Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een dag van vasten en belijdenis
1Op de vierentwintigste dag van deze maand kwamen de zonen van Israël bijeen. Zij vastten, droegen rouwkleed en hadden aarde op zich.
וּבְיוֹם֩
(uveyom)
en op de dag
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וְאַרְבָּעָ֜ה
(vearbaa)
en vier
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
נֶאֶסְפ֤וּ
(neesfu)
verzamelden zich
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בְּצ֣וֹם
(betsom)
met vasten
וּבְשַׂקִּ֔ים
(uvesaqim)
en met rouwkleed
וַאֲדָמָ֖ה
(vaadama)
en aarde
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
op hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׂקִּים (saqqim), ‘rouwkleed’: grof kleed dat men bij rouw en boete droeg.
Aarde op het hoofd hoort bij diepe rouw.
Zie ook Jozua 7:6 en 1 Sam. 4:12.
Het feest van de hutten duurde zeven dagen, met een slotsamenkomst op de achtste dag (Neh. 8:18). Volgens Lev. 23:34–36 loopt dat van de vijftiende tot en met de tweeëntwintigste van de zevende maand. De vierentwintigste dag volgt daar kort op. De maand is waarschijnlijk de zevende (Neh. 8:14). De tekst zegt alleen ‘deze maand’.
2Het nageslacht van Israël scheidde zich af van alle vreemden. Zij gingen staan en beleden hun zonden en de schuld van hun vaders.
וַיִּבָּֽדְלוּ֙
(vayibadelu)
en scheidden zich af
זֶ֣רַע
(zera)
het nageslacht van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מִכֹּ֖ל
(mikol)
van alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
נֵכָ֑ר
(nekhar)
het vreemde
וַיַּעַמְד֗וּ
(vayaamdu)
en stonden
וַיִּתְוַדּוּ֙
(vayitvadu)
en beleden
עַל
(al)
over
חַטֹּ֣אתֵיהֶ֔ם
(chatoteihem)
hun zonden
וַעֲוֺנ֖וֹת
(vaavonot)
en de schuld van
אֲבֹתֵיהֶֽם
(avoteihem)
hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זֶרַע יִשְׂרָאֵל (zera Yisrael), ‘het nageslacht van Israël’, en בְּנֵי נֵכָר (benei nekhar), ‘zonen van het vreemde’, dat wil zeggen vreemden of buitenlanders.
3Zij gingen op hun plaats staan. Een vierde deel van de dag lazen zij voor uit het boek van de wet van Yahweh, hun Elohim. Een vierde deel beleden zij hun zonden en wierpen zich neer voor Yahweh, hun Elohim.
וַיָּק֨וּמוּ֙
(vayaqumu)
en stonden op
עַל
(al)
op
עָמְדָ֔ם
(amedam)
hun plaats
וַֽיִּקְרְא֗וּ
(vayiqreu)
en lazen voor
בְּסֵ֨פֶר
(besefer)
uit het boek van
תּוֹרַ֧ת
(torat)
de wet van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֖ם
(eloheihem)
hun Elohim
רְבִעִ֣ית
(reviit)
een vierde deel van
הַיּ֑וֹם
(hayom)
de dag
וּרְבִעִית֙
(ureviit)
en een vierde deel
מִתְוַדִּ֣ים
(mitvadim)
belijdend
וּמִֽשְׁתַּחֲוִ֔ים
(umishtachavim)
en zich neerwerpend
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֵיהֶֽם
(eloheihem)
hun Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Op de verhoging van de Levieten stonden Jesua, Bani, Kadmiël, Sjebanja, Bunni, Sjerebja, Bani en Kenani. Zij riepen met luide stem tot Yahweh, hun Elohim.
וַיָּ֜קָם
(vayaqam)
en stond op
עַֽל
(al)
op
מַֽעֲלֵ֣ה
(maale)
de verhoging van
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
יֵשׁ֨וּעַ
(yeshua)
Jesua
וּבָנִ֜י
(uvani)
en Bani
קַדְמִיאֵ֧ל
(qadmiel)
Kadmiël
שְׁבַנְיָ֛ה
(shevanya)
Sjebanja
בֻּנִּ֥י
(buni)
Bunni
שֵׁרֵבְיָ֖ה
(shereveya)
Sjerebja
בָּנִ֣י
(bani)
Bani
כְנָ֑נִי
(kenani)
Kenani
וַֽיִּזְעֲקוּ֙
(vayizaqu)
en zij riepen
בְּק֣וֹל
(beqol)
met stem
גָּד֔וֹל
(gadol)
luid
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶֽם
(eloheihem)
hun Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַעֲלֶה (ma’aleh), ‘verhoging’: van het werkwoord ‘opstijgen’, dus een trap of verhoogde plaats.
Het is niet zeker hoe het eruitzag.
Het woord is verwant aan het woord voor het podium in Neh. 8:4, maar het is een ander woord.
De namen: Bani komt twee keer voor, Bunni (בֻּנִּי) eenmaal. Sommige namen staan ook in Neh. 8:7 en 10:10–14 (Hebr.).
5De Levieten Jesua, Kadmiël, Bani, Chasjabneja, Sjerebja, Hodia, Sjebanja en Petachja zeiden: „Sta op, zegen Yahweh, jullie Elohim, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Laat men Uw heerlijke naam zegenen, die verheven is boven alle zegen en lofzang.
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
הַלְוִיִּ֡ם
(halviyim)
de Levieten
יֵשׁ֣וּעַ
(yeshua)
Jesua
וְ֠קַדְמִיאֵל
(veqadmiel)
en Kadmiël
בָּנִ֨י
(bani)
Bani
חֲשַׁבְנְיָ֜ה
(chashavneya)
Chasjabneja
שֵׁרֵֽבְיָ֤ה
(shereveya)
Sjerebja
הֽוֹדִיָּה֙
(hodiya)
Hodia
שְׁבַנְיָ֣ה
(shevanya)
Sjebanja
פְתַֽחְיָ֔ה
(petachya)
Petachja
ק֗וּמוּ
(qumu)
sta op
בָּרֲכוּ֙
(barakhu)
zegen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
מִן
(min)
van
הָעוֹלָ֖ם
(haolam)
de eeuwigheid
עַד
(ad)
tot
הָעוֹלָ֑ם
(haolam)
de eeuwigheid
וִיבָֽרְכוּ֙
(vivarekhu)
en laat zegenen
שֵׁ֣ם
(shem)
de naam van
כְּבוֹדֶ֔ךָ
(kevodekha)
Uw heerlijkheid
וּמְרוֹמַ֥ם
(umeromam)
en verheven
עַל
(al)
boven
כָּל
(kal)
alle
בְּרָכָ֖ה
(berakha)
zegen
וּתְהִלָּֽה
(utehila)
en lofzang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De Levieten spreken eerst tot het volk (‘Sta op, zegen Yahweh’) en gaan dan over in het gebed (‘Uw heerlijke naam’).
Het gebed loopt door tot en met vers 37.
Wij zetten het gebed tussen aanhalingstekens; het is zwart, omdat mensen spreken.
מִן הָעוֹלָם עַד הָעוֹלָם (min ha’olam ad ha’olam), ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’: zoals in Ps. 106:48, 90:2 en 103:17.
וִיבָרְכוּ (vivarekhu), ‘en laat men zegenen’: de vorm is een wens. Sommigen lezen het als een gewone verleden tijd (‘en zij zegenden’). Wij volgen de vorm van de wens, die bij het gebed past.
6U alleen bent Yahweh. U hebt de hemel gemaakt, de hemel van de hemelen met heel hun leger. U hebt de aarde gemaakt en alles wat erop is, de zeeën en alles wat erin is. U geeft hun allen het leven. Het leger van de hemel werpt zich voor U neer.
אַתָּה
(ata)
U
ה֣וּא
(hu)
Hij
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
לְבַדֶּךָ֒
(levadekha)
U alleen
אַתָּ֣ה
(ata)
U
עָשִׂ֡יתָ
(asita)
hebt gemaakt
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַשָּׁמַיִם֩
(hashamayim)
de hemel
שְׁמֵ֨י
(shemei)
de hemel van
הַשָּׁמַ֜יִם
(hashamayim)
de hemelen
וְכָל
(vekhal)
en heel
צְבָאָ֗ם
(tsevaam)
hun leger
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
de aarde
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wat
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
erop is
הַיַּמִּים֙
(hayamim)
de zeeën
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
בָּהֶ֔ם
(bahem)
erin is
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en U
מְחַיֶּ֣ה
(mechaye)
geeft leven aan
אֶת
(et)
(obj.)
כֻּלָּ֑ם
(kulam)
hen allen
וּצְבָ֥א
(utseva)
en het leger van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
לְךָ֥
(lekha)
voor U
מִשְׁתַּחֲוִֽים
(mishtachavim)
zich neerwerpend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁמֵי הַשָּׁמַיִם (shemei hashshamayim), ‘de hemel van de hemelen’: de hoogste hemel.
Zie ook Deut. 10:14, 1 Kon. 8:27 en Ps. 148:4.
צְבָאָם (tsevaam), ‘hun leger’: de sterren en de hemelse machten. Zie ook Gen. 2:1 en Deut. 4:19.
8U vond zijn hart betrouwbaar voor Uw aangezicht. U sloot met hem het verbond om het land van de Kanaäniet, de Hethiet, de Amoriet, de Perizziet, de Jebusiet en de Girgasiet te geven. Aan zijn nageslacht zou U het geven. U hebt Uw woorden waargemaakt, want U bent rechtvaardig.
וּמָצָ֣אתָ
(umatsata)
en U vond
אֶת
(et)
(obj.)
לְבָבוֹ֮
(levavo)
zijn hart
נֶאֱמָ֣ן
(neeman)
betrouwbaar
לְפָנֶיךָ֒
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
וְכָר֨וֹת
(vekharot)
en sloot
עִמּ֜וֹ
(imo)
met hem
הַבְּרִ֗ית
(haberit)
het verbond
לָתֵ֡ת
(latet)
om te geven
אֶת
(et)
(obj.)
אֶרֶץ֩
(erets)
het land van
הַכְּנַעֲנִ֨י
(hakenaani)
de Kanaäniet
הַחִתִּ֜י
(hachiti)
de Hethiet
הָאֱמֹרִ֧י
(haemori)
de Amoriet
וְהַפְּרִזִּ֛י
(vehaperizi)
en de Perizziet
וְהַיְבוּסִ֥י
(vehayvusi)
en de Jebusiet
וְהַגִּרְגָּשִׁ֖י
(vehagirgashi)
en de Girgasiet
לָתֵ֣ת
(latet)
om te geven
לְזַרְע֑וֹ
(lezaro)
aan zijn nageslacht
וַתָּ֨קֶם֙
(vataqem)
en U liet opstaan
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרֶ֔יךָ
(devareikha)
Uw woorden
כִּ֥י
(ki)
want
צַדִּ֖יק
(tsadiq)
rechtvaardig
אָֽתָּה
(ata)
U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶאֱמָן (ne’eman), ‘betrouwbaar’: dit staat bij Abrahams hart; zie Gen. 15:6 en Gen. 22.
Het zijn zes volken, zoals in Exod. 3:8 en 23:23.
Daar staat de Chiwwiet, hier de Girgasiet.
Deut. 7:1 noemt zeven volken en Gen. 15:19–21 tien.
צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’: U hebt Uw woord gehouden.
10U deed tekenen en wonderen aan farao, aan al zijn dienaren en aan heel het volk van zijn land. Want U wist dat zij hen overmoedig hadden behandeld. U maakte U een naam, die er nog is tot op deze dag.
וַ֠תִּתֵּן
(vatiten)
en U gaf
אֹתֹ֨ת
(otot)
tekenen
וּמֹֽפְתִ֜ים
(umofetim)
en wonderen
בְּפַרְעֹ֤ה
(befaro)
aan farao
וּבְכָל
(uvekhal)
en aan alle
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
וּבְכָל
(uvekhal)
en aan alle
עַ֣ם
(am)
volk van
אַרְצ֔וֹ
(artso)
zijn land
כִּ֣י
(ki)
want
יָדַ֔עְתָּ
(yadata)
U wist
כִּ֥י
(ki)
dat
הֵזִ֖ידוּ
(hezidu)
zij hadden overmoedig gehandeld
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
tegen hen
וַתַּֽעַשׂ
(vataas)
en U maakte
לְךָ֥
(lekha)
voor U
שֵׁ֖ם
(shem)
een naam
כְּהַיּ֥וֹם
(kehayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֵזִידוּ (hezidu), ‘zij handelden overmoedig’: het werkwoord betekent ook ‘opzettelijk en hooghartig handelen’.
Zie ook Exod. 18:11.
וַתַּעַשׂ לְךָ שֵׁם (vatta’as lekha shem), ‘en U maakte U een naam’: een bekende naam, die tot op deze dag blijft. Zie Jes. 63:12 en Jer. 32:20.
11U spleet de zee voor hun ogen, en zij gingen midden door de zee over het droge. Hun achtervolgers wierp U in de diepte, als een steen in geweldige wateren.
וְהַיָּם֙
(vehayam)
en de zee
בָּקַ֣עְתָּ
(baqata)
U hebt gespleten
לִפְנֵיהֶ֔ם
(lifneihem)
voor hen
וַיַּֽעַבְר֥וּ
(vayaavru)
en zij gingen over
בְתוֹךְ
(betokh)
midden in
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
בַּיַּבָּשָׁ֑ה
(bayabasha)
op het droge
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
רֹ֨דְפֵיהֶ֜ם
(rodefeihem)
hun achtervolgers
הִשְׁלַ֧כְתָּ
(hishlakhta)
U wierp
בִמְצוֹלֹ֛ת
(bimtsolot)
in de diepten
כְּמוֹ
(kemo)
als
אֶ֖בֶן
(even)
een steen
בְּמַ֥יִם
(bemayim)
in wateren
עַזִּֽים
(azim)
geweldige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie Exod. 14:21–29 en 15:5, 10.
In Exod. 15:5 staat ‘als een steen’ en in 15:10 ‘als lood in geweldige wateren’.
מְצוֹלוֹת (metsolot), ‘diepten’: de diepten van de zee.
13Op de berg Sinaï daalde U af en sprak met hen uit de hemel. U gaf hun juiste rechtsregels en ware wetten, goede voorschriften en geboden.
וְעַ֤ל
(veal)
en op
הַר
(har)
de berg
סִינַי֙
(sinay)
Sinaï
יָרַ֔דְתָּ
(yaradta)
U daalde af
וְדַבֵּ֥ר
(vedaber)
en U sprak
עִמָּהֶ֖ם
(imahem)
met hen
מִשָּׁמָ֑יִם
(mishamayim)
uit de hemel
וַתִּתֵּ֨ן
(vatiten)
en U gaf
לָהֶ֜ם
(lahem)
hun
מִשְׁפָּטִ֤ים
(mishpatim)
rechtsregels
יְשָׁרִים֙
(yesharim)
juiste
וְתוֹר֣וֹת
(vetorot)
en wetten van
אֱמֶ֔ת
(emet)
waarheid
חֻקִּ֥ים
(chuqim)
voorschriften
וּמִצְוֺ֖ת
(umitsvot)
en geboden
טוֹבִֽים
(tovim)
goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.
Uitleg
Zie Exod. 19–20 en Deut. 4:36.
מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsregels’: meervoud van ‘recht’ (mishpat). Het zijn afzonderlijke bepalingen. תּוֹרוֹת אֱמֶת (torot emet), ‘wetten van waarheid’: wetten die betrouwbaar zijn.
15Brood uit de hemel gaf U hun voor hun honger. Water liet U voor hen uit een rots komen voor hun dorst. U zei hun dat zij moesten binnengaan om het land in bezit te nemen. Daarvoor had U Uw hand opgeheven om het hun te geven.
וְ֠לֶחֶם
(velechem)
en brood
מִשָּׁמַ֜יִם
(mishamayim)
uit de hemel
נָתַ֤תָּה
(natata)
U gaf
לָהֶם֙
(lahem)
hun
לִרְעָבָ֔ם
(liravam)
voor hun honger
וּמַ֗יִם
(umayim)
en water
מִסֶּ֛לַע
(misela)
uit een rots
הוֹצֵ֥אתָ
(hotseta)
U liet uitgaan
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לִצְמָאָ֑ם
(litsmaam)
voor hun dorst
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en U zei
לָהֶ֗ם
(lahem)
tot hen
לָבוֹא֙
(lavo)
om binnen te gaan
לָרֶ֣שֶׁת
(lareshet)
om in bezit te nemen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָשָׂ֥אתָ
(nasata)
U had opgeheven
אֶת
(et)
(obj.)
יָדְךָ֖
(yadekha)
Uw hand
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
לָהֶֽם
(lahem)
hun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie Exod. 16:4 (brood uit de hemel) en Exod. 17:6, Num. 20:8 (water uit de rots).
נָשָׂאתָ אֶת יָדְךָ (nasata et yadkha), ‘U had Uw hand opgeheven’: de hand opheffen is een eed.
17Zij weigerden te luisteren en dachten niet aan Uw wonderen, die U onder hen had gedaan. Zij maakten hun nek hard. In hun weerspannigheid kozen zij een leider om terug te keren naar hun slavernij. Maar U bent een Elohim van vergevingen, genadig en barmhartig, langzaam tot toorn en rijk aan trouw. U hebt hen niet verlaten.
וַיְמָאֲנ֣וּ
(vaymaanu)
en weigerden
לִשְׁמֹ֗עַ
(lishmoa)
om te luisteren
וְלֹא
(velo)
en niet
זָכְר֤וּ
(zakheru)
dachten aan
נִפְלְאֹתֶ֨יךָ֙
(nifleoteikha)
Uw wonderen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
U had gedaan
עִמָּהֶ֔ם
(imahem)
bij hen
וַיַּקְשׁוּ֙
(vayaqshu)
en maakten hard
אֶת
(et)
(obj.)
עָרְפָּ֔ם
(arpam)
hun nek
וַיִּתְּנוּ
(vayitenu)
en kozen
רֹ֛אשׁ
(rosh)
een hoofd
לָשׁ֥וּב
(lashuv)
om terug te keren
לְעַבְדֻתָ֖ם
(leavdutam)
naar hun slavernij
בְּמִרְיָ֑ם
(bemiryam)
in hun weerspannigheid
וְאַתָּה֩
(veata)
en U
אֱל֨וֹהַּ
(eloha)
een Elohim van
סְלִיח֜וֹת
(selichot)
vergevingen
חַנּ֧וּן
(chanun)
genadig
וְרַח֛וּם
(verachum)
en barmhartig
אֶֽרֶךְ
(erekh)
langzaam tot
אַפַּ֥יִם
(apayim)
toorn
וְרַב
(verav)
en rijk aan
חֶ֖סֶד
(chesed)
trouw
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עֲזַבְתָּֽם
(azavtam)
U verliet hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּמִרְיָם (bemiryam), ‘in hun weerspannigheid’: zo staat het in de tekst.
Sommige oude vertalingen lezen hier ‘in Egypte’; vergelijk Num. 14:4, waar het volk zegt: ‘Laten we een leider kiezen en naar Egypte teruggaan.’
אֱלוֹהַּ סְלִיחוֹת (Eloah selichot), ‘een Elohim van vergevingen’: Eloah is een enkelvoudige vorm van Elohim (zie Ps. 143:10). Over vergeving: Ps. 130:4 en Dan. 9:9.
חַנּוּן וְרַחוּם אֶרֶךְ אַפַּיִם וְרַב חֶסֶד (channun verachum erekh appayim verav chesed), ‘genadig en barmhartig, langzaam tot toorn en rijk aan trouw’: dit is de belijdenis uit Exod. 34:6. Zie ook Num. 14:18, Ps. 103:8, Joël 2:13 en Jona 4:2.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat voor ‘trouw’ een extra ‘en’; de leestekst (qere) heeft dat niet.
19Toch verliet U hen in Uw grote barmhartigheid niet in de woestijn. De wolkkolom week overdag niet van hen, om hen op de weg te leiden. De vuurkolom week ’s nachts niet, om hun de weg te verlichten die zij moesten gaan.
וְאַתָּה֙
(veata)
en U
בְּרַחֲמֶ֣יךָ
(berachameikha)
in Uw barmhartigheden
הָֽרַבִּ֔ים
(harabim)
de vele
לֹ֥א
(lo)
niet
עֲזַבְתָּ֖ם
(azavtam)
verliet hen
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
אֶת
(et)
(obj.)
עַמּ֣וּד
(amud)
de kolom van
הֶ֠עָנָן
(heanan)
de wolk
לֹא
(lo)
niet
סָ֨ר
(sar)
week
מֵעֲלֵיהֶ֤ם
(mealeihem)
van hen
בְּיוֹמָם֙
(beyomam)
overdag
לְהַנְחֹתָ֣ם
(lehanchotam)
om hen te leiden
בְּהַדֶּ֔רֶךְ
(behaderekh)
op de weg
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַמּ֨וּד
(amud)
de kolom van
הָאֵ֤שׁ
(haesh)
het vuur
בְּלַ֨יְלָה֙
(belayla)
’s nachts
לְהָאִ֣יר
(lehair)
om te verlichten
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַדֶּ֖רֶךְ
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יֵֽלְכוּ
(yelekhu)
zij zouden gaan
בָֽהּ
(bah)
daarop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22U gaf hun koninkrijken en volken en verdeelde die over hen, hoek na hoek. Zij namen het land van Sichon in bezit, het land van de koning van Chesbon, en het land van Og, de koning van Basan.
וַתִּתֵּ֨ן
(vatiten)
en U gaf
לָהֶ֤ם
(lahem)
hun
מַמְלָכוֹת֙
(mamlakhot)
koninkrijken
וַעֲמָמִ֔ים
(vaamamim)
en volken
וַֽתַּחְלְקֵ֖ם
(vatachleqem)
en U verdeelde ze
לְפֵאָ֑ה
(lefea)
naar elke hoek
וַיִּֽירְשׁ֞וּ
(vayireshu)
en zij namen in bezit
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
סִיח֗וֹן
(sichon)
Sichon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶ֨רֶץ֙
(erets)
het land van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
חֶשְׁבּ֔וֹן
(cheshbon)
Chesbon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶ֖רֶץ
(erets)
het land van
ע֥וֹג
(og)
Og
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
הַבָּשָֽׁן
(habashan)
Basan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.
Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.
Uitleg
לַפֵּאָה (lape’ah), ‘naar elke hoek’: letterlijk ‘naar de hoek’.
Het kan betekenen: elk volk kreeg zijn deel, ‘hoek na hoek’.
23Hun zonen maakte U talrijk als de sterren van de hemel. U bracht hen in het land waarvan U hun vaders had gezegd dat zij erheen zouden gaan om het in bezit te nemen.
וּבְנֵיהֶ֣ם
(uveneihem)
en hun zonen
הִרְבִּ֔יתָ
(hirbita)
U maakte talrijk
כְּכֹכְבֵ֖י
(kekhokhevei)
als de sterren van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
וַתְּבִיאֵם֙
(vateviem)
en U bracht hen
אֶל
(el)
naar
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אָמַ֥רְתָּ
(amarta)
U had gezegd
לַאֲבֹתֵיהֶ֖ם
(laavoteihem)
tegen hun vaders
לָב֥וֹא
(lavo)
om binnen te gaan
לָרָֽשֶׁת
(larashet)
om in bezit te nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24De zonen kwamen en namen het land in bezit. U onderwierp de bewoners van het land, de Kanaänieten, voor hen. U gaf hen in hun hand, met hun koningen en de volken van het land, om met hen te doen wat zij wilden.
וַיָּבֹ֤אוּ
(vayavou)
en kwamen
הַבָּנִים֙
(habanim)
de zonen
וַיִּֽירְשׁ֣וּ
(vayireshu)
en namen in bezit
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וַתַּכְנַ֨ע
(vatakhna)
en U onderwierp
לִפְנֵיהֶ֜ם
(lifneihem)
voor hen
אֶת
(et)
(obj.)
יֹשְׁבֵ֤י
(yoshevei)
de bewoners van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
הַכְּנַ֣עֲנִ֔ים
(hakenaanim)
de Kanaänieten
וַֽתִּתְּנֵ֖ם
(vatitenem)
en U gaf hen
בְּיָדָ֑ם
(beyadam)
in hun hand
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַלְכֵיהֶם֙
(malkheihem)
hun koningen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַֽמְמֵ֣י
(ammei)
de volken van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
בָּהֶ֖ם
(bahem)
met hen
כִּרְצוֹנָֽם
(kirtsonam)
naar hun wil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַתַּכְנַע (vatakhna), ‘en U onderwierp’: het werkwoord ‘onderwerpen’.
De Kanaänieten zijn hier de bewoners van het land in het algemeen.
25Zij veroverden versterkte steden en vruchtbare grond. Zij namen huizen in bezit die vol waren van alles wat goed is, uitgehouwen putten, wijngaarden, olijfbomen en vruchtbomen in overvloed. Zij aten, werden verzadigd en werden vet. Door Uw grote goedheid leefden zij in weelde.
וַֽיִּלְכְּד֞וּ
(vayilkedu)
en zij veroverden
עָרִ֣ים
(arim)
steden
בְּצֻרוֹת֮
(betsurot)
versterkte
וַאֲדָמָ֣ה
(vaadama)
en grond
שְׁמֵנָה֒
(shemena)
vette
וַיִּֽירְשׁ֡וּ
(vayireshu)
en namen in bezit
בָּתִּ֣ים
(batim)
huizen
מְלֵֽאִים
(meleim)
vol van
כָּל
(kal)
alles
ט֠וּב
(tuv)
goeds
בֹּר֨וֹת
(borot)
putten
חֲצוּבִ֜ים
(chatsuvim)
uitgehouwen
כְּרָמִ֧ים
(keramim)
wijngaarden
וְזֵיתִ֛ים
(vezeitim)
en olijfbomen
וְעֵ֥ץ
(veets)
en bomen van
מַאֲכָ֖ל
(maakhal)
voedsel
לָרֹ֑ב
(larov)
in overvloed
וַיֹּאכְל֤וּ
(vayokhlu)
en aten
וַֽיִּשְׂבְּעוּ֙
(vayisbeu)
en werden verzadigd
וַיַּשְׁמִ֔ינוּ
(vayashminu)
en werden vet
וַיִּֽתְעַדְּנ֖וּ
(vayitadenu)
en leefden in weelde
בְּטוּבְךָ֥
(betuvekha)
door Uw goedheid
הַגָּדֽוֹל
(hagadol)
de grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֹּרוֹת חֲצוּבִים (borot chatsuvim), ‘uitgehouwen putten’: putten of waterreservoirs in de rots.
Zie ook Deut. 6:10–11, waar Yahweh zelf de steden, huizen en putten geeft.
וַיִּתְעַדְּנוּ (vayit’addenu), ‘en zij leefden in weelde’: van dezelfde wortel als ‘Eden’.
26Maar zij waren ongehoorzaam en kwamen in opstand tegen U. Zij wierpen Uw wet achter hun rug. Uw profeten, die tegen hen getuigden om hen naar U terug te brengen, doodden zij. Zij begingen grote lasteringen.
וַיַּמְר֨וּ
(vayamru)
en waren ongehoorzaam
וַֽיִּמְרְד֜וּ
(vayimredu)
en kwamen in opstand
בָּ֗ךְ
(bakh)
tegen U
וַיַּשְׁלִ֤כוּ
(vayashlikhu)
en wierpen
אֶת
(et)
(obj.)
תּוֹרָֽתְךָ֙
(toratekha)
Uw wet
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
גַוָּ֔ם
(gavam)
hun rug
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נְבִיאֶ֣יךָ
(nevieikha)
Uw profeten
הָרָ֔גוּ
(haragu)
doodden zij
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֵעִ֥ידוּ
(heidu)
getuigden
בָ֖ם
(bam)
tegen hen
לַהֲשִׁיבָ֣ם
(lahashivam)
om hen terug te brengen
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
naar U
וַֽיַּעֲשׂ֔וּ
(vayaasu)
en deden
נֶאָצ֖וֹת
(neatsot)
lasteringen
גְּדוֹלֹֽת
(gedolot)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיַּשְׁלִכוּ אֶת תּוֹרָתְךָ אַחֲרֵי גַוָּם (vayashlikhu et toratkha acharei gavvam), ‘zij wierpen Uw wet achter hun rug’: zij namen haar niet meer serieus.
27Toen gaf U hen in de hand van hun vijanden, die hen onderdrukten. In de tijd van hun nood riepen zij tot U. U hoorde het uit de hemel. In Uw grote barmhartigheid gaf U hun redders, die hen redden uit de hand van hun vijanden.
וַֽתִּתְּנֵם֙
(vatitenem)
en U gaf hen
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
צָֽרֵיהֶ֔ם
(tsareihem)
hun vijanden
וַיָּצֵ֖רוּ
(vayatseru)
en zij onderdrukten
לָהֶ֑ם
(lahem)
hen
וּבְעֵ֤ת
(uveet)
en in de tijd van
צָֽרָתָם֙
(tsaratam)
hun nood
יִצְעֲק֣וּ
(yitsaqu)
riepen zij
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot U
וְאַתָּה֙
(veata)
en U
מִשָּׁמַ֣יִם
(mishamayim)
uit de hemel
תִּשְׁמָ֔ע
(tishma)
hoorde
וּֽכְרַחֲמֶ֣יךָ
(ukherachameikha)
en naar Uw barmhartigheden
הָֽרַבִּ֗ים
(harabim)
de vele
תִּתֵּ֤ן
(titen)
gaf U
לָהֶם֙
(lahem)
hun
מֽוֹשִׁיעִ֔ים
(moshiim)
redders
וְיוֹשִׁיע֖וּם
(veyoshium)
en zij redden hen
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
צָרֵיהֶֽם
(tsareihem)
hun vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוֹשִׁיעִים (moshi’im), ‘redders’: zoals de richters.
28Zodra zij rust hadden, deden zij weer wat kwaad is voor Uw aangezicht. Dan liet U hen in de hand van hun vijanden, die over hen heersten. Dan keerden zij terug en riepen U aan. U hoorde het uit de hemel en bevrijdde hen, vele malen, in Uw barmhartigheid.
וּכְנ֣וֹחַ
(ukhenoach)
en bij het rusten
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
יָשׁ֕וּבוּ
(yashuvu)
keerden zij weer
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
רַ֖ע
(ra)
kwaad
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
וַתַּֽעַזְבֵ֞ם
(vataazvem)
en U liet hen
בְּיַ֤ד
(beyad)
in de hand van
אֹֽיְבֵיהֶם֙
(oyeveihem)
hun vijanden
וַיִּרְדּ֣וּ
(vayirdu)
en zij heersten
בָהֶ֔ם
(bahem)
over hen
וַיָּשׁ֨וּבוּ֙
(vayashuvu)
en zij keerden terug
וַיִּזְעָק֔וּךָ
(vayizaqukha)
en riepen U aan
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en U
מִשָּׁמַ֧יִם
(mishamayim)
uit de hemel
תִּשְׁמַ֛ע
(tishma)
hoorde
וְתַצִּילֵ֥ם
(vetatsilem)
en U bevrijdde hen
כְּֽרַחֲמֶ֖יךָ
(kerachameikha)
naar Uw barmhartigheden
רַבּ֥וֹת
(rabot)
vele
עִתִּֽים
(itim)
malen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is het patroon van het boek Richteren: rust, kwaad doen, onderdrukking, roepen, redding.
Zie Richt. 2:18–19.
וַתַּצִּילֵם (vattatsilem), ‘en U bevrijdde hen’: het werkwoord ‘bevrijden’ (hitsil).
29U waarschuwde hen om hen terug te brengen naar Uw wet. Maar zij waren overmoedig en luisterden niet naar Uw geboden. Zij zondigden tegen Uw rechtsregels, waardoor een mens leeft als hij ze doet. Zij hielden hun schouder weerspannig, maakten hun nek hard en luisterden niet.
וַתָּ֨עַד
(vataad)
en U waarschuwde
בָּהֶ֜ם
(bahem)
hen
לַהֲשִׁיבָ֣ם
(lahashivam)
om hen terug te brengen
אֶל
(el)
naar
תּוֹרָתֶ֗ךָ
(toratekha)
Uw wet
וְהֵ֨מָּה
(vehema)
en zij
הֵזִ֜ידוּ
(hezidu)
handelden overmoedig
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁמְע֤וּ
(shameu)
luisterden
לְמִצְוֺתֶ֨יךָ֙
(lemitsvoteikha)
naar Uw geboden
וּבְמִשְׁפָּטֶ֣יךָ
(uvemishpateikha)
en tegen Uw rechtsregels
חָֽטְאוּ
(chateu)
zondigden
בָ֔ם
(bam)
tegen die
אֲשֶׁר
(asher)
die
יַעֲשֶׂ֥ה
(yaase)
doet
אָדָ֖ם
(adam)
een mens
וְחָיָ֣ה
(vechaya)
en leeft
בָהֶ֑ם
(bahem)
door ze
וַיִּתְּנ֤וּ
(vayitenu)
en zij gaven
כָתֵף֙
(katef)
een schouder
סוֹרֶ֔רֶת
(soreret)
weerspannige
וְעָרְפָּ֥ם
(vearpam)
en hun nek
הִקְשׁ֖וּ
(hiqshu)
maakten hard
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמֵֽעוּ
(shameu)
luisterden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲשֶׁר יַעֲשֶׂה אָדָם וְחָיָה בָהֶם (asher ya’aseh adam vechayah vahem), ‘waardoor een mens leeft als hij ze doet’: zie Lev. 18:5.
Zie ook Ezech. 20:11.
וַיִּתְּנוּ כָתֵף סוֹרֶרֶת (vayittenu khatef sorerret), ‘zij hielden hun schouder weerspannig’: het beeld is van een rund dat zich aan het juk onttrekt. Zie ook Hos. 4:16 en Zach. 7:11.
30Vele jaren had U geduld met hen. U waarschuwde hen door Uw Geest, door Uw profeten, maar zij luisterden niet. Toen gaf U hen in de hand van de volken van de landen.
וַתִּמְשֹׁ֤ךְ
(vatimshokh)
en U rekte uit
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
over hen
שָׁנִ֣ים
(shanim)
jaren
רַבּ֔וֹת
(rabot)
vele
וַתָּ֨עַד
(vataad)
en U waarschuwde
בָּ֧ם
(bam)
hen
בְּרוּחֲךָ֛
(beruchakha)
door Uw Geest
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
נְבִיאֶ֖יךָ
(nevieikha)
Uw profeten
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
הֶאֱזִ֑ינוּ
(heezinu)
luisterden zij
וַֽתִּתְּנֵ֔ם
(vatitenem)
en U gaf hen
בְּיַ֖ד
(beyad)
in de hand van
עַמֵּ֥י
(amei)
de volken van
הָאֲרָצֹֽת
(haaratsot)
de landen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַתִּמְשֹׁךְ (vattimshokh), ‘en U rekte uit’: U bleef lang geduld hebben, letterlijk ‘trok het uit’.
עַמֵּי הָאֲרָצֹת (ammei ha’aratsot), ‘de volken van de landen’: de volken om Israël heen.
32Nu dan, onze Elohim, grote, sterke en ontzagwekkende El, die het verbond en de trouw bewaart. Laat al de moeite die ons heeft getroffen niet gering zijn voor Uw aangezicht. Het trof onze koningen, onze oversten, onze priesters, onze profeten en onze vaders. Het trof heel Uw volk, sinds de dagen van de koningen van Assyrië tot op deze dag.
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
אֱ֠לֹהֵינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
הָאֵ֨ל
(hael)
de El
הַגָּד֜וֹל
(hagadol)
de grote
הַגִּבּ֣וֹר
(hagibor)
de sterke
וְהַנּוֹרָא֮
(vehanora)
en de ontzagwekkende
שׁוֹמֵ֣ר
(shomer)
die bewaart
הַבְּרִ֣ית
(haberit)
het verbond
וְהַחֶסֶד֒
(vehachesed)
en de trouw
אַל
(al)
niet
יִמְעַ֣ט
(yimat)
laat gering zijn
לְפָנֶ֡יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַתְּלָאָ֣ה
(hatelaa)
de moeite
אֲֽשֶׁר
(asher)
dat
מְ֠צָאַתְנוּ
(metsaatnu)
heeft ons getroffen
לִמְלָכֵ֨ינוּ
(limlakheinu)
voor onze koningen
לְשָׂרֵ֧ינוּ
(lesareinu)
voor onze oversten
וּלְכֹהֲנֵ֛ינוּ
(ulekhohaneinu)
en voor onze priesters
וְלִנְבִיאֵ֥נוּ
(velinvienu)
en voor onze profeten
וְלַאֲבֹתֵ֖ינוּ
(velaavoteinu)
en voor onze vaders
וּלְכָל
(ulekhal)
en voor heel
עַמֶּ֑ךָ
(amekha)
Uw volk
מִימֵי֙
(mimei)
sinds de dagen van
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
de koningen van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
הַתְּלָאָה (hatte’alah), ‘de moeite’: wat een volk aan tegenslag en nood doorstaat.
Dezelfde woorden staan in Num. 20:14; zie ook Exod. 18:8.
Wij houden ‘moeite’ aan.
מַלְכֵי אַשּׁוּר (malkhei Ashur), ‘de koningen van Assyrië’: de Assyrische koningen. Zie 2 Kon. 15:19, 17:6.
שֹׁמֵר הַבְּרִית וְהַחֶסֶד (shomer haberit vehachesed), ‘die het verbond en de trouw bewaart’: zie Deut. 7:9 en 1 Kon. 8:23.
34Onze koningen, onze oversten, onze priesters en onze vaders hebben Uw wet niet gedaan. Zij letten niet op Uw geboden en Uw getuigenissen, waarmee U hen hebt gewaarschuwd.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מְלָכֵ֤ינוּ
(melakheinu)
onze koningen
שָׂרֵ֨ינוּ֙
(sareinu)
onze oversten
כֹּהֲנֵ֣ינוּ
(kohaneinu)
onze priesters
וַאֲבֹתֵ֔ינוּ
(vaavoteinu)
en onze vaders
לֹ֥א
(lo)
niet
עָשׂ֖וּ
(asu)
deden
תּוֹרָתֶ֑ךָ
(toratekha)
Uw wet
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
הִקְשִׁ֨יבוּ֙
(hiqshivu)
letten op
אֶל
(el)
naar
מִצְוֺתֶ֔יךָ
(mitsvoteikha)
Uw geboden
וּלְעֵ֣דְוֺתֶ֔יךָ
(uleedevoteikha)
en naar Uw getuigenissen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
הַעִידֹ֖תָ
(haidota)
U waarschuwde
בָּהֶֽם
(bahem)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Zij dienden U niet in hun koninkrijk, ondanks Uw grote goedheid die U hun gaf. Ook niet in het ruime en vruchtbare land dat U voor hen had gelegd. Zij keerden zich niet af van hun slechte daden.
וְהֵ֣ם
(vehem)
en zij
בְּמַלְכוּתָם֩
(bemalkhutam)
in hun koninkrijk
וּבְטוּבְךָ֨
(uvetuvekha)
en in Uw goedheid
הָרָ֜ב
(harav)
de grote
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֣תָּ
(natata)
U gaf
לָהֶ֗ם
(lahem)
hun
וּבְאֶ֨רֶץ
(uveerets)
en in het land
הָרְחָבָ֧ה
(harechava)
het ruime
וְהַשְּׁמֵנָ֛ה
(vehashemena)
en het vruchtbare
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֥תָּ
(natata)
U gaf
לִפְנֵיהֶ֖ם
(lifneihem)
voor hen
לֹ֣א
(lo)
niet
עֲבָד֑וּךָ
(avadukha)
dienden U
וְֽלֹא
(velo)
en niet
שָׁ֔בוּ
(shavu)
keerden terug
מִמַּֽעַלְלֵיהֶ֖ם
(mimaalleihem)
van hun daden
הָרָעִֽים
(haraim)
de slechte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Zijn opbrengst maakt de koningen rijk die U vanwege onze zonden over ons hebt gesteld. Zij heersen over ons lichaam en over ons vee, naar hun wil. Wij zitten in grote nood.”
וּתְבוּאָתָ֣הּ
(utevuatah)
en zijn opbrengst
מַרְבָּ֗ה
(marba)
maakt rijk
לַמְּלָכִ֛ים
(lamelakhim)
de koningen
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥תָּה
(natata)
U hebt gesteld
עָלֵ֖ינוּ
(aleinu)
over ons
בְּחַטֹּאותֵ֑ינוּ
(bechatovteinu)
om onze zonden
וְעַ֣ל
(veal)
en over
גְּ֠וִיֹּתֵינוּ
(geviyoteinu)
ons lichaam
מֹשְׁלִ֤ים
(moshelim)
heersen zij
וּבִבְהֶמְתֵּ֨נוּ֙
(uvivhemtenu)
en over ons vee
כִּרְצוֹנָ֔ם
(kirtsonam)
naar hun wil
וּבְצָרָ֥ה
(uvetsara)
en in nood
גְדוֹלָ֖ה
(gedola)
grote
אֲנָֽחְנוּ
(anachenu)
wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גְּוִיֹּתֵינוּ (geviyyotenu), ‘ons lichaam’: het woord kan ook ‘lijf’ of ‘persoon’ betekenen.
Het Hebreeuws zegt dat de koningen over ons lichaam en ons vee heersen ‘naar hun wil’ (kirtsonam).
Het gebed eindigt hier. Het verhaal gaat verder in Neh. 10:1 (Hebr.), dat in Nederlandse Bijbels Neh. 9:38 is.