Efeziërs 1
Aanhef, de lofprijzing op de zegen in de Messias, dank en gebed, de Messias boven alle machten
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aanhef en groet
Zie Efeze: Efeze lag aan de westkust van Turkije, bij het huidige Selçuk.
Het was de grootste stad van de Romeinse provincie Asia.
ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden is. ἅγιοι (hagioi), ‘heiligen’: de toegewijden, mensen die voor Elohim zijn afgezonderd; wij gebruiken ‘heiligen’ in heel de brief. Χριστός (Christos), ‘Messias’: de gezalfde, Hebr. mashiach. ἐν Χριστῷ Ἰησοῦ (en Christo Iesou), ‘in de Messias Yeshua’.
Efeze was een grote stad in Asia (zie Hand. 19:10, 19:26).
De woorden ‘in Efeze’ (ἐν Ἐφέσῳ) staan in de SBLGNT tussen rechte haken: sommige oude handschriften verschillen hier.
Wij vertalen de tekst zoals de SBLGNT hem geeft, met ‘in Efeze’.
Ook de woorden Χριστοῦ Ἰησοῦ (Christou Iesou), ‘van de Messias Yeshua’, aan het begin van het vers zijn in de SBLGNT als variant gemarkeerd.
Zie ook Hand. 18:19–21; Hand. 19:1; Hand. 20:17.
χάρις (charis), ‘genade’; εἰρήνη (eirene), ‘vrede’: het Hebreeuwse shalom, heelheid en welzijn. κύριος (kyrios), ‘Heer’: hier Yeshua.
De groet lijkt sterk op die in Gal. 1:3.
Zie ook Gal. 1:3.
Geprezen zij Elohim: de zegen in de Messias
εὐλογητός (eulogetos), ‘geprezen’; εὐλογέω (eulogeo), ‘zegenen’: letterlijk ‘goed spreken’. τὰ ἐπουράνια (ta epourania), ‘de hemelse gewesten’: letterlijk ‘de dingen/plaatsen bij de hemel’, het gebied waar Elohim is en waar ook de machten zijn (1:20, 2:6, 3:10, 6:12); wij gebruiken dit woord overal. ἐν Χριστῷ (en Christo), ‘in de Messias’: een formule die in deze brief steeds terugkeert (1:1, 1:10, 1:12, 2:6, 2:7, 2:10, 2:13, 3:6).
Zij zegt dat wat Elohim geeft, in verbondenheid met de Messias gegeven wordt; het Grieks kan ook ‘door’ bedoelen, wij houden ‘in’.
In de verzen 3–14 loopt één lange Griekse zin; wij splitsen hem zonder iets toe te voegen.
Zie ook Ef. 1:20; Ef. 2:6; Ef. 3:10; Ef. 6:12.
ἐκλέγομαι (eklegomai), ‘uitkiezen’. καταβολή (katabole), ‘grondlegging’: het leggen van het fundament van de wereld. ἄμωμος (amomos), ‘onberispelijk’: zonder gebrek, zoals een offerdier zonder gebrek. ἐν ἀγάπῃ (en agape), ‘in liefde’: kan bij het eind van vers 4 horen (‘heilig en onberispelijk in liefde’) of bij het begin van vers 5 (‘in liefde heeft Hij ons vooraf bestemd’); wij laten het bij vers 4 staan.
προορίζω (proorizo), ‘vooraf bestemmen’: tevoren een doel of bestemming vaststellen; wij gebruiken dit woord ook in vers 11. υἱοθεσία (huiothesia), ‘aanneming als zoon’: zoals in Gal. 4:5. εὐδοκία (eudokia), ‘welbehagen’: wat Hem goeddunkt. εἰς αὐτόν (eis auton), ‘tot Hem’: naar Hem toe, voor Hem.
Zie ook Gal. 4:5.
χαριτόω (charitoo), ‘begenadigen’: genade schenken; het woord heeft dezelfde stam als χάρις (charis), ‘genade’. ὁ ἠγαπημένος (ho egapemenos), ‘de Geliefde’: Yeshua, de Zoon; vergelijk Matt. 3:17.
De SBLGNT markeert bij ‘ἧς’ een variant.
Zie ook Matt. 3:17.
ἀπολύτρωσις (apolytrosis), ‘loskoping’: het vrijkopen met een losprijs, zoals een slaaf of gevangene; hier door Zijn bloed. ἄφεσις (aphesis), ‘vergeving’: letterlijk ‘loslaten, wegsturen’. παράπτωμα (paraptoma), ‘overtreding’: een misstap, een val. πλοῦτος (ploutos), ‘rijkdom’.
Het woord staat in de SBLGNT in onzijdige vorm; de SBLGNT markeert hier een variant.
Zie ook Kol. 1:14
περισσεύω (perisseuo), ‘overvloedig zijn’, ‘meer dan genoeg zijn’. φρόνησις (phronesis), ‘inzicht’.
De woorden ‘in alle wijsheid en inzicht’ kunnen bij vers 8 horen (de genade is overvloedig in alle wijsheid) of bij vers 9 (Hij maakte bekend in alle wijsheid); wij laten ze bij vers 8 staan.
οἰκονομία (oikonomia), ‘beheer’: het beheer van een huishouden (οἶκος, oikos, ‘huis’); wij gebruiken ‘beheer’ ook in 3:2 en 3:9. πλήρωμα (pleroma), ‘volheid’: dat wat vol gemaakt is; zie ook 1:23 en 3:19. καιροί (kairoi), ‘tijden’: bepaalde, passende tijdstippen. ἀνακεφαλαιόω (anakefalaioo), ‘onder één hoofd samenbrengen’: ook ‘samenvatten’; het woord heeft dezelfde stam als κεφαλή (kefale), ‘hoofd’, zie 1:22.
Zie ook Ef. 1:22.
κληρόω (kleroo), ‘een erfdeel toewijzen’: de Griekse vorm ἐκληρώθημεν kan betekenen ‘wij zijn tot erfgenamen gemaakt’ of ‘wij zijn tot erfdeel (van Elohim) gemaakt’; ons ‘tot erfdeel geworden’ laat beide toe. πρόθεσις (prothesis), ‘voornemen’; βουλή (boule), ‘raadsbesluit’.
Zie ook κληρονομία (kleronomia), ‘erfenis’, in de verzen 14 en 18.
προελπίζω (proelpizo), ‘tevoren hopen’: eerder dan anderen de hoop op de Messias stellen.
Wie met ‘wij’ in vers 12 en met ‘jullie’ in vers 13 bedoeld wordt, zegt de tekst niet; het wordt op verschillende manieren verstaan.
λόγος τῆς ἀληθείας (logos tes aletheias), ‘het woord van de waarheid’. εὐαγγέλιον (euangelion), ‘goede boodschap’. σφραγίζω (sphragizo), ‘verzegelen’: een zegel zetten als teken van eigendom en echtheid.
‘De Geest van de belofte’: de beloofde Geest, zoals in Gal. 3:14.
Zie ook Gal. 3:14.
ἀρραβών (arrabon), ‘onderpand’: een eerste betaling die de rest waarborgt, zoals in 2 Kor. 1:22 en 5:5. περιποίησις (peripoiesis), ‘bezit’: wat Elohim voor Zichzelf verworven heeft.
Het Griekse ὅ (ho), ‘dat’, is onzijdig, zoals πνεῦμα (pneuma), ‘Geest’; de SBLGNT markeert hier een variant.
Zie ook 2 Kor. 1:22; 2 Kor. 5:5.
Dank en gebed om inzicht
τὴν καθ᾿ ὑμᾶς πίστιν (ten kath’ humas pistin), ‘het geloof bij jullie’: letterlijk ‘het geloof naar jullie toe’.
De SBLGNT markeert in dit vers een variant bij ‘de liefde’.
Zie ook Kol. 1:3–4.
μνείαν ποιέομαι (mneian poieomai), ‘melding maken’, ‘gedenken’.
De SBLGNT markeert hier een variant.
πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: ‘een geest van wijsheid en onthulling’ kan een houding of gave zijn; het kan ook de Geest van Elohim zijn die wijsheid en onthulling geeft. ἀποκάλυψις (apokalypsis), ‘onthulling’. ἐπίγνωσις (epignosis), ‘volle kennis’: ook ‘nauwkeurige, doorleefde kennis’; wij gebruiken deze weergave ook in 4:13, zoals in Kol. 1:9–10.
‘De Vader van de heerlijkheid’: de Vader aan wie de heerlijkheid toebehoort.
De verzen 18–19 zijn in het Grieks één lange zin met driemaal τίς (tis), ‘wat’; wij schrijven die als drie vragen. κλῆσις (klesis), ‘roeping’.
‘Onder de heiligen’ (ἐν τοῖς ἁγίοις, en tois hagiois): ook ‘in de heiligen’.
‘Zijn erfenis’ kan de erfenis zijn die Elohim geeft of het erfdeel dat Hij zelf bezit.
De SBLGNT markeert hier een variant.
Vier woorden voor kracht: δύναμις (dynamis), ‘kracht’; ἐνέργεια (energeia), ‘werking’; κράτος (kratos), ‘macht’; ἰσχύς (ischys), ‘sterkte’.
Wij houden ze in het Nederlands uit elkaar. ὑπερβάλλω (hyperballo), ‘overtreffen’: ‘overweldigend’.
De Messias boven alle machten
‘Aan Zijn rechterhand zitten’ spreekt over het zitten naast Elohim: vergelijk Ps. 110:1 (‘Zit aan Mijn rechterhand’). τὰ ἐπουράνια: zie 1:3.
De SBLGNT markeert hier drie varianten, bij ‘ἐνήργηκεν’, ‘ἐκ’ en ‘καθίσας’.
Zie ook Ps. 110:1.
ἀρχή (arche), ‘heerschappij’; ἐξουσία (exousia), ‘gezag’; δύναμις (dynamis), ‘kracht’; κυριότης (kyriotes), ‘oppermacht’: namen voor machten, hemelse en aardse, zonder dat de tekst hun rang uitlegt.
Wij gebruiken dezelfde woorden in 3:10 en 6:12 en in Kol. 1:16, 2:10 en 2:15. αἰών (aion), ‘eeuw’: een tijdperk, een wereldtijd; ‘deze eeuw’ en ‘de komende’.
Zie ook Ef. 3:10; Ef. 6:12; Kol. 1:16; Kol. 2:15.
ὑποτάσσω (hypotasso), ‘onderschikken’: wij gebruiken dit woord overal in de brief (ook 5:21–24).
De woorden spelen op Ps. 8:7 aan, waar ons Hebreeuws zegt: ‘Alles hebt U onder zijn voeten gelegd’. κεφαλή (kefale), ‘hoofd’: het Griekse woord kan ook ‘bron’ betekenen, zoals in 1 Kor. 11:3. ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’.
Zie ook Ps. 8:7; Ps. 110:1; 1 Kor. 11:3.
πλήρωμα (pleroma), ‘volheid’. πληρουμένου (pleroumenou) kan een middelvorm zijn (‘die alles in allen vervult’) of een lijdende vorm (‘die in alles en allen vervuld wordt’); het vers is moeilijk en wordt verschillend verstaan.
Wij vertalen ‘vervult’.
Zie ook Kol. 1:18–19 en 2:9–10.
Zie ook Kol. 1:19; Kol. 2:9.