Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
om te zeggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Het einde komt
2En jij, mensenkind: zo zegt Heer Yahweh tot de grond van Israël: „Een einde! Het einde is gekomen over de vier hoeken van het land.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֧י
(adonay)
Heer
יְהוִ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לְאַדְמַ֥ת
(leadmat)
tot de grond van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
קֵ֑ץ
(qets)
einde
בָּ֣א
(ba)
is gekomen
הַקֵּ֔ץ
(haqets)
het einde
עַל
(al)
over
אַרְבַּ֖ע
(arba)
vier
כַּנְפ֥וֹת
(kanfot)
hoeken van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קֵץ (qets), ‘einde’: het woord klinkt in het Hebreeuws als een alarmkreet en komt in dit hoofdstuk steeds terug.
Vergelijk Amos 8:2, waar ‘einde’ (qets) en ‘zomerfruit’ (qayits) bij elkaar klinken.
אַדְמַת יִשְׂרָאֵל (admat Yisra’el), ‘de grond van Israël’: het woord voor de grond waarop het volk woont, dus het land. De vier hoeken van het land betekenen het hele land.
De aanhef ‘En jij, mensenkind’ en ‘zo zegt Heer Yahweh’ staan zwart; het oordeel zelf is rood.
Lezing
In de geschreven tekst staat אַרְבַּעַת (arba’at); de overlevering leest אַרְבַּע (arba).
Het verschil is klein: beide vormen betekenen ‘vier’.
4Mijn oog zal je niet sparen en Ik zal geen medelijden hebben. Want Ik zal je wegen over je brengen, en je gruwelen zullen in je midden zijn. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.”
וְלֹא
(velo)
en niet
תָח֥וֹס
(tachos)
zal sparen
עֵינִ֛י
(eini)
Mijn oog
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
over je
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶחְמ֑וֹל
(echmol)
zal medelijden hebben
כִּ֣י
(ki)
want
דְרָכַ֜יִךְ
(derakhayikh)
je wegen
עָלַ֣יִךְ
(alayikh)
over je
אֶתֵּ֗ן
(eten)
zal Ik geven
וְתוֹעֲבוֹתַ֨יִךְ֙
(vetoavotayikh)
en je gruwelen
בְּתוֹכֵ֣ךְ
(betokhekh)
in je midden
תִּֽהְיֶ֔יןָ
(tihyeina)
zullen zijn
וִידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers herhaalt het slot van vers 3 en volgt dezelfde formule als Ezech. 5:11: ‘Mijn oog zal niet sparen’.
7Je ondergang komt over je, bewoner van het land. De tijd komt, de dag is nabij: verwarring, en geen vreugdekreet op de bergen.
בָּ֧אָה
(baa)
komt
הַצְּפִירָ֛ה
(hatsefira)
de ondergang
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
naar jou
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
bewoner van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
בָּ֣א
(ba)
komt
הָעֵ֗ת
(haet)
de tijd
קָר֛וֹב
(qarov)
nabij
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
מְהוּמָ֖ה
(mehuma)
verwarring
וְלֹא
(velo)
en niet
הֵ֥ד
(hed)
vreugdekreet
הָרִֽים
(harim)
van de bergen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַצְּפִירָה (hatsefirah), ‘je ondergang’: een zeldzaam woord, dat alleen hier en in vers 10 voorkomt.
De betekenis is niet zeker; mogelijk ‘omwenteling’, ‘lot’ of ‘ondergang’.
Ook ‘krans’ is voorgesteld.
Wij kiezen ‘ondergang’.
הֵד הָרִים (hed harim), ‘vreugdekreet op de bergen’: het woord hed komt alleen hier voor; het kan ‘echo’ of ‘juichkreet’ betekenen. De tegenstelling is: verwarring, geen juichen.
8Nu zal Ik weldra Mijn grimmigheid over je uitgieten en Mijn toorn in jou voltooien. Ik zal je oordelen naar je wegen en al je gruwelen over je brengen.
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
מִקָּר֗וֹב
(miqarov)
weldra
אֶשְׁפּ֤וֹךְ
(eshpokh)
zal Ik uitgieten
חֲמָתִי֙
(chamati)
Mijn grimmigheid
עָלַ֔יִךְ
(alayikh)
over je
וְכִלֵּיתִ֤י
(vekhileiti)
en Ik zal voltooien
אַפִּי֙
(api)
Mijn toorn
בָּ֔ךְ
(bakh)
in jou
וּשְׁפַטְתִּ֖יךְ
(ushefattikh)
en Ik zal je oordelen
כִּדְרָכָ֑יִךְ
(kidrakhayikh)
naar je wegen
וְנָתַתִּ֣י
(venatati)
en Ik zal brengen
עָלַ֔יִךְ
(alayikh)
over je
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
תּוֹעֲבוֹתָֽיִךְ
(toavotayikh)
je gruwelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Mijn oog zal je niet sparen en Ik zal geen medelijden hebben. Ik zal je wegen over je brengen, en je gruwelen zullen in je midden zijn. Dan zullen jullie weten dat Ik, Yahweh, het ben die slaat.
וְלֹא
(velo)
en niet
תָח֥וֹס
(tachos)
zal sparen
עֵינִ֖י
(eini)
Mijn oog
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֶחְמ֑וֹל
(echmol)
zal medelijden hebben
כִּדְרָכַ֜יִךְ
(kidrakhayikh)
naar je wegen
עָלַ֣יִךְ
(alayikh)
over je
אֶתֵּ֗ן
(eten)
zal Ik geven
וְתוֹעֲבוֹתַ֨יִךְ֙
(vetoavotayikh)
en je gruwelen
בְּתוֹכֵ֣ךְ
(betokhekh)
in je midden
תִּֽהְיֶ֔יןָ
(tihyeina)
zullen zijn
וִֽידַעְתֶּ֕ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּ֛י
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מַכֶּֽה
(make)
die slaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַכֶּה (makkeh), ‘die slaat’: Yahweh is degene die slaat.
Zo eindigt het vers anders dan vers 4: daar wordt gezegd ‘dat Ik Yahweh ben’, hier staat erbij ‘die slaat’.
11Het geweld is opgestaan tot een staf van goddeloosheid. Niets van hen blijft over: niets van hun menigte, niets van hun gewoel, en er is geen luister bij hen.
הֶחָמָ֥ס
(hechamas)
het geweld
קָ֖ם
(qam)
is opgestaan
לְמַטֵּה
(lemate)
tot een staf van
רֶ֑שַׁע
(resha)
goddeloosheid
לֹא
(lo)
niet
מֵהֶ֞ם
(mehem)
van hen
וְלֹ֧א
(velo)
en niet
מֵהֲמוֹנָ֛ם
(mehamonam)
van hun menigte
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מֶהֱמֵהֶ֖ם
(mehemehem)
van hun gewoel
וְלֹא
(velo)
en niet
נֹ֥הַּ
(noha)
luister
בָּהֶֽם
(bahem)
bij hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het slot van dit vers is zeer moeilijk.
Het bestaat uit vier korte zinsdelen met ‘niet’: מֵהֶם (mehem), ‘van hen’, מֵהֲמוֹנָם (mehamonam), ‘van hun menigte’, מֶהֱמֵהֶם (mehemehem), een woord dat nergens anders voorkomt, en נֹהַּ (noach, ‘luister bij hen’), dat ook nergens anders voorkomt.
Wij vertalen ‘niets van hun gewoel’ en ‘geen luister’ op grond van de samenhang; de betekenis is onzeker.
מַטֵּה רֶשַׁע (matteh resha), ‘staf van goddeloosheid’: het geweld wordt een staf waarmee de goddeloosheid slaat.
12De tijd komt, de dag is aangebroken. De koper moet zich niet verheugen en de verkoper moet niet treuren, want brandende toorn is over heel haar menigte.
בָּ֤א
(ba)
komt
הָעֵת֙
(haet)
de tijd
הִגִּ֣יעַ
(higia)
is aangebroken
הַיּ֔וֹם
(hayom)
de dag
הַקּוֹנֶה֙
(haqone)
de koper
אַל
(al)
niet
יִשְׂמָ֔ח
(yismach)
moet zich verheugen
וְהַמּוֹכֵ֖ר
(vehamokher)
en de verkoper
אַל
(al)
niet
יִתְאַבָּ֑ל
(yitabal)
moet treuren
כִּ֥י
(ki)
want
חָר֖וֹן
(charon)
brandende toorn
אֶל
(el)
over
כָּל
(kal)
heel
הֲמוֹנָֽהּ
(hamonah)
haar menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַקּוֹנֶה אַל יִשְׂמָח וְהַמּוֹכֵר אַל יִתְאַבָּל (haqqoneh al yismach vehammokher al yitabbal), ‘de koper moet zich niet verheugen en de verkoper niet treuren’: de handel is nutteloos als alles verloren gaat.
13Want de verkoper zal niet terugkeren tot wat hij verkocht heeft, ook al zijn zij nog in leven. Want het visioen over heel haar menigte keert niet terug. En niemand zal zich door zijn schuld in zijn leven staande houden.
כִּ֣י
(ki)
want
הַמּוֹכֵ֗ר
(hamokher)
de verkoper
אֶל
(el)
tot
הַמִּמְכָּר֙
(hamimkar)
het verkochte
לֹ֣א
(lo)
niet
יָשׁ֔וּב
(yashuv)
zal terugkeren
וְע֥וֹד
(veod)
en nog
בַּחַיִּ֖ים
(bachayim)
in het leven
חַיָּתָ֑ם
(chayatam)
hun leven
כִּֽי
(ki)
want
חָז֤וֹן
(chazon)
visioen
אֶל
(el)
over
כָּל
(kal)
heel
הֲמוֹנָהּ֙
(hamonah)
haar menigte
לֹ֣א
(lo)
niet
יָשׁ֔וּב
(yashuv)
zal terugkeren
וְאִ֧ישׁ
(veish)
en een man
בַּעֲוֺנ֛וֹ
(baavono)
in zijn schuld
חַיָּת֖וֹ
(chayato)
zijn leven
לֹ֥א
(lo)
niet
יִתְחַזָּֽקוּ
(yitchazaqu)
zullen zich sterk houden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמִּמְכָּר (hammimkar), ‘het verkochte’: het land dat iemand verkocht heeft, keert in het jubeljaar terug (Lev. 25:13–28).
Hier gebeurt dat niet meer.
וְאִישׁ בַּעֲוֺנוֹ חַיָּתוֹ (ve’ish ba’avono chayyato): moeilijk, letterlijk ‘en een man in zijn schuld zijn leven’. Wij begrijpen: niemand zal zich in zijn leven staande houden door zijn schuld. De betekenis is onzeker.
14Men blaast op de bazuin en maakt alles gereed, maar niemand gaat naar de strijd. Want Mijn brandende toorn is over heel haar menigte.
תָּקְע֤וּ
(taqeu)
blaast
בַתָּק֨וֹעַ֙
(bataqoa)
op de bazuin
וְהָכִ֣ין
(vehakhin)
en maakt gereed
הַכֹּ֔ל
(hakol)
alles
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
הֹלֵ֖ךְ
(holekh)
gaat
לַמִּלְחָמָ֑ה
(lamilchama)
naar de strijd
כִּ֥י
(ki)
want
חֲרוֹנִ֖י
(charoni)
Mijn brandende toorn
אֶל
(el)
over
כָּל
(kal)
heel
הֲמוֹנָֽהּ
(hamonah)
haar menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תִּקְעוּ בַתָּקוֹעַ (tiqu vattaqoa), ‘men blaast op de bazuin’: het zeldzame woord תָּקוֹעַ (taqoa) komt alleen hier voor en betekent ‘bazuin’ of ‘hoorn’; het werkwoord is hetzelfde als bij de ramshoorn.
אֵין הֹלֵךְ לַמִּלְחָמָה (ein holekh lammilchamah), ‘niemand gaat naar de strijd’: het leger trekt niet uit, omdat Yahweh Zelf tegen hen is.
15Het zwaard is buiten, de pest en de honger zijn binnen. Wie in het veld is, zal door het zwaard sterven. Wie in de stad is, wordt door honger en pest verslonden.
הַחֶ֣רֶב
(hacherev)
het zwaard
בַּח֔וּץ
(bachuts)
buiten
וְהַדֶּ֥בֶר
(vehadever)
en de pest
וְהָרָעָ֖ב
(veharaav)
en de honger
מִבָּ֑יִת
(mibayit)
binnen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wie
בַּשָּׂדֶה֙
(basade)
in het veld
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
door het zwaard
יָמ֔וּת
(yamut)
zal sterven
וַאֲשֶׁ֣ר
(vaasher)
en wie
בָּעִ֔יר
(bair)
in de stad
רָעָ֥ב
(raav)
honger
וָדֶ֖בֶר
(vadever)
en pest
יֹאכֲלֶֽנּוּ
(yokhalenu)
zal hem verslinden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De volgorde buiten (het zwaard) en binnen (pest en honger) ligt vast in het beleg; vergelijk Deut. 32:25.
19Hun zilver zullen zij op straat gooien, en hun goud wordt iets onreins. Hun zilver en hun goud kunnen hen niet bevrijden op de dag van de woede van Yahweh. Hun ziel kunnen zij er niet mee verzadigen en hun buik niet mee vullen, want het was het struikelblok van hun schuld.
כַּסְפָּ֞ם
(kaspam)
hun zilver
בַּחוּצ֣וֹת
(bachutsot)
op de straten
יַשְׁלִ֗יכוּ
(yashlikhu)
zullen zij gooien
וּזְהָבָם֮
(uzehavam)
en hun goud
לְנִדָּ֣ה
(lenida)
tot iets onreins
יִֽהְיֶה֒
(yihye)
zal zijn
כַּסְפָּ֨ם
(kaspam)
hun zilver
וּזְהָבָ֜ם
(uzehavam)
en hun goud
לֹֽא
(lo)
niet
יוּכַ֣ל
(yukhal)
zal kunnen
לְהַצִּילָ֗ם
(lehatsilam)
hen bevrijden
בְּיוֹם֙
(beyom)
op de dag van
עֶבְרַ֣ת
(evrat)
woede van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
נַפְשָׁם֙
(nafsham)
hun ziel
לֹ֣א
(lo)
niet
יְשַׂבֵּ֔עוּ
(yesabeu)
zullen zij verzadigen
וּמֵעֵיהֶ֖ם
(umeeihem)
en hun buik
לֹ֣א
(lo)
niet
יְמַלֵּ֑אוּ
(yemaleu)
zullen zij vullen
כִּֽי
(ki)
want
מִכְשׁ֥וֹל
(mikhshol)
struikelblok van
עֲוֺנָ֖ם
(avonam)
hun schuld
הָיָֽה
(haya)
was
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִדָּה (niddah), ‘iets onreins’: het woord staat voor wat onrein is en waarvan men zich afkeert, vergelijk Lev. 15:19–20 en Ezech. 36:17.
Het goud en zilver, waarop zij vertrouwden, worden tot afval.
עֶבְרַת יְהוָה (evrat Yahweh), ‘de woede van Yahweh’: een woord voor overlopende, uitbarstende toorn. Zie ook Zef. 1:18.
מִכְשׁוֹל עֲוֺנָם (mikhshol avonam), ‘het struikelblok van hun schuld’: hun rijkdom is de oorzaak van hun val geworden.
20De schoonheid van zijn sieraad heeft hij tot hoogmoed gesteld. Daarvan hebben zij de beelden van hun gruwelen gemaakt, hun gruwelbeelden. Daarom heb Ik het voor hen tot iets onreins gemaakt.
וּצְבִ֤י
(utsevi)
en de schoonheid van
עֶדְיוֹ֙
(edyo)
zijn sieraad
לְגָא֣וֹן
(legaon)
tot hoogmoed
שָׂמָ֔הוּ
(samahu)
heeft hij het gesteld
וְצַלְמֵ֧י
(vetsalmei)
en beelden van
תוֹעֲבֹתָ֛ם
(toavotam)
hun gruwelen
שִׁקּוּצֵיהֶ֖ם
(shiqutseihem)
hun gruwelbeelden
עָ֣שׂוּ
(asu)
maakten zij
ב֑וֹ
(bo)
daarvan
עַל
(al)
om
כֵּ֛ן
(ken)
zo
נְתַתִּ֥יו
(netativ)
heb Ik het gegeven
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
לְנִדָּֽה
(lenida)
tot iets onreins
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het onderwerp van dit vers is moeilijk: ‘zijn sieraad’ kan het sieraad van het volk betreffen, of het heiligdom.
In vers 22 spreekt Yahweh van ‘Mijn verborgene’.
De vertaling is voorzichtig.
צַלְמֵי תּוֹעֲבֹתָם שִׁקּוּצֵיהֶם (tsalmei to’avotam shiqqutseihem), ‘de beelden van hun gruwelen, hun gruwelbeelden’: zie Ezech. 5:11 voor deze woorden.
לְנִדָּה (lenidah), ‘tot iets onreins’: zie vers 19.
21Ik zal het in de hand van vreemden geven tot buit, en aan de goddelozen van de aarde tot roof, en zij zullen het ontwijden.
וּנְתַתִּ֤יו
(unetativ)
en Ik zal het geven
בְּיַֽד
(beyad)
in de hand van
הַזָּרִים֙
(hazarim)
de vreemden
לָבַ֔ז
(lavaz)
tot buit
וּלְרִשְׁעֵ֥י
(ulerishei)
en aan de goddelozen van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
לְשָׁלָ֑ל
(leshalal)
tot roof
וְחִלְּלֽוּהוּ
(vechileluhu)
en zij zullen het ontwijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
In de geschreven tekst staat וחללה (vechillelah), een afwijkende schrijfwijze van hetzelfde werkwoord (‘ontwijden’) met een vrouwelijk voorwerp, ‘haar’; de overlevering leest וְחִלְּלוּהוּ (vechillaluhu), ‘en zij zullen het ontwijden’.
23Maak de ketting, want het land is vol bloedvonnissen en de stad is vol geweld.
עֲשֵׂ֖ה
(ase)
maak
הָֽרַתּ֑וֹק
(haratoq)
de ketting
כִּ֣י
(ki)
want
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
מָֽלְאָה֙
(malea)
is vol
מִשְׁפַּ֣ט
(mishpat)
recht van
דָּמִ֔ים
(damim)
bloed
וְהָעִ֖יר
(vehair)
en de stad
מָלְאָ֥ה
(malea)
is vol
חָמָֽס
(chamas)
geweld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָרַתּוֹק (harattoq), ‘de ketting’: dit woord komt nergens anders voor.
Het gaat om een keten waarmee men gevangenen bindt.
Zie ook Nah. 3:10 en Jes. 40:19, waar een verwant woord staat.
De betekenis is onzeker.
מִשְׁפַּט דָּמִים (mishpat damim), ‘bloedvonnissen’: letterlijk ‘recht van bloed’, dat wil zeggen doodvonnissen of het bloedvergieten dat om recht roept.
24Ik zal de slechtsten onder de volken laten komen, en zij zullen hun huizen in bezit nemen. Ik zal de trots van de sterken doen ophouden, en zij zullen hun heiligdommen in bezit nemen.
וְהֵֽבֵאתִי֙
(veheveti)
en Ik zal laten komen
רָעֵ֣י
(raei)
de slechtsten van
גוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
וְיָרְשׁ֖וּ
(veyareshu)
en zij zullen bezitten
אֶת
(et)
(obj.)
בָּֽתֵּיהֶ֑ם
(bateihem)
hun huizen
וְהִשְׁבַּתִּי֙
(vehishbati)
en Ik zal doen ophouden
גְּא֣וֹן
(geon)
trots van
עַזִּ֔ים
(azim)
de sterken
וְנִחֲל֖וּ
(venichalu)
en zij zullen bezitten
מְקַֽדְשֵׁיהֶֽם
(meqadsheihem)
hun heiligdommen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָעֵי גוֹיִם (ra’ei goyim), ‘de slechtsten onder de volken’: letterlijk ‘de kwaden van de volken’.
וְנָחֲלוּ מְקַדְשֵׁיהֶם (venachalu meqaddeshehem), ‘en zij zullen hun heiligdommen in bezit nemen’: het werkwoord נָחַל (nachal) betekent ‘in bezit nemen’. Sommige oude vertalingen lezen een ander werkwoord, ‘ontwijden’. Wij volgen de Masoretische tekst.
26Onheil komt op onheil, en bericht op bericht. Zij zoeken een visioen bij een profeet, maar onderricht vergaat bij de priester en raad bij de oudsten.
הֹוָ֤ה
(hova)
onheil
עַל
(al)
op
הֹוָה֙
(hova)
onheil
תָּב֔וֹא
(tavo)
komt
וּשְׁמֻעָ֥ה
(ushemua)
en bericht
אֶל
(el)
op
שְׁמוּעָ֖ה
(shemua)
bericht
תִּֽהְיֶ֑ה
(tihye)
zal zijn
וּבִקְשׁ֤וּ
(uviqshu)
en zij zullen zoeken
חָזוֹן֙
(chazon)
visioen
מִנָּבִ֔יא
(minavi)
van een profeet
וְתוֹרָה֙
(vetora)
en onderricht
תֹּאבַ֣ד
(tovad)
zal vergaan
מִכֹּהֵ֔ן
(mikohen)
van de priester
וְעֵצָ֖ה
(veetsa)
en raad
מִזְּקֵנִֽים
(mizeqenim)
van de oudsten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַוָּה (havvah), ‘onheil’: een woord voor een ramp die als een golf over iemand komt.
Vergelijk Ps. 5:10.
חָזוֹן מִנָּבִיא (chazon minnavi), ‘een visioen bij een profeet’: zij zoeken een godsspraak, maar die komt niet.
תּוֹרָה (torah), ‘onderricht’: de onderwijzing van de priester. Zij gaat verloren.
27De koning treurt, de vorst kleedt zich met verbijstering en de handen van het volk van het land beven. Naar hun weg zal Ik met hen doen, en met hun eigen rechtsregels zal Ik hen oordelen. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יִתְאַבָּ֗ל
(yitabal)
treurt
וְנָשִׂיא֙
(venasi)
en de vorst
יִלְבַּ֣שׁ
(yilbash)
kleedt zich
שְׁמָמָ֔ה
(shemama)
met verbijstering
וִידֵ֥י
(videi)
en de handen van
עַם
(am)
het volk van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
תִּבָּהַ֑לְנָה
(tibahalna)
beven
מִדַּרְכָּ֞ם
(midarkam)
naar hun weg
אֶעֱשֶׂ֤ה
(eese)
zal Ik doen
אוֹתָם֙
(otam)
met hen
וּבְמִשְׁפְּטֵיהֶ֣ם
(uvemishpeteihem)
en met hun rechtsregels
אֶשְׁפְּטֵ֔ם
(eshpetem)
zal Ik hen oordelen
וְיָדְע֖וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָשִׂיא (nasi), ‘vorst’: een leider, met een lagere titel dan koning.
Dit woord komt in Ezechiël vaak voor, vooral in de hoofdstukken 40–48.
עַם הָאָרֶץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: de grondbezitters en gewone burgers.
וּבְמִשְׁפְּטֵיהֶם אֶשְׁפְּטֵם (uvemishpeteihem eshpetem), ‘met hun rechtsregels zal Ik hen oordelen’: Hij oordeelt hen met de maat die zij zelf gebruikten.