֕י
(li)
mij
אִ֖ישׁ
(ish)
man
נֶ֣זֶם
(nezem)
ring van
שְׁלָל֑וֹ
(shelalo)
zijn buit
כִּֽי
(ki)
want
נִזְמֵ֤י
(nizmei)
ringen van
זָהָב֙
(zahav)
goud
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
כִּ֥י
(ki)
want
יִשְׁמְעֵאלִ֖ים
(yishmeelim)
Ismaëlieten
הֵֽם
(hem)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶזֶם (nezem), ‘ring’: een oorring of neusring (Gen. 24:22; Exod. 32:2–3).
Wij houden ‘ring’.
יִשְׁמְעֵאלִים (Yishme’elim), ‘Ismaëlieten’: hier een andere naam voor de Midianieten of voor de nomaden van de woestijn. Vergelijk Gen. 37:25–28, waar Midianieten en Ismaëlieten door elkaar genoemd worden.
25Zij zeiden: „Wij geven ze graag.” Zij spreidden een mantel uit en iedereen wierp daar de ring uit zijn buit op.
וַיֹּאמְר֖וּ
(vayomru)
en zeiden
נָת֣וֹן
(naton)
zeker geven
נִתֵּ֑ן
(niten)
wij geven
וַֽיִּפְרְשׂוּ֙
(vayifresu)
en spreidden uit
אֶת
(et)
(obj.)
הַשִּׂמְלָ֔ה
(hasimla)
de mantel
וַיַּשְׁלִ֣יכוּ
(vayashlikhu)
en wierpen
שָׁ֔מָּה
(shama)
daarop
אִ֖ישׁ
(ish)
man
נֶ֥זֶם
(nezem)
ring van
שְׁלָלֽוֹ
(shelalo)
zijn buit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Het gewicht van de gouden ringen die hij had gevraagd was 1.700 sikkels goud. Daar kwamen de maantjes, de hangers en de purperen kleren van de koningen van Midian nog bij. Ook de kettingen aan de halzen van hun kamelen kwamen er nog bij.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
מִשְׁקַ֞ל
(mishqal)
gewicht van
נִזְמֵ֤י
(nizmei)
ringen van
הַזָּהָב֙
(hazahav)
het goud
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׁאָ֔ל
(shaal)
hij vroeg
אֶ֥לֶף
(elef)
duizend
וּשְׁבַע
(usheva)
en zeven
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
זָהָ֑ב
(zahav)
goud
לְ֠בַד
(levad)
behalve
מִן
(min)
van
הַשַּׂהֲרֹנִ֨ים
(hasaharonim)
de maantjes
וְהַנְּטִפ֜וֹת
(vehanetifot)
en de hangers
וּבִגְדֵ֣י
(uvigdei)
en kleren van
הָאַרְגָּמָ֗ן
(haargaman)
purper
שֶׁעַל֙
(sheal)
die
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
aan koningen van
מִדְיָ֔ן
(midyan)
Midian
וּלְבַד֙
(ulevad)
en behalve
מִן
(min)
van
הָ֣עֲנָק֔וֹת
(haanaqot)
de kettingen
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּצַוְּארֵ֥י
(betsaverei)
aan de halzen van
גְמַלֵּיהֶֽם
(gemaleihem)
hun kamelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba.
27Gideon maakte er een efod van en plaatste die in zijn stad, in Ofra. Heel Israël ging daar achter hem aan hoereren. Het werd een valstrik voor Gideon en zijn huis.
וַיַּעַשׂ֩
(vayaas)
en maakte
אוֹת֨וֹ
(oto)
het
גִדְע֜וֹן
(gidon)
Gideon
לְאֵפ֗וֹד
(leefod)
tot efod
וַיַּצֵּ֨ג
(vayatseg)
en plaatste
אוֹת֤וֹ
(oto)
het
בְעִירוֹ֙
(beiro)
in zijn stad
בְּעָפְרָ֔ה
(beafera)
in Ofra
וַיִּזְנ֧וּ
(vayiznu)
en hoereerden
כָֽל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אַחֲרָ֖יו
(acharav)
achter hem aan
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het werd
לְגִדְע֥וֹן
(legidon)
voor Gideon
וּלְבֵית֖וֹ
(uleveito)
en voor zijn huis
לְמוֹקֵֽשׁ
(lemoqesh)
tot valstrik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Ofra is niet vastgesteld (Richt. 6:11).
Uitleg
אֵפוֹד (efod): hier een gouden voorwerp, vermoedelijk een beeld of een kostbaar priesterkleed (vergelijk Exod. 28:6–14).
Het wordt een valstrik, omdat het volk ernaar toe gaat in plaats van naar het heiligdom.
Zie ook Richt. 17:5 en 18:14–20.
זָנָה (zanah), ‘hoereren’: seksuele ontrouw. In de Schrift ook gebruikt voor ontrouw aan Yahweh. Zie Exod. 34:15–16.