Elohim Bijbel

Jeremia 11

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Het verbond verbroken: Yahweh kondigt onheil aan, ook over de mannen van Anatot

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De woorden van het verbond

1Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam:
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָיָ֣ה
(haya)
kwam
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Luister naar de woorden van dit verbond. Spreek tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem.
שִׁמְע֕וּ
(shimu)
luistert
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
woorden van
הַבְּרִ֣ית
(haberit)
het verbond
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
וְדִבַּרְתָּם֙
(vedibartam)
en spreekt
אֶל
(el)
tot
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְעַל
(veal)
en tot
יֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
inwoners van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushalaim)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּאת (divrei haberit hazot), ‘de woorden van dit verbond’: het verbond dat Yahweh bij de uittocht uit Egypte met Israël sloot (vers 4).

Vergelijk Deut. 28:69 (NL 29:1).

3Zeg tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: Vervloekt is de man die niet luistert naar de woorden van dit verbond.
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אָר֣וּר
(arur)
vervloekt
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
לֹ֣א
(lo)
niet
יִשְׁמַ֔ע
(yishma)
luistert
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
woorden van
הַבְּרִ֥ית
(haberit)
het verbond
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָרוּר (arur), ‘vervloekt’: het woord waarmee wie het verbond overtreedt wordt getroffen, zoals in Deut. 27:26.

4Ik heb het jullie vaders geboden op de dag dat Ik hen uit het land Egypte liet uittrekken, uit de ijzeren smeltoven. Ik zei: Luister naar Mijn stem en voer ze uit, volgens alles wat Ik jullie gebied. Dan zullen jullie Mijn volk zijn, en Ik zal jullie Elohim zijn.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
צִוִּ֣יתִי
(tsiviti)
Ik heb geboden
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבֽוֹתֵיכֶ֡ם
(avoteikhem)
jullie vaders
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag
הוֹצִיאִֽי
(hotsii)
Ik liet uitgaan
אוֹתָ֣ם
(otam)
hen
מֵאֶֽרֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַיִם֩
(mitsrayim)
Egypte
מִכּ֨וּר
(mikur)
uit de smeltoven van
הַבַּרְזֶ֜ל
(habarzel)
het ijzer
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
שִׁמְע֤וּ
(shimu)
luistert
בְקוֹלִי֙
(beqoli)
naar Mijn stem
וַעֲשִׂיתֶ֣ם
(vaasitem)
en voert uit
אוֹתָ֔ם
(otam)
ze
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
volgens alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
אֲצַוֶּ֖ה
(atsave)
Ik gebied
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
וִהְיִ֤יתֶם
(vihyitem)
en jullie zullen zijn
לִי֙
(li)
voor Mij
לְעָ֔ם
(leam)
tot een volk
וְאָ֣נֹכִ֔י
(veanokhi)
en Ik
אֶהְיֶ֥ה
(ehye)
zal zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
tot Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מִכּוּר הַבַּרְזֶל (mikkur habarzel), ‘uit de ijzeren smeltoven’: een oven waarin ijzer wordt gesmolten.

Egypte wordt zo genoemd als de plaats van zware dwang.

Zie ook Deut. 4:20 en 1 Kon. 8:51.

וִהְיִיתֶם לִי לְעָם (vihyitem li le’am), ‘dan zullen jullie Mijn volk zijn’: de verbondsformule. Zie ook Exod. 6:7 en Lev. 26:12.

5Zo houd Ik de eed in stand die Ik jullie vaders gezworen heb: hun een land te geven. Het overvloeit van melk en honing, zoals het vandaag is.’” Ik antwoordde en zei: „Amen, Yahweh.”
לְמַעַן֩
(lemaan)
opdat
הָקִ֨ים
(haqim)
Ik in stand houd
אֶת
(et)
(obj.)
הַשְּׁבוּעָ֜ה
(hashevua)
de eed
אֲשֶׁר
(asher)
die
נִשְׁבַּ֣עְתִּי
(nishbati)
Ik heb gezworen
לַאֲבֽוֹתֵיכֶ֗ם
(laavoteikhem)
aan jullie vaders
לָתֵ֤ת
(latet)
te geven
לָהֶם֙
(lahem)
hun
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land
זָבַ֥ת
(zavat)
vloeiend van
חָלָ֛ב
(chalav)
melk
וּדְבַ֖שׁ
(udevash)
en honing
כַּיּ֣וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וָאַ֥עַן
(vaaan)
en ik antwoordde
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en zei
אָמֵ֥ן
(amen)
amen
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָמֵן (amen), ‘amen’: ‘zo is het’.

Jeremia stemt in met de eed en met de vloek van vers 3.

Zie ook Deut. 27:15–26.

Het land dat ‘overvloeit van melk en honing’ is de belofte aan de vaders; zie Exod. 3:8.

6Yahweh zei tegen mij: „Roep al deze woorden uit in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem. Zeg: ‘Luister naar de woorden van dit verbond en voer ze uit.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
קְרָ֨א
(qera)
roep uit
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֤ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in de steden van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וּבְחֻצ֥וֹת
(uvechutsot)
en op de straten van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
שִׁמְע֗וּ
(shimu)
luistert
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵי֙
(divrei)
woorden van
הַבְּרִ֣ית
(haberit)
het verbond
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וַעֲשִׂיתֶ֖ם
(vaasitem)
en voert uit
אוֹתָֽם
(otam)
ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

7Want Ik heb jullie vaders ernstig gewaarschuwd. Dat deed Ik vanaf de dag dat Ik hen uit het land Egypte liet optrekken tot op deze dag. Telkens weer waarschuwde Ik hen: Luister naar Mijn stem.
כִּי֩
(ki)
want
הָעֵ֨ד
(haed)
ernstig waarschuwend
הַעִדֹ֜תִי
(haidoti)
Ik heb gewaarschuwd
בַּאֲבֽוֹתֵיכֶ֗ם
(baavoteikhem)
jullie vaders
בְּיוֹם֩
(beyom)
op de dag
הַעֲלוֹתִ֨י
(haaloti)
Ik liet optrekken
אוֹתָ֜ם
(otam)
hen
מֵאֶ֤רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
וְעַד
(vead)
en tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
הַשְׁכֵּ֥ם
(hashkem)
vroeg opstaand
וְהָעֵ֖ד
(vehaed)
en waarschuwend
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
שִׁמְע֖וּ
(shimu)
luistert
בְּקוֹלִֽי
(beqoli)
naar Mijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

8Maar zij luisterden niet en zij neigden hun oor niet. Ieder liep in de hardnekkigheid van zijn boze hart. Toen bracht Ik over hen alle woorden van dit verbond. Ik had hun geboden ze te doen, maar zij hebben ze niet gedaan.’”
וְלֹ֤א
(velo)
maar niet
שָֽׁמְעוּ֙
(shameu)
zij hoorden
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הִטּ֣וּ
(hitu)
zij neigden
אֶת
(et)
(obj.)
אָזְנָ֔ם
(azenam)
hun oor
וַיֵּ֣לְכ֔וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
אִ֕ישׁ
(ish)
ieder
בִּשְׁרִיר֖וּת
(bishrirut)
in de hardnekkigheid van
לִבָּ֣ם
(libam)
hun hart
הָרָ֑ע
(hara)
het boze
וָאָבִ֨יא
(vaavi)
en Ik bracht
עֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
over hen
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֧י
(divrei)
woorden van
הַבְּרִית
(haberit)
het verbond
הַזֹּ֛את
(hazot)
dit
אֲשֶׁר
(asher)
die
צִוִּ֥יתִי
(tsiviti)
Ik had geboden
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
te doen
וְלֹ֥א
(velo)
maar niet
עָשֽׂוּ
(asu)
zij deden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּשְׁרִירוּת (bisherirut), ‘in de hardnekkigheid van’: stugheid, eigenzinnig vasthouden aan het eigen pad.

Zie ook Deut. 29:18 en Ps. 81:13.

De verbondsbreuk van Juda

9Yahweh zei tegen mij: „Er is een samenzwering gevonden onder de mannen van Juda en onder de inwoners van Jeruzalem.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֑י
(elay)
tegen mij
נִֽמְצָא
(nimtsa)
is gevonden
קֶ֨שֶׁר֙
(qesher)
samenzwering
בְּאִ֣ישׁ
(beish)
onder de man van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וּבְיֹשְׁבֵ֖י
(uveyoshevei)
en onder de inwoners van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushalaim)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

קֶשֶׁר (qesher), ‘samenzwering’: een afspraak van velen om samen in opstand te komen.

Het woord wordt ook gebruikt voor een staatsgreep, zoals in 2 Kon. 11:14.

Hier is het de gezamenlijke afkeer van het verbond.

10Zij zijn teruggekeerd naar de schuld van hun vroegere vaders, die weigerden naar Mijn woorden te luisteren. Zij zijn andere goden achternagelopen om hen te dienen. Het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond verbroken, dat Ik met hun vaders gesloten had.”
שָׁ֩בוּ֩
(shavu)
zij zijn teruggekeerd
עַל
(al)
tot
עֲוֺנֹ֨ת
(avonot)
schuld van
אֲבוֹתָ֜ם
(avotam)
hun vaders
הָרִֽאשֹׁנִ֗ים
(harishonim)
de vroegere
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
מֵֽאֲנוּ֙
(meanu)
weigerden
לִשְׁמ֣וֹעַ
(lishmoa)
te horen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרַ֔י
(devaray)
Mijn woorden
וְהֵ֣מָּה
(vehema)
en zij
הָלְכ֗וּ
(halekhu)
zijn gegaan
אַחֲרֵ֛י
(acharei)
achter
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֖ים
(acherim)
andere
לְעָבְדָ֑ם
(leavedam)
om hen te dienen
הֵפֵ֤רוּ
(heferu)
zij hebben verbroken
בֵֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וּבֵ֣ית
(uveit)
en huis van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִ֕י
(beriti)
Mijn verbond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
כָּרַ֖תִּי
(karati)
Ik sloot
אֶת
(et)
met
אֲבוֹתָֽם
(avotam)
hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Het huis van Israël en het huis van Juda’: het hele verbondsvolk, zowel het noordelijke als het zuidelijke deel.

Het volk heeft het verbond verbroken (הֵפֵרוּ, hefeiru), zoals in Gen. 17:14.

11Daarom, zo zegt Yahweh: „Zie, Ik breng onheil over hen waaraan zij niet kunnen ontkomen. Zij zullen tot Mij roepen, maar Ik zal niet naar hen luisteren.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
מֵבִ֤יא
(mevi)
breng
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
over hen
רָעָ֔ה
(raa)
onheil
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waaruit
לֹֽא
(lo)
niet
יוּכְל֖וּ
(yukhelu)
zij kunnen
לָצֵ֣את
(latset)
uitgaan
מִמֶּ֑נָּה
(mimena)
daaruit
וְזָעֲק֣וּ
(vezaaqu)
en zij zullen roepen
אֵלַ֔י
(elay)
tot Mij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אֶשְׁמַ֖ע
(eshma)
zal Ik horen
אֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
naar hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12De steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem zullen gaan en roepen tot de goden voor wie zij wierook branden. Maar die zullen hen beslist niet redden in de tijd van hun onheil.
וְהָֽלְכ֞וּ
(vehalekhu)
en zij zullen gaan
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וְיֹשְׁבֵי֙
(veyoshevei)
en inwoners van
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
וְזָֽעֲקוּ֙
(vezaaqu)
en zij zullen roepen
אֶל
(el)
tot
הָ֣אֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de goden
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
aan wie
הֵ֥ם
(hem)
zij
מְקַטְּרִ֖ים
(meqaterim)
wierook branden
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
וְהוֹשֵׁ֛עַ
(vehoshea)
en redden
לֹֽא
(lo)
niet
יוֹשִׁ֥יעוּ
(yoshiu)
zij zullen redden
לָהֶ֖ם
(lahem)
hen
בְּעֵ֥ת
(beet)
in de tijd van
רָעָתָֽם
(raatam)
hun onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

13Want zoveel als je steden zijn, zoveel zijn je goden geworden, Juda. En zoveel als de straten van Jeruzalem zijn, zoveel altaren hebben jullie opgericht voor de schande: altaren om wierook te branden voor de Baäl.
כִּ֚י
(ki)
want
מִסְפַּ֣ר
(mispar)
het aantal van
עָרֶ֔יךָ
(areikha)
je steden
הָי֥וּ
(hayu)
zijn geweest
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je goden
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וּמִסְפַּ֞ר
(umispar)
en het aantal van
חֻצ֣וֹת
(chutsot)
straten van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
שַׂמְתֶּ֤ם
(samtem)
jullie hebben gezet
מִזְבְּחוֹת֙
(mizbechot)
altaren
לַבֹּ֔שֶׁת
(laboshet)
voor de schande
מִזְבְּח֖וֹת
(mizbechot)
altaren
לְקַטֵּ֥ר
(leqater)
om wierook te branden
לַבָּֽעַל
(labaal)
voor de Baäl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

לַבֹּשֶׁת (laboshet), ‘voor de schande’: boshet is ‘schande’ en is een spotnaam voor Baäl, de afgod.

Zie ook Hos. 9:10.

Wij vertalen ‘de Baäl’ omdat het Hebreeuws het lidwoord heeft.

De naam Jerubbesjet in 2 Sam. 11:21 bevat hetzelfde woord.

Bid niet voor dit volk

14Jij nu, bid niet voor dit volk. Hef voor hen geen roep en geen gebed aan. Want Ik luister niet wanneer zij vanwege hun onheil tot Mij roepen.
וְאַתָּ֗ה
(veata)
en jij
אַל
(al)
niet
תִּתְפַּלֵּל֙
(titpalel)
bid
בְּעַד
(bead)
voor
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וְאַל
(veal)
en niet
תִּשָּׂ֥א
(tisa)
hef aan
בַעֲדָ֖ם
(baadam)
voor hen
רִנָּ֣ה
(rina)
roep
וּתְפִלָּ֑ה
(utefila)
en gebed
כִּ֣י
(ki)
want
אֵינֶ֣נִּי
(eineni)
Ik ben niet
שֹׁמֵ֗עַ
(shomea)
horend
בְּעֵ֛ת
(beet)
ten tijde van
קָרְאָ֥ם
(qaream)
hun roepen
אֵלַ֖י
(elay)
tot Mij
בְּעַ֥ד
(bead)
vanwege
רָעָתָֽם
(raatam)
hun onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רִנָּה (rinnah), ‘roep’: een luide kreet, hier een smeekroep.

Yahweh verbiedt Jeremia te bidden voor het volk, zoals ook in Jer. 7:16.

15Wat heeft Mijn geliefde in Mijn huis te zoeken, nu zij zoveel snode plannen uitvoert? Zal heilig vlees het onheil van je afwenden? Want als je kwaad doet, dan juich je.
מֶ֣ה
(me)
wat
לִֽידִידִ֞י
(lididi)
voor Mijn geliefde
בְּבֵיתִ֗י
(beveiti)
in Mijn huis
עֲשׂוֹתָ֤הּ
(asotah)
haar doen
הַֽמְזִמָּ֨תָה֙
(hamzimata)
de snode plannen
הָֽרַבִּ֔ים
(harabim)
de velen
וּבְשַׂר
(uvesar)
en vlees van
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
יַעַבְר֣וּ
(yaavru)
zullen voorbijgaan
מֵֽעָלָ֑יִךְ
(mealayikh)
van je
כִּ֥י
(ki)
want
רָעָתֵ֖כִי
(raatekhi)
je kwaad
אָ֥ז
(az)
dan
תַּעֲלֹֽזִי
(taalozi)
jubel jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִידִידִי (lididi), ‘voor Mijn geliefde’: het volk, dat Yahweh dierbaar was.

Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk en de betekenis onzeker.

הַמְזִמָּתָה (hammezimmah), ‘de snode plannen’: een woord dat zowel ‘plan’ als ‘snood plan’ kan betekenen.

Wij vertalen וּבְשַׂר קֹדֶשׁ (uvesar qodesh) als ‘heilig vlees’: het vlees van geheiligde offers. Het kan niet het onheil afwenden.

Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders.

16Yahweh heeft je genoemd: ‘Groene olijfboom, mooi van vrucht en van vorm.’ Met het geluid van een groot gedruis heeft Hij vuur in haar aangestoken, en haar takken zijn gebroken.
זַ֤יִת
(zayit)
olijfboom
רַֽעֲנָן֙
(raanan)
groene
יְפֵ֣ה
(yefe)
mooi van
פְרִי
(peri)
vrucht
תֹ֔אַר
(toar)
vorm
קָרָ֥א
(qara)
noemde
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
שְׁמֵ֑ךְ
(shemekh)
je naam
לְק֣וֹל
(leqol)
bij het geluid van
הֲמוּלָּ֣ה
(hamula)
gedruis
גְדֹלָ֗ה
(gedola)
groot
הִצִּ֥ית
(hitsit)
Hij heeft aangestoken
אֵשׁ֙
(esh)
vuur
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
in haar
וְרָע֖וּ
(verau)
en zij zijn gebroken
דָּלִיּוֹתָֽיו
(daliyotav)
zijn takken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זַיִת (zayit), ‘olijfboom’: een beeld voor Israël, vergelijk Hos. 14:7.

Yahweh had het volk een mooi beeld gegeven, maar het wordt verbrand.

וְרָעוּ (vera’u), ‘en zij zijn gebroken’: het werkwoord betekent hier ‘gebroken worden’. Het Hebreeuws wisselt hier tussen ‘haar’ (de boom) en ‘zijn takken’; wij houden dat zo.

17Yahweh van de legermachten, die je geplant heeft, heeft onheil over je uitgesproken. Het komt door het kwaad van het huis van Israël en het huis van Juda. Zij hebben het zichzelf aangedaan om Mij tot toorn te prikkelen, door wierook te branden voor de Baäl.”
וַיהוָ֤ה
(vaYahweh)
en Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
הַנּוֹטֵ֣עַ
(hanotea)
die plant
אוֹתָ֔ךְ
(otakh)
jou
דִּבֶּ֥ר
(diber)
heeft gesproken
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
over je
רָעָ֑ה
(raa)
onheil
בִּ֠גְלַל
(biglal)
vanwege
רָעַ֨ת
(raat)
het kwaad van
בֵּֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
וּבֵ֣ית
(uveit)
en huis van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
עָשׂ֥וּ
(asu)
zij deden
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor zichzelf
לְהַכְעִסֵ֖נִי
(lehakhiseni)
om Mij tot toorn te prikkelen
לְקַטֵּ֥ר
(leqater)
door wierook te branden
לַבָּֽעַל
(labaal)
voor de Baäl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19 voor de uitleg bij deze naam.

De aanslag op Jeremia

18Yahweh heeft het mij laten weten, en ik wist het. Toen liet U mij hun daden zien.
וַֽיהוָ֥ה
(vaYahweh)
en Yahweh
הֽוֹדִיעַ֖נִי
(hodiani)
heeft laten weten aan mij
וָֽאֵדָ֑עָה
(vaedaa)
en ik wist
אָ֖ז
(az)
toen
הִרְאִיתַ֥נִי
(hiritani)
U liet mij zien
מַעַלְלֵיהֶֽם
(maalleihem)
hun daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf dit vers spreekt Jeremia zelf, tot en met vers 20.

Hij vertelt hoe Yahweh hem het plan van zijn belagers liet zien.

In vers 18 gaat hij over van ‘Yahweh’ (derde persoon) naar ‘U’.

19Maar ik was als een tam lam dat naar de slachting wordt geleid. Ik wist niet dat zij plannen tegen mij bedachten: ‘Laten wij de boom met zijn vrucht verderven. Laten wij hem afsnijden uit het land van de levenden, zodat zijn naam niet meer wordt herdacht.’
וַאֲנִ֕י
(vaani)
en ik
כְּכֶ֥בֶשׂ
(kekheves)
als een lam
אַלּ֖וּף
(aluf)
tam
יוּבַ֣ל
(yuval)
dat geleid wordt
לִטְב֑וֹחַ
(litvoach)
ter slachting
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָדַ֜עְתִּי
(yadati)
wist ik
כִּֽי
(ki)
dat
עָלַ֣י
(alay)
tegen mij
חָשְׁב֣וּ
(chashevu)
zij bedachten
מַחֲשָׁב֗וֹת
(machashavot)
plannen
נַשְׁחִ֨יתָה
(nashchita)
laten wij verderven
עֵ֤ץ
(ets)
de boom
בְּלַחְמוֹ֙
(belachmo)
met zijn vrucht
וְנִכְרְתֶ֨נּוּ֙
(venikhretenu)
en laten wij hem afsnijden
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
חַיִּ֔ים
(chayim)
de levenden
וּשְׁמ֖וֹ
(ushemo)
en zijn naam
לֹֽא
(lo)
niet
יִזָּכֵ֥ר
(yizakher)
zal worden herdacht
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַלּוּף (alluf), ‘tam’: een dier dat bij mensen gewend is en daarom niets vermoedt.

בְּלַחְמוֹ (belachmo), ‘met zijn vrucht’: letterlijk ‘in zijn brood’, dus ‘met zijn voedsel’. Een andere mogelijke weergave is ‘in zijn sap’; de betekenis is onzeker.

‘Het land van de levenden’: de plaats van de levende mensen, in tegenstelling tot Sjeol; zie Jes. 38:11 en Ps. 27:13.

20Yahweh van de legermachten, Rechter van gerechtigheid, die nieren en hart toetst: laat mij Uw wraak op hen zien. Want aan U heb ik mijn rechtszaak voorgelegd.
וַֽיהוָ֤ה
(vaYahweh)
en Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
שֹׁפֵ֣ט
(shofet)
Rechter
צֶ֔דֶק
(tsedeq)
van gerechtigheid
בֹּחֵ֥ן
(bochen)
die toetst
כְּלָי֖וֹת
(kelayot)
nieren
וָלֵ֑ב
(valev)
en hart
אֶרְאֶ֤ה
(ere)
laat mij zien
נִקְמָֽתְךָ֙
(niqmatekha)
Uw wraak
מֵהֶ֔ם
(mehem)
op hen
כִּ֥י
(ki)
want
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
aan U
גִּלִּ֥יתִי
(giliti)
heb ik voorgelegd
אֶת
(et)
(obj.)
רִיבִֽי
(rivi)
mijn rechtszaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּלָיוֹת וָלֵב (kelayot valev), ‘nieren en hart’: de nieren zijn de plaats van het innerlijk, het hart die van het denken.

Yahweh toetst beide; zie ook Ps. 7:10 en Jer. 17:10.

גִּלִּיתִי (gilliti), ‘heb ik voorgelegd’: letterlijk ‘heb ik onthuld’. Jeremia legt zijn zaak open voor Yahweh en laat de uitkomst aan Hem. Bijna dezelfde woorden staan in Jer. 20:12.

Yahweh straft de mannen van Anatot

21Daarom, zo zegt Yahweh over de mannen van Anatot die je naar het leven staan en zeggen: ‘Profeteer niet in de naam van Yahweh, anders sterf je door onze hand.’
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
עֲנָת֔וֹת
(anatot)
Anatot
הַֽמְבַקְשִׁ֥ים
(hamvaqshim)
die zoeken
אֶֽת
(et)
(obj.)
נַפְשְׁךָ֖
(nafshekha)
je leven
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לֹ֤א
(lo)
niet
תִנָּבֵא֙
(tinave)
profeteer
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
anders
תָמ֖וּת
(tamut)
sterf je
בְּיָדֵֽנוּ
(beyadenu)
door onze hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

אַנְשֵׁי עֲנָתוֹת (anshei Anatot), ‘de mannen van Anatot’: Anatot is het dorp van Jeremia, ten noordoosten van Jeruzalem (Jer. 1:1).

Zijn eigen dorpsgenoten willen hem doden.

22Daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten: „Zie, Ik ga hen straffen. De jonge mannen zullen sterven door het zwaard. Hun zonen en hun dochters zullen sterven door honger.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Ik
פֹקֵ֖ד
(poqed)
straf
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
hen
הַבַּֽחוּרִים֙
(habachurim)
de jonge mannen
יָמֻ֣תוּ
(yamutu)
zullen sterven
בַחֶ֔רֶב
(bacherev)
door het zwaard
בְּנֵיהֶם֙
(beneihem)
hun zonen
וּבְנ֣וֹתֵיהֶ֔ם
(uvenoteihem)
en hun dochters
יָמֻ֖תוּ
(yamutu)
zullen sterven
בָּרָעָֽב
(baraav)
door honger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Er zullen voor hen geen overgeblevenen zijn. Want Ik breng onheil over de mannen van Anatot, in het jaar van hun straf.”
וּשְׁאֵרִ֕ית
(usheerit)
en een restant
לֹ֥א
(lo)
niet
תִֽהְיֶ֖ה
(tihye)
zal zijn
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
כִּֽי
(ki)
want
אָבִ֥יא
(avi)
Ik breng
רָעָ֛ה
(raa)
onheil
אֶל
(el)
over
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
עֲנָת֖וֹת
(anatot)
Anatot
שְׁנַ֥ת
(shenat)
jaar van
פְּקֻדָּתָֽם
(pequdatam)
hun straf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

שְׁנַת פְּקֻדָּתָם (shenat pequddatam), ‘het jaar van hun straf’: de stam פקד (pqd) betekent ‘bezoeken’; hier is het een bezoek van Yahweh om te straffen.