2 Petrus 2
Valse leraars en het oordeel van Elohim
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Valse leraars
ψευδοπροφήτης (pseudoprofetes), ‘valse profeet’; ψευδοδιδάσκαλος (pseudodidaskalos), ‘valse leraar’: dit woord staat in het Nieuwe Testament alleen hier. αἵρεσις (hairesis), ‘richting’: zo vertalen wij het ook in Handelingen; ‘richtingen van verderf’ zijn richtingen die tot verderf leiden. παρεισάγω (pareisago), ‘stiekem binnenbrengen’: ongemerkt naar binnen halen. δεσπότης (despotes), ‘Heerser’: iemand met volledig gezag; Judas 4 heeft hetzelfde woord. ἀγοράζω (agorazo), ‘kopen’: het Grieks zegt niet uitdrukkelijk wie ‘de Heerser die hen gekocht heeft’ is.
Vergelijk Deut. 32:6, ‘Is Hij niet je vader, die je verworven heeft?’, en 1 Kor. 6:20. ἀπώλεια (apoleia), ‘verderf’: ook in vers 3.
Zie ook Deut. 32:6; 1 Kor. 6:20; Jud. 4.
ἀσέλγεια (aselgeia), ‘losbandigheid’: ook in vers 7 en 18 en in Jud. 4. βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’ (passief: ‘gelasterd worden’); ook in vers 10, 11 en 12.
‘De weg van de waarheid’ is de weg van het geloof; vergelijk ‘de weg van de gerechtigheid’ in vers 21.
Zie ook Jud. 4.
πλεονεξία (pleonexia), ‘hebzucht’; πλαστός (plastos), ‘verzonnen’: gevormd, niet echt. ἐμπορεύομαι (emporeuomai), ‘uitbuiten’: letterlijk ‘handel drijven in’, zoals in Jak. 4:13. κρίμα (krima), ‘oordeel’: de uitspraak van de rechter; Judas 4 heeft hetzelfde woord. ἔκπαλαι (ekpalai), ‘van oudsher’. ἀργέω (argeo), ‘werkeloos zijn’; νυστάζω (nystazo), ‘sluimeren’.
Bij ‘sluimert’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jud. 4.
Voorbeelden van oordeel en redding
Verzen 4–9 vormen in het Grieks één zin: ‘Als Elohim … dan weet de Heer …’ (vers 9).
Wij hebben het ‘als’ in elk vers herhaald.
‘Engelen die gezondigd hadden’: het Grieks zegt niet welke zonde; vergelijk Jud. 6, Gen. 6:1–4, Henoch 10:11–12 en Henoch 21:10. ταρταρόω (tartaroo), ‘in Tartarus werpen’: het werkwoord komt van Τάρταρος (Tartaros), het Griekse woord voor de diepste plaats van de onderwereld.
Het staat in het Nieuwe Testament alleen hier. σειρά (seira), ‘keten’; ζόφος (zofos), ‘diepe duisternis’: ook in vers 17 en in Jud. 6 en 13. τηρέω (tereo), ‘bewaren’: ook in vers 9 en 17. κρίσις (krisis), ‘oordeel’.
Bij ‘ketenen’ (σειραῖς) heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jud. 6; 1 Petr. 3:19–20; Gen. 6:1–4; Henoch 10:11–12; Henoch 21:10.
ἀρχαῖος κόσμος (archaios kosmos), ‘de oude wereld’: de wereld van vóór de zondvloed. ὄγδοον Νῶε (ogdoon Noe), ‘Noach als achtste’: Noach met zeven anderen; zie 1 Petr. 3:20 en Gen. 7:7. δικαιοσύνης κῆρυξ (dikaiosynes keryx), ‘prediker van gerechtigheid’: Gen. 6:9 noemt Noach ‘een rechtvaardig man’; dat hij predikte zegt Genesis niet. κατακλυσμός (kataklysmos), ‘zondvloed’; ἀσεβής (asebes), ‘goddeloze’: ook in vers 6 en in Jud. 4 en 15.
Zie ook Gen. 6:9; Gen. 7:7; Gen. 7:17–23; 1 Petr. 3:20.
Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.
τεφρόω (tefroo), ‘tot as maken’; καταστροφή (katastrofe), ‘verwoesting’: letterlijk ‘omkering’; vergelijk Gen. 19:25, ‘Hij keerde deze steden om’. ὑπόδειγμα (hypodeigma), ‘voorbeeld’: Judas 7 heeft hier δεῖγμα (deigma), ook ‘voorbeeld’.
‘Wat goddelozen later zal overkomen’: de gebeurtenis wordt een waarschuwend voorbeeld.
Bij ‘verwoesting’ en bij ‘goddelozen’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Gen. 19:24–25; Jud. 7.
Lot wordt hier ‘rechtvaardig’ genoemd (δίκαιος, dikaios); Genesis noemt hem dat niet uitdrukkelijk. ἄθεσμος (athesmos), ‘wetloos’: wie zich aan geen vaste regel houdt; het is een ander woord dan ἄνομος (anomos), ‘wetteloos’ in vers 8. καταπονέω (kataponeo), ‘kwellen’; ἀναστροφή (anastrofe), ‘levenswandel’. ἐρρύσατο (errysato), ‘redde’: de redding van Lot staat in Gen. 19:15–16.
Zie ook Gen. 19:15–16.
Vers 8 staat tussen haakjes: het verklaart wat vers 7 over Lot zegt. βλέμμα (blemma), ‘aanblik’ en ἀκοή (akoe), ‘gehoor’: wat hij zag en hoorde. ἐγκατοικέω (egkatoikeo), ‘wonen onder’. βασανίζω (basanizo), ‘kwellen’: ook ‘folteren’; ἄνομος (anomos), ‘wetteloos’.
Bij ‘de rechtvaardige’ (ὁ) heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Hier eindigt de zin van vers 4: ‘dan weet de Heer’.
Het Grieks zegt niet of ‘de Heer’ hier Elohim is (zoals in vers 4–8) of Yeshua (zoals in 1:2, 1:8). εὐσεβής (eusebes), ‘vroom’; πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: zie Jak. 1:2; ῥύομαι (ryomai), ‘redden’: zie vers 7; κολάζω (kolazo), ‘straffen’.
Het gedrag van de valse leraars
σάρξ (sarx), ‘vlees’; μιασμός (miasmos), ‘verontreiniging’. κυριότης (kyriotes), ‘oppermacht’: zoals in Ef. 1:21 en Kol. 1:16; Judas 8 heeft hetzelfde woord. τολμητής (tolmetes), ‘driest’; αὐθάδης (authades), ‘eigenzinnig’. δόξαι (doxai), ‘heerlijkheden’: een meervoud.
Het Grieks zegt niet wie bedoeld wordt: hemelse wezens of eerbiedwaardige machten.
Vergelijk Jud. 8.
Zie ook Jud. 8.
Het Grieks zegt niet tegen wie de engelen geen lasterend oordeel uitbrengen: tegen de heerlijkheden van vers 10 of tegen de valse leraars.
Judas 9 noemt het voorbeeld van Michaël. φέρω (fero), ‘uitbrengen’: letterlijk ‘dragen’.
Bij ‘hen’ (αὐτῶν) heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jud. 9.
ἄλογα ζῷα (aloga zoa), ‘redeloze dieren’: dieren zonder verstand; Judas 10 heeft dezelfde woorden. φυσικά (fysika), ‘van nature’. ἅλωσις (halosis), ‘vangst’. φθορά (phthora), ‘vergankelijkheid’ en φθείρομαι (phtheiromai), ‘vergaan’: zie 1:4.
Bij ‘geboren van nature’ en bij ‘zullen vergaan’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jud. 10.
ἀδικούμενοι (adikoumenoi), ‘onrecht ondergaand’. μισθός (misthos), ‘loon’. τρυφή (tryfe), ‘weelde’: overdag al feestvieren. σπίλος (spilos), ‘vlek’ en μῶμος (momos), ‘smet’: vergelijk 1 Petr. 1:19, waar de Messias een lam ‘zonder gebrek en zonder vlek’ is. ἐντρυφάω (entryfao), ‘zwelgen’. ἀπάτη (apate), ‘verleiding’: in Jud. 12 staat op een vergelijkbare plaats ἀγάπη (agape), ‘liefdemaaltijd’. συνευωχέομαι (syneuocheomai), ‘meefeesten’.
Bij ‘onrecht ondergaand’ en bij ‘verleidingen’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jud. 12; 1 Petr. 1:19.
‘Ogen vol van een overspelige vrouw’: het Grieks heeft μοιχαλίς (moichalis), ‘overspelige’; zie ook Jak. 4:4. ἀκατάπαυστος (akatapaustos), ‘niet ophoudend’; δελεάζω (deleazo), ‘lokken’: met een lokaas vangen, zoals in Jak. 1:14. ἀστήρικτος (asteriktos), ‘onstandvastig’: ook in 3:16. γυμνάζω (gymnazo), ‘oefenen’. κατάρας τέκνα (kataras tekna), ‘kinderen van de vloek’: mensen die onder de vloek staan.
Bij ‘niet ophoudend’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jak. 1:14; Jak. 4:4.
De weg van Bileam
Bileam komt voor in Num. 22–24.
Ons Hebreeuws noemt hem ‘Bileam, de zoon van Beor’ (Num. 22:5); de Griekse tekst heeft Βοσόρ (Bosor).
De SBLGNT markeert hier een lezing; wij volgen de SBLGNT.
‘Het loon van onrecht’: in Num. 22:7 gaan de oudsten met ‘het loon voor waarzeggerij’ naar Bileam.
In Num. 31:16 wordt gezegd dat hij raad gaf die tot ontrouw aan Yahweh leidde.
Judas 11 noemt ook ‘de dwaling van Bileam’. εὐθεῖα ὁδός (eutheia hodos), ‘rechte weg’.
Wij voegen ‘de zoon’ toe, zoals het Grieks (genitief) het zegt.
Bij ‘verlaten hebbend’ en bij ‘Bosor’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Num. 22:5; Num. 22:7; Num. 31:8; Num. 31:16; Jud. 11.
ἔλεγξις (elegxis), ‘terechtwijzing’; παρανομία (paranomia), ‘overtreding’: tegen de wet ingaan. ὑποζύγιον (hypozygion), ‘lastdier’: letterlijk ‘onder het juk’; hier de ezelin (Num. 22:28–30). ἄφωνος (afonos), ‘stom’. παραφρονία (paraphronia), ‘waanzin’: een zeldzaam woord, alleen hier.
Zie ook Num. 22:28–30.
Bronnen zonder water
πηγαὶ ἄνυδροι (pegai anydroi), ‘bronnen zonder water’; ὁμίχλη (homichle), ‘nevel’; λαῖλαψ (lailaps), ‘wervelstorm’: hetzelfde woord als in Mark. 4:37. ζόφος τοῦ σκότους (zofos tou skotous), ‘de diepe duisternis van de duisternis’; τετήρηται (teteretai), ‘is bewaard’.
Judas 12–13 heeft bijna gelijke beelden.
Bij ‘en nevels’ en bij ‘duisternis’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jud. 12–13; Mark. 4:37.
ὑπέρογκα (hyperonka), ‘opgeblazen woorden’: zwellende, grote woorden zonder inhoud; Judas 16 heeft hetzelfde woord. ματαιότης (mataiotes), ‘ijdelheid’: leegheid. ὀλίγως (oligos), ‘pas’: het woord kan ook ‘nauwelijks’ of ‘een weinig’ betekenen. ἀναστρέφομαι (anastrefomai), ‘verkeren’: leven in; zie ἀναστροφή in vers 7. πλάνη (plane), ‘dwaling’.
Bij ‘pas’ en bij ‘ontvluchten’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Jud. 16.
ἐλευθερία (eleutheria), ‘vrijheid’; δοῦλος (doulos), ‘knecht’: wij houden dit woord in de hele brief; het gaat hier om wie volledig onder de macht van iets staat. ἡττάομαι (hettaomai), ‘overwonnen worden’; δουλόω (douloo), ‘tot knecht maken’.
Vergelijk Joh. 8:34 en Rom. 6:16.
Bij ‘ook’ (καί) heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Joh. 8:34; Rom. 6:16.
Erger dan het eerste
μίασμα (miasma), ‘bezoedeling’: dit woord staat in het Nieuwe Testament alleen hier. ἐπίγνωσις (epignosis), ‘volle kennis’: zie 1:2.
‘De Heer en Redder Yeshua de Messias’ staat met één lidwoord, zoals in 1:11. ἐμπλέκομαι (emplekomai), ‘verstrikt raken’: zoals in 2 Tim. 2:4.
‘Het laatste erger dan het eerste’: dezelfde zin staat in Matt. 12:45 en Luc. 11:26.
Bij ‘Heer’ (κυρίου) heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Matt. 12:45; Luc. 11:26; 2 Tim. 2:4.
ἐπιγινώσκω (epiginosko), ‘volledig kennen’: de werkwoordsvorm bij ἐπίγνωσις.
‘De weg van de gerechtigheid’: vergelijk Matt. 21:32. ἐντολή (entole), ‘gebod’; zie 3:2. παραδίδωμι (paradidomi), ‘overleveren’: wat doorgegeven is; Judas 3 gebruikt het voor het geloof dat ‘eens voor altijd is overgeleverd’.
Bij ‘zich om te keren’ heeft de SBLGNT een lezingsmarkering: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Matt. 21:32; Jud. 3.
παροιμία (paroimia), ‘spreekwoord’.
Het eerste spreekwoord lijkt op Spr. 26:11.
Ons Hebreeuws heeft daar: ‘Zoals een hond terugkeert naar zijn braaksel, zo herhaalt een dwaas zijn zotheid.’
Het tweede, over de zeug (ὗς, hys), staat niet in ons Spreuken-bestand. ἐξέραμα (exerama), ‘braaksel’; κυλισμός (kylismos), ‘wentelen’; βόρβορος (borboros), ‘modder’.
Bij ‘is overkomen’ en bij ‘wentelen’ heeft de SBLGNT lezingsmarkeringen: sommige oude handschriften verschillen; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Spr. 26:11.