Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh maakt de aarde leeg
1Zie, Yahweh maakt de aarde leeg en legt haar woest. Hij verwringt haar gezicht en verspreidt haar bewoners.
הִנֵּ֧ה
(hine)
zie
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בּוֹקֵ֥ק
(boqeq)
maakt leeg
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וּבֽוֹלְקָ֑הּ
(uvoleqah)
en legt haar woest
וְעִוָּ֣ה
(veiva)
en Hij verwringt
פָנֶ֔יהָ
(paneiha)
haar gezicht
וְהֵפִ֖יץ
(vehefits)
en verspreidt
יֹשְׁבֶֽיהָ
(yosheveiha)
haar bewoners
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Jesaja 24 tot en met 27 vormen een eigen geheel: een oordeel over de hele aarde, met daarna lofzangen en belofte.
In dit hoofdstuk vertalen wij אֶרֶץ (erets) met ‘aarde’; het kan ook ‘land’ betekenen.
בּוֹקֵק (boqeq) en בּוֹלְקָהּ (bolqah): twee klankverwante werkwoorden, ‘leegmaken’ en ‘woest maken’.
פָּנֶיהָ (paneyha), ‘haar gezicht’: het oppervlak van de aarde.
2Het zal gaan met het volk zoals met de priester; met de dienaar zoals met zijn heer; met de slavin zoals met haar meesteres; met de koper zoals met de verkoper; met de uitlener zoals met de lener; met de schuldeiser zoals met wie hem schuldig is.
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
כָעָם֙
(kaam)
als het volk
כַּכֹּהֵ֔ן
(kakohen)
als de priester
כַּעֶ֨בֶד֙
(kaeved)
als de dienaar
כַּֽאדֹנָ֔יו
(kadonav)
als zijn heer
כַּשִּׁפְחָ֖ה
(kashifcha)
als de slavin
כַּגְּבִרְתָּ֑הּ
(kagevirtah)
als haar meesteres
כַּקּוֹנֶה֙
(kaqone)
als de koper
כַּמּוֹכֵ֔ר
(kamokher)
als de verkoper
כַּמַּלְוֶה֙
(kamalve)
als de uitlener
כַּלֹּוֶ֔ה
(kalove)
als de lener
כַּנֹּשֶׁ֕ה
(kanoshe)
als de schuldeiser
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
נֹשֶׁ֥א
(noshe)
hij is schuldeiser
בֽוֹ
(bo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het oordeel treft iedereen op dezelfde manier, hoog en laag, in alle rangen.
Elk paar bestaat uit twee kanten van dezelfde verhouding.
6Daarom heeft een vloek de aarde verteerd, en de bewoners ervan boeten. Daarom zijn de bewoners van de aarde verschroeid, en weinig mensen blijven over.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֗ן
(ken)
(zo)
אָלָה֙
(ala)
vloek
אָ֣כְלָה
(akhela)
heeft verteerd
אֶ֔רֶץ
(erets)
aarde
וַֽיֶּאְשְׁמ֖וּ
(vayeshemu)
en zij boeten
יֹ֣שְׁבֵי
(yoshevei)
bewoners van
בָ֑הּ
(bah)
daarin
עַל
(al)
daarom
כֵּ֗ן
(ken)
(zo)
חָרוּ֙
(charu)
zijn verschroeid
יֹ֣שְׁבֵי
(yoshevei)
bewoners van
אֶ֔רֶץ
(erets)
aarde
וְנִשְׁאַ֥ר
(venishar)
en blijft over
אֱנ֖וֹשׁ
(enosh)
mens
מִזְעָֽר
(mizar)
weinig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָלָה (alah), ‘vloek’: het woord kan ook ‘eed’ betekenen, een eed met een vloek voor wie hem breekt.
חָרוּ (charu), ‘zijn verschroeid’: het werkwoord betekent ‘gloeien’ of ‘branden’. Het beeld is een land dat uitgedroogd is door vuur of hitte.
13Want zo zal het zijn midden op de aarde, te midden van de volken. Het is als bij het afkloppen van de olijfboom, als bij de nalezing wanneer de druivenoogst is afgelopen.
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֥ה
(ko)
zo
יִהְיֶ֛ה
(yihye)
zal zijn
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
te midden van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הָֽעַמִּ֑ים
(haamim)
de volken
כְּנֹ֣קֶף
(kenoqef)
als het afkloppen van
זַ֔יִת
(zayit)
olijfboom
כְּעוֹלֵלֹ֖ת
(keolelot)
als de nalezing
אִם
(im)
wanneer
כָּלָ֥ה
(kala)
is voltooid
בָצִֽיר
(batsir)
druivenoogst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֹקֶף (noqef), ‘het afkloppen’: bij de olijfoogst sloeg men de takken met een stok.
עֹלֵלֹת (olelot), ‘nalezing’: wat na de oogst nog aan de wijnstok hangt.
16Van de uiteinden van de aarde horen wij liederen: „Pracht voor de rechtvaardige!” Maar ik zeg: „Ik kwijn weg, ik kwijn weg! Wee mij! Verraders hebben verraad gepleegd, ja, met verraad hebben verraders verraad gepleegd.”
מִכְּנַ֨ף
(mikenaf)
van de vleugel van
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
de aarde
זְמִרֹ֤ת
(zemirot)
liederen
שָׁמַ֨עְנוּ֙
(shamanu)
wij horen
צְבִ֣י
(tsevi)
pracht
לַצַּדִּ֔יק
(latsadiq)
voor de rechtvaardige
וָאֹמַ֛ר
(vaomar)
en ik zeg
רָזִי
(razi)
mijn kwijnen
לִ֥י
(li)
voor mij
רָֽזִי
(razi)
mijn kwijnen
לִ֖י
(li)
voor mij
א֣וֹי
(oy)
wee
לִ֑י
(li)
mij
בֹּגְדִ֣ים
(bogedim)
verraders
בָּגָ֔דוּ
(bagadu)
hebben verraden
וּבֶ֥גֶד
(uveged)
en met verraad van
בּוֹגְדִ֖ים
(bogedim)
verraders
בָּגָֽדוּ
(bagadu)
hebben verraden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צְבִי לַצַּדִּיק (tsevi latsaddiq), ‘pracht voor de rechtvaardige’: ‘de rechtvaardige’ kan Yahweh zijn, of het rechtvaardige volk.
Het Hebreeuws laat dat open.
רָזִי־לִי (razi li), ‘ik kwijn weg’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is niet zeker; het kan ook ‘mijn geheim is voor mij’ betekenen.
בֹּגְדִים בָּגָדוּ (bogedim bagadu), ‘verraders hebben verraad gepleegd’: het werkwoord בָּגַד (bagad) staat vijf keer in dit vers (met het zelfstandig naamwoord ‘verraad’).
18Wie vlucht voor het geluid van de schrik, valt in de kuil. Wie uit de kuil omhoog komt, wordt gevangen in de strik. Want de vensters uit de hoogte zijn geopend, en de fundamenten van de aarde beven.
וְֽ֠הָיָה
(vehaya)
en het zal zijn
הַנָּ֞ס
(hanas)
wie vlucht
מִקּ֤וֹל
(miqol)
voor het geluid van
הַפַּ֨חַד֙
(hapachad)
de schrik
יִפֹּ֣ל
(yipol)
valt
אֶל
(el)
in
הַפַּ֔חַת
(hapachat)
de kuil
וְהָֽעוֹלֶה֙
(vehaole)
en wie omhoog komt
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
הַפַּ֔חַת
(hapachat)
de kuil
יִלָּכֵ֖ד
(yilakhed)
wordt gevangen
בַּפָּ֑ח
(bapach)
in de strik
כִּֽי
(ki)
want
אֲרֻבּ֤וֹת
(arubot)
vensters
מִמָּרוֹם֙
(mimarom)
uit de hoogte
נִפְתָּ֔חוּ
(niftachu)
zijn geopend
וַֽיִּרְעֲשׁ֖וּ
(vayirashu)
en beven
מ֥וֹסְדֵי
(mosedei)
fundamenten van
אָֽרֶץ
(arets)
aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲרֻבּוֹת (arubbot), ‘vensters’: dezelfde woorden als bij de vloed in Gen. 7:11, waar de vensters van de hemel geopend worden.
Het beeld is dat het water of het oordeel van boven komt.
23De maan zal zich schamen en de zon zal beschaamd zijn, want Yahweh van de legermachten is koning op de berg Sion en in Jeruzalem. Voor Zijn oudsten is er heerlijkheid.
וְחָֽפְרָה֙
(vechafera)
en zal zich schamen
הַלְּבָנָ֔ה
(halevana)
de maan
וּבוֹשָׁ֖ה
(uvosha)
en zal beschaamd zijn
הַֽחַמָּ֑ה
(hachama)
de zon
כִּֽי
(ki)
want
מָלַ֞ךְ
(malakh)
is koning
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֗וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
בְּהַ֤ר
(behar)
op de berg
צִיּוֹן֙
(tsiyon)
Sion
וּבִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
וְנֶ֥גֶד
(veneged)
en voor
זְקֵנָ֖יו
(zeqenav)
zijn oudsten
כָּבֽוֹד
(kavod)
heerlijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.