Titus 2
Wat past bij het gezonde onderwijs: oude en jonge mensen, knechten; de genade is verschenen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Wat past bij het gezonde onderwijs
ὑγιαίνουσα διδασκαλία (hygiainousa didaskalia), ‘gezond onderwijs’: onderwijs dat gezond is; zoals in 1:9. λαλέω (laleo), ‘spreken’. πρέπει (prepei), ‘het past’.
De verzen 2–10 zijn korte opdrachten per groep; zij hangen af van ‘spreek’ in vers 1 en hebben in het Grieks een onbepaalde wijs (‘te zijn’); wij zetten ‘dat … zijn’.
Zie ook Tit. 1:9; 2 Tim. 1:13.
Oude mannen en oude vrouwen
πρεσβύτης (presbytes), ‘oude man’: een andere vorm dan πρεσβύτερος (‘oudere’, leider) in 1:5; hier gaat het om leeftijd. νηφάλιος (nefalios), ‘nuchter’; σεμνός (semnos), ‘waardig’; σώφρων (sofron), ‘bezonnen’. ὑγιαίνω (hygiaino), ‘gezond zijn’: gezond in het geloof, de liefde en de volharding (ὑπομονή, hypomone).
Geloof, liefde en volharding staan ook samen in de rij van 2 Tim. 3:10.
Zie ook 1 Tim. 3:2; 1 Tim. 5:1; 2 Tim. 3:10.
πρεσβῦτις (presbytis), ‘oude vrouw’. κατάστημα (katastema), ‘gedrag, houding’. ἱεροπρεπής (hieroprepes), ‘passend bij het heilige’: wie zich gedraagt zoals bij de dienst van Elohim past; het woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor. διάβολοι (diaboloi) staat in het meervoud zonder lidwoord: ‘lasteraars’, zoals in 2 Tim. 3:3. δουλόω (douloo), ‘tot slaaf maken, onderwerpen’. καλοδιδάσκαλος (kalodidaskalos), ‘lerares van het goede’.
Bij het woordje μηδέ (mede), ‘noch’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tim. 5:2; 2 Tim. 3:3.
σωφρονίζω (sofronizo), ‘tot bezonnenheid brengen’, ‘terechtwijzen’. φίλανδρος (filandros), ‘mannenlievend’, ‘die van haar man houdt’. φιλότεκνος (filoteknos), ‘kinderlievend’.
Het Grieks heeft het over ‘de jonge vrouwen’ (νέας); de oudere vrouwen onderwijzen hen.
Bij het werkwoord σωφρονίζωσι (sofronizosi), ‘tot bezonnenheid brengen’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tim. 5:14.
ἁγνός (hagnos), ‘zuiver’. οἰκουργός (oikourgos), ‘werkzaam in het huishouden’. ὑποτάσσω (hypotasso), ‘onderschikken’: hetzelfde werkwoord als in Ef. 5:21–22 en Kol. 3:18.
De tekst zegt het doel: ‘opdat het woord van Elohim niet gelasterd wordt’. βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’.
Bij het woord οἰκουργούς (oikourgous), ‘werkzaam in het huishouden’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Ef. 5:21–22; Kol. 3:18; 1 Tim. 6:1.
Jongere mannen en Titus zelf
νεώτερος (neoteros), ‘jonger’: de jongere mannen. σωφρονέω (sofroneo), ‘bezonnen zijn’.
De opdracht aan de jongere mannen is kort (vers 6); in de verzen 7–8 richt de brief zich tot Titus zelf.
Zie ook 1 Tim. 5:1; 1 Tim. 4:12.
τύπος (typos), ‘voorbeeld, afdruk’. καλὰ ἔργα (kala erga), ‘goede werken’: zoals in 2:14 en 3:8. ἀφθορία (afthoria), ‘onverdorvenheid’: onaangetast, ongeschonden. σεμνότης (semnotes), ‘waardigheid’.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden ἀφθορίαν (afthorian), ‘onverdorvenheid’, en σεμνότητα (semnoteta), ‘waardigheid’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tim. 4:12; 1 Tim. 3:4.
ἀκατάγνωστος (akatagnostos), ‘niet te veroordelen’. ὁ ἐξ ἐναντίας (ho ex enantias), ‘de tegenstander’: letterlijk ‘wie van de overkant is’. ἐντρέπομαι (entrepomai), ‘beschaamd worden’. φαῦλος (faulos), ‘slecht, waardeloos’.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden λέγειν περὶ ἡμῶν (legein peri hemon), ‘te zeggen over ons’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 1 Tim. 3:7; 1 Petr. 2:12.
Knechten
δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’. δεσπότης (despotes), ‘meester’: iemand met volledig gezag over zijn huis; zoals in 1 Tim. 6:1–2.
De tekst geeft een aanwijzing aan knechten; een oordeel over de instelling slavernij geeft hij niet. εὐάρεστος (euarestos), ‘welgevallig’. ἀντιλέγω (antilego), ‘tegenspreken’.
Zie ook Ef. 6:5–8; Kol. 3:22–25; 1 Tim. 6:1–2; Filem. 15–16.
νοσφίζομαι (nosfizomai), ‘achterhouden, ontvreemden’: iets voor zichzelf houden dat niet van hem is. πίστις ἀγαθή (pistis agathe), ‘goede betrouwbaarheid’: het Griekse πίστις is meestal ‘geloof’, hier is ‘betrouwbaarheid, trouw’ bedoeld. κοσμέω (kosmeo), ‘sieren’, ‘mooi maken’.
‘Het onderwijs van onze Redder, Elohim’: zie 1:3 voor ‘Redder’.
De SBLGNT markeert hier varianten bij de woorden πᾶσαν πίστιν (pasan pistin), ‘alle geloof/betrouwbaarheid’, en bij het lidwoord τήν (ten) voor ‘onderwijs van de Redder’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Tit. 1:3; Ef. 6:5.
De genade van Elohim is verschenen
ἐπιφαίνω (epifaino), ‘verschijnen, zichtbaar worden’: de ‘verschijning’ van de genade (vers 11) en van de heerlijkheid (vers 13); zie ook 2 Tim. 1:10. σωτήριος (soterios), ‘reddend’: het Griekse woord kan bij ‘de genade’ horen (‘de reddende genade’) of de bestemming aangeven (‘redding voor alle mensen’). πᾶσιν ἀνθρώποις (pasin anthropois), ‘voor alle mensen’: kan bij ‘reddend’ of bij ‘is verschenen’ horen; wij laten dat open.
Bij het woord θεοῦ (theou), ‘Elohim’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Tit. 3:4; 2 Tim. 1:9–10.
παιδεύω (paideuo), ‘opvoeden’, ook ‘onderrichten’, ‘tuchtigen’: de genade is een opvoeder, zoals in Gal. 3:24 de wet. ἀσέβεια (asebeia), ‘goddeloosheid’: het tegendeel van εὐσέβεια (‘vroomheid’). κοσμικαὶ ἐπιθυμίαι (kosmikai epithymiai), ‘wereldse begeerten’.
‘In de tegenwoordige eeuw’ (ἐν τῷ νῦν αἰῶνι, en to nyn aioni): in de huidige wereldtijd, zoals in 2 Tim. 4:10.
Zie ook Gal. 3:24; 2 Tim. 4:10; 1 Tim. 6:17.
προσδέχομαι (prosdechomai), ‘verwachten, wachten op’. μακαρία ἐλπίς (makaria elpis), ‘gelukkige hoop’ (ook ‘zalige’; hetzelfde woord als in 1 Tim. 1:11). ἐπιφάνεια (epifaneia), ‘verschijning’: zie 2 Tim. 4:1, 4:8.
De zinsbouw is moeilijk: τοῦ μεγάλου θεοῦ καὶ σωτῆρος ἡμῶν Ἰησοῦ Χριστοῦ (tou megalou theou kai soteros hemon Iesou Christou) staat onder één lidwoord.
Dat kan één persoon bedoelen, ‘onze grote Elohim en Redder, Yeshua de Messias’ (zo vertalen wij), of twee, ‘de heerlijkheid van de grote Elohim en van onze Redder Yeshua de Messias’.
Vers 14 gaat verder met een enkel ‘die’ (ὅς), dat naar Yeshua de Messias verwijst.
De SBLGNT markeert hier een variant bij de woorden Ἰησοῦ Χριστοῦ (Iesou Christou), ‘Yeshua de Messias’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Tit. 1:3–4; 2 Petr. 1:1; Rom. 9:5.
λυτρόω (lytroo), ‘loskopen’: vrijkopen met een losgeld, zoals een slaaf. ἀνομία (anomia), ‘wetteloosheid’: zoals in 2 Tess. 2:3. καθαρίζω (katharizo), ‘reinigen’. λαὸς περιούσιος (laos periousios), ‘een volk als eigen bezit’: een volk dat Hem toebehoort; het Hebreeuws van Deut. 14:2 heeft ‘een volk dat Hem toebehoort, een eigen bezit’ en Exod. 19:5 ‘Mijn eigen bezit’. ζηλωτής (zelotes), ‘ijveraar’.
Vergelijk Ps. 130:8: ‘Hij zal Israël vrijkopen van al zijn ongerechtigheden’; het Grieks is geen letterlijk citaat.
Zie ook Deut. 14:2; Exod. 19:5; Ps. 130:8; Ez. 37:23; 1 Tim. 2:6; Gal. 1:4.
ἐπιταγή (epitage), ‘gebod, gezag’: zoals in 1:3 (‘bevel’); hier de gezaghebbende kracht van het spreken. παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’; ἐλέγχω (elencho), ‘terechtwijzen’. περιφρονέω (perifroneo), ‘minachten’.
Zie ook 1 Tim. 4:12; 2 Tim. 4:2.