Elohim Bijbel

Jeremia 10

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Yahweh en de nietige goden van de volken

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Leer de weg van de volken niet

1Hoor het woord dat Yahweh over jullie gesproken heeft, huis van Israël.
שִׁמְע֣וּ
(shimu)
hoort
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֗ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֧ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
over jullie
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is een oproep van de profeet; Yahweh wordt in de derde persoon genoemd.

Het staat daarom zwart.

2Zo zegt Yahweh: „Leer de weg van de volken niet, en wees niet ontzet door de tekenen van de hemel, want de volken zijn daardoor ontzet.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
דֶּ֤רֶךְ
(derekh)
weg van
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
אַל
(al)
niet
תִּלְמָ֔דוּ
(tilmadu)
leert
וּמֵאֹת֥וֹת
(umeotot)
en van tekenen van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
אַל
(al)
niet
תֵּחָ֑תּוּ
(techatu)
wees ontzet
כִּֽי
(ki)
want
יֵחַ֥תּוּ
(yechatu)
zijn ontzet
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
מֵהֵֽמָּה
(mehema)
door hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּמֵאֹתוֹת הַשָּׁמַיִם (me’otot hashamayim), ‘de tekenen van de hemel’: tekenen aan de sterrenhemel waaruit volken de toekomst probeerden te lezen.

Yahweh heeft de hemellichten aan de volken toegewezen (Deut. 4:19), maar zij zijn geen reden tot angst.

תֵּחָתּוּ (techattu), ‘wees ontzet’ en יֵחַתּוּ (yechattu), ‘zijn ontzet’: hetzelfde werkwoord חָתַת (chatat), ‘ontzet, geschrokken zijn’, als in Jer. 1:17.

Na de formule ‘Zo zegt Yahweh’ staat het volgende rood, tot en met vers 5.

3Want de voorschriften van de volken zijn een nietigheid. Het is hout dat iemand uit het bos gekapt heeft, het werk van de handen van een ambachtsman met de bijl.
כִּֽי
(ki)
want
חֻקּ֥וֹת
(chuqot)
voorschriften van
הָֽעַמִּ֖ים
(haamim)
de volken
הֶ֣בֶל
(hevel)
nietigheid
ה֑וּא
(hu)
het
כִּֽי
(ki)
want
עֵץ֙
(ets)
hout
מִיַּ֣עַר
(miyaar)
uit het bos
כְּרָת֔וֹ
(kerato)
heeft gekapt het
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
werk van
יְדֵ֥י
(yedei)
handen van
חָרָ֖שׁ
(charash)
ambachtsman
בַּֽמַּעֲצָֽד
(bamaatsad)
met de bijl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֻקּוֹת הָעַמִּים (chuqqot ha’ammim), ‘de voorschriften van de volken’: de gebruiken van de volken, ook hun eredienst.

הֶבֶל (hevel), ‘een nietigheid’: letterlijk ‘damp, adem’, wat niets betekent.

Vers 3 tot en met 5 beschrijven hoe een afgod wordt gemaakt: hout uit het bos, door een ambachtsman bewerkt. Zie ook Jes. 44:12–17, 40:19–20 en 46:6–7.

בַּמַּעֲצָד (bamma’atsad), ‘met de bijl’: zeldzaam woord, zoals Jes. 44:12.

4Met zilver en goud maakt men het mooi. Met spijkers en hamers maakt men het vast, zodat het niet wankelt.
בְּכֶ֥סֶף
(bekhesef)
met zilver
וּבְזָהָ֖ב
(uvezahav)
en met goud
יְיַפֵּ֑הוּ
(yeyapehu)
maakt men het mooi
בְּמַסְמְר֧וֹת
(bemasmerot)
met spijkers
וּבְמַקָּב֛וֹת
(uvemaqavot)
en met hamers
יְחַזְּק֖וּם
(yechazequm)
maakt men ze vast
וְל֥וֹא
(velo)
en niet
יָפִֽיק
(yafiq)
wankelt het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָפִיק (yafiq), ‘wankelt’: het werkwoord פּוּק (puk) komt zelden voor; het beeld is vastgespijkerd, zodat het niet omvalt.

Een god die vastgespijkerd moet worden, kan zichzelf niet houden.

5Zij zijn als een palmboom van gedreven werk en zij spreken niet. Men moet ze dragen, want zij lopen niet. Wees niet bang voor hen, want zij doen geen kwaad, en goed doen zij ook niet.”
כְּתֹ֨מֶר
(ketomer)
als een palm
מִקְשָׁ֥ה
(miqsha)
gedreven werk
הֵ֨מָּה֙
(hema)
zij
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יְדַבֵּ֔רוּ
(yedaberu)
zij spreken
נָשׂ֥וֹא
(naso)
gedragen worden
יִנָּשׂ֖וּא
(yinasu)
zij worden gedragen
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
יִצְעָ֑דוּ
(yitsadu)
zij lopen
אַל
(al)
niet
תִּֽירְא֤וּ
(tireu)
wees bang
מֵהֶם֙
(mehem)
van hen
כִּי
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
יָרֵ֔עוּ
(yareu)
zij doen kwaad
וְגַם
(vegam)
en ook
הֵיטֵ֖יב
(heiteiv)
goed doen
אֵ֥ין
(ein)
niet is
אוֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּתֹמֶר מִקְשָׁה (ketomer miqshah), ‘een palmboom van gedreven werk’: het Hebreeuws is hier onzeker.

Het woord תֹּמֶר (tomer) is ‘palm’ of ‘palmpilaar’, מִקְשָׁה (miqshah) ‘gedreven werk’ (gehamerd metaal).

Een andere mogelijkheid is ‘een vogelverschrikker in een komkommerveld’.

Vergelijk Ps. 115:4–7 en 135:15–17: ze hebben een mond maar spreken niet.

Hier eindigt het rood van Yahweh’s woorden.

Niemand is als U

6Niemand is als U, Yahweh. U bent groot en Uw naam is groot in kracht.
מֵאֵ֥ין
(meein)
van niets
כָּמ֖וֹךָ
(kamokha)
zoals U
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
גָּד֥וֹל
(gadol)
groot
אַתָּ֛ה
(ata)
U
וְגָד֥וֹל
(vegadol)
en groot
שִׁמְךָ֖
(shimkha)
Uw naam
בִּגְבוּרָֽה
(bigvura)
in kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier spreekt de profeet tot Yahweh: ‘U’ en ‘Uw’ met hoofdletter.

Vergelijk Exod. 15:11 en Ps. 86:8.

7Wie zou U niet vrezen, Koning van de volken? Want het komt U toe. Want onder alle wijzen van de volken en in heel hun koninkrijk is niemand zoals U.
מִ֣י
(mi)
wie
לֹ֤א
(lo)
niet
יִֽרָאֲךָ֙
(yiraakha)
zal U vrezen
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
כִּ֥י
(ki)
want
לְךָ֖
(lekha)
aan U
יָאָ֑תָה
(yaata)
past
כִּ֣י
(ki)
want
בְכָל
(bekhal)
onder alle
חַכְמֵ֧י
(chakhmei)
wijzen van
הַגּוֹיִ֛ם
(hagoyim)
de volken
וּבְכָל
(uvekhal)
en in heel
מַלְכוּתָ֖ם
(malkhutam)
hun koninkrijk
מֵאֵ֥ין
(meein)
zonder
כָּמֽוֹךָ
(kamokha)
zoals U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָאָתָה (ya’ah), ‘het komt U toe’: het werkwoord אָתָה (atah) ‘komen’ is hier ‘passen, betamen’.

Alle eer komt Yahweh toe, de Koning van de volken.

8Zij zijn allemaal tegelijk dom en dwaas. Het onderricht van de nietigheden: het is hout.
וּבְאַחַ֖ת
(uveachat)
en tegelijk
יִבְעֲר֣וּ
(yivaru)
zijn dom
וְיִכְסָ֑לוּ
(veyikhsalu)
en zijn dwaas
מוּסַ֥ר
(musar)
onderricht van
הֲבָלִ֖ים
(havalim)
nietigheden
עֵ֥ץ
(ets)
hout
הֽוּא
(hu)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּבְאַחַת (uve’achat), ‘tegelijk’: het Hebreeuws bedoelt ‘allemaal in één keer, tot de laatste’.

וְיִכְסָלוּ (yikhsalu), ‘zijn dwaas’: het werkwoord כָּסַל (kasal). De betekenis van het slot, מוּסַר הֲבָלִים עֵץ הוּא (musar havalim ets hu), ‘het onderricht van de nietigheden: het is hout’, is moeilijk. Het kan ook worden begrepen als: ‘wie wordt onderricht door nietigheden, krijgt hout’.

9Gehamerd zilver wordt uit Tarsis aangevoerd en goud uit Ufaz, het werk van een ambachtsman en van de handen van een smelter. Blauwpurper en roodpurper is hun kleding. Het is allemaal het werk van wijzen.
כֶּ֣סֶף
(kesef)
zilver
מְרֻקָּ֞ע
(meruqa)
gehamerd
מִתַּרְשִׁ֣ישׁ
(mitarshish)
uit Tarsis
יוּבָ֗א
(yuva)
wordt gebracht
וְזָהָב֙
(vezahav)
en goud
מֵֽאוּפָ֔ז
(meufaz)
uit Ufaz
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
werk van
חָרָ֖שׁ
(charash)
ambachtsman
וִידֵ֣י
(videi)
en handen van
צוֹרֵ֑ף
(tsoref)
smelter
תְּכֵ֤לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
וְאַרְגָּמָן֙
(veargaman)
en roodpurper
לְבוּשָׁ֔ם
(levusham)
hun kleding
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
werk van
חֲכָמִ֖ים
(chakhamim)
wijzen
כֻּלָּֽם
(kulam)
allemaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker.

Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië.

Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld.

Uitleg

מִתַּרְשִׁישׁ (mitarshish), ‘uit Tarsis’: een verre bestemming van schepen, in het westen (zie 1 Kon. 10:22).

Ligging onzeker.

מֵאוּפָז (me’ufaz), ‘uit Ufaz’: een plaats waar goud vandaan komt. De ligging is niet bekend. Sommige oude vertalingen lezen anders.

תְּכֵלֶת וְאַרְגָּמָן (tekhelet ve’argaman), ‘blauwpurper en roodpurper’: dure kleurstoffen, ook bij de tabernakel gebruikt (Exod. 26:1).

Het beeld is dus met zilver en goud bedekt en gekleed in dure stoffen, maar het leeft niet.

Yahweh is de levende Elohim

10Maar Yahweh is een Elohim van waarheid. Hij is de levende Elohim en een Koning voor eeuwig. Van Zijn gramschap beeft de aarde en de volken kunnen Zijn verontwaardiging niet verdragen.
וַֽיהוָ֤ה
(vaYahweh)
en Yahweh
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֱמֶ֔ת
(emet)
waarheid
הֽוּא
(hu)
Hij
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
חַיִּ֖ים
(chayim)
levend
וּמֶ֣לֶךְ
(umelekh)
en koning van
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwigheid
מִקִּצְפּוֹ֙
(miqitspo)
van Zijn gramschap
תִּרְעַ֣שׁ
(tirash)
beeft
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָכִ֥לוּ
(yakhilu)
kunnen verdragen
גוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
זַעְמֽוֹ
(zamo)
Zijn verontwaardiging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיהוָה אֱלֹהִים אֱמֶת הוּא (vYahweh Elohim emet hu), ‘Maar Yahweh is een Elohim van waarheid’: het tegenovergestelde van de nietigheden.

אֱמֶת (emet) is ‘waarheid’; het staat tegenover het bedrog van de beelden (vers 14).

אֱלֹהִים חַיִּים (Elohim chayyim), ‘de levende Elohim’: het beeld heeft geen adem (vers 14).

וּמֶלֶךְ עוֹלָם (melekh olam), ‘Koning voor eeuwig’: olam is hier ‘eeuwigheid’.

מִקִּצְפּוֹ (qetsef), ‘gramschap’, en זַעְמוֹ (za’am), ‘verontwaardiging’: twee woorden voor Yahweh’s toorn.

Een Aramees vers

11Zo moeten jullie tot hen zeggen: „De goden die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben: deze zullen van de aarde en van onder de hemel verdwijnen.”
כִּדְנָה֙
(kidna)
zo
תֵּאמְר֣וּן
(temrun)
jullie zullen zeggen
לְה֔וֹם
(lehom)
tot hen
אֱלָ֣הַיָּ֔א
(elahaya)
de goden
דִּֽי
(di)
die
שְׁמַיָּ֥א
(shemaya)
de hemel
וְאַרְקָ֖א
(vearqa)
en de aarde
לָ֣א
(la)
niet
עֲבַ֑דוּ
(avadu)
hebben gemaakt
יֵאבַ֧דוּ
(yevadu)
zullen omkomen
מֵֽאַרְעָ֛א
(meara)
van de aarde
וּמִן
(umin)
en van
תְּח֥וֹת
(techot)
onder
שְׁמַיָּ֖א
(shemaya)
de hemel
אֵֽלֶּה
(ele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier tot en met dit vers is de brontekst Aramees (de taal van de volken, niet het Hebreeuws).

Het Hebreeuws hervat in vers 12.

Het woord voor ‘aarde’ staat in twee Aramese vormen: וְאַרְקָא (ve’arqa) en מֵאַרְעָא (me’ar’a).

דִּי (di), ‘die’, en אֱלָהַיָּא (elahayya), ‘de goden’ zijn Aramese woorden.

Dit vers is een woord dat aan de volken gezegd moet worden, in hun eigen taal. Het staat zwart; het begint met ‘Zo moeten jullie zeggen’ (כִּדְנָה תֵּאמְרוּן, kidnah te’merun).

Hij maakte de aarde door Zijn kracht

12Hij is de Maker van de aarde door Zijn kracht, de Grondvester van de wereld door Zijn wijsheid. Door Zijn inzicht heeft Hij de hemel uitgespannen.
עֹשֵׂ֥ה
(ose)
maker van
אֶ֨רֶץ֙
(erets)
aarde
בְּכֹח֔וֹ
(bekhocho)
door Zijn kracht
מֵכִ֥ין
(mekhin)
grondvester van
תֵּבֵ֖ל
(tevel)
wereld
בְּחָכְמָת֑וֹ
(bechakhemato)
door Zijn wijsheid
וּבִתְבוּנָת֖וֹ
(uvitvunato)
en door Zijn inzicht
נָטָ֥ה
(nata)
heeft uitgespannen
שָׁמָֽיִם
(shamayim)
hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier hervat het Hebreeuws.

De verzen 12–16 komen bijna woordelijk terug in Jer. 51:15–19; waar het Hebreeuws gelijk is, zijn de Nederlandse woorden gelijk.

עֹשֵׂה (oseh), ‘de Maker’; מֵכִין (mekhin), ‘de Grondvester’; נָטָה (natah), ‘heeft uitgespannen’: drie werkwoorden van de schepping.

Dit lied van lof staat zwart: Yahweh wordt in de derde persoon genoemd.

13Als Hij Zijn stem laat klinken, is er een gedruis van water in de hemel. Hij laat wolken opstijgen van het einde van de aarde. Hij maakt bliksemflitsen voor de regen. Hij brengt de wind uit Zijn voorraadkamers.
לְק֨וֹל
(leqol)
bij het geluid
תִּתּ֜וֹ
(tito)
Zijn geven
הֲמ֥וֹן
(hamon)
gedruis van
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
בַּשָּׁמַ֔יִם
(bashamayim)
in de hemel
וַיַּעֲלֶ֥ה
(vayaale)
en Hij doet opstijgen
נְשִׂאִ֖ים
(nesiim)
wolken
מִקְצֵ֣ה
(miqtse)
van het einde van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
בְּרָקִ֤ים
(beraqim)
bliksemflitsen
לַמָּטָר֙
(lamatar)
voor de regen
עָשָׂ֔ה
(asa)
heeft gemaakt
וַיּ֥וֹצֵא
(vayotse)
en Hij brengt uit
ר֖וּחַ
(ruach)
wind
מֵאֹצְרֹתָֽיו
(meotserotav)
uit Zijn voorraadkamers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is gelijk aan Ps. 135:7, behalve het begin, לְקוֹל תִּתּוֹ הֲמוֹן מַיִם בַּשָּׁמַיִם (leqol titto hamon mayim bashamayim), ‘Als Hij Zijn stem laat klinken, is er een gedruis van water in de hemel’: de donder.

14Ieder mens is dom geworden, zonder kennis. Iedere smelter is beschaamd door het beeld, want zijn gegoten beeld is leugen en er is geen adem in hen.
נִבְעַ֤ר
(nivar)
is dom geworden
כָּל
(kal)
ieder
אָדָם֙
(adam)
mens
מִדַּ֔עַת
(midaat)
zonder kennis
הֹבִ֥ישׁ
(hovish)
is beschaamd
כָּל
(kal)
ieder
צוֹרֵ֖ף
(tsoref)
smelter
מִפָּ֑סֶל
(mipasel)
door het beeld
כִּ֛י
(ki)
want
שֶׁ֥קֶר
(sheqer)
leugen
נִסְכּ֖וֹ
(nisko)
zijn gegoten beeld
וְלֹא
(velo)
en niet
ר֥וּחַ
(ruach)
adem
בָּֽם
(bam)
in hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִבְעַר (niv’ar), ‘is dom geworden’: het werkwoord בָּעַר (ba’ar), ‘dom, onverstandig zijn’.

Het woord staat ook in vers 8 (יִבְעֲרוּ, yiv’aru) en in vers 21.

נִסְכּוֹ (nisko), ‘zijn gegoten beeld’: het woord kan ook ‘plengoffer’ betekenen; hier is het het gegoten beeld van de smelter.

וְלֹא רוּחַ בָּם (velo ruach bam), ‘er is geen adem in hen’: zoals Ps. 135:17.

15Zij zijn een nietigheid, een werk van bespotting. In de tijd van hun straf zullen zij omkomen.
הֶ֣בֶל
(hevel)
nietigheid
הֵ֔מָּה
(hema)
zij
מַעֲשֵׂ֖ה
(maase)
werk van
תַּעְתֻּעִ֑ים
(tatuim)
bespotting
בְּעֵ֥ת
(beet)
in de tijd van
פְּקֻדָּתָ֖ם
(pequdatam)
hun straf
יֹאבֵֽדוּ
(yovedu)
zullen omkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּעְתֻּעִים (ta’tu’im), ‘bespotting’: een zeldzaam woord, ook in Jer. 51:18.

De betekenis is niet zeker; ook ‘dwaling’ of ‘gedoe’.

Dit vers is gelijk aan Jer. 51:18.

פְּקֻדָּתָם (peqquddatam), ‘hun straf’: letterlijk ‘hun bezoeking’, zoals Jer. 8:12.

Het deel van Jakob

16Het deel van Jakob is niet zoals deze, want Hij is de Vormer van alles, en Israël is de stam van Zijn erfdeel. Yahweh van de legermachten is Zijn naam.
לֹֽא
(lo)
niet
כְאֵ֜לֶּה
(keele)
zoals deze
חֵ֣לֶק
(cheleq)
deel van
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
כִּֽי
(ki)
want
יוֹצֵ֤ר
(yotser)
vormer van
הַכֹּל֙
(hakol)
alles
ה֔וּא
(hu)
Hij
וְיִ֨שְׂרָאֵ֔ל
(veyisrael)
en Israël
שֵׁ֖בֶט
(shevet)
stam van
נַֽחֲלָת֑וֹ
(nachalato)
Zijn erfdeel
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שְׁמֽוֹ
(shemo)
Zijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵלֶק יַעֲקֹב (chelek Ya’aqov), ‘het deel van Jakob’: Yahweh is het erfdeel van Zijn volk, zoals Ps. 16:5.

Dat staat tegenover de beelden: hun ‘deel’ is niets.

יוֹצֵר (yotser), ‘de Vormer’: het werkwoord יָצַר (yatsar) is het werkwoord van de pottenbakker; zie Jer. 1:5.

יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19.

Pak je bundel in

17Raap je bundel uit het land bijeen, jij die in het beleg zit.
אִסְפִּ֥י
(ispi)
raap bijeen
מֵאֶ֖רֶץ
(meerets)
uit het land
כִּנְעָתֵ֑ךְ
(kinatekh)
je bundel
יֹשֶׁ֖בֶת
(yoshevet)
wonend
בַּמָּצֽוֹר
(bamatsor)
in het beleg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּנְעָתֵךְ (kin’atekh), ‘je bundel’: een zeldzaam woord, ongeveer ‘wat je meedraagt’; hier de bagage van wie uit de stad moet.

יֹשֶׁבֶת (yoshevet), ‘jij die zit’: vrouwelijk, de stad of het volk als vrouw (zie Jer. 6:2).

18Want zo zegt Yahweh: „Zie, Ik slinger de bewoners van het land deze keer weg en Ik breng hen in nood, opdat zij het ondervinden.”
כִּֽי
(ki)
want
כֹה֙
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Mij
קוֹלֵ֛עַ
(qolea)
slingerend
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
bewoners van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
בַּפַּ֣עַם
(bapaam)
in dit
הַזֹּ֑את
(hazot)
keer
וַהֲצֵר֥וֹתִי
(vahatseroti)
en Ik breng in nood
לָהֶ֖ם
(lahem)
hen
לְמַ֥עַן
(lemaan)
opdat
יִמְצָֽאוּ
(yimtsau)
zij vinden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קוֹלֵעַ (qole’a), ‘slinger weg’: het werkwoord קָלַע (qala) is ‘slingeren’, zoals met een slinger een steen.

De bewoners worden uit hun land geslingerd.

יִמְצָאוּ (yimtsa’u), ‘zij vinden’: het Hebreeuws heeft geen voorwerp; wij begrijpen ‘het’ als de nood: zij zullen het ondervinden.

Wee mij vanwege mijn breuk

19Wee mij vanwege mijn breuk! Mijn wond is ernstig. Ik zei: „Dit is slechts mijn ziekte, ik moet haar dragen.”
א֥וֹי
(oy)
wee
לִי֙
(li)
mij
עַל
(al)
over
שִׁבְרִ֔י
(shivri)
mijn breuk
נַחְלָ֖ה
(nachla)
ernstig is
מַכָּתִ֑י
(makati)
mijn wond
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
אָמַ֔רְתִּי
(amarti)
zei
אַ֛ךְ
(akh)
slechts
זֶ֥ה
(ze)
dit
חֳלִ֖י
(choli)
mijn ziekte
וְאֶשָּׂאֶֽנּוּ
(veesaenu)
en ik zal haar dragen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier spreekt Jeruzalem of het volk, vertegenwoordigd door de profeet.

Het beeld is een gewond lichaam (‘breuk’, ‘wond’, ‘ziekte’), zoals in Jer. 8:21–22.

וָאֲנִי אָמַרְתִּי אַךְ זֶה חֳלִי (va’ani amarti akh zeh choli), ‘Ik zei: Dit is slechts mijn ziekte’: de spreker neemt zijn wond eerst licht en denkt aan een gewone ziekte; vergelijk de lichtvaardigheid in Jer. 6:14.

20Mijn tent is verwoest en al mijn tentkoorden zijn losgerukt. Mijn zonen zijn van mij weggegaan en zijn er niet meer. Er is niemand meer die mijn tent opspant en mijn tentdoeken opricht.
אָהֳלִ֣י
(aholi)
mijn tent
שֻׁדָּ֔ד
(shudad)
is verwoest
וְכָל
(vekhal)
en alle
מֵיתָרַ֖י
(meitaray)
mijn koorden
נִתָּ֑קוּ
(nitaqu)
zijn losgerukt
בָּנַ֤י
(banay)
mijn zonen
יְצָאֻ֨נִי֙
(yetsauni)
zijn van mij weggegaan
וְאֵינָ֔ם
(veeinam)
en zij zijn er niet
אֵין
(ein)
niet is er
נֹטֶ֥ה
(note)
wie uitspant
עוֹד֙
(od)
meer
אָהֳלִ֔י
(aholi)
mijn tent
וּמֵקִ֖ים
(umeqim)
en wie opricht
יְרִיעוֹתָֽי
(yeriotay)
mijn tentdoeken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De stad of het volk wordt voorgesteld als een nomadische tent.

De tentkoorden zijn losgerukt, de kinderen zijn weg, en niemand zet de tent weer op.

Zie ook Jes. 33:20 en 54:2.

21Want de herders zijn dom geworden en Yahweh hebben zij niet gezocht. Daarom hebben zij niet verstandig gehandeld en is heel hun kudde verstrooid.
כִּ֤י
(ki)
want
נִבְעֲרוּ֙
(nivaru)
zijn dom geworden
הָֽרֹעִ֔ים
(haroim)
de herders
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
דָרָ֑שׁוּ
(darashu)
zij hebben gezocht
עַל
(al)
om
כֵּן֙
(ken)
zo
לֹ֣א
(lo)
niet
הִשְׂכִּ֔ילוּ
(hiskilu)
zij hebben verstandig gehandeld
וְכָל
(vekhal)
en heel
מַרְעִיתָ֖ם
(maritam)
hun kudde
נָפֽוֹצָה
(nafotsa)
is verstrooid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרֹעִים (haro’im), ‘de herders’: de leiders van het volk.

Zie ook Jer. 2:8 en 23:1.

דָרָשׁוּ (darashu), ‘zij hebben gezocht’: het werkwoord דָּרַשׁ (darash) is ‘raadplegen, zoeken’.

הִשְׂכִּילוּ (hiskilu), ‘verstandig handelen’: het werkwoord שָׂכַל (sakal) betekent ook ‘succes hebben’.

22Een geluid van een bericht! Zie, het komt, en een groot gerommel uit het land in het noorden. Het komt om de steden van Juda tot een woestenij te maken, een woonplaats van jakhalzen.
ק֤וֹל
(qol)
geluid van
שְׁמוּעָה֙
(shemua)
bericht
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
בָאָ֔ה
(baa)
het komt
וְרַ֥עַשׁ
(veraash)
en gerommel
גָּד֖וֹל
(gadol)
groot
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
צָפ֑וֹן
(tsafon)
noorden
לָשׂ֞וּם
(lasum)
om te maken
אֶת
(et)
(obj.)
עָרֵ֧י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
שְׁמָמָ֖ה
(shemama)
woestenij
מְע֥וֹן
(meon)
woonplaats van
תַּנִּֽים
(tanim)
jakhalzen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

מֵאֶרֶץ צָפוֹן (me’erets tsafon), ‘uit het land in het noorden’: de richting van het onheil, zoals Jer. 1:14 en 6:22.

Het gerommel is het geluid van het leger.

מְעוֹן תַּנִּים (me’on tannim), ‘woonplaats van jakhalzen’: zoals Jer. 9:10.

Het Hebreeuws heeft hier één lange zin; wij splitsen hem en herhalen daarbij ‘het komt’.

Ik weet, Yahweh

23Ik weet, Yahweh, dat de weg van de mens niet van hemzelf is. Het is niet aan de man die gaat om zijn stap te richten.
יָדַ֣עְתִּי
(yadati)
ik weet
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֛י
(ki)
dat
לֹ֥א
(lo)
niet
לָאָדָ֖ם
(laadam)
aan de mens
דַּרְכּ֑וֹ
(darko)
zijn weg
לֹֽא
(lo)
niet
לְאִ֣ישׁ
(leish)
aan een man
הֹלֵ֔ךְ
(holekh)
gaande
וְהָכִ֖ין
(vehakhin)
en richten
אֶֽת
(et)
(obj.)
צַעֲדֽוֹ
(tsaado)
zijn stap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier is het een gebed van de profeet.

Het Hebreeuws is kort: ‘niet aan de mens zijn weg, niet aan een man gaande om zijn stap te richten’.

Wij begrijpen het zo: de mens heeft zijn weg niet in eigen hand.

Vergelijk Spr. 16:9 en 20:24.

24Tuchtig mij, Yahweh, maar naar recht, niet in Uw toorn, anders maakt U mij gering.
יַסְּרֵ֥נִי
(yasereni)
tuchtig mij
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אַךְ
(akh)
maar
בְּמִשְׁפָּ֑ט
(bemishpat)
naar recht
אַל
(al)
niet
בְּאַפְּךָ֖
(beapekha)
in Uw toorn
פֶּן
(pen)
anders
תַּמְעִטֵֽנִי
(tamiteni)
U maakt mij gering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יַסְּרֵנִי (yasreni), ‘tuchtig mij’: het werkwoord יָסַר (yasar) als in Jer. 6:8.

De profeet vraagt om rechtvaardige tuchtiging, niet om toorn.

תַּמְעִטֵנִי (tam’iteni), ‘anders maakt U mij gering’: het werkwoord מָעַט (ma’at) betekent ‘klein worden, verminderen’.

25Stort Uw woede uit over de volken die U niet kennen en over de families die Uw naam niet hebben aangeroepen. Want zij hebben Jakob verslonden. Ja, zij hebben hem verslonden en vernietigd, en zijn woonplaats hebben zij verwoest.
שְׁפֹ֣ךְ
(shefokh)
stort uit
חֲמָתְךָ֗
(chamatekha)
Uw woede
עַל
(al)
over
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יְדָע֔וּךָ
(yedaukha)
kennen U
וְעַל֙
(veal)
en over
מִשְׁפָּח֔וֹת
(mishpachot)
families
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּשִׁמְךָ֖
(beshimkha)
Uw naam
לֹ֣א
(lo)
niet
קָרָ֑אוּ
(qarau)
hebben aangeroepen
כִּֽי
(ki)
want
אָכְל֣וּ
(akhelu)
zij hebben verslonden
אֶֽת
(et)
(obj.)
יַעֲקֹ֗ב
(yaaqov)
Jakob
וַאֲכָלֻ֨הוּ֙
(vaakhaluhu)
en zij hebben hem verslonden
וַיְכַלֻּ֔הוּ
(vaykhaluhu)
en zij hebben hem vernietigd
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נָוֵ֖הוּ
(navehu)
zijn woonplaats
הֵשַֽׁמּוּ
(heshamu)
hebben verwoest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers komt bijna woordelijk overeen met Ps. 79:6–7.

Verschillen: hier staat ‘families’ (מִשְׁפָּחוֹת, mishpachot) waar Ps. 79:6 ‘koninkrijken’ heeft, en de laatste woorden zijn hier uitgebreid met ‘hem vernietigd’ (וַיְכַלֻּהוּ, vayekhalluhu).

‘Jakob’ is het volk.

De volken die Yahweh niet kennen, worden bij het oordeel betrokken.