Wees niet bang, de rijke dwaas, wees niet bezorgd en waak, vuur en verdeeldheid
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Pas op voor de huichelarij
1Intussen waren tienduizenden uit de menigte bijeengekomen, zodat zij elkaar vertrapten. Hij begon eerst tegen Zijn leerlingen te zeggen: „Neem jullie in acht voor het zuurdesem van de Farizeeën, dat is huichelarij.
Ἐν
(En)
in
οἷς
(hois)
welke
ἐπισυναχθεισῶν
(episynachtheison)
bijeengekomen
τῶν
(ton)
de
μυριάδων
(myriadon)
tienduizenden
τοῦ
(tou)
van de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
ὥστε
(hoste)
zodat
καταπατεῖν
(katapatein)
vertrappen
ἀλλήλους
(allelous)
elkaar
ἤρξατο
(erxato)
begon
λέγειν
(legein)
te zeggen
πρὸς
(pros)
tegen
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
πρῶτον
(proton)
eerst
Προσέχετε
(Prosechete)
neem in acht
ἑαυτοῖς
(heautois)
zichzelf
ἀπὸ
(apo)
voor
τῆς
(tes)
het
ζύμης
(zymes)
zuurdesem
ἥτις
(hetis)
dat
ἐστὶν
(estin)
is
ὑπόκρισις
(hypokrisis)
huichelarij
τῶν
(ton)
van de
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
Bron: SBLGNT
Uitleg
μυριάς (myrias), ‘tienduizendtal’: het meervoud wijst op een enorme menigte. ζύμη (zyme), ‘zuurdesem’: oud deeg dat zuur geworden is en een heel deeg doet rijzen; zie Matt. 16:6 en Mark. 8:15.
Hier legt Lucas uit wat het is: ὑπόκρισις (hypokrisis), ‘huichelarij’.
3Daarom: alles wat jullie in het donker gezegd hebben, zal in het licht gehoord worden. En wat jullie in de binnenkamers in het oor gesproken hebben, zal vanaf de daken verkondigd worden.
5Ik zal jullie laten zien voor wie jullie bang moeten zijn. Wees bang voor Hem die, nadat Hij gedood heeft, het gezag heeft om in de Gehenna te werpen. Ja, Ik zeg jullie: wees bang voor Hem.
ὑποδείξω
(hypodeixo)
Ik zal tonen
δὲ
(de)
maar
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
τίνα
(tina)
wie
φοβηθῆτε
(phobethete)
jullie bang moeten zijn
φοβήθητε
(phobethete)
wees bang
τὸν
(ton)
voor degene
μετὰ
(meta)
na
τὸ
(to)
het
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
gedood hebben
ἔχοντα
(echonta)
hebbend
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
ἐμβαλεῖν
(embalein)
te werpen
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
γέενναν
(geennan)
Gehenna
ναί
(nai)
ja
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
τοῦτον
(touton)
voor deze
φοβήθητε
(phobethete)
wees bang
Bron: SBLGNT
Uitleg
γέεννα (geenna), ‘Gehenna’: van het Hebreeuwse גֵּי הִנֹּם (ge-hinnom), het dal van Hinnom ten zuiden van Jeruzalem (Joz. 15:8; Jer. 7:31).
6Worden 5 mussen niet voor 2 assaria verkocht? En niet één van hen is vergeten voor het oog van Elohim.
οὐχὶ
(ouchi)
toch niet
πέντε
(pente)
vijf
στρουθία
(strouthia)
mussen
πωλοῦνται
(polountai)
worden verkocht
ἀσσαρίων
(assarion)
voor assaria
δύο
(dyo)
twee
καὶ
(kai)
en
ἓν
(hen)
één
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῶν
(auton)
hen
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
ἐπιλελησμένον
(epilelesmenon)
vergeten
ἐνώπιον
(enopion)
in het oog van
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀσσάριον (assarion): een kleine koperen munt, ongeveer een zestiende deel van een denarie.
Een denarie was ongeveer het loon voor een dag werk; 2 assaria zijn dus ongeveer een achtste van een dagloon. στρουθίον (strouthion), ‘mus’: een klein vogeltje.
9Maar wie Mij verloochent voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van Elohim.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀρνησάμενός
(arnesamenos)
verloochenende
με
(me)
Mij
ἐνώπιον
(enopion)
voor
τῶν
(ton)
de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
ἀπαρνηθήσεται
(aparnethesetai)
zal verloochend worden
ἐνώπιον
(enopion)
voor
τῶν
(ton)
de
ἀγγέλων
(angelon)
engelen
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
10En ieder die een woord spreekt tegen de Mensenzoon, hem zal het vergeven worden. Maar wie tegen de Heilige Geest lastert, hem zal het niet vergeven worden.
καὶ
(kai)
en
πᾶς
(pas)
ieder
ὃς
(hos)
wie
ἐρεῖ
(erei)
zal spreken
λόγον
(logon)
woord
εἰς
(eis)
tegen
τὸν
(ton)
de
υἱὸν
(huion)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
ἀφεθήσεται
(aphethesetai)
zal vergeven worden
αὐτῷ
(auto)
aan hem
τῷ
(to)
aan de
δὲ
(de)
maar
εἰς
(eis)
tegen
τὸ
(to)
de
ἅγιον
(hagion)
Heilige
πνεῦμα
(pneuma)
Geest
βλασφημήσαντι
(blasphemesanti)
lasterende
οὐκ
(ouk)
niet
ἀφεθήσεται
(aphethesetai)
zal vergeven worden
Bron: SBLGNT
Uitleg
βλασφημέω (blasphemeo), ‘lasteren’: kwaadspreken, vooral over Elohim.
11Wanneer men jullie voor de synagogen, de overheden en de gezagsdragers brengt, maak je dan geen zorgen over hoe of waarmee jullie je moeten verdedigen, of wat jullie moeten zeggen.
ὅταν
(hotan)
wanneer
δὲ
(de)
maar
εἰσφέρωσιν
(eispherosin)
zij brengen binnen
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἐπὶ
(epi)
voor
τὰς
(tas)
de
συναγωγὰς
(synagogas)
synagogen
καὶ
(kai)
en
τὰς
(tas)
de
ἀρχὰς
(archas)
overheden
καὶ
(kai)
en
τὰς
(tas)
de
ἐξουσίας
(exousias)
gezagsdragers
μὴ
(me)
niet
μεριμνήσητε
(merimnesete)
maak je zorgen
πῶς
(pos)
hoe
ἢ
(e)
of
τί
(ti)
wat
ἀπολογήσησθε
(apologesesthe)
jullie je verdedigen
ἢ
(e)
of
τί
(ti)
wat
εἴπητε
(eipete)
jullie zeggen
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀρχή (arche), ‘overheid’, en ἐξουσία (exousia), ‘gezag’, in het meervoud ‘gezagsdragers’: bestuurders die het gezag hebben.
20Maar Elohim zei tegen hem: ‘Dwaas! In deze nacht eisen zij je ziel van je terug. Van wie zal zijn wat je hebt klaargemaakt?’
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
Ἄφρων
(Aphron)
dwaas
ταύτῃ
(taute)
in deze
τῇ
(te)
de
νυκτὶ
(nykti)
nacht
τὴν
(ten)
de
ψυχήν
(psychen)
ziel
σου
(sou)
je
ἀπαιτοῦσιν
(apaitousin)
eisen terug
ἀπὸ
(apo)
van
σοῦ
(sou)
je
ἃ
(ha)
wat
δὲ
(de)
maar
ἡτοίμασας
(hetoimasas)
je hebt klaargemaakt
τίνι
(tini)
van wie
ἔσται
(estai)
zal zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἄφρων (aphron), ‘dwaas’: iemand zonder inzicht; hetzelfde woord als in 11:40. ἀπαιτέω (apaiteo), ‘terugeisen’.
Het Grieks heeft een meervoud zonder genoemd onderwerp (‘zij eisen’).
21Zo gaat het met wie schatten voor zichzelf verzamelt en niet rijk is voor Elohim.”
οὕτως
(houtos)
zo
ὁ
(ho)
de
θησαυρίζων
(thesaurizon)
schatten verzamelende
ἑαυτῷ
(heauto)
voor zichzelf
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
εἰς
(eis)
voor
θεὸν
(theon)
Elohim
πλουτῶν
(plouton)
rijk zijnde
Bron: SBLGNT
Wees niet bezorgd
22Hij zei tegen Zijn leerlingen: „Daarom zeg Ik jullie: wees niet bezorgd over het leven, over wat jullie zullen eten, en niet over het lichaam, over wat jullie zullen aantrekken.
Εἶπεν
(Eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
πρὸς
(pros)
tegen
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Διὰ
(Dia)
om
τοῦτο
(touto)
dit
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
μὴ
(me)
niet
μεριμνᾶτε
(merimnate)
wees bezorgd
τῇ
(te)
over het
ψυχῇ
(psyche)
leven
τί
(ti)
wat
φάγητε
(phagete)
jullie zullen eten
μηδὲ
(mede)
noch
τῷ
(to)
over het
σώματι
(somati)
lichaam
τί
(ti)
wat
ἐνδύσησθε
(endysesthe)
jullie zullen aantrekken
Bron: SBLGNT
Uitleg
ψυχή (psyche), ‘leven’: het Hebreeuwse נֶפֶשׁ (nefesh).
23Want het leven is meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding.
ἡ
(he)
het
γὰρ
(gar)
want
ψυχὴ
(psyche)
leven
πλεῖόν
(pleion)
meer
ἐστιν
(estin)
is
τῆς
(tes)
dan het
τροφῆς
(trophes)
voedsel
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
het
σῶμα
(soma)
lichaam
τοῦ
(tou)
dan de
ἐνδύματος
(endymatos)
kleding
Bron: SBLGNT
24Bekijk goed de raven: zij zaaien niet en oogsten niet, zij hebben geen voorraadkamer en geen schuur, en Elohim voedt hen. Hoeveel meer zijn jullie waard dan de vogels!
κατανοήσατε
(katanoesate)
bekijk goed
τοὺς
(tous)
de
κόρακας
(korakas)
raven
ὅτι
(hoti)
dat
οὐ
(ou)
niet
σπείρουσιν
(speirousin)
zij zaaien
οὐδὲ
(oude)
en niet
θερίζουσιν
(therizousin)
zij oogsten
οἷς
(hois)
voor wie
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
ταμεῖον
(tameion)
voorraadkamer
οὐδὲ
(oude)
en niet
ἀποθήκη
(apotheke)
schuur
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
τρέφει
(trephei)
voedt
αὐτούς
(autous)
hen
πόσῳ
(poso)
hoeveel
μᾶλλον
(mallon)
meer
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
διαφέρετε
(diapherete)
zijn waard
τῶν
(ton)
dan de
πετεινῶν
(peteinon)
vogels
Bron: SBLGNT
Uitleg
κόραξ (korax), ‘raaf’: vergelijk Ps. 147:9 en Job 38:41, waar Elohim de raven voedt. ταμεῖον (tameion): elders ‘binnenkamer’ (vers 3 en Matt. 6:6); hier is het een opslagplaats, daarom ‘voorraadkamer’. ἀποθήκη (apotheke), ‘schuur’.
26Als jullie dus zelfs het geringste niet kunnen, waarom zijn jullie dan bezorgd over de rest?
εἰ
(ei)
als
οὖν
(oun)
dus
οὐδὲ
(oude)
zelfs niet
ἐλάχιστον
(elachiston)
het geringste
δύνασθε
(dynasthe)
jullie kunnen
τί
(ti)
waarom
περὶ
(peri)
over
τῶν
(ton)
de
λοιπῶν
(loipon)
overige dingen
μεριμνᾶτε
(merimnate)
zijn jullie bezorgd
Bron: SBLGNT
27Bekijk goed de lelies, hoe zij groeien. Zij zwoegen niet en spinnen niet. Maar Ik zeg jullie: zelfs Salomo was in al zijn heerlijkheid niet gekleed als een van deze.
28Het gras is vandaag in het veld en wordt morgen in de oven geworpen. Als Elohim dat zo kleedt, hoeveel meer zal Hij jullie dan kleden, kleingelovigen!
εἰ
(ei)
als
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
in
ἀγρῷ
(agro)
veld
τὸν
(ton)
het
χόρτον
(chorton)
gras
ὄντα
(onta)
zijnde
σήμερον
(semeron)
vandaag
καὶ
(kai)
en
αὔριον
(aurion)
morgen
εἰς
(eis)
in
κλίβανον
(klibanon)
oven
βαλλόμενον
(ballomenon)
geworpen wordend
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
οὕτως
(houtos)
zo
ἀμφιέζει
(amphiezei)
kleedt
πόσῳ
(poso)
hoeveel
μᾶλλον
(mallon)
meer
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ὀλιγόπιστοι
(oligopistoi)
kleingelovigen
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het werkwoord bij ‘hoeveel meer jullie’ ontbreekt in het Grieks; wij schrijven ‘zal Hij jullie kleden’. κλίβανος (klibanos), ‘oven’: zie Matt. 6:30.
Vergelijk Jes. 40:6–8 en Ps. 103:15–16, waar de mens als gras is.
33Verkoop jullie bezittingen en geef aalmoezen. Maak voor jullie geldbuidels die niet verslijten, een onuitputtelijke schat in de hemelen, waar geen dief in de buurt komt en geen mot iets vernietigt.
36En jullie, wees als mensen die op hun heer wachten wanneer hij van de bruiloft terugkeert, zodat zij hem meteen opendoen als hij komt en klopt.
καὶ
(kai)
en
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ὅμοιοι
(homoioi)
gelijk aan
ἀνθρώποις
(anthropois)
mensen
προσδεχομένοις
(prosdechomenois)
wachtend op
τὸν
(ton)
de
κύριον
(kyrion)
heer
ἑαυτῶν
(heauton)
hun eigen
πότε
(pote)
wanneer
ἀναλύσῃ
(analyse)
hij terugkeert
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
γάμων
(gamon)
bruiloft
ἵνα
(hina)
opdat
ἐλθόντος
(elthontos)
gekomen zijnde
καὶ
(kai)
en
κρούσαντος
(krousantos)
kloppend
εὐθέως
(eutheos)
meteen
ἀνοίξωσιν
(anoixosin)
zij opendoen
αὐτῷ
(auto)
voor hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft geen werkwoord: letterlijk ‘en jullie gelijk aan mensen’.
Wij lezen: ‘wees als’.
37Gelukkig die knechten die de heer, wanneer hij komt, wakend vindt. Voorwaar, Ik zeg jullie: hij zal zich omgorden, hen laten aanliggen, langskomen en hen dienen.
μακάριοι
(makarioi)
gelukkig
οἱ
(hoi)
de
δοῦλοι
(douloi)
knechten
ἐκεῖνοι
(ekeinoi)
die
οὓς
(hous)
wie
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
heer
εὑρήσει
(heuresei)
zal vinden
γρηγοροῦντας
(gregorountas)
wakend
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ὅτι
(hoti)
dat
περιζώσεται
(perizosetai)
zal zich omgorden
καὶ
(kai)
en
ἀνακλινεῖ
(anaklinei)
zal laten aanliggen
αὐτοὺς
(autous)
hen
καὶ
(kai)
en
παρελθὼν
(parelthon)
langsgekomen
διακονήσει
(diakonesei)
zal dienen
αὐτοῖς
(autois)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg
δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’; zie Matt. 24:45. ἀνακλίνω (anaklino), ‘laten aanliggen’: aan tafel laten gaan liggen.
40Wees ook jullie klaar. Want op een uur waarop jullie het niet verwachten, komt de Mensenzoon.”
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
γίνεσθε
(ginesthe)
wees
ἕτοιμοι
(hetoimoi)
klaar
ὅτι
(hoti)
omdat
ᾗ
(he)
op welk
ὥρᾳ
(hora)
uur
οὐ
(ou)
niet
δοκεῖτε
(dokeite)
verwachten jullie
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
ἔρχεται
(erchetai)
komt
Bron: SBLGNT
De trouwe en de ontrouwe beheerder
41Petrus zei: „Heer, zegt U deze gelijkenis tegen ons, of ook tegen allen?”
Εἶπεν
(Eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
Κύριε
(Kyrie)
Heer
πρὸς
(pros)
tegen
ἡμᾶς
(hemas)
ons
τὴν
(ten)
de
παραβολὴν
(parabolen)
gelijkenis
ταύτην
(tauten)
deze
λέγεις
(legeis)
zegt U
ἢ
(e)
of
καὶ
(kai)
ook
πρὸς
(pros)
tegen
πάντας
(pantas)
allen
Bron: SBLGNT
42De Heer zei: „Wie is dan de trouwe en verstandige beheerder die zijn heer over zijn huispersoneel zal aanstellen om hun op tijd het voedselrantsoen te geven?
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
Heer
Τίς
(Tis)
wie
ἄρα
(ara)
dan
ἐστὶν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
πιστὸς
(pistos)
trouwe
οἰκονόμος
(oikonomos)
beheerder
ὁ
(ho)
de
φρόνιμος
(phronimos)
verstandige
ὃν
(hon)
die
καταστήσει
(katastesei)
zal aanstellen
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
heer
ἐπὶ
(epi)
over
τῆς
(tes)
het
θεραπείας
(therapeias)
huispersoneel
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τοῦ
(tou)
om
διδόναι
(didonai)
te geven
ἐν
(en)
op
καιρῷ
(kairo)
tijd
τὸ
(to)
het
σιτομέτριον
(sitometrion)
voedselrantsoen
Bron: SBLGNT
Uitleg
οἰκονόμος (oikonomos), ‘beheerder’: wie het huishouden van zijn heer beheert. θεραπεία (therapeia), ‘huispersoneel’: de bedienden van het huis; in Matt. 24:45 staat οἰκετεία (oiketeia). σιτομέτριον (sitometrion), ‘voedselrantsoen’: het afgemeten voedsel voor het huispersoneel; dit woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor.
43Gelukkig die knecht die zijn heer, wanneer hij komt, zo bezig vindt.
μακάριος
(makarios)
gelukkig
ὁ
(ho)
de
δοῦλος
(doulos)
knecht
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
ὃν
(hon)
wie
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
heer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
εὑρήσει
(heuresei)
zal vinden
ποιοῦντα
(poiounta)
doend
οὕτως
(houtos)
zo
Bron: SBLGNT
44Werkelijk, Ik zeg jullie: hij zal hem aanstellen over al zijn bezittingen.
ἀληθῶς
(alethos)
werkelijk
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ὅτι
(hoti)
dat
ἐπὶ
(epi)
over
πᾶσιν
(pasin)
alle
τοῖς
(tois)
de
ὑπάρχουσιν
(hyparchousin)
bezittingen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καταστήσει
(katastesei)
zal aanstellen
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
45Maar als die knecht in zijn hart zegt: ‘Mijn heer blijft lang weg’, en hij begint de knechten en de dienaressen te slaan, en te eten, te drinken en dronken te worden,
ἐὰν
(ean)
als
δὲ
(de)
maar
εἴπῃ
(eipe)
zegt
ὁ
(ho)
de
δοῦλος
(doulos)
knecht
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
καρδίᾳ
(kardia)
hart
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Χρονίζει
(Chronizei)
talmt
ὁ
(ho)
de
κύριός
(kyrios)
heer
μου
(mou)
mijn
ἔρχεσθαι
(erchesthai)
te komen
καὶ
(kai)
en
ἄρξηται
(arxetai)
begint
τύπτειν
(typtein)
te slaan
τοὺς
(tous)
de
παῖδας
(paidas)
knechten
καὶ
(kai)
en
τὰς
(tas)
de
παιδίσκας
(paidiskas)
dienaressen
ἐσθίειν
(esthiein)
te eten
τε
(te)
en
καὶ
(kai)
en
πίνειν
(pinein)
te drinken
καὶ
(kai)
en
μεθύσκεσθαι
(methyskesthai)
dronken te worden
Bron: SBLGNT
Uitleg
παῖς (pais), ‘knecht’, en παιδίσκη (paidiske), ‘dienares’: de bedienden in het huis, mannen en vrouwen.
46dan zal de heer van die knecht komen op een dag waarop hij het niet verwacht en op een uur waarop hij het niet weet. Hij zal hem in tweeën houwen en zijn deel bij de ontrouwen plaatsen.
ἥξει
(hexei)
zal komen
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
heer
τοῦ
(tou)
van de
δούλου
(doulou)
knecht
ἐκείνου
(ekeinou)
die
ἐν
(en)
op
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
ᾗ
(he)
waarop
οὐ
(ou)
niet
προσδοκᾷ
(prosdoka)
hij verwacht
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
op
ὥρᾳ
(hora)
uur
ᾗ
(he)
waarop
οὐ
(ou)
niet
γινώσκει
(ginoskei)
hij weet
καὶ
(kai)
en
διχοτομήσει
(dichotomesei)
zal in tweeën houwen
αὐτὸν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
het
μέρος
(meros)
deel
αὐτοῦ
(autou)
zijn
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
ἀπίστων
(apiston)
ontrouwen
θήσει
(thesei)
zal plaatsen
Bron: SBLGNT
Uitleg
διχοτομέω (dichotomeo), ‘in tweeën houwen’: letterlijk ‘doormidden snijden’; het kan ook beeldspraak zijn voor een zware straf, zoals in Matt. 24:51. ἄπιστος (apistos), ‘ontrouw’: ook ‘ongelovig’; het is het tegenovergestelde van de ‘trouwe’ (πιστός) beheerder in vers 42.
47Die knecht die de wil van zijn heer kende en zich niet heeft voorbereid of niet naar zijn wil heeft gehandeld, zal veel slagen krijgen.
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
δοῦλος
(doulos)
knecht
ὁ
(ho)
die
γνοὺς
(gnous)
gekend hebbend
τὸ
(to)
de
θέλημα
(thelema)
wil
τοῦ
(tou)
van de
κυρίου
(kyriou)
heer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
ἑτοιμάσας
(hetoimasas)
voorbereid hebbend
ἢ
(e)
of
ποιήσας
(poiesas)
gedaan hebbend
πρὸς
(pros)
naar
τὸ
(to)
de
θέλημα
(thelema)
wil
αὐτοῦ
(autou)
zijn
δαρήσεται
(daresetai)
zal geslagen worden
πολλάς
(pollas)
veel
Bron: SBLGNT
48Maar wie het niet kende en dingen deed die slagen verdienen, zal er weinig krijgen. Van ieder aan wie veel gegeven is, zal veel gevraagd worden. En van degene aan wie veel is toevertrouwd, zal men nog meer eisen.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
μὴ
(me)
niet
γνοὺς
(gnous)
gekend hebbend
ποιήσας
(poiesas)
gedaan hebbend
δὲ
(de)
maar
ἄξια
(axia)
waardige dingen
πληγῶν
(plegon)
van slagen
δαρήσεται
(daresetai)
zal geslagen worden
ὀλίγας
(oligas)
weinig
παντὶ
(panti)
aan ieder
δὲ
(de)
maar
ᾧ
(ho)
aan wie
ἐδόθη
(edothe)
is gegeven
πολύ
(poly)
veel
πολὺ
(poly)
veel
ζητηθήσεται
(zetethesetai)
zal gevraagd worden
παρ’
(par’)
van
αὐτοῦ
(autou)
hem
καὶ
(kai)
en
ᾧ
(ho)
aan wie
παρέθεντο
(parethento)
zij vertrouwden toe
πολύ
(poly)
veel
περισσότερον
(perissoteron)
meer
αἰτήσουσιν
(aitesousin)
zullen zij eisen
αὐτόν
(auton)
van hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
δέρω (dero), ‘slaan’: met een stok of zweep slaan.
Het Grieks heeft in vers 47–48 alleen ‘veel’ en ‘weinig’; wij schrijven ‘slagen’.
Het laatste werkwoord (‘zullen zij eisen’) heeft geen genoemd onderwerp; wij schrijven ‘men’.
49Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen. Hoe graag wil Ik dat het al is aangestoken!
Πῦρ
(Pyr)
vuur
ἦλθον
(elthon)
Ik kwam
βαλεῖν
(balein)
te werpen
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
aarde
καὶ
(kai)
en
τί
(ti)
wat
θέλω
(thelo)
wil Ik
εἰ
(ei)
als
ἤδη
(ede)
al
ἀνήφθη
(anephthe)
is aangestoken
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft letterlijk ‘en wat wil Ik, als het al is aangestoken?’
Wij lezen dit als een verlangen: ‘Hoe graag wil Ik dat het al is aangestoken!’
Andere uitleggingen zijn mogelijk.
50Maar Ik heb een doop waarmee Ik gedoopt moet worden, en hoe word Ik beklemd totdat die volbracht is!
βάπτισμα
(baptisma)
doop
δὲ
(de)
maar
ἔχω
(echo)
Ik heb
βαπτισθῆναι
(baptisthenai)
gedoopt te worden
καὶ
(kai)
en
πῶς
(pos)
hoe
συνέχομαι
(synechomai)
word Ik beklemd
ἕως
(heos)
tot
ὅτου
(hotou)
wanneer
τελεσθῇ
(telesthe)
volbracht is
Bron: SBLGNT
Uitleg
βάπτισμα (baptisma), ‘doop’: hier een beeld voor het lijden dat Yeshua te wachten staat, zoals in Mark. 10:38. συνέχομαι (synechomai), ‘beklemd worden’: vastgehouden of benauwd zijn. τελέω (teleo), ‘volbrengen’.
52Want van nu af zullen er 5 in één huis verdeeld zijn: 3 tegen 2 en 2 tegen 3.
ἔσονται
(esontai)
zullen zijn
γὰρ
(gar)
want
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
het
νῦν
(nyn)
nu
πέντε
(pente)
vijf
ἐν
(en)
in
ἑνὶ
(heni)
één
οἴκῳ
(oiko)
huis
διαμεμερισμένοι
(diamemerismenoi)
verdeeld
τρεῖς
(treis)
drie
ἐπὶ
(epi)
tegen
δυσὶν
(dysin)
twee
καὶ
(kai)
en
δύο
(dyo)
twee
ἐπὶ
(epi)
tegen
τρισίν
(trisin)
drie
Bron: SBLGNT
53Vader zal tegen zoon verdeeld zijn en zoon tegen vader, moeder tegen dochter en dochter tegen moeder, schoonmoeder tegen haar schoondochter en schoondochter tegen schoonmoeder.”
διαμερισθήσονται
(diameristhesontai)
zullen verdeeld worden
πατὴρ
(pater)
vader
ἐπὶ
(epi)
tegen
υἱῷ
(huio)
zoon
καὶ
(kai)
en
υἱὸς
(huios)
zoon
ἐπὶ
(epi)
tegen
πατρί
(patri)
vader
μήτηρ
(meter)
moeder
ἐπὶ
(epi)
tegen
θυγατέρα
(thygatera)
dochter
καὶ
(kai)
en
θυγάτηρ
(thygater)
dochter
ἐπὶ
(epi)
tegen
τὴν
(ten)
de
μητέρα
(metera)
moeder
πενθερὰ
(penthera)
schoonmoeder
ἐπὶ
(epi)
tegen
τὴν
(ten)
de
νύμφην
(nymphen)
schoondochter
αὐτῆς
(autes)
haar
καὶ
(kai)
en
νύμφη
(nymphe)
schoondochter
ἐπὶ
(epi)
tegen
τὴν
(ten)
de
πενθεράν
(pentheran)
schoonmoeder
Bron: SBLGNT
Uitleg
Vergelijk Micha 7:6: ‘de zoon veracht zijn vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder’.
57En waarom oordelen jullie niet zelf wat rechtvaardig is?
Τί
(Ti)
waarom
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
ἀφ’
(aph’)
van
ἑαυτῶν
(heauton)
jezelf
οὐ
(ou)
niet
κρίνετε
(krinete)
jullie oordelen
τὸ
(to)
het
δίκαιον
(dikaion)
rechtvaardige
Bron: SBLGNT
58Want als je met je tegenpartij naar een overheid gaat, doe dan onderweg moeite om van hem af te komen. Anders sleept hij je naar de rechter, de rechter levert je uit aan de gerechtsdienaar en de gerechtsdienaar werpt je in de gevangenis.
ὡς
(hos)
als
γὰρ
(gar)
want
ὑπάγεις
(hypageis)
je gaat
μετὰ
(meta)
met
τοῦ
(tou)
de
ἀντιδίκου
(antidikou)
tegenpartij
σου
(sou)
je
ἐπ’
(ep’)
naar
ἄρχοντα
(archonta)
overheid
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
δὸς
(dos)
geef
ἐργασίαν
(ergasian)
moeite
ἀπηλλάχθαι
(apellachthai)
verlost te zijn
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτοῦ
(autou)
hem
μήποτε
(mepote)
opdat niet
κατασύρῃ
(katasyre)
hij sleept
σε
(se)
je
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
de
κριτήν
(kriten)
rechter
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
κριτής
(krites)
rechter
σε
(se)
je
παραδώσει
(paradosei)
zal uitleveren
τῷ
(to)
aan de
πράκτορι
(praktori)
gerechtsdienaar
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
πράκτωρ
(praktor)
gerechtsdienaar
σε
(se)
je
βαλεῖ
(balei)
zal werpen
εἰς
(eis)
in
φυλακήν
(phylaken)
gevangenis
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἄρχων (archon), ‘overheid’: een bestuurder die recht spreekt. ἀντίδικος (antidikos), ‘tegenpartij’; κριτής (krites), ‘rechter’; πράκτωρ (praktor), ‘gerechtsdienaar’: iemand die de uitspraak uitvoert; in Matt. 5:25 staat ὑπηρέτης (hyperetes), ‘gerechtsdienaar’. ἐργασίαν δός (ergasian dos), ‘doe moeite’: letterlijk ‘geef werk’.
59Ik zeg je: je komt daar zeker niet uit, totdat je ook de laatste kleine munt hebt betaald.”
λέγω
(lego)
Ik zeg
σοι
(soi)
je
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
zeker niet
ἐξέλθῃς
(exelthes)
je komt uit
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
ἕως
(heos)
totdat
καὶ
(kai)
ook
τὸ
(to)
de
ἔσχατον
(eschaton)
laatste
λεπτὸν
(lepton)
kleine munt
ἀποδῷς
(apodos)
je betaalt
Bron: SBLGNT
Uitleg
λεπτόν (lepton), ‘kleine munt’: de kleinste koperen munt.
Twee kleine munten zijn samen een kwadrant (zie Matt. 5:26 en Mark. 12:42), ongeveer 1/64 van een denarie; een kleine munt is dus ongeveer 1/128 van een denarie.