Elohim Bijbel

Jesaja 57

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

De rechtvaardige wordt weggenomen; Yahweh woont bij de nederigen en geeft vrede

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De rechtvaardige komt om

1De rechtvaardige komt om, en niemand neemt het ter harte. Mensen van trouw worden weggenomen, en niemand begrijpt dat de rechtvaardige vanwege het onheil is weggenomen.
הַצַּדִּ֣יק
(hatsadiq)
de rechtvaardige
אָבָ֔ד
(avad)
is omgekomen
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
אִ֖ישׁ
(ish)
man
שָׂ֣ם
(sam)
legt
עַל
(al)
op
לֵ֑ב
(lev)
hart
וְאַנְשֵׁי
(veanshei)
en mensen van
חֶ֤סֶד
(chesed)
trouw
נֶֽאֱסָפִים֙
(neesafim)
worden weggenomen
בְּאֵ֣ין
(beein)
zonder
מֵבִ֔ין
(mevin)
iemand die begrijpt
כִּֽי
(ki)
want
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
vanwege
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het onheil
נֶאֱסַ֥ף
(neesaf)
is weggenomen
הַצַּדִּֽיק
(hatsadiq)
de rechtvaardige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶאֱסָף (ne’esaf), ‘weggenomen’: het werkwoord אָסַף (asaf) betekent ‘verzamelen’.

Het staat ook voor ‘verzameld worden bij zijn volk’ bij de dood (zoals in Gen. 25:8).

אַנְשֵׁי חֶסֶד (anshe chesed), ‘mensen van trouw’: wie trouw (chesed) toont.

מִפְּנֵי (mipenei), ‘vanwege’: letterlijk ‘vanaf het gezicht van’. Het kan betekenen: ‘vanwege het onheil’ of ‘om het onheil te ontgaan’. Het Nederlands laat beide mogelijkheden open.

2Hij gaat in tot de vrede. Zij rusten op hun bedden, ieder die zijn rechte weg gaat.
יָב֣וֹא
(yavo)
hij gaat in
שָׁל֔וֹם
(shalom)
de vrede
יָנ֖וּחוּ
(yanuchu)
zij rusten
עַל
(al)
op
מִשְׁכְּבוֹתָ֑ם
(mishkevotam)
hun bedden
הֹלֵ֖ךְ
(holekh)
wie gaat
נְכֹחֽוֹ
(nekhocho)
zijn rechte weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָבוֹא שָׁלוֹם (yavo shalom), ‘hij gaat in tot de vrede’: letterlijk ‘hij komt vrede’.

Het kan ook betekenen: ‘vrede komt’.

נְכֹחוֹ (nekhocho), ‘zijn rechte weg’: letterlijk ‘wat recht voor hem is’.

Jullie, zonen van de tovenares

3„Maar jullie, kom hier, zonen van de tovenares, nageslacht van de overspeler en van de hoer.
וְאַתֶּ֥ם
(veatem)
en jullie
קִרְבוּ
(qirvu)
kom
הֵ֖נָּה
(hena)
hier
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
עֹנְנָ֑ה
(onena)
tovenares
זֶ֥רַע
(zera)
nageslacht van
מְנָאֵ֖ף
(menaef)
overspeler
וַתִּזְנֶֽה
(vatizne)
en hoer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier begint een toespraak van Yahweh tegen wie zich van Hem afkeren.

Het eerste ‘Mij’ staat in vers 6.

Wij zetten het hele stuk (vers 3–13) rood.

עֹנְנָה (onenah), ‘tovenares’: vrouw die toverij bedrijft, zoals het werkwoord in Lev. 19:26.

וַתִּזְנֶה (vattizneh), ‘en van de hoer’: letterlijk ‘en zij hoerde’. Het werkwoord staat in de vrouwelijke vorm. Wij lezen het als: ‘nageslacht van een overspeler en van een hoer’.

4Over wie maken jullie je vrolijk? Tegen wie sperren jullie de mond open en steken jullie de tong uit? Zijn jullie niet kinderen van overtreding, nageslacht van leugen?
עַל
(al)
over
מִי֙
(mi)
wie
תִּתְעַנָּ֔גוּ
(titanagu)
jullie maken je vrolijk
עַל
(al)
over
מִ֛י
(mi)
wie
תַּרְחִ֥יבוּ
(tarchivu)
jullie sperren open
פֶ֖ה
(pe)
mond
תַּאֲרִ֣יכוּ
(taarikhu)
jullie steken uit
לָשׁ֑וֹן
(lashon)
tong
הֲלֽוֹא
(halo)
niet
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
יִלְדֵי
(yildei)
kinderen van
פֶ֖שַׁע
(pesha)
overtreding
זֶ֥רַע
(zera)
nageslacht van
שָֽׁקֶר
(shaqer)
leugen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּתְעַנָּגוּ (titannagu), ‘maken jullie je vrolijk’: hetzelfde werkwoord als in 55:2 (‘genieten’), hier met spot.

De tekst zegt niet wie bespot wordt.

Het tweede ‘over wie’ (עַל מִי, al mi) vertalen wij ‘tegen wie’, omdat het om spot gaat.

פֶּשַׁע (pesha), ‘overtreding’: opstand tegen Yahweh (zie 1:2).

5Jullie staan in vuur en vlam bij de terebinten, onder elke groene boom. Jullie slachten de kinderen in de beekdalen, onder de kloven van de rotsen.
הַנֵּֽחָמִים֙
(hanechamim)
jullie die in vuur staan
בָּֽאֵלִ֔ים
(baelim)
bij de terebinten
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
כָּל
(kal)
elke
עֵ֣ץ
(ets)
boom
רַעֲנָ֑ן
(raanan)
groen
שֹׁחֲטֵ֤י
(shochatei)
jullie die slachten
הַיְלָדִים֙
(hayladim)
de kinderen
בַּנְּחָלִ֔ים
(banechalim)
in de beekdalen
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
סְעִפֵ֥י
(seifei)
de kloven van
הַסְּלָעִֽים
(haselaim)
de rotsen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֵלִים (ha’elim), ‘de terebinten’: grote bomen; zie 1:29.

De klinkers kunnen ook ‘de goden’ geven.

Wij nemen ‘terebinten’.

הַנֵּחָמִים (hannechamim), ‘in vuur en vlam’: van חָמַם (chamam), ‘warm worden’; het gaat om hartstocht bij de afgodendienst.

שֹׁחֲטֵי הַיְלָדִים (shochatei hayeladim), ‘jullie slachten de kinderen’: kinderoffers, zoals bij Molech (Lev. 18:21).

Het Hebreeuws heeft hier deelwoorden (‘jullie die in vuur staan … die slachten’). Wij maken er zinnen van.

6Bij de gladde stenen van het beekdal is je deel. Zij, zij zijn je lot. Ook voor hen heb je een plengoffer uitgegoten en een graanoffer opgebracht. Zou Ik Mij daarover laten rouwen?
בְּחַלְּקֵי
(bechaleqei)
bij de gladde stenen van
נַ֣חַל
(nachal)
beekdal
חֶלְקֵ֔ךְ
(chelqekh)
je deel
הֵ֥ם
(hem)
zij
הֵ֖ם
(hem)
zij
גּוֹרָלֵ֑ךְ
(goralekh)
je lot
גַּם
(gam)
ook
לָהֶ֞ם
(lahem)
voor hen
שָׁפַ֥כְתְּ
(shafakht)
je hebt uitgegoten
נֶ֨סֶךְ֙
(nesekh)
plengoffer
הֶעֱלִ֣ית
(heelit)
je hebt opgebracht
מִנְחָ֔ה
(mincha)
graanoffer
הַ֥עַל
(haal)
zou over
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit
אֶנָּחֵֽם
(enachem)
Ik Mij laten rouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַלְקֵי־נַחַל (chalqei nachal), ‘gladde stenen van het beekdal’: een woordspeling met חֶלְקֵךְ (chelqekh), ‘je deel’.

De tekst zegt niet waarvoor de stenen dienden; waarschijnlijk werden zij vereerd.

הַעַל אֵלֶּה אֶנָּחֵם (ha’al elleh enachem), ‘Zou Ik Mij daarover laten rouwen?’: het werkwoord נָחַם (nacham) betekent dat Yahweh van gedachten verandert, zoals in Jona 3:10. Het kan ook ‘getroost worden’ betekenen. Het is een vraag die ‘nee’ verwacht.

7Op een hoge, verheven berg heb je je bed gezet. Ook daar ben je opgegaan om een slachtoffer te slachten.
עַ֤ל
(al)
op
הַר
(har)
berg
גָּבֹ֨הַּ֙
(gavoha)
hoog
וְנִשָּׂ֔א
(venisa)
en verheven
שַׂ֖מְתְּ
(samt)
je hebt gezet
מִשְׁכָּבֵ֑ךְ
(mishkavekh)
je bed
גַּם
(gam)
ook
שָׁ֥ם
(sham)
daar
עָלִ֖ית
(alit)
je bent opgegaan
לִזְבֹּ֥חַ
(lizboach)
om te slachten
זָֽבַח
(zavach)
slachtoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Achter de deur en de deurpost heb je je gedenkteken gezet. Want van Mij weg heb je je ontbloot en ben je opgegaan. Je hebt je bed breed gemaakt en een verbond met hen gesloten. Je hield van hun bed; je hebt de hand gezien.
וְאַחַ֤ר
(veachar)
en achter
הַדֶּ֨לֶת֙
(hadelet)
de deur
וְהַמְּזוּזָ֔ה
(vehamezuza)
en de deurpost
שַׂ֖מְתְּ
(samt)
je hebt gezet
זִכְרוֹנֵ֑ךְ
(zikhronekh)
je gedenkteken
כִּ֣י
(ki)
want
מֵאִתִּ֞י
(meiti)
van Mij weg
גִּלִּ֣ית
(gilit)
je hebt je ontbloot
וַֽתַּעֲלִ֗י
(vataali)
en je bent opgegaan
הִרְחַ֤בְתְּ
(hirchavt)
je hebt breed gemaakt
מִשְׁכָּבֵךְ֙
(mishkavekh)
je bed
וַתִּכְרָת
(vatikhrat)
en je hebt gesloten
לָ֣ךְ
(lakh)
voor jezelf
מֵהֶ֔ם
(mehem)
met hen
אָהַ֥בְתְּ
(ahavt)
je hield van
מִשְׁכָּבָ֖ם
(mishkavam)
hun bed
יָ֥ד
(yad)
hand
חָזִֽית
(chazit)
je hebt gezien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זִכְרוֹנֵךְ (zikhronekh), ‘je gedenkteken’: letterlijk ‘je herinnering’.

Het gaat om een teken achter de deur; wat het was, is niet zeker.

וַתִּכְרָת לָךְ מֵהֶם (vattikhrot lakh mehem), ‘en een verbond met hen gesloten’: het woord ‘verbond’ staat er niet. Het werkwoord כָּרַת (karat), letterlijk ‘snijden’, is de gewone uitdrukking voor ‘een verbond sluiten’. Wij voegen ‘verbond’ daarom toe.

יָד (yad), ‘hand’: de betekenis is onzeker. Het kan ook een teken zijn of een eufemisme voor een lichaamsdeel.

9Je ging met olie naar de koning en maakte je zalven talrijk. Je zond je boden tot ver weg en vernederde je tot in de Sjeol.
וַתָּשֻׁ֤רִי
(vatashuri)
en je ging
לַמֶּ֨לֶךְ֙
(lamelekh)
naar de koning
בַּשֶּׁ֔מֶן
(bashemen)
met olie
וַתַּרְבִּ֖י
(vatarbi)
en je maakte veel
רִקֻּחָ֑יִךְ
(riquchayikh)
je zalven
וַתְּשַׁלְּחִ֤י
(vateshalechi)
en je zond
צִרַ֨יִךְ֙
(tsirayikh)
je boden
עַד
(ad)
tot
מֵ֣רָחֹ֔ק
(merachoq)
ver weg
וַתַּשְׁפִּ֖ילִי
(vatashpili)
en je vernederde je
עַד
(ad)
tot
שְׁאֽוֹל
(sheol)
Sjeol
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לַמֶּלֶךְ (lammelekh), ‘naar de koning’: de medeklinkers zijn dezelfde als die van Molech (מֹלֶךְ, zie Lev. 18:21).

Het kan dus ook ‘naar Molech’ zijn.

תָּשֻׁרִי (tashuri), ‘je ging’: onzeker; de vorm is moeilijk.

שְׁאוֹל (She’ol), ‘Sjeol’: het dodenrijk (zoals in Hos. 13:14).

10Je werd moe van je lange weg. Je zei niet: ‘Het is hopeloos.’ Je vond nog leven in je hand. Daarom werd je niet zwak.
בְּרֹ֤ב
(berov)
in de veelheid van
דַּרְכֵּךְ֙
(darkekh)
je weg
יָגַ֔עַתְּ
(yagaat)
je werd moe
לֹ֥א
(lo)
niet
אָמַ֖רְתְּ
(amart)
je zei
נוֹאָ֑שׁ
(noash)
hopeloos
חַיַּ֤ת
(chayat)
leven van
יָדֵךְ֙
(yadekh)
je hand
מָצָ֔את
(matsat)
je vond
עַל
(al)
om
כֵּ֖ן
(ken)
deze reden
לֹ֥א
(lo)
niet
חָלִֽית
(chalit)
je werd zwak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרֹב דַּרְכֵּךְ (berov darkekh), ‘van je lange weg’: letterlijk ‘in de veelheid van je weg’.

נוֹאָשׁ (no’ash), ‘het is hopeloos’: een uitroep waarmee iemand opgeeft.

חַיַּת יָדֵךְ (chayyat yadekh), ‘leven in je hand’: nieuwe kracht. Het Hebreeuws zegt dit letterlijk zo.

Heb Ik niet gezwegen?

11Voor wie was je bezorgd en bang, dat je loog? Aan Mij dacht je niet. Je nam het niet ter harte. Heb Ik niet gezwegen, en dat al heel lang? Maar Mij vrees je niet.
וְאֶת
(veet)
en
מִ֞י
(mi)
wie
דָּאַ֤גְתְּ
(daagt)
je was bezorgd
וַתִּֽירְאִי֙
(vatirei)
en je was bang
כִּ֣י
(ki)
dat
תְכַזֵּ֔בִי
(tekhazevi)
je zou liegen
וְאוֹתִי֙
(veoti)
en Mij
לֹ֣א
(lo)
niet
זָכַ֔רְתְּ
(zakhart)
je dacht aan
לֹא
(lo)
niet
שַׂ֖מְתְּ
(samt)
je legde
עַל
(al)
op
לִבֵּ֑ךְ
(libekh)
je hart
הֲלֹ֨א
(halo)
niet
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
מַחְשֶׁה֙
(machshe)
zwijgend
וּמֵ֣עֹלָ֔ם
(umeolam)
en van oudsher
וְאוֹתִ֖י
(veoti)
en Mij
לֹ֥א
(lo)
niet
תִירָֽאִי
(tirai)
je vreest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְכַזֵּבִי (tekhazzevi), ‘loog’: het werkwoord betekent ‘liegen’ of ‘bedriegen’.

מַחְשֶׁה (machsheh), ‘gezwegen’: van חָשָׁה (chashah), ‘zwijgen’.

וּמֵעוֹלָם (umeolam), ‘en dat al heel lang’: letterlijk ‘en van eeuwigheid’. Yahweh had lang gezwegen; daarom vreesden zij Hem niet.

12Ik zal je gerechtigheid bekendmaken, en je werken. Zij zullen je niet baten.
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
אַגִּ֖יד
(agid)
zal bekendmaken
צִדְקָתֵ֑ךְ
(tsidqatekh)
je gerechtigheid
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
מַעֲשַׂ֖יִךְ
(maasayikh)
je werken
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יוֹעִילֽוּךְ
(yoilukh)
zij zullen baten je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צִדְקָתֵךְ (tsidqatekh), ‘je gerechtigheid’: wat zij zelf rechtvaardig noemt.

Het is bedoeld als ironie: haar werken zullen haar niet redden.

13Als je een noodkreet slaakt, laat je verzameling je dan redden. Een wind voert hen allemaal weg, een damp neemt hen mee. Maar wie bij Mij schuilt, zal het land erven en Mijn heilige berg in bezit nemen.”
בְּזַֽעֲקֵךְ֙
(bezaaqekh)
bij je noodkreet
יַצִּילֻ֣ךְ
(yatsilukh)
laten redden je
קִבּוּצַ֔יִךְ
(qibutsayikh)
je verzameling
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כֻּלָּ֥ם
(kulam)
hen allemaal
יִשָּׂא
(yisa)
zal wegvoeren
ר֖וּחַ
(ruach)
wind
יִקַּח
(yiqach)
zal wegnemen
הָ֑בֶל
(havel)
damp
וְהַחוֹסֶ֥ה
(vehachose)
maar wie schuilt
בִי֙
(bi)
bij Mij
יִנְחַל
(yinchal)
zal erven
אֶ֔רֶץ
(erets)
land
וְיִירַ֖שׁ
(veyirash)
en zal in bezit nemen
הַר
(har)
berg van
קָדְשִֽׁי
(qadeshi)
Mijn heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קִבּוּצַיִךְ (qibbutsayikh), ‘je verzameling’: het woord komt alleen hier voor.

De betekenis is onzeker: wat zij bijeengebracht heeft (afgodsbeelden of bondgenoten), of haar schare.

הֶבֶל (hevel), ‘damp’: hetzelfde woord als in Pred. 1:2 (‘damp van dampen’).

הַר קָדְשִׁי (har qodshi), ‘Mijn heilige berg’: zie ook 56:7.

Baan een weg

14En Hij zal zeggen: „Baan, baan een weg. Maak de weg vrij. Neem het struikelblok weg uit de weg van Mijn volk.”
וְאָמַ֥ר
(veamar)
en Hij zal zeggen
סֹֽלּוּ
(solu)
baan
סֹ֖לּוּ
(solu)
baan
פַּנּוּ
(panu)
maak vrij
דָ֑רֶךְ
(darekh)
weg
הָרִ֥ימוּ
(harimu)
verwijder
מִכְשׁ֖וֹל
(mikhshol)
struikelblok
מִדֶּ֥רֶךְ
(miderekh)
uit de weg van
עַמִּֽי
(ami)
Mijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְאָמַר (veamar), ‘en Hij zal zeggen’: het onderwerp wordt niet genoemd.

Omdat de woorden ‘Mijn volk’ luiden, nemen wij aan dat Yahweh spreekt.

Een soortgelijke oproep staat in 40:3.

De Hoge woont bij de nederigen

15Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die voor altijd woont en wiens naam heilig is: „In de hoogte en in heiligheid woon Ik. Ik woon ook bij wie verbrijzeld is en nederig van geest, om de geest van de nederigen te doen leven en het hart van de verbrijzelden te doen leven.
כִּי֩
(ki)
want
כֹ֨ה
(ko)
zo
אָמַ֜ר
(amar)
zegt
רָ֣ם
(ram)
de Hoge
וְנִשָּׂ֗א
(venisa)
en Verhevene
שֹׁכֵ֥ן
(shokhen)
die woont
עַד֙
(ad)
voor altijd
וְקָד֣וֹשׁ
(veqadosh)
en heilig
שְׁמ֔וֹ
(shemo)
Zijn naam
מָר֥וֹם
(marom)
in de hoogte
וְקָד֖וֹשׁ
(veqadosh)
en heilig
אֶשְׁכּ֑וֹן
(eshkon)
Ik woon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
דַּכָּא֙
(daka)
verbrijzelde
וּשְׁפַל
(ushefal)
en nederige van
ר֔וּחַ
(ruach)
geest
לְהַחֲיוֹת֙
(lehachayot)
om te doen leven
ר֣וּחַ
(ruach)
geest van
שְׁפָלִ֔ים
(shefalim)
de nederigen
וּֽלְהַחֲי֖וֹת
(ulehachayot)
en om te doen leven
לֵ֥ב
(lev)
hart van
נִדְכָּאִֽים
(nidkaim)
de verbrijzelden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָם וְנִשָּׂא (ram venissa), ‘hoog en verheven’: dezelfde woorden als in 6:1.

שֹׁכֵן עַד (shokhen ad), ‘die voor altijd woont’: het woord עַד (ad) kan ook ‘eeuwigheid’ betekenen.

דַּכָּא (dakka), ‘verbrijzeld’: wie door ellende gebroken is.

16Want Ik zal niet voor eeuwig twisten en niet voor altijd boos zijn. Want de geest zou voor Mijn aangezicht bezwijken, en de levensadem die Ik gemaakt heb.
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
לְעוֹלָם֙
(leolam)
voor eeuwig
אָרִ֔יב
(ariv)
Ik zal twisten
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
לָנֶ֖צַח
(lanetsach)
voor altijd
אֶקְּצ֑וֹף
(eqetsof)
Ik zal boos zijn
כִּי
(ki)
want
ר֨וּחַ֙
(ruach)
geest
מִלְּפָנַ֣י
(milefanay)
voor Mijn aangezicht
יַֽעֲט֔וֹף
(yaatof)
zou bezwijken
וּנְשָׁמ֖וֹת
(uneshamot)
en levensadem
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
עָשִֽׂיתִי
(asiti)
heb gemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְעוֹלָם (le’olam), ‘voor eeuwig’, en לָנֶצַח (lanetsach), ‘voor altijd’: twee woorden voor tijdsduur naast elkaar.

יַעֲטוֹף (ya’atof), ‘bezwijken’: het werkwoord kan ook ‘flauwvallen’ betekenen.

17Om de ongerechtigheid van zijn winstbejag was Ik boos, en Ik sloeg hem. Ik verborg Mij en was boos. Maar hij ging afvallig verder op de weg van zijn hart.
בַּעֲוֺ֥ן
(baavon)
om de ongerechtigheid van
בִּצְע֛וֹ
(bitso)
zijn winstbejag
קָצַ֥פְתִּי
(qatsafti)
Ik was boos
וְאַכֵּ֖הוּ
(veakehu)
en Ik sloeg hem
הַסְתֵּ֣ר
(haster)
Ik verborg Mij
וְאֶקְצֹ֑ף
(veeqtsof)
en Ik was boos
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
שׁוֹבָ֖ב
(shovav)
afvallig
בְּדֶ֥רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
לִבּֽוֹ
(libo)
zijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּצַע (betsa), ‘winstbejag’: winst die men hebzuchtig of onrechtmatig haalt.

שׁוֹבָב (shovav), ‘afvallig’: wie zich afkeert.

18Zijn wegen heb Ik gezien, maar Ik zal hem genezen. Ik zal hem leiden en troost teruggeven aan hem en aan zijn rouwenden.
דְּרָכָ֥יו
(derakhav)
zijn wegen
רָאִ֖יתִי
(raiti)
Ik heb gezien
וְאֶרְפָּאֵ֑הוּ
(veerpaehu)
en Ik zal hem genezen
וְאַנְחֵ֕הוּ
(veanchehu)
en Ik zal hem leiden
וַאֲשַׁלֵּ֧ם
(vaashalem)
en Ik zal teruggeven
נִֽחֻמִ֛ים
(nichumim)
troost
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
וְלַאֲבֵלָֽיו
(velaavelav)
en aan zijn rouwenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁלֵּם נִחֻמִים (shallem nichumim), ‘troost teruggeven’: het werkwoord שִׁלֵּם (shillem) betekent ‘vergoeden’ of ‘teruggeven’.

19Ik schep de vrucht van de lippen: vrede, vrede voor wie ver is en voor wie dichtbij is, zegt Yahweh. Ik zal hem genezen.”
בּוֹרֵ֖א
(bore)
scheppend
נִ֣יב
(niv)
vrucht van
שְׂפָתָ֑יִם
(sefatayim)
lippen
שָׁל֨וֹם
(shalom)
vrede
שָׁל֜וֹם
(shalom)
vrede
לָרָח֧וֹק
(larachoq)
voor wie ver is
וְלַקָּר֛וֹב
(velaqarov)
en voor wie dichtbij is
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וּרְפָאתִֽיו
(urefativ)
en Ik zal hem genezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בּוֹרֵא נִיב שְׂפָתָיִם (bore niv sefatayim), ‘Ik schep de vrucht van de lippen’: het woord ניב (niv) komt zelden voor.

De bedoeling is waarschijnlijk dat Yahweh het woord van vrede op de lippen legt.

Efeziërs 2:17 haalt dit vers aan.

אָמַר יְהוָה (amar Yahweh), ‘zegt Yahweh’: deze slotformule staat binnen Zijn woorden en blijft rood, zoals in Amos 5:17.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is נוב (nov).

Het qere is נִיב (niv).

Wij volgen het qere.

Geen vrede voor de goddelozen

20Maar de goddelozen zijn als de opgejaagde zee, want zij kan niet tot rust komen. Haar wateren woelen modder en slijk op.
וְהָרְשָׁעִ֖ים
(vehareshaim)
en de goddelozen
כַּיָּ֣ם
(kayam)
als de zee
נִגְרָ֑שׁ
(nigrash)
opgejaagd
כִּ֤י
(ki)
want
הַשְׁקֵט֙
(hashqet)
rust
לֹ֣א
(lo)
niet
יוּכָ֔ל
(yukhal)
zij kan
וַיִּגְרְשׁ֥וּ
(vayigreshu)
en zij werpen op
מֵימָ֖יו
(meimav)
haar wateren
רֶ֥פֶשׁ
(refesh)
modder
וָטִֽיט
(vatit)
en slijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֶפֶשׁ וָטִיט (refesh vatit), ‘modder en slijk’: wat een onrustige zee op het strand werpt.

21Er is geen vrede, zegt mijn Elohim, voor de goddelozen.
אֵ֣ין
(ein)
niet is
שָׁל֔וֹם
(shalom)
vrede
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
אֱלֹהַ֖י
(elohay)
mijn Elohim
לָרְשָׁעִֽים
(lareshaim)
tot de goddelozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָמַר אֱלֹהָי (amar elohai), ‘zegt mijn Elohim’: de profeet sluit af met woorden van zijn Elohim in de derde persoon.

Daarom staat dit vers zwart.

Bijna dezelfde woorden staan in 48:22, waar Yahweh zelf spreekt.