Elohim Bijbel

Ezechiël 44

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

De gesloten poort; wie het heiligdom mag dienen en de regels voor de priesters

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De gesloten poort

1Hij bracht mij terug, langs de buitenste poort van het heiligdom die naar het oosten gekeerd was. Zij was gesloten.
וַיָּ֣שֶׁב
(vayashev)
en hij bracht terug
אֹתִ֗י
(oti)
mij
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg van
שַׁ֤עַר
(shaar)
poort van
הַמִּקְדָּשׁ֙
(hamiqdash)
het heiligdom
הַֽחִיצ֔וֹן
(hachitson)
de buitenste
הַפֹּנֶ֖ה
(hapone)
die gekeerd was
קָדִ֑ים
(qadim)
naar het oosten
וְה֖וּא
(vehu)
en zij
סָגֽוּר
(sagur)
gesloten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De buitenste poort van het heiligdom aan de oostkant is de poort van 43:1–4, waardoor de heerlijkheid van Yahweh het huis was binnengekomen.

2Yahweh zei tegen mij: „Deze poort blijft gesloten. Zij mag niet geopend worden en niemand mag erdoor binnengaan. Want Yahweh, de Elohim van Israël, is erdoor binnengekomen. Daarom blijft zij gesloten.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלַ֜י
(elay)
tot mij
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הַשַּׁ֣עַר
(hashaar)
de poort
הַזֶּה֩
(haze)
deze
סָג֨וּר
(sagur)
gesloten
יִהְיֶ֜ה
(yihye)
zal zijn
לֹ֣א
(lo)
niet
יִפָּתֵ֗חַ
(yipateach)
zal geopend worden
וְאִישׁ֙
(veish)
en een man
לֹא
(lo)
niet
יָ֣בֹא
(yavo)
zal binnengaan
ב֔וֹ
(bo)
door haar
כִּ֛י
(ki)
want
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בָּ֣א
(ba)
is binnengekomen
ב֑וֹ
(bo)
door haar
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en zij zal zijn
סָגֽוּר
(sagur)
gesloten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh spreekt hier over Zichzelf in de derde persoon, in Zijn eigen woorden; daarom blijft het rood (vergelijk Jes. 6:12).

סָגוּר (sagur), ‘gesloten’: de poort blijft dicht, omdat Yahweh er is binnengekomen. Zij is daardoor heilig.

3Wat de vorst betreft: als vorst mag hij daarin zitten om brood te eten voor het aangezicht van Yahweh. Hij moet binnenkomen via de voorhal van de poort en langs dezelfde weg weer vertrekken.”
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַנָּשִׂ֗יא
(hanasi)
de vorst
נָ֥שִׂיא
(nasi)
vorst
ה֛וּא
(hu)
hij
יֵֽשֶׁב
(yeshev)
zal zitten
בּ֥וֹ
(bo)
daarin
לֶאֱכָול
(leekhavl)
om te eten
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
מִדֶּ֨רֶךְ
(miderekh)
via de weg van
אֻלָ֤ם
(ulam)
voorhal van
הַשַּׁ֨עַר֙
(hashaar)
de poort
יָב֔וֹא
(yavo)
hij zal binnengaan
וּמִדַּרְכּ֖וֹ
(umidarko)
en via zijn weg
יֵצֵֽא
(yetse)
hij zal naar buiten gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשִׂיא (nasi), ‘vorst’: zoals in 7:27 en 12:10.

De vorst is geen priester; hij mag in de poort eten, maar gaat zelf niet verder.

Het ‘brood eten voor het aangezicht van Yahweh’ is waarschijnlijk een offermaaltijd. De tekst zegt niet welke.

אֻלָם (ulam), ‘voorhal’.

Met dit vers eindigt de eerste toespraak; vers 5 begint een nieuwe.

De heerlijkheid vervult het huis

4Hij bracht mij door de noordpoort naar de voorkant van het huis. Ik keek, en zie: de heerlijkheid van Yahweh vervulde het huis van Yahweh. Ik viel op mijn gezicht.
וַיְבִיאֵ֜נִי
(vayvieni)
en hij bracht mij
דֶּֽרֶךְ
(derekh)
de weg van
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
הַצָּפוֹן֮
(hatsafon)
het noorden
אֶל
(el)
naar
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
הַבַּיִת֒
(habayit)
het huis
וָאֵ֕רֶא
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
מָלֵ֥א
(male)
vervulde
כְבוֹד
(kevod)
heerlijkheid van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וָאֶפֹּ֖ל
(vaepol)
en ik viel
אֶל
(el)
op
פָּנָֽי
(panay)
mijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk 43:5: ook toen vulde de heerlijkheid van Yahweh het huis.

Ezechiël valt, zoals in 1:28 en 3:23, op zijn gezicht.

Wie het heiligdom mag binnengaan

5Yahweh zei tegen mij: „Mensenkind, richt je hart. Kijk met je ogen en luister met je oren naar alles wat Ik met je bespreek. Het gaat over alle voorschriften van het huis van Yahweh en over al zijn wetten. Richt je hart op de ingang van het huis, bij alle uitgangen van het heiligdom.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלַ֜י
(elay)
tot mij
יְהֹוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֡ם
(adam)
een mens
שִׂ֣ים
(sim)
richt
לִבְּךָ֩
(libekha)
je hart
וּרְאֵ֨ה
(uree)
en kijk
בְעֵינֶ֜יךָ
(beeineikha)
met je ogen
וּבְאָזְנֶ֣יךָ
(uveazeneikha)
en met je oren
שְּׁמָ֗ע
(shema)
luister
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
wat
אֲנִי֙
(ani)
Ik
מְדַבֵּ֣ר
(medaber)
spreek
אֹתָ֔ךְ
(otakh)
met je
לְכָל
(lekhal)
over alle
חֻקּ֥וֹת
(chuqot)
voorschriften van
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וּלְכָל
(ulekhal)
en over al
תּֽוֹרֹתָ֑יו
(torotav)
zijn wetten
וְשַׂמְתָּ֤
(vesamta)
en richt
לִבְּךָ֙
(libekha)
je hart
לִמְב֣וֹא
(limvo)
op de ingang van
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
bij alle
מוֹצָאֵ֥י
(motsaei)
uitgangen van
הַמִּקְדָּֽשׁ
(hamiqdash)
het heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׂים לִבְּךָ (sim libbekha), ‘richt je hart’: let goed op.

Drie werkwoorden volgen: kijken, luisteren en je hart richten.

חֻקּוֹת (chuqqot), ‘voorschriften’, en תּוֹרוֹת (torot), ‘wetten’: zoals in 43:11.

De woorden van Yahweh lopen door tot en met vers 31.

Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staat bij ‘al zijn wetten’ een andere schrijfwijze (תורתו); de overlevering (qere) leest תּוֹרֹתָיו (torotav), ‘zijn wetten’.

Wij volgen de qere.

6Zeg tegen de weerspannigen, tegen het huis van Israël: Zo zegt Heer Yahweh: Het is genoeg voor jullie met al jullie gruwelen, huis van Israël,
וְאָמַרְתָּ֤
(veamarta)
en je zult zeggen
אֶל
(el)
tegen
מֶ֨רִי֙
(meri)
de weerspannigen
אֶל
(el)
tegen
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
רַב
(rav)
genoeg
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
מִֽכָּל
(mikal)
van al
תּוֹעֲבֽוֹתֵיכֶ֖ם
(toavoteikhem)
jullie gruwelen
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֶרִי (meri), ‘de weerspannigen’: zie de uitleg bij 2:5.

רַב לָכֶם (rav lakhem), ‘het is genoeg voor jullie’: Yahweh is het zat; zo ook in 45:9.

De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat zwart; zie de uitleg bij 2:4.

7want jullie hebben vreemden, onbesneden van hart en onbesneden van vlees, in Mijn heiligdom laten komen. Zo ontwijdden zij Mijn huis, toen jullie Mijn brood aanboden, vet en bloed. Zo hebben zij Mijn verbond verbroken, bovenop al jullie gruwelen.
בַּהֲבִיאֲכֶ֣ם
(bahaviakhem)
bij jullie binnenbrengen
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
נֵכָ֗ר
(nekhar)
vreemde
עַרְלֵי
(arlei)
onbesneden van
לֵב֙
(lev)
hart
וְעַרְלֵ֣י
(vearlei)
en onbesneden van
בָשָׂ֔ר
(basar)
vlees
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
בְּמִקְדָּשִׁ֖י
(bemiqdashi)
in Mijn heiligdom
לְחַלְּל֣וֹ
(lechalelo)
om het te ontwijden
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּיתִ֑י
(beiti)
Mijn huis
בְּהַקְרִֽיבְכֶ֤ם
(behaqrivekhem)
bij jullie aanbieden
אֶת
(et)
(obj.)
לַחְמִי֙
(lachmi)
Mijn brood
חֵ֣לֶב
(chelev)
vet
וָדָ֔ם
(vadam)
en bloed
וַיָּפֵ֨רוּ֙
(vayaferu)
en zij verbraken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִ֔י
(beriti)
Mijn verbond
אֶ֖ל
(el)
naast
כָּל
(kal)
al
תּוֹעֲבוֹתֵיכֶֽם
(toavoteikhem)
jullie gruwelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי נֵכָר (benei nekhar), ‘vreemden’: letterlijk ‘zonen van de vreemde’.

Zij worden onbesneden van hart en vlees genoemd, dus ongehoorzaam en zonder teken van het verbond.

Zie ook Jer. 9:25 (NL 9:26).

לַחְמִי (lachmi), ‘Mijn brood’: de offers, zoals in Lev. 21:6.

וַיָּפֵרוּ (vayyaferu), ‘en zij verbraken’: het onderwerp is niet duidelijk. Sommige oude vertalingen lezen anders.

8Jullie hebben de taak van Mijn heilige dingen niet bewaakt. Jullie hebben anderen aangesteld om Mijn taak in Mijn heiligdom voor jullie te bewaken.
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שְׁמַרְתֶּ֖ם
(shemartem)
jullie hebben bewaakt
מִשְׁמֶ֣רֶת
(mishmeret)
de taak van
קָדָשָׁ֑י
(qadashay)
Mijn heilige dingen
וַתְּשִׂימ֗וּן
(vatesimun)
en jullie hebben aangesteld
לְשֹׁמְרֵ֧י
(leshomerei)
als bewakers van
מִשְׁמַרְתִּ֛י
(mishmarti)
Mijn taak
בְּמִקְדָּשִׁ֖י
(bemiqdashi)
in Mijn heiligdom
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘taak’: wat men te bewaken heeft, de dienst.

Het woord komt in dit hoofdstuk vaak voor.

9Zo zegt Heer Yahweh: Geen enkele vreemde, onbesneden van hart en onbesneden van vlees, mag Mijn heiligdom binnengaan. Dat geldt voor geen enkele vreemde die onder de zonen van Israël is.
כֹּה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
כָּל
(kal)
elke
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵכָ֗ר
(nekhar)
vreemde
עֶ֤רֶל
(erel)
onbesneden van
לֵב֙
(lev)
hart
וְעֶ֣רֶל
(veerel)
en onbesneden van
בָּשָׂ֔ר
(basar)
vlees
לֹ֥א
(lo)
niet
יָב֖וֹא
(yavo)
zal binnengaan
אֶל
(el)
naar
מִקְדָּשִׁ֑י
(miqdashi)
Mijn heiligdom
לְכָל
(lekhal)
van elke
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵכָ֔ר
(nekhar)
vreemde
אֲשֶׁ֕ר
(asher)
die
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Voor ‘Heer Yahweh’ zie de uitleg bij 2:4.

De Levieten

10Maar de Levieten die ver van Mij weggegaan zijn, toen Israël dwaalde: zij dwaalden van Mij weg, achter hun mestgoden aan. Zij zullen hun schuld dragen.
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
רָֽחֲקוּ֙
(rachaqu)
zich verwijderden
מֵֽעָלַ֔י
(mealay)
van Mij
בִּתְע֤וֹת
(bitot)
bij het dwalen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תָּע֣וּ
(tau)
dwaalden
מֵֽעָלַ֔י
(mealay)
van Mij
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
גִּלּֽוּלֵיהֶ֑ם
(giluleihem)
hun mestgoden
וְנָשְׂא֖וּ
(venaseu)
en zij zullen dragen
עֲוֺנָֽם
(avonam)
hun schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּלּוּלִים (gillulim), ‘mestgoden’: zie de uitleg bij 6:4.

De Levieten die van Yahweh weg dwaalden, werden afgoden gaan dienen (vergelijk 48:11).

וְנָשְׂאוּ עֲוֹנָם (venas’u avonam), ‘zij zullen hun schuld dragen’: zij dragen de gevolgen.

11Zij zullen in Mijn heiligdom dienaren zijn, met toezicht bij de poorten van het huis, en dienst doen in het huis. Zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten. Zij zullen voor hen staan om hen te dienen.
וְהָי֤וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
בְמִקְדָּשִׁי֙
(bemiqdashi)
in Mijn heiligdom
מְשָׁ֣רְתִ֔ים
(mesharetim)
dienaren
פְּקֻדּוֹת֙
(pequdot)
met toezicht
אֶל
(el)
bij
שַׁעֲרֵ֣י
(shaarei)
poorten van
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
וּֽמְשָׁרְתִ֖ים
(umesharetim)
en dienaren
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
הֵ֠מָּה
(hema)
zij
יִשְׁחֲט֨וּ
(yishchatu)
zullen slachten
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֹלָ֤ה
(haola)
het brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַזֶּ֨בַח֙
(hazevach)
het slachtoffer
לָעָ֔ם
(laam)
voor het volk
וְהֵ֛מָּה
(vehema)
en zij
יַעַמְד֥וּ
(yaamdu)
zullen staan
לִפְנֵיהֶ֖ם
(lifneihem)
voor hen
לְשָֽׁרְתָֽם
(lesharetam)
om hen te dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פְּקֻדּוֹת (pequddot), ‘toezicht’: het houden van toezicht of wacht bij de poorten.

Het werk van de Levieten is hier lager dan dat van de priesters: zij slachten voor het volk en dienen het volk.

12Zij dienden hen voor hun mestgoden en werden voor het huis van Israël een struikelblok tot schuld. Daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, godsspraak van Heer Yahweh, en zij zullen hun schuld dragen.
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יְשָׁרְת֤וּ
(yesharetu)
zij dienden
אוֹתָם֙
(otam)
hen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
גִלּֽוּלֵיהֶ֔ם
(giluleihem)
hun mestgoden
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zij werden
לְבֵֽית
(leveit)
voor het huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְמִכְשׁ֣וֹל
(lemikhshol)
tot een struikelblok van
עָוֺ֑ן
(avon)
schuld
עַל
(al)
daarom
כֵּן֩
(ken)
zo
נָשָׂ֨אתִי
(nasati)
Ik heb opgeheven
יָדִ֜י
(yadi)
Mijn hand
עֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
over hen
נְאֻם֙
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנָשְׂא֖וּ
(venaseu)
en zij zullen dragen
עֲוֺנָֽם
(avonam)
hun schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij 5:11.

נָשָׂאתִי יָדִי (nasati yadi), ‘Ik heb Mijn hand opgeheven’: de handbeweging van een eed (zoals in 20:5).

מִכְשׁוֹל עָוֹן (mikhshol avon), ‘een struikelblok tot schuld’: zij brachten het volk tot schuld.

13Zij zullen niet tot Mij naderen om als priester voor Mij te dienen. Zij zullen niet naderen tot al Mijn heilige dingen, tot de hoogheilige dingen. Zij zullen hun schande dragen, en de gruwelen die zij gedaan hebben.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִגְּשׁ֤וּ
(yigeshu)
zij zullen naderen
אֵלַי֙
(elay)
tot Mij
לְכַהֵ֣ן
(lekhahen)
om priester te zijn
לִ֔י
(li)
voor Mij
וְלָגֶ֨שֶׁת֙
(velageshet)
en om te naderen
עַל
(al)
tot
כָּל
(kal)
al
קָ֣דָשַׁ֔י
(qadashay)
Mijn heilige dingen
אֶל
(el)
tot
קָדְשֵׁ֖י
(qadeshei)
heilige dingen van
הַקְּדָשִׁ֑ים
(haqedashim)
de heiligste
וְנָֽשְׂאוּ֙
(venaseu)
en zij zullen dragen
כְּלִמָּתָ֔ם
(kelimatam)
hun schande
וְתוֹעֲבוֹתָ֖ם
(vetoavotam)
en hun gruwelen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשֽׂוּ
(asu)
zij deden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְכַהֵן (lekhahen), ‘als priester dienen’: het werkwoord ‘priester zijn’.

De Levieten mogen niet de taak van de priesters doen.

קָדְשֵׁי הַקֳּדָשִׁים (qodshei haqodashim), ‘de hoogheilige dingen’: zie de uitleg bij 42:13.

14Ik stel hen aan als bewakers van de taak van het huis, voor heel zijn dienst en voor alles wat daarin gedaan wordt.
וְנָתַתִּ֣י
(venatati)
en Ik zal aanstellen
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
שֹׁמְרֵ֖י
(shomerei)
bewakers van
מִשְׁמֶ֣רֶת
(mishmeret)
de taak van
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
לְכֹל֙
(lekhol)
voor al
עֲבֹ֣דָת֔וֹ
(avodato)
zijn dienst
וּלְכֹ֛ל
(ulekhol)
en voor alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
יֵעָשֶׂ֖ה
(yease)
gedaan wordt
בּֽוֹ
(bo)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De priesters, de zonen van Zadok

15Maar de priesters, de Levieten, de zonen van Zadok, bewaakten de taak van Mijn heiligdom toen de zonen van Israël van Mij weg dwaalden. Zij zullen tot Mij naderen om Mij te dienen. Zij zullen voor Mij staan om vet en bloed aan Mij aan te bieden, godsspraak van Heer Yahweh.
וְהַכֹּהֲנִ֨ים
(vehakohanim)
en de priesters
הַלְוִיִּ֜ם
(halviyim)
de Levieten
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
צָד֗וֹק
(tsadoq)
Zadok
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
שָׁמְר֜וּ
(shameru)
bewaakten
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁמֶ֤רֶת
(mishmeret)
de taak van
מִקְדָּשִׁי֙
(miqdashi)
Mijn heiligdom
בִּתְע֤וֹת
(bitot)
bij het dwalen van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מֵֽעָלַ֔י
(mealay)
van Mij
הֵ֛מָּה
(hema)
zij
יִקְרְב֥וּ
(yiqrevu)
zullen naderen
אֵלַ֖י
(elay)
tot Mij
לְשָֽׁרְתֵ֑נִי
(leshareteni)
om Mij te dienen
וְעָמְד֣וּ
(veamedu)
en zij zullen staan
לְפָנַ֗י
(lefanay)
voor Mij
לְהַקְרִ֥יב
(lehaqriv)
om aan te bieden
לִי֙
(li)
aan Mij
חֵ֣לֶב
(chelev)
vet
וָדָ֔ם
(vadam)
en bloed
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי צָדוֹק (benei Tsadoq), ‘zonen van Zadok’: nakomelingen van de priester Zadok (1 Kon. 2:35; zie ook 40:46 en 43:19).

נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij 5:11.

חֵלֶב וָדָם (chelev vadam), ‘vet en bloed’: de belangrijkste delen van het offer, die Yahweh toekomen (Lev. 3:16–17).

16Zij zullen Mijn heiligdom binnengaan en tot Mijn tafel naderen om Mij te dienen. Zij zullen Mijn taak bewaken.
הֵ֜מָּה
(hema)
zij
יָבֹ֣אוּ
(yavou)
zullen binnengaan
אֶל
(el)
naar
מִקְדָּשִׁ֗י
(miqdashi)
Mijn heiligdom
וְהֵ֛מָּה
(vehema)
en zij
יִקְרְב֥וּ
(yiqrevu)
zullen naderen
אֶל
(el)
naar
שֻׁלְחָנִ֖י
(shulchani)
Mijn tafel
לְשָׁרְתֵ֑נִי
(leshareteni)
om Mij te dienen
וְשָׁמְר֖וּ
(veshameru)
en zij zullen bewaken
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁמַרְתִּֽי
(mishmarti)
Mijn taak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֻׁלְחָן (shulchan), ‘tafel’: ‘Mijn tafel’ is vermoedelijk het altaar (vergelijk 41:22 en Mal. 1:7).

Kleding en leefregels van de priesters

17Wanneer zij de poorten van de binnenste voorhof binnengaan, moeten zij linnen kleren dragen. Er mag geen wol op hen komen als zij dienen aan de poorten van de binnenste voorhof en daarbinnen.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְּבוֹאָם֙
(bevoam)
bij hun binnengaan
אֶֽל
(el)
naar
שַׁעֲרֵי֙
(shaarei)
poorten van
הֶחָצֵ֣ר
(hechatser)
de voorhof
הַפְּנִימִ֔ית
(hapenimit)
de binnenste
בִּגְדֵ֥י
(bigdei)
kleren van
פִשְׁתִּ֖ים
(pishtim)
linnen
יִלְבָּ֑שׁוּ
(yilbashu)
zij zullen dragen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַעֲלֶ֤ה
(yaale)
zal komen
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
op hen
צֶ֔מֶר
(tsemer)
wol
בְּשָֽׁרְתָ֗ם
(besharetam)
bij hun dienen
בְּשַׁעֲרֵ֛י
(beshaarei)
aan de poorten van
הֶחָצֵ֥ר
(hechatser)
de voorhof
הַפְּנִימִ֖ית
(hapenimit)
de binnenste
וָבָֽיְתָה
(vavayeta)
en daarbinnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּגְדֵי פִשְׁתִּים (bigdei fishtim), ‘linnen kleren’: zoals de priesterkleding in Exod. 28:39–42.

Wol is niet toegestaan.

18Linnen tulbanden moeten op hun hoofd zijn en linnen onderbroeken om hun heupen. Zij mogen zich niet omgorden met iets wat zweet veroorzaakt.
פַּאֲרֵ֤י
(paarei)
tulbanden van
פִשְׁתִּים֙
(pishtim)
linnen
יִהְי֣וּ
(yihyu)
zullen zijn
עַל
(al)
op
רֹאשָׁ֔ם
(rosham)
hun hoofd
וּמִכְנְסֵ֣י
(umikhnesei)
en broeken van
פִשְׁתִּ֔ים
(pishtim)
linnen
יִהְי֖וּ
(yihyu)
zullen zijn
עַל
(al)
op
מָתְנֵיהֶ֑ם
(mateneihem)
hun heupen
לֹ֥א
(lo)
niet
יַחְגְּר֖וּ
(yachgeru)
zullen zij zich omgorden
בַּיָּֽזַע
(bayaza)
met zweet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פַּאֲרֵי פִשְׁתִּים (pa’arei fishtim), ‘linnen tulbanden’ (vergelijk Exod. 39:28), en מִכְנְסֵי (michnesei), ‘onderbroeken’.

בַּיָּזַע (bayyaza’), ‘met zweet’: een zeldzaam woord. Het gaat om kleding die warm maakt en zweet veroorzaakt.

19Wanneer zij naar de buitenste voorhof gaan, naar de buitenste voorhof, naar het volk, moeten zij de kleren waarin zij dienen uittrekken. Zij moeten die neerleggen in het heilige vertrek en andere kleren aantrekken, zodat zij het volk niet heiligen met hun kleren.
וּ֠בְצֵאתָם
(uvetsetam)
en bij hun naar buiten gaan
אֶל
(el)
naar
הֶחָצֵ֨ר
(hechatser)
de voorhof
הַחִיצוֹנָ֜ה
(hachitsona)
de buitenste
אֶל
(el)
naar
הֶחָצֵ֣ר
(hechatser)
de voorhof
הַחִיצוֹנָה֮
(hachitsona)
de buitenste
אֶל
(el)
naar
הָעָם֒
(haam)
het volk
יִפְשְׁט֣וּ
(yifshetu)
zullen zij uittrekken
אֶת
(et)
(obj.)
בִּגְדֵיהֶ֗ם
(bigdeihem)
hun kleren
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
הֵ֨מָּה֙
(hema)
zij
מְשָׁרְתִ֣ם
(mesharetim)
dienen
בָּ֔ם
(bam)
daarin
וְהִנִּ֥יחוּ
(vehinichu)
en zij zullen neerleggen
אוֹתָ֖ם
(otam)
ze
בְּלִֽשְׁכֹ֣ת
(belishkhot)
in het vertrek van
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
וְלָֽבְשׁוּ֙
(velaveshu)
en zij zullen aantrekken
בְּגָדִ֣ים
(begadim)
kleren
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יְקַדְּשׁ֥וּ
(yeqadeshu)
zullen zij heiligen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
בְּבִגְדֵיהֶֽם
(bevigdeihem)
met hun kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Heilige kleren maken heilig wie ze aanraakt.

Daarom mogen de priesters ze niet naar buiten dragen (vergelijk 42:14).

בְּלִשְׁכַּת הַקֹּדֶשׁ (bilshkat haqodesh), ‘in het heilige vertrek’: zie 42:13.

20Zij mogen hun hoofd niet kaalscheren en hun haar niet los laten hangen. Zij moeten hun hoofd keurig knippen.
וְרֹאשָׁם֙
(verosham)
en hun hoofd
לֹ֣א
(lo)
niet
יְגַלֵּ֔חוּ
(yegalechu)
zullen zij kaalscheren
וּפֶ֖רַע
(ufera)
en lang haar
לֹ֣א
(lo)
niet
יְשַׁלֵּ֑חוּ
(yeshalechu)
zullen zij laten groeien
כָּס֥וֹם
(kasom)
knippend
יִכְסְמ֖וּ
(yikhsemu)
zullen zij knippen
אֶת
(et)
(obj.)
רָאשֵׁיהֶֽם
(rasheihem)
hun hoofden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Lev. 21:5 en Lev. 10:6.

כָּסוֹם יִכְסְמוּ (kasom yikhsemu), ‘keurig knippen’: het werkwoord is zeldzaam.

21Geen priester mag wijn drinken wanneer hij de binnenste voorhof binnengaat.
וְיַ֥יִן
(veyayin)
en wijn
לֹֽא
(lo)
niet
יִשְׁתּ֖וּ
(yishtu)
zullen zij drinken
כָּל
(kal)
elke
כֹּהֵ֑ן
(kohen)
priester
בְּבוֹאָ֖ם
(bevoam)
bij hun binnengaan
אֶל
(el)
naar
הֶחָצֵ֥ר
(hechatser)
de voorhof
הַפְּנִימִֽית
(hapenimit)
de binnenste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Lev. 10:9.

22Een weduwe of een gescheiden vrouw mogen zij niet tot vrouw nemen. Alleen maagden uit het nageslacht van het huis van Israël mogen zij nemen, of een weduwe die weduwe is van een priester.
וְאַלְמָנָה֙
(vealmana)
en een weduwe
וּגְרוּשָׁ֔ה
(ugerusha)
en een gescheiden vrouw
לֹֽא
(lo)
niet
יִקְח֥וּ
(yiqchu)
zullen zij nemen
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor zich
לְנָשִׁ֑ים
(lenashim)
tot vrouwen
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
בְּתוּלֹ֗ת
(betulot)
maagden
מִזֶּ֨רַע֙
(mizera)
uit het zaad van
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְהָֽאַלְמָנָה֙
(vehaalmana)
en de weduwe
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תִּֽהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
אַלְמָנָ֔ה
(almana)
weduwe
מִכֹּהֵ֖ן
(mikohen)
van een priester
יִקָּֽחוּ
(yiqachu)
zullen zij nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְּרוּשָׁה (gerushah), ‘gescheiden vrouw’: letterlijk ‘verstotene’.

Vergelijk Lev. 21:7 en 21:13–14.

23Zij moeten Mijn volk onderwijzen wat het verschil is tussen heilig en gewoon, en hun laten weten wat het verschil is tussen onrein en rein.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
יוֹר֔וּ
(yoru)
zullen zij onderwijzen
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heilig
לְחֹ֑ל
(lechol)
en gewoon
וּבֵין
(uvein)
en tussen
טָמֵ֥א
(tame)
onrein
לְטָה֖וֹר
(letahor)
en rein
יוֹדִעֻֽם
(yodium)
zullen zij hen laten weten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Lev. 10:10–11 en 42:20.

24Bij een geschil moeten zij optreden als rechters. Zij moeten oordelen volgens Mijn rechtsregels. Zij moeten Mijn wetten en Mijn voorschriften bewaren bij al Mijn feesten, en Mijn sabbatten heiligen.
וְעַל
(veal)
en bij
רִ֗יב
(riv)
geschil
הֵ֚מָּה
(hema)
zij
יַעַמְד֣וּ
(yaamdu)
zullen staan
לְמִשְׁפָּ֔ט
(lemishpat)
om recht te spreken
בְּמִשְׁפָּטַ֖י
(bemishpatay)
volgens Mijn rechtsregels
יִשְׁפְּט֑וּהוּ
(yishpetuhu)
zullen zij het oordelen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תּוֹרֹתַ֤י
(torotay)
Mijn wetten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֻקֹּתַי֙
(chuqotay)
Mijn voorschriften
בְּכָל
(bekhal)
bij alle
מוֹעֲדַ֣י
(moaday)
Mijn feesten
יִשְׁמֹ֔רוּ
(yishmoru)
zullen zij bewaren
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שַׁבְּתוֹתַ֖י
(shabetotay)
Mijn sabbatten
יְקַדֵּֽשׁוּ
(yeqadeshu)
zullen zij heiligen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוֹעֲדִים (mo’adim), ‘feesten’: de vastgestelde tijden van het jaar.

Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staat לשפט (leshefot), ‘om te richten’; de overlevering (qere) leest לְמִשְׁפָּט (lemishpat), ‘tot recht’.

Verder staat in de geschreven tekst ושפטהו (veshaftehu), ‘en zij zullen het oordelen’; de overlevering leest יִשְׁפְּטוּהוּ (yishpetuhu), ‘zij zullen het oordelen’.

Wij volgen de qere.

25Zij mogen niet naar een dode gaan om zich onrein te maken. Alleen voor vader, moeder, zoon, dochter, broer en een zuster die niet aan een man toebehoorde. Voor hen mogen zij zich onrein maken.
וְאֶל
(veel)
en naar
מֵ֣ת
(met)
dode van
אָדָ֔ם
(adam)
een mens
לֹ֥א
(lo)
niet
יָב֖וֹא
(yavo)
zullen zij gaan
לְטָמְאָ֑ה
(letamea)
om onrein te worden
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
לְאָ֡ב
(leav)
voor vader
וּ֠לְאֵם
(uleem)
en voor moeder
וּלְבֵ֨ן
(uleven)
en voor zoon
וּלְבַ֜ת
(ulevat)
en voor dochter
לְאָ֗ח
(leach)
voor broer
וּלְאָח֛וֹת
(uleachot)
en voor zuster
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
הָיְתָ֥ה
(hayeta)
zij was
לְאִ֖ישׁ
(leish)
aan een man
יִטַּמָּֽאוּ
(yitamau)
zullen zij zich onrein maken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Na zijn reiniging moeten zij voor hem zeven dagen tellen.
וְאַחֲרֵ֖י
(veacharei)
en na
טָֽהֳרָת֑וֹ
(tahorato)
zijn reiniging
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
יִסְפְּרוּ
(yisperu)
zullen zij tellen
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Na het aanraken van een dode volgt een reiniging van zeven dagen (Num. 19:11–12).

27Op de dag dat hij het heiligdom binnengaat, naar de binnenste voorhof, om in het heiligdom te dienen, moet hij zijn zondoffer brengen. Godsspraak van Heer Yahweh.
וּבְיוֹם֩
(uveyom)
en op de dag
בֹּא֨וֹ
(boo)
dat hij binnengaat
אֶל
(el)
naar
הַקֹּ֜דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
אֶל
(el)
naar
הֶחָצֵ֤ר
(hechatser)
de voorhof
הַפְּנִימִית֙
(hapenimit)
de binnenste
לְשָׁרֵ֣ת
(lesharet)
om te dienen
בַּקֹּ֔דֶשׁ
(baqodesh)
in het heiligdom
יַקְרִ֖יב
(yaqriv)
zal hij brengen
חַטָּאת֑וֹ
(chatato)
zijn zondoffer
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij 5:11.

חַטָּאת (chatat), ‘zondoffer’: de priester brengt het voor zichzelf voordat hij weer dient.

Het erfdeel van de priesters

28Het zal voor hen een erfdeel zijn: Ik ben hun erfdeel. Een eigen bezit mogen jullie hun in Israël niet geven: Ik ben hun bezit.
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en het zal zijn
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
לְֽנַחֲלָ֔ה
(lenachala)
als erfdeel
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
נַֽחֲלָתָ֑ם
(nachalatam)
hun erfdeel
וַאֲחֻזָּ֗ה
(vaachuza)
en een bezit
לֹֽא
(lo)
niet
תִתְּנ֤וּ
(titenu)
jullie zullen geven
לָהֶם֙
(lahem)
hun
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
in Israël
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
אֲחֻזָּתָֽם
(achuzatam)
hun bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’, en אֲחֻזָּה (achuzzah), ‘bezit’: de priesters krijgen geen land, Yahweh zelf is hun deel (Num. 18:20; Deut. 18:2).

29Het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer zullen zij eten, en alles wat in Israël aan de ban gewijd is, zal van hen zijn.
הַמִּנְחָה֙
(hamincha)
het graanoffer
וְהַחַטָּ֣את
(vehachatat)
en het zondoffer
וְהָאָשָׁ֔ם
(vehaasham)
en het schuldoffer
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
יֹֽאכְל֑וּם
(yokhlum)
zullen ze eten
וְכָל
(vekhal)
en alles
חֵ֥רֶם
(cherem)
wat gebannen is
בְּיִשְׂרָאֵ֖ל
(beyisrael)
in Israël
לָהֶ֥ם
(lahem)
voor hen
יִהְיֶֽה
(yihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵרֶם (cherem), ‘wat aan de ban gewijd is’: wat voor Yahweh is afgezonderd (Lev. 27:21 en 27:28).

30Het eerste van alle eerstelingen van alles en elke heffing van alles, van al jullie heffingen, is voor de priesters. Ook het eerste van jullie deeg moeten jullie aan de priester geven, zodat er zegen op jouw huis rust.
וְרֵאשִׁית֩
(vereshit)
en het eerste van
כָּל
(kal)
alle
בִּכּ֨וּרֵי
(bikurei)
eerstelingen van
כֹ֜ל
(kol)
alles
וְכָל
(vekhal)
en elke
תְּר֣וּמַת
(terumat)
heffing van
כֹּ֗ל
(kol)
alles
מִכֹּל֙
(mikol)
van al
תְּרוּמ֣וֹתֵיכֶ֔ם
(terumoteikhem)
jullie heffingen
לַכֹּהֲנִ֖ים
(lakohanim)
voor de priesters
יִֽהְיֶ֑ה
(yihye)
zal zijn
וְרֵאשִׁ֤ית
(vereshit)
en het eerste van
עֲרִסֽוֹתֵיכֶם֙
(arisoteikhem)
jullie deeg
תִּתְּנ֣וּ
(titenu)
jullie zullen geven
לַכֹּהֵ֔ן
(lakohen)
aan de priester
לְהָנִ֥יחַ
(lehaniach)
om te laten rusten
בְּרָכָ֖ה
(berakha)
zegen
אֶל
(el)
op
בֵּיתֶֽךָ
(beitekha)
jouw huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּכּוּרִים (bikkurim), ‘eerstelingen’, תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’, en עֲרִיסוֹת (arisot), ‘deeg’: zie Num. 15:20–21 en 18:12–13.

Het woord voor ‘deeg’ is niet helemaal zeker.

De zegen op het huis: wie Yahweh het eerste geeft, ontvangt Zijn zegen.

31Geen kadaver of verscheurd dier, van vogel of vee, mogen de priesters eten.”
כָּל
(kal)
elk
נְבֵלָה֙
(nevela)
kadaver
וּטְרֵפָ֔ה
(uterefa)
en verscheurd dier
מִן
(min)
van
הָע֖וֹף
(haof)
de vogel
וּמִן
(umin)
en van
הַבְּהֵמָ֑ה
(habehema)
het vee
לֹ֥א
(lo)
niet
יֹאכְל֖וּ
(yokhlu)
zullen eten
הַכֹּהֲנִֽים
(hakohanim)
de priesters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’, en טְרֵפָה (terefah), ‘verscheurd dier’: zoals in Lev. 22:8 en Lev. 17:15.

Met dit vers eindigen de woorden van Yahweh die in vers 5 begonnen.