Elohim Bijbel

Jesaja 24

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Yahweh maakt de aarde leeg

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh maakt de aarde leeg

1Zie, Yahweh maakt de aarde leeg en legt haar woest. Hij verwringt haar gezicht en verspreidt haar bewoners.
הִנֵּ֧ה
(hine)
zie
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בּוֹקֵ֥ק
(boqeq)
maakt leeg
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וּבֽוֹלְקָ֑הּ
(uvoleqah)
en legt haar woest
וְעִוָּ֣ה
(veiva)
en Hij verwringt
פָנֶ֔יהָ
(paneiha)
haar gezicht
וְהֵפִ֖יץ
(vehefits)
en verspreidt
יֹשְׁבֶֽיהָ
(yosheveiha)
haar bewoners
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jesaja 24 tot en met 27 vormen een eigen geheel: een oordeel over de hele aarde, met daarna lofzangen en belofte.

In dit hoofdstuk vertalen wij אֶרֶץ (erets) met ‘aarde’; het kan ook ‘land’ betekenen.

בּוֹקֵק (boqeq) en בּוֹלְקָהּ (bolqah): twee klankverwante werkwoorden, ‘leegmaken’ en ‘woest maken’.

פָּנֶיהָ (paneyha), ‘haar gezicht’: het oppervlak van de aarde.

2Het zal gaan met het volk zoals met de priester; met de dienaar zoals met zijn heer; met de slavin zoals met haar meesteres; met de koper zoals met de verkoper; met de uitlener zoals met de lener; met de schuldeiser zoals met wie hem schuldig is.
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
כָעָם֙
(kaam)
als het volk
כַּכֹּהֵ֔ן
(kakohen)
als de priester
כַּעֶ֨בֶד֙
(kaeved)
als de dienaar
כַּֽאדֹנָ֔יו
(kadonav)
als zijn heer
כַּשִּׁפְחָ֖ה
(kashifcha)
als de slavin
כַּגְּבִרְתָּ֑הּ
(kagevirtah)
als haar meesteres
כַּקּוֹנֶה֙
(kaqone)
als de koper
כַּמּוֹכֵ֔ר
(kamokher)
als de verkoper
כַּמַּלְוֶה֙
(kamalve)
als de uitlener
כַּלֹּוֶ֔ה
(kalove)
als de lener
כַּנֹּשֶׁ֕ה
(kanoshe)
als de schuldeiser
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
נֹשֶׁ֥א
(noshe)
hij is schuldeiser
בֽוֹ
(bo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het oordeel treft iedereen op dezelfde manier, hoog en laag, in alle rangen.

Elk paar bestaat uit twee kanten van dezelfde verhouding.

3De aarde wordt helemaal leeggemaakt en helemaal geplunderd, want Yahweh heeft dit woord gesproken.
הִבּ֧וֹק
(hiboq)
helemaal leeggemaakt
תִּבּ֛וֹק
(tiboq)
wordt leeggemaakt
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וְהִבּ֣וֹז
(vehiboz)
en helemaal geplunderd
תִּבּ֑וֹז
(tiboz)
wordt geplunderd
כִּ֣י
(ki)
want
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבֶּ֖ר
(diber)
heeft gesproken
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִבּוֹק תִּבּוֹק (hibboq tibboq), ‘helemaal leeggemaakt’: letterlijk ‘leeggemaakt zal worden’.

Het herhaalde werkwoord maakt de zin sterk, zoals bij ‘sterven zul je sterven’.

4De aarde treurt en verwelkt. De wereld kwijnt en verwelkt. De hoogsten van het volk van de aarde kwijnen weg.
אָבְלָ֤ה
(avela)
treurt
נָֽבְלָה֙
(navela)
verwelkt
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
אֻמְלְלָ֥ה
(umlela)
kwijnt
נָבְלָ֖ה
(navela)
verwelkt
תֵּבֵ֑ל
(tevel)
de wereld
אֻמְלָ֖לוּ
(umlalu)
kwijnen
מְר֥וֹם
(merom)
de hoogsten van
עַם
(am)
volk van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֵּבֵל (tevel), ‘wereld’: de bewoonde wereld.

מְרוֹם עַם־הָאָרֶץ (merom am-ha’arets), ‘de hoogsten van het volk van de aarde’: de leiders. Anders: ‘de hoogte van het volk’.

5De aarde is bezoedeld onder haar bewoners, want zij hebben de wetten overtreden, het voorschrift veranderd en het eeuwige verbond verbroken.
וְהָאָ֥רֶץ
(vehaarets)
en de aarde
חָנְפָ֖ה
(chanefa)
is bezoedeld
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
יֹשְׁבֶ֑יהָ
(yosheveiha)
haar bewoners
כִּֽי
(ki)
want
עָבְר֤וּ
(averu)
zij overtraden
תוֹרֹת֙
(torot)
wetten
חָ֣לְפוּ
(chalefu)
zij veranderden
חֹ֔ק
(choq)
voorschrift
הֵפֵ֖רוּ
(heferu)
zij verbraken
בְּרִ֥ית
(berit)
verbond
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרֹת (torot), ‘wetten’: meervoud van תּוֹרָה (torah), ‘onderwijzing’ of ‘wet’.

בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘eeuwig verbond’: zie Gen. 17:7. Welk verbond bedoeld is, zegt het Hebreeuws niet.

6Daarom heeft een vloek de aarde verteerd, en de bewoners ervan boeten. Daarom zijn de bewoners van de aarde verschroeid, en weinig mensen blijven over.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֗ן
(ken)
(zo)
אָלָה֙
(ala)
vloek
אָ֣כְלָה
(akhela)
heeft verteerd
אֶ֔רֶץ
(erets)
aarde
וַֽיֶּאְשְׁמ֖וּ
(vayeshemu)
en zij boeten
יֹ֣שְׁבֵי
(yoshevei)
bewoners van
בָ֑הּ
(bah)
daarin
עַל
(al)
daarom
כֵּ֗ן
(ken)
(zo)
חָרוּ֙
(charu)
zijn verschroeid
יֹ֣שְׁבֵי
(yoshevei)
bewoners van
אֶ֔רֶץ
(erets)
aarde
וְנִשְׁאַ֥ר
(venishar)
en blijft over
אֱנ֖וֹשׁ
(enosh)
mens
מִזְעָֽר
(mizar)
weinig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָלָה (alah), ‘vloek’: het woord kan ook ‘eed’ betekenen, een eed met een vloek voor wie hem breekt.

חָרוּ (charu), ‘zijn verschroeid’: het werkwoord betekent ‘gloeien’ of ‘branden’. Het beeld is een land dat uitgedroogd is door vuur of hitte.

Het feest is voorbij

7De most treurt, de wijnstok kwijnt. Alle vrolijke harten zuchten.
אָבַ֥ל
(aval)
treurt
תִּיר֖וֹשׁ
(tirosh)
most
אֻמְלְלָה
(umlela)
kwijnt
גָ֑פֶן
(gafen)
wijnstok
נֶאֶנְח֖וּ
(neenchu)
zuchten
כָּל
(kal)
alle
שִׂמְחֵי
(simchei)
vrolijken van
לֵֽב
(lev)
hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De blijdschap van de tamboerijnen is opgehouden. Het geraas van de feestvierders is gestopt. De blijdschap van de harp is opgehouden.
שָׁבַת֙
(shavat)
is opgehouden
מְשׂ֣וֹשׂ
(mesos)
blijdschap van
תֻּפִּ֔ים
(tupim)
tamboerijnen
חָדַ֖ל
(chadal)
is gestopt
שְׁא֣וֹן
(sheon)
geraas van
עַלִּיזִ֑ים
(alizim)
feestvierders
שָׁבַ֖ת
(shavat)
is opgehouden
מְשׂ֥וֹשׂ
(mesos)
blijdschap van
כִּנּֽוֹר
(kinor)
harp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁבַת (shavat), ‘is opgehouden’: hetzelfde werkwoord als in ‘sabbat’.

Het feest hoort niet meer bij de stad.

9Met zang drinken zij geen wijn meer. Bitter is de sterke drank voor wie hem drinken.
בַּשִּׁ֖יר
(bashir)
met lied
לֹ֣א
(lo)
niet
יִשְׁתּוּ
(yishtu)
zij drinken
יָ֑יִן
(yayin)
wijn
יֵמַ֥ר
(yemar)
is bitter
שֵׁכָ֖ר
(shekhar)
sterke drank
לְשֹׁתָֽיו
(leshotav)
voor wie hem drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De stad van de leegte is verbroken. Elk huis is gesloten, niemand kan er binnengaan.
נִשְׁבְּרָ֖ה
(nishbera)
is verbroken
קִרְיַת
(qiryat)
stad van
תֹּ֑הוּ
(tohu)
leegte
סֻגַּ֥ר
(sugar)
is gesloten
כָּל
(kal)
elk
בַּ֖יִת
(bayit)
huis
מִבּֽוֹא
(mibo)
zonder binnengaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קִרְיַת־תֹּהוּ (qiryat tohu), ‘stad van de leegte’: תֹּהוּ (tohu) is het woord uit ‘woest en leeg’ in Gen. 1:2.

Welke stad bedoeld is, zegt het Hebreeuws niet.

Het kan elke stad zijn die onder het oordeel valt.

11Op de straten klinkt geschreeuw om de wijn. Alle vreugde is donker geworden. De blijdschap van de aarde is in ballingschap gegaan.
צְוָחָ֥ה
(tsevacha)
geschreeuw
עַל
(al)
om
הַיַּ֖יִן
(hayayin)
de wijn
בַּֽחוּצ֑וֹת
(bachutsot)
op de straten
עָֽרְבָה֙
(areva)
is donker geworden
כָּל
(kal)
alle
שִׂמְחָ֔ה
(simcha)
vreugde
גָּלָ֖ה
(gala)
is in ballingschap gegaan
מְשׂ֥וֹשׂ
(mesos)
blijdschap van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרְבָה (arvah), ‘is donker geworden’: van het woord ‘avond’.

גָּלָה (galah), ‘is in ballingschap gegaan’: de vreugde wordt weggevoerd zoals een volk.

12In de stad blijft alleen verwoesting over. De poort is tot puin verbrijzeld.
נִשְׁאַ֥ר
(nishar)
blijft over
בָּעִ֖יר
(bair)
in de stad
שַׁמָּ֑ה
(shama)
verwoesting
וּשְׁאִיָּ֖ה
(usheiya)
en puin
יֻכַּת
(yukat)
wordt verbrijzeld
שָֽׁעַר
(shaar)
poort
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Een nalezing onder de volken

13Want zo zal het zijn midden op de aarde, te midden van de volken. Het is als bij het afkloppen van de olijfboom, als bij de nalezing wanneer de druivenoogst is afgelopen.
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֥ה
(ko)
zo
יִהְיֶ֛ה
(yihye)
zal zijn
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
te midden van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הָֽעַמִּ֑ים
(haamim)
de volken
כְּנֹ֣קֶף
(kenoqef)
als het afkloppen van
זַ֔יִת
(zayit)
olijfboom
כְּעוֹלֵלֹ֖ת
(keolelot)
als de nalezing
אִם
(im)
wanneer
כָּלָ֥ה
(kala)
is voltooid
בָצִֽיר
(batsir)
druivenoogst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֹקֶף (noqef), ‘het afkloppen’: bij de olijfoogst sloeg men de takken met een stok.

עֹלֵלֹת (olelot), ‘nalezing’: wat na de oogst nog aan de wijnstok hangt.

Er blijft maar weinig over.

Lofzang vanuit de verte

14Zij heffen hun stem op, zij jubelen. Om de hoogheid van Yahweh roepen zij luid vanaf de zee.
הֵ֛מָּה
(hema)
zij
יִשְׂא֥וּ
(yisu)
heffen op
קוֹלָ֖ם
(qolam)
hun stem
יָרֹ֑נּוּ
(yaronu)
zij jubelen
בִּגְא֣וֹן
(bigon)
om de hoogheid van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
צָהֲל֖וּ
(tsahalu)
roepen luid
מִיָּֽם
(miyam)
vanaf de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְּאוֹן (ge’on), ‘hoogheid’: hetzelfde woord als ‘trots’ in 23:9.

Hier gaat het om de hoogheid van Yahweh.

מִיָּם (miyyam), ‘vanaf de zee’: de Middellandse Zee, dus het westen.

15Eer daarom Yahweh in het oosten, en op de kustlanden van de zee de naam van Yahweh, de Elohim van Israël.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֥ן
(ken)
(zo)
בָּאֻרִ֖ים
(baurim)
in de lichten
כַּבְּד֣וּ
(kabedu)
eert
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּאִיֵּ֣י
(beiyei)
op de kustlanden van
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
שֵׁ֥ם
(shem)
de naam van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּאֻרִים (ba’urim), ‘in het oosten’: letterlijk ‘in de lichten’.

De betekenis is niet zeker.

Het staat tegenover ‘de kustlanden van de zee’, het westen.

Wee mij: verraders

16Van de uiteinden van de aarde horen wij liederen: „Pracht voor de rechtvaardige!” Maar ik zeg: „Ik kwijn weg, ik kwijn weg! Wee mij! Verraders hebben verraad gepleegd, ja, met verraad hebben verraders verraad gepleegd.”
מִכְּנַ֨ף
(mikenaf)
van de vleugel van
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
de aarde
זְמִרֹ֤ת
(zemirot)
liederen
שָׁמַ֨עְנוּ֙
(shamanu)
wij horen
צְבִ֣י
(tsevi)
pracht
לַצַּדִּ֔יק
(latsadiq)
voor de rechtvaardige
וָאֹמַ֛ר
(vaomar)
en ik zeg
רָזִי
(razi)
mijn kwijnen
לִ֥י
(li)
voor mij
רָֽזִי
(razi)
mijn kwijnen
לִ֖י
(li)
voor mij
א֣וֹי
(oy)
wee
לִ֑י
(li)
mij
בֹּגְדִ֣ים
(bogedim)
verraders
בָּגָ֔דוּ
(bagadu)
hebben verraden
וּבֶ֥גֶד
(uveged)
en met verraad van
בּוֹגְדִ֖ים
(bogedim)
verraders
בָּגָֽדוּ
(bagadu)
hebben verraden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְבִי לַצַּדִּיק (tsevi latsaddiq), ‘pracht voor de rechtvaardige’: ‘de rechtvaardige’ kan Yahweh zijn, of het rechtvaardige volk.

Het Hebreeuws laat dat open.

רָזִי־לִי (razi li), ‘ik kwijn weg’: het woord komt alleen hier voor. De betekenis is niet zeker; het kan ook ‘mijn geheim is voor mij’ betekenen.

בֹּגְדִים בָּגָדוּ (bogedim bagadu), ‘verraders hebben verraad gepleegd’: het werkwoord בָּגַד (bagad) staat vijf keer in dit vers (met het zelfstandig naamwoord ‘verraad’).

Schrik, kuil en strik

17Schrik, kuil en strik zijn over je, bewoner van de aarde.
פַּ֥חַד
(pachad)
schrik
וָפַ֖חַת
(vafachat)
en kuil
וָפָ֑ח
(vafach)
en strik
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
over je
יוֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
bewoner van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פַּחַד וָפַחַת וָפָח (pachad vafachat vafach), ‘schrik, kuil en strik’: drie woorden die op elkaar lijken in klank.

Zij zijn hier een woordspel.

18Wie vlucht voor het geluid van de schrik, valt in de kuil. Wie uit de kuil omhoog komt, wordt gevangen in de strik. Want de vensters uit de hoogte zijn geopend, en de fundamenten van de aarde beven.
וְֽ֠הָיָה
(vehaya)
en het zal zijn
הַנָּ֞ס
(hanas)
wie vlucht
מִקּ֤וֹל
(miqol)
voor het geluid van
הַפַּ֨חַד֙
(hapachad)
de schrik
יִפֹּ֣ל
(yipol)
valt
אֶל
(el)
in
הַפַּ֔חַת
(hapachat)
de kuil
וְהָֽעוֹלֶה֙
(vehaole)
en wie omhoog komt
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
הַפַּ֔חַת
(hapachat)
de kuil
יִלָּכֵ֖ד
(yilakhed)
wordt gevangen
בַּפָּ֑ח
(bapach)
in de strik
כִּֽי
(ki)
want
אֲרֻבּ֤וֹת
(arubot)
vensters
מִמָּרוֹם֙
(mimarom)
uit de hoogte
נִפְתָּ֔חוּ
(niftachu)
zijn geopend
וַֽיִּרְעֲשׁ֖וּ
(vayirashu)
en beven
מ֥וֹסְדֵי
(mosedei)
fundamenten van
אָֽרֶץ
(arets)
aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲרֻבּוֹת (arubbot), ‘vensters’: dezelfde woorden als bij de vloed in Gen. 7:11, waar de vensters van de hemel geopend worden.

Het beeld is dat het water of het oordeel van boven komt.

19De aarde breekt helemaal. De aarde valt helemaal uiteen. De aarde wankelt hevig.
רֹ֥עָה
(roa)
breken
הִֽתְרֹעֲעָ֖ה
(hitroaa)
zij breekt
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
פּ֤וֹר
(por)
barsten
הִֽתְפּוֹרְרָה֙
(hitporera)
zij barst
אֶ֔רֶץ
(erets)
aarde
מ֥וֹט
(mot)
schudden
הִֽתְמוֹטְטָ֖ה
(hitmoteta)
zij schudt
אָֽרֶץ
(arets)
aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20De aarde waggelt als een dronkaard en slingert heen en weer als een hut. Haar overtreding drukt zwaar op haar. Zij valt en staat niet meer op.
נ֣וֹעַ
(noa)
waggelen
תָּנ֤וּעַ
(tanua)
zij waggelt
אֶ֨רֶץ֙
(erets)
aarde
כַּשִּׁכּ֔וֹר
(kashikor)
als een dronkaard
וְהִֽתְנוֹדְדָ֖ה
(vehitnodeda)
en slingert heen en weer
כַּמְּלוּנָ֑ה
(kameluna)
als een hut
וְכָבַ֤ד
(vekhavad)
en zwaar is
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
op haar
פִּשְׁעָ֔הּ
(pishah)
haar overtreding
וְנָפְלָ֖ה
(venafela)
en zij valt
וְלֹא
(velo)
en niet
תֹסִ֥יף
(tosif)
zij gaat door
קֽוּם
(qum)
opstaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְלוּנָה (melunah), ‘hut’: een eenvoudige schuilplaats voor de nacht, zoals in een veld.

Zij zwaait in de wind.

Yahweh straft de hoogte en de aarde

21Het zal gebeuren op die dag. Yahweh zal het leger van de hoogte straffen, in de hoogte, en de koningen van de grond op de grond.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
יִפְקֹ֧ד
(yifqod)
zal straffen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
צְבָ֥א
(tseva)
leger van
הַמָּר֖וֹם
(hamarom)
de hoogte
בַּמָּר֑וֹם
(bamarom)
in de hoogte
וְעַל
(veal)
en over
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
הָאֲדָמָ֖ה
(haadama)
de grond
עַל
(al)
op
הָאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּקַד עַל (paqad al), ‘straffen’: letterlijk ‘bezoeken aan’, zoals in Hos. 1:4.

צְבָא הַמָּרוֹם (tseva hammarom), ‘het leger van de hoogte’: machten in de hoogte. Het Hebreeuws zegt niet wie het zijn.

הָאֲדָמָה (ha’adamah), ‘de grond’: de koningen van de grond zijn de koningen van de aarde. Wij vertalen adamah overal met ‘grond’.

22Zij worden verzameld, bijeengebracht als gevangenen in een put. Zij worden opgesloten in een kerker. Na vele dagen worden zij bezocht.
וְאֻסְּפ֨וּ
(veusefu)
en zij worden verzameld
אֲסֵפָ֤ה
(asefa)
verzameling
אַסִּיר֙
(asir)
gevangenen
עַל
(al)
in
בּ֔וֹר
(bor)
put
וְסֻגְּר֖וּ
(vesugeru)
en worden opgesloten
עַל
(al)
in
מַסְגֵּ֑ר
(masger)
kerker
וּמֵרֹ֥ב
(umerov)
en na vele
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
יִפָּקֵֽדוּ
(yipaqedu)
worden zij bezocht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִפָּקֵדוּ (yippaqedu), ‘worden zij bezocht’: hetzelfde werkwoord als in vers 21.

Het is niet zeker of zij gestraft worden of dat er naar hen wordt omgezien.

בּוֹר (bor), ‘put’: een kuil of waterput, hier gebruikt als gevangenis.

23De maan zal zich schamen en de zon zal beschaamd zijn, want Yahweh van de legermachten is koning op de berg Sion en in Jeruzalem. Voor Zijn oudsten is er heerlijkheid.
וְחָֽפְרָה֙
(vechafera)
en zal zich schamen
הַלְּבָנָ֔ה
(halevana)
de maan
וּבוֹשָׁ֖ה
(uvosha)
en zal beschaamd zijn
הַֽחַמָּ֑ה
(hachama)
de zon
כִּֽי
(ki)
want
מָלַ֞ךְ
(malakh)
is koning
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֗וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
בְּהַ֤ר
(behar)
op de berg
צִיּוֹן֙
(tsiyon)
Sion
וּבִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
וְנֶ֥גֶד
(veneged)
en voor
זְקֵנָ֖יו
(zeqenav)
zijn oudsten
כָּבֽוֹד
(kavod)
heerlijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חַמָּה (chammah), ‘de zon’: letterlijk ‘de gloeiende’.

לְבָנָה (levanah), ‘de maan’: letterlijk ‘de witte’.

מָלַךְ יְהוָה (malakh Yahweh), ‘Yahweh is koning’: zie Ps. 93:1.

נֶגֶד זְקֵנָיו כָּבוֹד (neged zekenav kavod), ‘voor Zijn oudsten is er heerlijkheid’: zie Exod. 24:9–11, waar de oudsten van Israël Elohim zien.