Elohim Bijbel

Jeremia 7

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

De toespraak in de poort van het huis van Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De toespraak in de tempelpoort

1Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam:
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָיָ֣ה
(haya)
kwam
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Met dit vers begint een nieuw woord van Yahweh.

De toespraak in de poort (verzen 2–15) is de bekende tempeltoespraak; vergelijk Jer. 26:1–6.

2„Ga staan in de poort van het huis van Yahweh en roep daar dit woord uit. Zeg: ‘Hoor het woord van Yahweh, heel Juda, jullie die door deze poorten binnenkomen om je neer te buigen voor Yahweh.
עֲמֹ֗ד
(amod)
ga staan
בְּשַׁ֨עַר֙
(beshaar)
in de poort van
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְקָרָ֣אתָ
(veqarata)
en roep
שָּׁ֔ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
וְאָמַרְתָּ֞
(veamarta)
en zeg
שִׁמְע֣וּ
(shimu)
hoort
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּל
(kal)
heel
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
הַבָּאִים֙
(habaim)
die binnenkomen
בַּשְּׁעָרִ֣ים
(bashearim)
door de poorten
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֖ת
(lehishtachavot)
om zich neer te buigen
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּשַׁעַר בֵּית יְהוָה (besha’ar beit Yahweh), ‘in de poort van het huis van Yahweh’: de ingang van het heiligdom, waar het volk binnenging en waar een toespraak door veel mensen gehoord kon worden.

לְהִשְׁתַּחֲוֺת (lehishtachavot), ‘om zich neer te buigen’: het werkwoord שָׁחָה (shachah) in de wederkerende vorm, ‘zich voorover buigen’ bij de eredienst.

Dit vers is een opdracht van Yahweh aan Jeremia en staat daarom rood. Wat Jeremia uit moet roepen (‘Hoor het woord van Yahweh …’), staat binnen enkele aanhalingstekens.

3Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Maak jullie wegen en jullie daden goed, dan laat Ik jullie op deze plaats wonen.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הֵיטִ֥יבוּ
(heitivu)
maakt goed
דַרְכֵיכֶ֖ם
(darkheikhem)
jullie wegen
וּמַֽעַלְלֵיכֶ֑ם
(umaalleikhem)
en jullie daden
וַאֲשַׁכְּנָ֣ה
(vaashakena)
en Ik laat wonen
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
בַּמָּק֥וֹם
(bamaqom)
op de plaats
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19.

הֵיטִיבוּ (heitivu), ‘maak goed’: het werkwoord יָטַב (yatav) betekent ‘goed zijn’; in deze vorm ‘goed maken’.

וַאֲשַׁכְּנָה (va’ashakkenah), ‘dan laat Ik wonen’: het werkwoord שָׁכַן (shakan) betekent ‘wonen’. Zo gelezen is de belofte: Yahweh laat het volk op deze plaats wonen. Sommige oude vertalingen lezen anders: ‘dan zal Ik met jullie wonen op deze plaats’.

Vertrouw niet op leugenachtige woorden

4Vertrouw niet op woorden van leugen die zeggen: „De tempel van Yahweh, de tempel van Yahweh, de tempel van Yahweh is het!”
אַל
(al)
niet
תִּבְטְח֣וּ
(tivtechu)
vertrouwt
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jullie
אֶל
(el)
op
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
הַשֶּׁ֖קֶר
(hasheqer)
de leugen
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
הֵיכַ֤ל
(heikhal)
tempel van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הֵיכַ֣ל
(heikhal)
tempel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הֵיכַ֥ל
(heikhal)
tempel van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דִּבְרֵי הַשֶּׁקֶר (divrei hasheqer), ‘woorden van leugen’: de slagzin ‘De tempel van Yahweh …’ stelt het volk gerust: zolang het heiligdom er staat, zijn zij veilig.

De drievoudige herhaling zorgt voor nadruk, zoals ‘heilig, heilig, heilig’ in Jes. 6:3.

הֵמָּה (hemmah), ‘het’: letterlijk ‘zij’, een meervoud. Het wijst naar de gebouwen van het heiligdom.

5Want als jullie jullie wegen en daden werkelijk goed maken, als jullie echt recht doen tussen een man en zijn naaste,
כִּ֤י
(ki)
want
אִם
(im)
als
הֵיטֵיב֙
(heiteiv)
goed te maken
תֵּיטִ֔יבוּ
(teitivu)
jullie zullen goed maken
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכֵיכֶ֖ם
(darkheikhem)
jullie wegen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַֽעַלְלֵיכֶ֑ם
(maalleikhem)
jullie daden
אִם
(im)
als
עָשׂ֤וֹ
(aso)
zeker te doen
תַֽעֲשׂוּ֙
(taasu)
jullie zullen doen
מִשְׁפָּ֔ט
(mishpat)
recht
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
אִ֖ישׁ
(ish)
man
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
רֵעֵֽהוּ
(reehu)
zijn naaste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵיטֵיב תֵּיטִיבוּ (heitev teitivu), ‘werkelijk goed maken’: het Hebreeuws zet hetzelfde werkwoord twee keer, voor nadruk.

Zo ook עָשׂוֹ תַעֲשׂוּ (aso ta’asu), ‘echt doen’.

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: het eerlijk oplossen van een zaak tussen twee mensen.

6als jullie de vreemdeling, de wees en de weduwe niet onderdrukken, op deze plaats geen onschuldig bloed vergieten en niet achter andere goden aan lopen, tot eigen onheil,
גֵּ֣ר
(ger)
vreemdeling
יָת֤וֹם
(yatom)
wees
וְאַלְמָנָה֙
(vealmana)
en weduwe
לֹ֣א
(lo)
niet
תַֽעֲשֹׁ֔קוּ
(taashoqu)
jullie zullen onderdrukken
וְדָ֣ם
(vedam)
en bloed
נָקִ֔י
(naqi)
onschuldig
אַֽל
(al)
niet
תִּשְׁפְּכ֖וּ
(tishpekhu)
jullie zullen vergieten
בַּמָּק֣וֹם
(bamaqom)
op de plaats
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְאַחֲרֵ֨י
(veacharei)
en achter
אֱלֹהִ֧ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֛ים
(acherim)
andere
לֹ֥א
(lo)
niet
תֵלְכ֖וּ
(telekhu)
jullie zullen lopen
לְרַ֥ע
(lera)
tot kwaad
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De vreemdeling, de wees en de weduwe zijn de mensen zonder beschermer (Exod. 22:21–23).

וְדָם נָקִי (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: bloed van wie niets misdaan heeft. Hier gaat het ook om de kinderen die geofferd worden (vers 31).

לְרַע לָכֶם (lera lakhem), ‘tot eigen onheil’: letterlijk ‘tot onheil voor jullie’.

7dan laat Ik jullie op deze plaats wonen, in het land dat Ik aan jullie vaders gegeven heb, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
וְשִׁכַּנְתִּ֤י
(veshikanti)
en Ik zal laten wonen
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
בַּמָּק֣וֹם
(bamaqom)
op de plaats
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
בָּאָ֕רֶץ
(baarets)
in het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik gaf
לַאֲבֽוֹתֵיכֶ֑ם
(laavoteikhem)
aan jullie vaders
לְמִן
(lemin)
van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwigheid
וְעַד
(vead)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְמִן עוֹלָם וְעַד עוֹלָם (lemin olam ve’ad olam), ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’: letterlijk ‘van olam tot olam’.

Het land is hun voor altijd beloofd, mits zij Yahweh gehoorzamen.

De verzen 5 tot en met 7 vormen één lange zin in het Hebreeuws, met twee delen: ‘als jullie … dan laat Ik jullie wonen’.

8Zie, jullie vertrouwen op woorden van leugen die niet baten.
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
בֹּטְחִ֣ים
(botechim)
vertrouwend
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jullie
עַל
(al)
op
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
woorden van
הַשָּׁ֑קֶר
(hashaqer)
de leugen
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
om niet
הוֹעִֽיל
(hoil)
te baten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְבִלְתִּי הוֹעִיל (levilti hoil), ‘die niet baten’: het werkwoord יָעַל (ya’al) betekent ‘nut hebben’.

De woorden van vers 4 zijn dus waardeloos.

Een rovershol

9Jullie stelen, moorden, plegen echtbreuk, zweren vals, branden wierook voor de Baäl en lopen achter andere goden aan die jullie niet kennen.
הֲגָנֹ֤ב
(haganov)
is het stelen
רָצֹ֨חַ֙
(ratsoach)
moorden
וְֽנָאֹ֔ף
(venaof)
en echtbreken
וְהִשָּׁבֵ֥עַ
(vehishavea)
en zweren
לַשֶּׁ֖קֶר
(lasheqer)
op leugen
וְקַטֵּ֣ר
(veqater)
en wierook branden
לַבָּ֑עַל
(labaal)
voor de Baäl
וְהָלֹ֗ךְ
(vehalokh)
en lopen
אַחֲרֵ֛י
(acharei)
achter
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֖ים
(acherim)
andere
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יְדַעְתֶּֽם
(yedatem)
jullie kennen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De werkwoorden volgen de geboden: stelen, moorden, echtbreken, vals getuigen en andere goden (Exod. 20:3, 20:13–16).

Het Hebreeuws heeft hier een reeks onbepaalde werkwoorden met een vraagwoord: ‘Stelen, moorden …?’

Wij vertalen het als een verwijt.

לַבָּעַל (labaal), ‘voor de Baäl’: met het lidwoord, de god Baäl; zie Hos. 2:10.

10Dan komen jullie en gaan voor Mijn aangezicht staan in dit huis, waarover Mijn naam is uitgeroepen. Jullie zeggen: „Wij zijn bevrijd”, om al deze gruwelen te blijven doen.
וּבָאתֶ֞ם
(uvatem)
en jullie komen
וַעֲמַדְתֶּ֣ם
(vaamadtem)
en jullie staan
לְפָנַ֗י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
בַּבַּ֤יִת
(babayit)
in het huis
הַזֶּה֙
(haze)
dit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarover
נִקְרָא
(niqra)
is uitgeroepen
שְׁמִ֣י
(shemi)
Mijn naam
עָלָ֔יו
(alav)
erover
וַאֲמַרְתֶּ֖ם
(vaamartem)
en jullie zeggen
נִצַּ֑לְנוּ
(nitsalnu)
wij zijn bevrijd
לְמַ֣עַן
(lemaan)
om
עֲשׂ֔וֹת
(asot)
te doen
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַתּוֹעֵב֖וֹת
(hatoevot)
de gruwelen
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִקְרָא שְׁמִי עָלָיו (niqra shemi alav), ‘waarover Mijn naam is uitgeroepen’: het huis draagt Yahweh’s naam en is dus van Hem.

Zo ook in vers 11, 14 en 30.

נִצַּלְנוּ (nitsalnu), ‘wij zijn bevrijd’: het werkwoord נָצַל (natsal) in de lijdende vorm. Het volk denkt dat de tempel hen beschermt. De zin ‘om al deze gruwelen te doen’ is moeilijk; wij begrijpen hem als: ‘wij zijn bevrijd, zodat wij al deze gruwelen kunnen blijven doen’.

11Is dit huis, waarover Mijn naam is uitgeroepen, in jullie ogen een rovershol geworden? Ook Ik, zie, Ik heb het gezien, godsspraak van Yahweh.
הַמְעָרַ֣ת
(hamarat)
is een hol van
פָּרִצִ֗ים
(paritsim)
rovers
הָיָ֨ה
(haya)
geworden
הַבַּ֧יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּ֛ה
(haze)
dit
אֲשֶׁר
(asher)
waarover
נִקְרָֽא
(niqra)
is uitgeroepen
שְׁמִ֥י
(shemi)
Mijn naam
עָלָ֖יו
(alav)
erover
בְּעֵינֵיכֶ֑ם
(beeineikhem)
in jullie ogen
גַּ֧ם
(gam)
ook
אָנֹכִ֛י
(anokhi)
Ik
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
רָאִ֖יתִי
(raiti)
Ik heb gezien
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמְעָרַת פָּרִצִים (me’arat paritsim), ‘rovershol’: een schuilplaats van roofbenden, waar zij zich verbergen na hun misdaden.

Zie ook Matt. 21:13.

רָאִיתִי (ra’iti), ‘Ik heb gezien’: Yahweh heeft gezien wat er in Zijn huis gebeurt; het is niet verborgen.

Denk aan Silo

12Ga toch naar Mijn plaats in Silo, waar Ik in het begin Mijn naam liet wonen. Zie wat Ik ermee gedaan heb vanwege het kwaad van Mijn volk Israël.
כִּ֣י
(ki)
want
לְכוּ
(lekhu)
ga
נָ֗א
(na)
toch
אֶל
(el)
naar
מְקוֹמִי֙
(meqomi)
Mijn plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּשִׁיל֔וֹ
(beshilo)
in Silo
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waar
שִׁכַּ֧נְתִּֽי
(shikanti)
Ik liet wonen
שְׁמִ֛י
(shemi)
Mijn naam
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בָּרִֽאשׁוֹנָ֑ה
(barishona)
in het begin
וּרְאוּ֙
(ureu)
en zie
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשִׂ֣יתִי
(asiti)
Ik deed
ל֔וֹ
(lo)
eraan
מִפְּנֵ֕י
(mipenei)
vanwege
רָעַ֖ת
(raat)
kwaad van
עַמִּ֥י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

שִׁלוֹ (Silo): de plaats waar de tabernakel en de ark stonden in de tijd van Eli (1 Sam. 1–4).

Daar werd Israël verslagen en werd de ark genomen (1 Sam. 4:10–11); zie ook Ps. 78:60.

Wat er verder met Silo gebeurde, wordt in Samuël niet beschreven.

Hier is Silo een waarschuwend voorbeeld: Yahweh liet ook Zijn eigen woonplaats vallen.

בָּרִאשׁוֹנָה (bari’shonah), ‘in het begin’: eerst, vroeger.

13En nu, omdat jullie al deze werken hebben gedaan, godsspraak van Yahweh: Ik sprak telkens weer tot jullie, maar jullie luisterden niet. Ik riep jullie, maar jullie antwoordden niet.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
יַ֧עַן
(yaan)
omdat
עֲשׂוֹתְכֶ֛ם
(asotekhem)
jullie doen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַמַּֽעֲשִׂ֥ים
(hamaasim)
de werken
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וָאֲדַבֵּ֨ר
(vaadaber)
en Ik sprak
אֲלֵיכֶ֜ם
(aleikhem)
tot jullie
הַשְׁכֵּ֤ם
(hashkem)
telkens weer
וְדַבֵּר֙
(vedaber)
en sprak
וְלֹ֣א
(velo)
maar niet
שְׁמַעְתֶּ֔ם
(shematem)
jullie luisterden
וָאֶקְרָ֥א
(vaeqra)
en Ik riep
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
וְלֹ֥א
(velo)
maar niet
עֲנִיתֶֽם
(anitem)
jullie antwoordden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשְׁכֵּם וְדַבֵּר (hashkem vedaber), ‘telkens weer sprekend’: letterlijk ‘vroeg opstaand en sprekend’; Yahweh spreekt met grote ijver.

Zo ook in vers 25 en Jer. 11:7.

14Dan zal Ik met het huis, waarover Mijn naam is uitgeroepen en waarop jullie vertrouwen, doen zoals Ik met Silo gedaan heb. Zo ook met de plaats die Ik aan jullie en aan jullie vaders gegeven heb.
וְעָשִׂ֜יתִי
(veasiti)
en Ik zal doen
לַבַּ֣יִת
(labayit)
met het huis
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
נִֽקְרָא
(niqra)
is uitgeroepen
שְׁמִ֣י
(shemi)
Mijn naam
עָלָ֗יו
(alav)
erover
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarop
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
בֹּטְחִ֣ים
(botechim)
vertrouwend
בּ֔וֹ
(bo)
erop
וְלַ֨מָּק֔וֹם
(velamaqom)
en met de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥תִּי
(natati)
Ik gaf
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
וְלַאֲבֽוֹתֵיכֶ֑ם
(velaavoteikhem)
en aan jullie vaders
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשִׂ֖יתִי
(asiti)
Ik deed
לְשִׁלֽוֹ
(leshilo)
met Silo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het huis (de tempel) en de plaats (Jeruzalem en het land) krijgen dezelfde behandeling als Silo.

Wat hen veilig leek te maken, redt hen niet.

In het Hebreeuws is dit één zin; wij splitsen hem en herhalen daarbij het werkwoord niet: ‘zo ook met de plaats’.

15Ik zal jullie van Mijn aangezicht wegwerpen, zoals Ik al jullie broers heb weggeworpen, heel het zaad van Efraïm.’
וְהִשְׁלַכְתִּ֥י
(vehishlakhti)
en Ik zal werpen
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
פָּנָ֑י
(panay)
Mijn aangezicht
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
הִשְׁלַ֨כְתִּי֙
(hishlakhti)
Ik wierp
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
אֲחֵיכֶ֔ם
(acheikhem)
jullie broers
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
זֶ֥רַע
(zera)
zaad van
אֶפְרָֽיִם
(efrayim)
Efraïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֶרַע אֶפְרָיִם (zera Efrayim), ‘het zaad van Efraïm’: het noordelijke rijk Israël, dat door Assyrië werd weggevoerd (2 Kon. 17:6).

Het wordt hier ‘jullie broers’ genoemd.

Met dit vers eindigt de boodschap die Jeremia in de poort moet uitroepen.

Bid niet voor dit volk

16Jij nu, bid niet voor dit volk. Hef voor hen geen roep en geen gebed aan en dring niet bij Mij aan. Want Ik luister niet naar je.
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en jij
אַל
(al)
niet
תִּתְפַּלֵּ֣ל
(titpalel)
bid
בְּעַד
(bead)
voor
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֗ה
(haze)
dit
וְאַל
(veal)
en niet
תִּשָּׂ֧א
(tisa)
verhef
בַעֲדָ֛ם
(baadam)
voor hen
רִנָּ֥ה
(rina)
roep
וּתְפִלָּ֖ה
(utefila)
en gebed
וְאַל
(veal)
en niet
תִּפְגַּע
(tifga)
dring aan
בִּ֑י
(bi)
bij Mij
כִּי
(ki)
want
אֵינֶ֥נִּי
(eineni)
niet ben Ik
שֹׁמֵ֖עַ
(shomea)
luisterend
אֹתָֽךְ
(otakh)
naar jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is bijna gelijk aan Jer. 11:14.

Yahweh verbiedt Jeremia te bidden voor het volk.

רִנָּה (rinnah), ‘roep’: een luide roep, soms van vreugde, hier van nood.

תִּפְגַּע בִּי (tifga bi), ‘dring niet bij Mij aan’: letterlijk ‘raak Mij niet aan’; het werkwoord פָּגַע (paga) wordt gebruikt voor tussenkomen en aandringen.

17Zie je niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem?
הַֽאֵינְךָ֣
(haeinekha)
ziet gij niet
רֹאֶ֔ה
(roe)
ziende
מָ֛ה
(ma)
wat
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
עֹשִׂ֖ים
(osim)
doen
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in de steden van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וּבְחֻצ֖וֹת
(uvechutsot)
en op de straten van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

De koningin van de hemel

18De kinderen rapen hout. De vaders steken het vuur aan. De vrouwen kneden deeg, om koeken te maken voor de koningin van de hemel. Zij gieten plengoffers uit voor andere goden, om Mij tot toorn te prikkelen.
הַבָּנִ֞ים
(habanim)
de zonen
מְלַקְּטִ֣ים
(melaqetim)
rapen bijeen
עֵצִ֗ים
(etsim)
hout
וְהָֽאָבוֹת֙
(vehaavot)
en de vaders
מְבַעֲרִ֣ים
(mevaarim)
steken aan
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֵ֔שׁ
(haesh)
het vuur
וְהַנָּשִׁ֖ים
(vehanashim)
en de vrouwen
לָשׁ֣וֹת
(lashot)
kneden
בָּצֵ֑ק
(batseq)
deeg
לַעֲשׂ֨וֹת
(laasot)
om te maken
כַּוָּנִ֜ים
(kavanim)
koeken
לִמְלֶ֣כֶת
(limlekhet)
voor de koningin van
הַשָּׁמַ֗יִם
(hashamayim)
de hemel
וְהַסֵּ֤ךְ
(vehasekh)
en om uit te gieten
נְסָכִים֙
(nesakhim)
plengoffers
לֵאלֹהִ֣ים
(lElohim)
voor goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
לְמַ֖עַן
(lemaan)
om
הַכְעִסֵֽנִי
(hakhiseni)
Mij tot toorn te prikkelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּוָּנִים (kavvanim), ‘koeken’: een zeldzaam woord, ook in Jer. 44:19.

Het gaat waarschijnlijk om offerbrood, mogelijk in een bijzondere vorm.

De betekenis is niet zeker.

לִמְלֶכֶת הַשָּׁמַיִם (limleket hashamayim), ‘voor de koningin van de hemel’: een godin die in de tekst niet bij naam wordt genoemd. Ze wordt vaak verbonden met de Mesopotamische Isjtar; dat is niet zeker. Zie ook Jer. 44:17–19.

De hele familie doet mee: kinderen, vaders en vrouwen.

הַכְעִסֵנִי (hakh’iseni), ‘om Mij tot toorn te prikkelen’: zoals 2 Kon. 21:6.

19Prikkelen zij Mij tot toorn, godsspraak van Yahweh? Is het niet henzelf, tot schaamte van hun eigen gezicht?”
הַאֹתִ֛י
(haoti)
is het Mij
הֵ֥ם
(hem)
zij
מַכְעִסִ֖ים
(makhisim)
prikkelen tot toorn
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הֲל֣וֹא
(halo)
is het niet
אֹתָ֔ם
(otam)
henzelf
לְמַ֖עַן
(lemaan)
om
בֹּ֥שֶׁת
(boshet)
schaamte van
פְּנֵיהֶֽם
(peneihem)
hun gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh stelt een vraag waarop het antwoord ‘nee’ is: zij schaden vooral zichzelf.

Hiermee eindigt de eerste toespraak (verzen 2–19).

20Daarom, zo zegt Heer Yahweh: „Zie, Mijn toorn en Mijn woede worden uitgegoten over deze plaats, over mens en dier, over de bomen van het veld en de vrucht van de grond. Het zal branden en niet worden gedoofd.”
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אַפִּ֤י
(api)
Mijn toorn
וַֽחֲמָתִי֙
(vachamati)
en Mijn woede
נִתֶּ֨כֶת֙
(nitekhet)
wordt uitgegoten
אֶל
(el)
over
הַמָּק֣וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
עַל
(al)
over
הָֽאָדָם֙
(haadam)
de mens
וְעַל
(veal)
en over
הַבְּהֵמָ֔ה
(habehema)
het dier
וְעַל
(veal)
en over
עֵ֥ץ
(ets)
boom van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
וְעַל
(veal)
en over
פְּרִ֣י
(peri)
vrucht van
הָֽאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
וּבָעֲרָ֖ה
(uvaara)
en zal branden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִכְבֶּֽה
(tikhbe)
wordt gedoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jer. 1:6.

נִתֶּכֶת (nittekhet), ‘wordt uitgegoten’: van נָתַךְ (natak), een beeld van gesmolten metaal of van een stortregen.

De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat zwart; de rede erna is rood.

Gehoorzaamheid, geen offers

21Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: „Voeg jullie brandoffers toe aan jullie slachtoffers en eet vlees.
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֛ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
עֹלוֹתֵיכֶ֛ם
(oloteikhem)
jullie brandoffers
סְפ֥וּ
(sefu)
voeg toe
עַל
(al)
aan
זִבְחֵיכֶ֖ם
(zivcheikhem)
jullie slachtoffers
וְאִכְל֥וּ
(veikhlu)
en eet
בָשָֽׂר
(basar)
vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹלוֹתֵיכֶם סְפוּ עַל זִבְחֵיכֶם (oloteikhem sefu al zivcheikhem), ‘voeg jullie brandoffers toe aan jullie slachtoffers’: een spottende opdracht.

Een brandoffer werd helemaal verbrand (Lev. 1), van een slachtoffer at men zelf (Lev. 7).

Yahweh zegt: eet het maar allemaal zelf, Hij wil ze niet.

יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19.

22Want Ik sprak niet tot jullie vaders en gebood hun niets over brandoffer en slachtoffer, op de dag dat Ik hen uit Egypte deed uittrekken.
כִּ֠י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
דִבַּ֤רְתִּי
(dibarti)
Ik sprak
אֶת
(et)
met
אֲבֽוֹתֵיכֶם֙
(avoteikhem)
jullie vaders
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
צִוִּיתִ֔ים
(tsivitim)
Ik gebood hen
בְּי֛וֹם
(beyom)
op de dag
הוֹצִיאִ֥י
(hotsii)
Mijn uitleiden
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַל
(al)
over
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
zaken van
עוֹלָ֖ה
(ola)
brandoffer
וָזָֽבַח
(vazavach)
en slachtoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Yahweh zegt niet dat de offerwetten (Lev. 1–7) niet bestonden.

Het Hebreeuws zegt ‘over zaken van brandoffer en slachtoffer’.

Hij wil in de eerste plaats gehoorzaamheid (vers 23); vergelijk Hos. 6:6 en 1 Sam. 15:22.

23Maar dit woord heb Ik hun geboden: ‘Luister naar Mijn stem, dan zal Ik jullie Elohim zijn en zullen jullie Mijn volk zijn. Loop op heel de weg die Ik jullie gebied, zodat het goed met jullie gaat.’
כִּ֣י
(ki)
maar
אִֽם
(im)
als
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het woord
הַ֠זֶּה
(haze)
dit
צִוִּ֨יתִי
(tsiviti)
Ik gebood
אוֹתָ֤ם
(otam)
hen
לֵאמֹר֙
(lemor)
zeggend
שִׁמְע֣וּ
(shimu)
luistert
בְקוֹלִ֔י
(beqoli)
naar Mijn stem
וְהָיִ֤יתִי
(vehayiti)
en Ik zal zijn
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
לֵֽאלֹהִ֔ים
(lElohim)
tot Elohim
וְאַתֶּ֖ם
(veatem)
en jullie
תִּֽהְיוּ
(tihyu)
zullen zijn
לִ֣י
(li)
voor Mij
לְעָ֑ם
(leam)
tot volk
וַהֲלַכְתֶּ֗ם
(vahalakhtem)
en loopt
בְּכָל
(bekhal)
op heel
הַדֶּ֨רֶךְ֙
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אֲצַוֶּ֣ה
(atsave)
Ik gebied
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
לְמַ֖עַן
(lemaan)
opdat
יִיטַ֥ב
(yitav)
goed gaat
לָכֶֽם
(lakhem)
het voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de verbondsformule: ‘Ik zal jullie Elohim zijn en jullie zullen Mijn volk zijn’ (Lev. 26:12; zie ook Jer. 11:4).

Gehoorzaamheid komt eerst.

24Maar zij luisterden niet en neigden hun oor niet. Zij liepen in eigen raadgevingen, in de hardnekkigheid van hun boze hart, en gingen achteruit en niet vooruit.
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
שָֽׁמְעוּ֙
(shameu)
zij luisterden
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הִטּ֣וּ
(hitu)
zij neigden
אֶת
(et)
(obj.)
אָזְנָ֔ם
(azenam)
hun oor
וַיֵּֽלְכוּ֙
(vayelekhu)
en zij liepen
בְּמֹ֣עֵצ֔וֹת
(bemoetsot)
in raadgevingen
בִּשְׁרִר֖וּת
(bishrirut)
in hardnekkigheid van
לִבָּ֣ם
(libam)
hun hart
הָרָ֑ע
(hara)
het boze
וַיִּהְי֥וּ
(vayihyu)
en zij werden
לְאָח֖וֹר
(leachor)
achteruit
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
לְפָנִֽים
(lefanim)
vooruit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּמֹעֵצוֹת (bemo’etsot), ‘in raadgevingen’: het eigen overleg van het hart, in plaats van de raad van Yahweh.

בִּשְׁרִרוּת לִבָּם (bishrirut libbam), ‘in de hardnekkigheid van hun hart’: zoals Jer. 11:8.

לְאָחוֹר וְלֹא לְפָנִים (le’achor velo lefanim), ‘achteruit en niet vooruit’: terug in plaats van verder.

25Vanaf de dag dat jullie vaders uit Egypte zijn uitgetrokken tot op deze dag heb Ik al Mijn knechten, de profeten, naar jullie gezonden. Dag na dag, telkens weer.
לְמִן
(lemin)
vanaf
הַיּ֗וֹם
(hayom)
de dag
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יָצְא֤וּ
(yatseu)
zij uittrokken
אֲבֽוֹתֵיכֶם֙
(avoteikhem)
jullie vaders
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וָאֶשְׁלַ֤ח
(vaeshlach)
en Ik zond
אֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
naar jullie
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
עֲבָדַ֣י
(avaday)
Mijn knechten
הַנְּבִיאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
י֖וֹם
(yom)
dag
הַשְׁכֵּ֥ם
(hashkem)
telkens weer
וְשָׁלֹֽחַ
(veshaloach)
en zendend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

עֲבָדַי הַנְּבִיאִים (avadai hannevi’im), ‘Mijn knechten, de profeten’: zo noemt Yahweh de profeten ook in 2 Kon. 17:13 en 17:23, waar hetzelfde Hebreeuws met ‘dienaren’ is vertaald.

הַשְׁכֵּם וְשָׁלֹחַ (hashkem veshalo’ach), ‘telkens weer’: letterlijk ‘vroeg opstaand en zendend’; zie vers 13.

26Maar zij luisterden niet naar Mij en neigden hun oor niet. Zij verhardden hun nek en deden erger dan hun vaders.
וְל֤וֹא
(velo)
en niet
שָׁמְעוּ֙
(shameu)
zij luisterden
אֵלַ֔י
(elay)
naar Mij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הִטּ֖וּ
(hitu)
zij neigden
אֶת
(et)
(obj.)
אָזְנָ֑ם
(azenam)
hun oor
וַיַּקְשׁוּ֙
(vayaqshu)
en zij verhardden
אֶת
(et)
(obj.)
עָרְפָּ֔ם
(arpam)
hun nek
הֵרֵ֖עוּ
(hereu)
zij deden erger
מֵאֲבוֹתָֽם
(meavotam)
dan hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּקְשׁוּ אֶת עָרְפָּם (vayaqshu et orpam), ‘zij verhardden hun nek’: een ‘stijve nek’ is het beeld van koppigheid (Exod. 32:9; Deut. 10:16).

27Je zult al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen niet naar je luisteren. Je zult hen roepen, maar zij zullen je niet antwoorden.
וְדִבַּרְתָּ֤
(vedibarta)
en je zult spreken
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tot hen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
וְלֹ֥א
(velo)
maar niet
יִשְׁמְע֖וּ
(yishmeu)
zij zullen luisteren
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
naar jou
וְקָרָ֥אתָ
(veqarata)
en je zult roepen
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
tot hen
וְלֹ֥א
(velo)
maar niet
יַעֲנֽוּכָה
(yaanukha)
zij zullen je antwoorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Zeg tot hen: ‘Dit is het volk dat niet geluisterd heeft naar de stem van Yahweh, zijn Elohim, en geen tucht heeft aangenomen. De trouw is verloren gegaan en uit hun mond verdwenen.
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
זֶ֤ה
(ze)
dit
הַגּוֹי֙
(hagoy)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֽוֹא
(lo)
niet
שָׁמְע֗וּ
(shameu)
heeft geluisterd
בְּקוֹל֙
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֔יו
(elohav)
zijn Elohim
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
לָקְח֖וּ
(laqechu)
heeft aangenomen
מוּסָ֑ר
(musar)
tucht
אָֽבְדָה֙
(aveda)
is verloren
הָֽאֱמוּנָ֔ה
(haemuna)
de trouw
וְנִכְרְתָ֖ה
(venikhreta)
en is afgesneden
מִפִּיהֶֽם
(mipihem)
uit hun mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוּסָר (musar), ‘tucht’: onderwijs en correctie.

הָאֱמוּנָה (ha’emunah), ‘de trouw’: betrouwbaarheid in de omgang met elkaar en met Yahweh. Het is een ander woord dan חֶסֶד (chesed), dat wij ook met ‘trouw’ vertalen.

De verzen 28 en 29 vormen samen het woord dat Jeremia tot het volk moet zeggen.

Knip je haar af

29Knip je haarlok af en werp hem weg. Hef een klaagzang aan op de kale heuvels, want Yahweh heeft het geslacht van Zijn grimmigheid verworpen en verlaten.’
גָּזִּ֤י
(gazi)
knip af
נִזְרֵךְ֙
(nizrekh)
je haarlok
וְֽהַשְׁלִ֔יכִי
(vehashlikhi)
en werp weg
וּשְׂאִ֥י
(usei)
en hef aan
עַל
(al)
op
שְׁפָיִ֖ם
(shefayim)
kale heuvels
קִינָ֑ה
(qina)
klaagzang
כִּ֚י
(ki)
want
מָאַ֣ס
(maas)
heeft verworpen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּטֹּ֖שׁ
(vayitosh)
en heeft verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
דּ֥וֹר
(dor)
het geslacht van
עֶבְרָתֽוֹ
(evrato)
Zijn grimmigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּזִּי (gozzi), ‘knip af’: de vorm is vrouwelijk enkelvoud; Jeruzalem wordt aangesproken (zoals Jer. 4:30).

נִזְרֵךְ (nizrekh), ‘je haarlok’: letterlijk ‘je wijding’, het lange haar van een nazireeër (Num. 6:5, 6:18). Het afknippen is een teken van rouw.

שְׁפָיִם (shefayim), ‘kale heuvels’: heuvels zonder bomen, waar afgodsdienst bedreven werd (zoals Jer. 3:2).

דּוֹר עֶבְרָתוֹ (dor evrato), ‘het geslacht van Zijn grimmigheid’: de generatie waarop Yahweh’s grimmigheid rust.

30Want de zonen van Juda hebben gedaan wat kwaad is in Mijn ogen, godsspraak van Yahweh. Zij hebben hun gruwelbeelden gezet in het huis waarover Mijn naam is uitgeroepen, om het onrein te maken.
כִּֽי
(ki)
want
עָשׂ֨וּ
(asu)
hebben gedaan
בְנֵי
(benei)
zonen van
יְהוּדָ֥ה
(yehuda)
Juda
הָרַ֛ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינַ֖י
(beeinay)
in Mijn ogen
נְאֻום
(neuvm)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
שָׂ֣מוּ
(samu)
zij hebben gezet
שִׁקּֽוּצֵיהֶ֗ם
(shiqutseihem)
hun gruwelbeelden
בַּבַּ֛יִת
(babayit)
in het huis
אֲשֶׁר
(asher)
waarover
נִקְרָא
(niqra)
is uitgeroepen
שְׁמִ֥י
(shemi)
Mijn naam
עָלָ֖יו
(alav)
erover
לְטַמְּאֽוֹ
(letameo)
om het onrein te maken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁקּוּצֵיהֶם (shiqqutseihem), ‘hun gruwelbeelden’: שִׁקּוּץ (shiqquts) is iets wat Yahweh afschuwelijk vindt, vaak een afgod.

Ze staan in de tempel zelf; vergelijk 2 Kon. 21:4–7.

Tofet en het Dal van de Slachting

31Zij hebben de hoogten van Tofet gebouwd, dat in het dal van Ben-Hinnom ligt, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden. Dat heb Ik niet geboden en het is niet in Mijn hart opgekomen.
וּבָנ֞וּ
(uvanu)
en zij hebben gebouwd
בָּמ֣וֹת
(bamot)
hoogten van
הַתֹּ֗פֶת
(hatofet)
Tofet
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
בְּגֵ֣יא
(begei)
in het dal van
בֶן
(ben)
zoon van
הִנֹּ֔ם
(hinom)
Hinnom
לִשְׂרֹ֛ף
(lisrof)
om te verbranden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיהֶ֥ם
(beneihem)
hun zonen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֹתֵיהֶ֖ם
(benoteihem)
hun dochters
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
אֲשֶׁר֙
(asher)
wat
לֹ֣א
(lo)
niet
צִוִּ֔יתִי
(tsiviti)
Ik gebood
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עָלְתָ֖ה
(aleta)
is opgekomen
עַל
(al)
in
לִבִּֽי
(libi)
Mijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tofet (ligging onzeker): Tofet was een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem.

Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin.

Uitleg

תֹּפֶת (Tofet): een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem; zie 2 Kon. 23:10 en Jes. 30:33.

De betekenis van de naam is onzeker.

בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen.

Het verbranden van kinderen is verboden (Lev. 18:21; Deut. 12:31); het stond ook in 2 Kon. 16:3 en 21:6. Yahweh zegt dat Hij het nooit geboden heeft en dat het niet in Zijn hart opkwam. Vergelijk Jer. 19:5 en 32:35.

32Daarom, zie, er komen dagen, godsspraak van Yahweh. Dan zal men niet meer zeggen ‘de Tofet’ en ‘het dal van Ben-Hinnom’, maar ‘het Dal van de Slachting’. Men zal in Tofet begraven, omdat er geen plaats meer is.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
הִנֵּֽה
(hine)
zie
יָמִ֤ים
(yamim)
dagen
בָּאִים֙
(baim)
komen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹא
(velo)
en niet
יֵאָמֵ֨ר
(yeamer)
zal gezegd worden
ע֤וֹד
(od)
meer
הַתֹּ֨פֶת֙
(hatofet)
de Tofet
וְגֵ֣יא
(vegei)
en dal van
בֶן
(ben)
zoon van
הִנֹּ֔ם
(hinom)
Hinnom
כִּ֖י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
גֵּ֣יא
(gei)
dal van
הַהֲרֵגָ֑ה
(haharega)
de slachting
וְקָבְר֥וּ
(veqaveru)
en zij zullen begraven
בְתֹ֖פֶת
(betofet)
in Tofet
מֵאֵ֥ין
(meein)
omdat niet is
מָקֽוֹם
(maqom)
plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tofet (ligging onzeker): Tofet was een offerplaats in het dal van Ben-Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem.

Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin.

Uitleg

De naam van de plaats verandert: ‘de Tofet’ en ‘het dal van Ben-Hinnom’ worden ‘het Dal van de Slachting’ (גֵּיא הַהֲרֵגָה, gei haharegah).

Het dal wordt een massagraf.

Men moet in Tofet begraven omdat elders geen plaats is.

33Het lijk van dit volk zal tot voedsel zijn voor de vogels van de hemel en voor de dieren van de aarde. Niemand zal ze wegjagen.
וְֽהָ֨יְתָ֜ה
(vehayeta)
en zal zijn
נִבְלַ֨ת
(nivlat)
lijk van
הָעָ֤ם
(haam)
het volk
הַזֶּה֙
(haze)
dit
לְמַֽאֲכָ֔ל
(lemaakhal)
tot voedsel
לְע֥וֹף
(leof)
voor de vogels van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וּלְבֶהֱמַ֣ת
(ulevehemat)
en voor het dier van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְאֵ֖ין
(veein)
en niet is er
מַחֲרִֽיד
(macharid)
wie wegjaagt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een lijk zonder graf dat door vogels en dieren wordt opgegeten, is de ergste vloek van het verbond; zie Deut. 28:26.

מַחֲרִיד (macharid), ‘wie wegjaagt’: niemand zal ze weg kunnen schrikken.

34Ik zal uit de steden van Juda en van de straten van Jeruzalem het geluid van vreugde en het geluid van blijdschap laten ophouden, het geluid van de bruidegom en het geluid van de bruid. Want het land zal een ruïne worden.
וְהִשְׁבַּתִּ֣י
(vehishbati)
en Ik doe ophouden
מֵעָרֵ֣י
(mearei)
uit de steden van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וּמֵֽחֻצוֹת֙
(umechutsot)
en van de straten van
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
ק֤וֹל
(qol)
geluid van
שָׂשׂוֹן֙
(sason)
vreugde
וְק֣וֹל
(veqol)
en geluid van
שִׂמְחָ֔ה
(simcha)
blijdschap
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
חָתָ֖ן
(chatan)
bruidegom
וְק֣וֹל
(veqol)
en geluid van
כַּלָּ֑ה
(kala)
bruid
כִּ֥י
(ki)
want
לְחָרְבָּ֖ה
(lecharba)
tot ruïne
תִּהְיֶ֥ה
(tihye)
zal zijn
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Bijna dezelfde woorden staan in Jer. 16:9 en 25:10.

Het Hebreeuws heeft hier één lange zin; wij beginnen ‘Want het land zal een ruïne worden’ als nieuwe zin.

Vreugde en bruiloft verdwijnen uit de steden; het land wordt een ruïne (לְחָרְבָּה, lecharbah).

Hier eindigt de toespraak niet: ze loopt door in Jer. 8:1–3.