De rechtvaardige wordt weggenomen; Yahweh woont bij de nederigen en geeft vrede
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De rechtvaardige komt om
1De rechtvaardige komt om, en niemand neemt het ter harte. Mensen van trouw worden weggenomen, en niemand begrijpt dat de rechtvaardige vanwege het onheil is weggenomen.
הַצַּדִּ֣יק
(hatsadiq)
de rechtvaardige
אָבָ֔ד
(avad)
is omgekomen
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
אִ֖ישׁ
(ish)
man
שָׂ֣ם
(sam)
legt
עַל
(al)
op
לֵ֑ב
(lev)
hart
וְאַנְשֵׁי
(veanshei)
en mensen van
חֶ֤סֶד
(chesed)
trouw
נֶֽאֱסָפִים֙
(neesafim)
worden weggenomen
בְּאֵ֣ין
(beein)
zonder
מֵבִ֔ין
(mevin)
iemand die begrijpt
כִּֽי
(ki)
want
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
vanwege
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het onheil
נֶאֱסַ֥ף
(neesaf)
is weggenomen
הַצַּדִּֽיק
(hatsadiq)
de rechtvaardige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶאֱסָף (ne’esaf), ‘weggenomen’: het werkwoord אָסַף (asaf) betekent ‘verzamelen’.
Het staat ook voor ‘verzameld worden bij zijn volk’ bij de dood (zoals in Gen. 25:8).
אַנְשֵׁי חֶסֶד (anshe chesed), ‘mensen van trouw’: wie trouw (chesed) toont.
מִפְּנֵי (mipenei), ‘vanwege’: letterlijk ‘vanaf het gezicht van’. Het kan betekenen: ‘vanwege het onheil’ of ‘om het onheil te ontgaan’. Het Nederlands laat beide mogelijkheden open.
3„Maar jullie, kom hier, zonen van de tovenares, nageslacht van de overspeler en van de hoer.
וְאַתֶּ֥ם
(veatem)
en jullie
קִרְבוּ
(qirvu)
kom
הֵ֖נָּה
(hena)
hier
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
עֹנְנָ֑ה
(onena)
tovenares
זֶ֥רַע
(zera)
nageslacht van
מְנָאֵ֖ף
(menaef)
overspeler
וַתִּזְנֶֽה
(vatizne)
en hoer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier begint een toespraak van Yahweh tegen wie zich van Hem afkeren.
Het eerste ‘Mij’ staat in vers 6.
Wij zetten het hele stuk (vers 3–13) rood.
עֹנְנָה (onenah), ‘tovenares’: vrouw die toverij bedrijft, zoals het werkwoord in Lev. 19:26.
וַתִּזְנֶה (vattizneh), ‘en van de hoer’: letterlijk ‘en zij hoerde’. Het werkwoord staat in de vrouwelijke vorm. Wij lezen het als: ‘nageslacht van een overspeler en van een hoer’.
4Over wie maken jullie je vrolijk? Tegen wie sperren jullie de mond open en steken jullie de tong uit? Zijn jullie niet kinderen van overtreding, nageslacht van leugen?
עַל
(al)
over
מִי֙
(mi)
wie
תִּתְעַנָּ֔גוּ
(titanagu)
jullie maken je vrolijk
עַל
(al)
over
מִ֛י
(mi)
wie
תַּרְחִ֥יבוּ
(tarchivu)
jullie sperren open
פֶ֖ה
(pe)
mond
תַּאֲרִ֣יכוּ
(taarikhu)
jullie steken uit
לָשׁ֑וֹן
(lashon)
tong
הֲלֽוֹא
(halo)
niet
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
יִלְדֵי
(yildei)
kinderen van
פֶ֖שַׁע
(pesha)
overtreding
זֶ֥רַע
(zera)
nageslacht van
שָֽׁקֶר
(shaqer)
leugen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תִּתְעַנָּגוּ (titannagu), ‘maken jullie je vrolijk’: hetzelfde werkwoord als in 55:2 (‘genieten’), hier met spot.
De tekst zegt niet wie bespot wordt.
Het tweede ‘over wie’ (עַל מִי, al mi) vertalen wij ‘tegen wie’, omdat het om spot gaat.
פֶּשַׁע (pesha), ‘overtreding’: opstand tegen Yahweh (zie 1:2).
6Bij de gladde stenen van het beekdal is je deel. Zij, zij zijn je lot. Ook voor hen heb je een plengoffer uitgegoten en een graanoffer opgebracht. Zou Ik Mij daarover laten rouwen?
בְּחַלְּקֵי
(bechaleqei)
bij de gladde stenen van
נַ֣חַל
(nachal)
beekdal
חֶלְקֵ֔ךְ
(chelqekh)
je deel
הֵ֥ם
(hem)
zij
הֵ֖ם
(hem)
zij
גּוֹרָלֵ֑ךְ
(goralekh)
je lot
גַּם
(gam)
ook
לָהֶ֞ם
(lahem)
voor hen
שָׁפַ֥כְתְּ
(shafakht)
je hebt uitgegoten
נֶ֨סֶךְ֙
(nesekh)
plengoffer
הֶעֱלִ֣ית
(heelit)
je hebt opgebracht
מִנְחָ֔ה
(mincha)
graanoffer
הַ֥עַל
(haal)
zou over
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit
אֶנָּחֵֽם
(enachem)
Ik Mij laten rouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַלְקֵי־נַחַל (chalqei nachal), ‘gladde stenen van het beekdal’: een woordspeling met חֶלְקֵךְ (chelqekh), ‘je deel’.
De tekst zegt niet waarvoor de stenen dienden; waarschijnlijk werden zij vereerd.
הַעַל אֵלֶּה אֶנָּחֵם (ha’al elleh enachem), ‘Zou Ik Mij daarover laten rouwen?’: het werkwoord נָחַם (nacham) betekent dat Yahweh van gedachten verandert, zoals in Jona 3:10. Het kan ook ‘getroost worden’ betekenen. Het is een vraag die ‘nee’ verwacht.
8Achter de deur en de deurpost heb je je gedenkteken gezet. Want van Mij weg heb je je ontbloot en ben je opgegaan. Je hebt je bed breed gemaakt en een verbond met hen gesloten. Je hield van hun bed; je hebt de hand gezien.
וְאַחַ֤ר
(veachar)
en achter
הַדֶּ֨לֶת֙
(hadelet)
de deur
וְהַמְּזוּזָ֔ה
(vehamezuza)
en de deurpost
שַׂ֖מְתְּ
(samt)
je hebt gezet
זִכְרוֹנֵ֑ךְ
(zikhronekh)
je gedenkteken
כִּ֣י
(ki)
want
מֵאִתִּ֞י
(meiti)
van Mij weg
גִּלִּ֣ית
(gilit)
je hebt je ontbloot
וַֽתַּעֲלִ֗י
(vataali)
en je bent opgegaan
הִרְחַ֤בְתְּ
(hirchavt)
je hebt breed gemaakt
מִשְׁכָּבֵךְ֙
(mishkavekh)
je bed
וַתִּכְרָת
(vatikhrat)
en je hebt gesloten
לָ֣ךְ
(lakh)
voor jezelf
מֵהֶ֔ם
(mehem)
met hen
אָהַ֥בְתְּ
(ahavt)
je hield van
מִשְׁכָּבָ֖ם
(mishkavam)
hun bed
יָ֥ד
(yad)
hand
חָזִֽית
(chazit)
je hebt gezien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Het gaat om een teken achter de deur; wat het was, is niet zeker.
וַתִּכְרָת לָךְ מֵהֶם (vattikhrot lakh mehem), ‘en een verbond met hen gesloten’: het woord ‘verbond’ staat er niet. Het werkwoord כָּרַת (karat), letterlijk ‘snijden’, is de gewone uitdrukking voor ‘een verbond sluiten’. Wij voegen ‘verbond’ daarom toe.
יָד (yad), ‘hand’: de betekenis is onzeker. Het kan ook een teken zijn of een eufemisme voor een lichaamsdeel.
11Voor wie was je bezorgd en bang, dat je loog? Aan Mij dacht je niet. Je nam het niet ter harte. Heb Ik niet gezwegen, en dat al heel lang? Maar Mij vrees je niet.
וְאֶת
(veet)
en
מִ֞י
(mi)
wie
דָּאַ֤גְתְּ
(daagt)
je was bezorgd
וַתִּֽירְאִי֙
(vatirei)
en je was bang
כִּ֣י
(ki)
dat
תְכַזֵּ֔בִי
(tekhazevi)
je zou liegen
וְאוֹתִי֙
(veoti)
en Mij
לֹ֣א
(lo)
niet
זָכַ֔רְתְּ
(zakhart)
je dacht aan
לֹא
(lo)
niet
שַׂ֖מְתְּ
(samt)
je legde
עַל
(al)
op
לִבֵּ֑ךְ
(libekh)
je hart
הֲלֹ֨א
(halo)
niet
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
מַחְשֶׁה֙
(machshe)
zwijgend
וּמֵ֣עֹלָ֔ם
(umeolam)
en van oudsher
וְאוֹתִ֖י
(veoti)
en Mij
לֹ֥א
(lo)
niet
תִירָֽאִי
(tirai)
je vreest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְכַזֵּבִי (tekhazzevi), ‘loog’: het werkwoord betekent ‘liegen’ of ‘bedriegen’.
מַחְשֶׁה (machsheh), ‘gezwegen’: van חָשָׁה (chashah), ‘zwijgen’.
וּמֵעוֹלָם (umeolam), ‘en dat al heel lang’: letterlijk ‘en van eeuwigheid’. Yahweh had lang gezwegen; daarom vreesden zij Hem niet.
13Als je een noodkreet slaakt, laat je verzameling je dan redden. Een wind voert hen allemaal weg, een damp neemt hen mee. Maar wie bij Mij schuilt, zal het land erven en Mijn heilige berg in bezit nemen.”
בְּזַֽעֲקֵךְ֙
(bezaaqekh)
bij je noodkreet
יַצִּילֻ֣ךְ
(yatsilukh)
laten redden je
קִבּוּצַ֔יִךְ
(qibutsayikh)
je verzameling
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כֻּלָּ֥ם
(kulam)
hen allemaal
יִשָּׂא
(yisa)
zal wegvoeren
ר֖וּחַ
(ruach)
wind
יִקַּח
(yiqach)
zal wegnemen
הָ֑בֶל
(havel)
damp
וְהַחוֹסֶ֥ה
(vehachose)
maar wie schuilt
בִי֙
(bi)
bij Mij
יִנְחַל
(yinchal)
zal erven
אֶ֔רֶץ
(erets)
land
וְיִירַ֖שׁ
(veyirash)
en zal in bezit nemen
הַר
(har)
berg van
קָדְשִֽׁי
(qadeshi)
Mijn heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קִבּוּצַיִךְ (qibbutsayikh), ‘je verzameling’: het woord komt alleen hier voor.
De betekenis is onzeker: wat zij bijeengebracht heeft (afgodsbeelden of bondgenoten), of haar schare.
הֶבֶל (hevel), ‘damp’: hetzelfde woord als in Pred. 1:2 (‘damp van dampen’).
הַר קָדְשִׁי (har qodshi), ‘Mijn heilige berg’: zie ook 56:7.
15Want zo zegt de Hoge en Verhevene, die voor altijd woont en wiens naam heilig is: „In de hoogte en in heiligheid woon Ik. Ik woon ook bij wie verbrijzeld is en nederig van geest, om de geest van de nederigen te doen leven en het hart van de verbrijzelden te doen leven.
כִּי֩
(ki)
want
כֹ֨ה
(ko)
zo
אָמַ֜ר
(amar)
zegt
רָ֣ם
(ram)
de Hoge
וְנִשָּׂ֗א
(venisa)
en Verhevene
שֹׁכֵ֥ן
(shokhen)
die woont
עַד֙
(ad)
voor altijd
וְקָד֣וֹשׁ
(veqadosh)
en heilig
שְׁמ֔וֹ
(shemo)
Zijn naam
מָר֥וֹם
(marom)
in de hoogte
וְקָד֖וֹשׁ
(veqadosh)
en heilig
אֶשְׁכּ֑וֹן
(eshkon)
Ik woon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
דַּכָּא֙
(daka)
verbrijzelde
וּשְׁפַל
(ushefal)
en nederige van
ר֔וּחַ
(ruach)
geest
לְהַחֲיוֹת֙
(lehachayot)
om te doen leven
ר֣וּחַ
(ruach)
geest van
שְׁפָלִ֔ים
(shefalim)
de nederigen
וּֽלְהַחֲי֖וֹת
(ulehachayot)
en om te doen leven
לֵ֥ב
(lev)
hart van
נִדְכָּאִֽים
(nidkaim)
de verbrijzelden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָם וְנִשָּׂא (ram venissa), ‘hoog en verheven’: dezelfde woorden als in 6:1.
שֹׁכֵן עַד (shokhen ad), ‘die voor altijd woont’: het woord עַד (ad) kan ook ‘eeuwigheid’ betekenen.
דַּכָּא (dakka), ‘verbrijzeld’: wie door ellende gebroken is.
16Want Ik zal niet voor eeuwig twisten en niet voor altijd boos zijn. Want de geest zou voor Mijn aangezicht bezwijken, en de levensadem die Ik gemaakt heb.
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
לְעוֹלָם֙
(leolam)
voor eeuwig
אָרִ֔יב
(ariv)
Ik zal twisten
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
לָנֶ֖צַח
(lanetsach)
voor altijd
אֶקְּצ֑וֹף
(eqetsof)
Ik zal boos zijn
כִּי
(ki)
want
ר֨וּחַ֙
(ruach)
geest
מִלְּפָנַ֣י
(milefanay)
voor Mijn aangezicht
יַֽעֲט֔וֹף
(yaatof)
zou bezwijken
וּנְשָׁמ֖וֹת
(uneshamot)
en levensadem
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
עָשִֽׂיתִי
(asiti)
heb gemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְעוֹלָם (le’olam), ‘voor eeuwig’, en לָנֶצַח (lanetsach), ‘voor altijd’: twee woorden voor tijdsduur naast elkaar.
יַעֲטוֹף (ya’atof), ‘bezwijken’: het werkwoord kan ook ‘flauwvallen’ betekenen.
17Om de ongerechtigheid van zijn winstbejag was Ik boos, en Ik sloeg hem. Ik verborg Mij en was boos. Maar hij ging afvallig verder op de weg van zijn hart.
בַּעֲוֺ֥ן
(baavon)
om de ongerechtigheid van
בִּצְע֛וֹ
(bitso)
zijn winstbejag
קָצַ֥פְתִּי
(qatsafti)
Ik was boos
וְאַכֵּ֖הוּ
(veakehu)
en Ik sloeg hem
הַסְתֵּ֣ר
(haster)
Ik verborg Mij
וְאֶקְצֹ֑ף
(veeqtsof)
en Ik was boos
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
שׁוֹבָ֖ב
(shovav)
afvallig
בְּדֶ֥רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
לִבּֽוֹ
(libo)
zijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֶּצַע (betsa), ‘winstbejag’: winst die men hebzuchtig of onrechtmatig haalt.