Elohim Bijbel

Matteüs 4

12345678910111213141516171819202122232425262728

De verzoeking in de woestijn en de eerste leerlingen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua wordt op de proef gesteld

1Toen werd Yeshua door de Geest naar de woestijn geleid om door de duivel op de proef gesteld te worden.
Τότε
(Tote)
toen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἀνήχθη
(anechthe)
werd geleid
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
ἔρημον
(eremon)
woestijn
ὑπὸ
(hypo)
door
τοῦ
(tou)
de
πνεύματος
(pneumatos)
Geest
πειρασθῆναι
(peirasthenai)
op de proef gesteld te worden
ὑπὸ
(hypo)
door
τοῦ
(tou)
de
διαβόλου
(diabolou)
duivel
Bron: SBLGNT
Uitleg

πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’: het woord kan ook ‘verleiden’ betekenen.

Het Hebreeuwse נִסָּה (nissah) betekent ‘op de proef stellen’ (Gen. 22:1; Deut. 8:2).

διάβολος (diabolos), ‘duivel’, is letterlijk ‘beschuldiger, lasteraar’. In 4:10 heet hij Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’, van het Hebreeuwse שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’.

Zie ook Mark. 1:12–13; Luc. 4:1–13.

2Hij vastte 40 dagen en 40 nachten, en kreeg daarna honger.
καὶ
(kai)
en
νηστεύσας
(nesteusas)
gevast hebbend
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
τεσσεράκοντα
(tesserakonta)
40
καὶ
(kai)
en
νύκτας
(nyktas)
nachten
τεσσεράκοντα
(tesserakonta)
40
ὕστερον
(hysteron)
daarna
ἐπείνασεν
(epeinasen)
kreeg honger
Bron: SBLGNT
Uitleg

40 dagen en 40 nachten komen ook voor bij Mozes op de berg (Exod. 34:28; Deut. 9:9) en bij Elia onderweg naar de berg Horeb (1 Kon. 19:8).

3Degene die Hem op de proef stelde, kwam naar Hem toe en zei: „Als U Zoon van Elohim bent, zeg dat deze stenen broden worden.”
καὶ
(kai)
en
προσελθὼν
(proselthon)
naderend
ὁ
(ho)
de
πειράζων
(peirazon)
op de proef stellende
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Εἰ
(Ei)
als
υἱὸς
(huios)
Zoon
εἶ
(ei)
ben
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
εἰπὲ
(eipe)
zeg
ἵνα
(hina)
dat
οἱ
(hoi)
de
λίθοι
(lithoi)
stenen
οὗτοι
(houtoi)
deze
ἄρτοι
(artoi)
broden
γένωνται
(genontai)
worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὁ πειράζων (ho peirazon), ‘degene die op de proef stelt’: de duivel uit 4:1 en 4:5.

4Hij antwoordde en zei: „Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van elk woord dat uitgaat door de mond van Elohim.’”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
Γέγραπται
(Gegraptai)
er staat geschreven
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἐπ’
(ep’)
op
ἄρτῳ
(arto)
brood
μόνῳ
(mono)
alleen
ζήσεται
(zesetai)
zal leven
ὁ
(ho)
de
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ἀλλ’
(all’)
maar
ἐπὶ
(epi)
op
παντὶ
(panti)
elk
ῥήματι
(rhemati)
woord
ἐκπορευομένῳ
(ekporeuomeno)
uitgaand
διὰ
(dia)
door
στόματος
(stomatos)
mond
θεοῦ
(theou)
van Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Deut. 8:3.

Het Hebreeuws heeft ‘de mens leeft van alles wat uit de mond van Yahweh komt’; de Griekse tekst heeft ‘van elk woord dat door de mond van Elohim uitgaat’.

De woorden gaan in Deuteronomium over Israël in de woestijn (Deut. 8:2–3).

5Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en zette Hem op de rand van de tempel.
Τότε
(Tote)
toen
παραλαμβάνει
(paralambanei)
neemt mee
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὁ
(ho)
de
διάβολος
(diabolos)
duivel
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
ἁγίαν
(hagian)
heilige
πόλιν
(polin)
stad
καὶ
(kai)
en
ἔστησεν
(estesen)
zette
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐπὶ
(epi)
op
τὸ
(to)
de
πτερύγιον
(pterygion)
rand
τοῦ
(tou)
van de
ἱεροῦ
(hierou)
tempel
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἁγία πόλις (hagia polis), ‘de heilige stad’, is Jeruzalem (Neh. 11:1; Jes. 52:1). ἱερόν (hieron), ‘tempel’, is het hele tempelterrein.

πτερύγιον (pterygion) is letterlijk ‘vleugeltje’. Het gaat om een uitstekende hoek of rand van het tempelcomplex. Welk punt bedoeld is, is niet zeker.

6En hij zei tegen Hem: „Als U Zoon van Elohim bent, werp Uzelf naar beneden. Want er staat geschreven: ‘Aan Zijn engelen zal Hij opdracht geven over U, en op handen zullen zij U dragen, opdat U Uw voet niet tegen een steen stoot.’”
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Εἰ
(Ei)
als
υἱὸς
(huios)
Zoon
εἶ
(ei)
ben
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
βάλε
(bale)
werp
σεαυτὸν
(seauton)
Uzelf
κάτω
(kato)
naar beneden
γέγραπται
(gegraptai)
er staat geschreven
γὰρ
(gar)
want
ὅτι
(hoti)
dat
Τοῖς
(Tois)
aan de
ἀγγέλοις
(angelois)
engelen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἐντελεῖται
(enteleitai)
zal opdracht geven
περὶ
(peri)
over
σοῦ
(sou)
U
καὶ
(kai)
en
ἐπὶ
(epi)
op
χειρῶν
(cheiron)
handen
ἀροῦσίν
(arousin)
zullen dragen
σε
(se)
U
μήποτε
(mepote)
opdat niet
προσκόψῃς
(proskopses)
U stoot
πρὸς
(pros)
tegen
λίθον
(lithon)
steen
τὸν
(ton)
de
πόδα
(poda)
voet
σου
(sou)
Uw
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Ps. 91:11–12.

De duivel laat ‘om je te beschermen op al je wegen’ weg.

In de aanhaling staat ‘U’, omdat de duivel de woorden op Yeshua toepast.

7Yeshua zei tegen hem: „Er staat ook geschreven: ‘Je mag Yahweh, je Elohim, niet op de proef stellen.’”
ἔφη
(ephe)
zei
αὐτῷ
(auto)
tot hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Πάλιν
(Palin)
opnieuw
γέγραπται
(gegraptai)
er staat geschreven
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἐκπειράσεις
(ekpeiraseis)
zult op de proef stellen
κύριον
(kyrion)
Yahweh
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
σου
(sou)
je
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Deut. 6:16.

In Deuteronomium volgt: ‘zoals je Hem bij Massa op de proef hebt gesteld’ (zie ook Exod. 17:7). ἐκπειράζω (ekpeirazo) is een sterkere vorm van πειράζω (4:1): ‘helemaal op de proef stellen’.

8Opnieuw nam de duivel Hem mee, naar een zeer hoge berg, en liet Hem alle koninkrijken van de wereld zien en hun heerlijkheid.
Πάλιν
(Palin)
opnieuw
παραλαμβάνει
(paralambanei)
neemt mee
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὁ
(ho)
de
διάβολος
(diabolos)
duivel
εἰς
(eis)
naar
ὄρος
(oros)
berg
ὑψηλὸν
(hypselon)
hoge
λίαν
(lian)
zeer
καὶ
(kai)
en
δείκνυσιν
(deiknysin)
toont
αὐτῷ
(auto)
Hem
πάσας
(pasas)
alle
τὰς
(tas)
de
βασιλείας
(basileias)
koninkrijken
τοῦ
(tou)
van de
κόσμου
(kosmou)
wereld
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
δόξαν
(doxan)
heerlijkheid
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
9En hij zei tegen Hem: „Dit alles zal ik U geven, als U neervalt en zich voor mij neerbuigt.”
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
Ταῦτά
(Tauta)
dit
σοι
(soi)
aan U
πάντα
(panta)
alles
δώσω
(doso)
zal ik geven
ἐὰν
(ean)
als
πεσὼν
(peson)
neervallend
προσκυνήσῃς
(proskyneses)
U zich neerbuigt
μοι
(moi)
voor mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

προσκυνήσῃς (proskynesas), ‘je neerbuigt’: zie 2:2.

De duivel vraagt wat Deut. 6:13 alleen voor Yahweh bestemt; zie 4:10.

Zie ookDeut 6:13
10Toen zei Yeshua tegen hem: „Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: ‘Voor Yahweh, je Elohim, moet je je neerbuigen, en Hem alleen moet je dienen.’”
τότε
(tote)
toen
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tot hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ὕπαγε
(Hypage)
ga weg
Σατανᾶ
(Satana)
Satan
γέγραπται
(gegraptai)
er staat geschreven
γάρ
(gar)
want
Κύριον
(Kyrion)
Yahweh
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
σου
(sou)
je
προσκυνήσεις
(proskyneseis)
zult neerbuigen
καὶ
(kai)
en
αὐτῷ
(auto)
Hem
μόνῳ
(mono)
alleen
λατρεύσεις
(latreuseis)
zult dienen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Deut. 6:13.

Het Hebreeuws heeft ‘Yahweh, je Elohim, moet je vrezen.

Hem moet je dienen’; de Griekse tekst heeft ‘je neerbuigen’ en voegt ‘alleen’ toe. κύριον (kyrion), ‘Heer’, is vertaald als Yahweh, zoals in 3:3. λατρεύω (latreuo), ‘dienen’: dienst aan Elohim.

Zie ookDeut 6:13
11Toen verliet de duivel Hem, en zie: engelen kwamen naar Hem toe en dienden Hem.
τότε
(tote)
toen
ἀφίησιν
(aphiesin)
verlaat
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὁ
(ho)
de
διάβολος
(diabolos)
duivel
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἄγγελοι
(angeloi)
engelen
προσῆλθον
(proselthon)
kwamen
καὶ
(kai)
en
διηκόνουν
(diekonoun)
dienden
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT

Yeshua gaat naar Galilea

12Toen Hij hoorde dat Johannes was overgeleverd, vertrok Hij naar Galilea.
Ἀκούσας
(Akousas)
horend
δὲ
(de)
maar
ὅτι
(hoti)
dat
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
παρεδόθη
(paredothe)
werd overgeleverd
ἀνεχώρησεν
(anechoresen)
vertrok
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
Γαλιλαίαν
(Galilaian)
Galilea
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Uitleg

παρεδόθη (paredothe), ‘werd overgeleverd’: aan de autoriteiten uitgeleverd, hier waarschijnlijk gevangengezet.

Zie ook Mark. 1:14.

Zie ookMar 1:14
13Hij verliet Nazaret, kwam en ging wonen in Kapernaüm, aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali,
καὶ
(kai)
en
καταλιπὼν
(katalipon)
achterlatend
τὴν
(ten)
de
Ναζαρὰ
(Nazara)
Nazaret
ἐλθὼν
(elthon)
komend
κατῴκησεν
(katokesen)
ging wonen
εἰς
(eis)
in
Καφαρναοὺμ
(Kapharnaoum)
Kapernaüm
τὴν
(ten)
de
παραθαλασσίαν
(parathalassian)
aan zee gelegen
ἐν
(en)
in
ὁρίοις
(horiois)
gebieden
Ζαβουλὼν
(Zaboulon)
van Zebulon
καὶ
(kai)
en
Νεφθαλίμ
(Nephthalim)
Naftali
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël.

Zie Kapernaüm: Kapernaüm (Tel Hum) lag aan de noordwestkant van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël.

Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.

Zie Zebulon: Zebulon is het stamgebied in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea.

Zie Naftali: Naftali is het stamgebied in het noorden van Galilea, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Uitleg

Ναζαρά (Nazara) is een andere spelling van Ναζαρέτ (Nazaret, 2:23). Καφαρναούμ (Kafarnaoem) is het Hebreeuwse ‘dorp van Nachum’ (Kefar Nachum).

Zebulon en Naftali zijn de twee stamgebieden in het noorden (Joz. 19:10–16 en 19:32–39).

14opdat vervuld zou worden wat gezegd is door de profeet Jesaja:
ἵνα
(hina)
opdat
πληρωθῇ
(plerothe)
vervuld wordt
τὸ
(to)
het
ῥηθὲν
(rhethen)
gesprokene
διὰ
(dia)
door
Ἠσαΐου
(Esaiou)
Jesaja
τοῦ
(tou)
de
προφήτου
(prophetou)
profeet
λέγοντος
(legontos)
zeggend
Bron: SBLGNT
15„Land van Zebulon en land van Naftali, de weg langs de zee, aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de volken:
Γῆ
(Ge)
land
Ζαβουλὼν
(Zaboulon)
van Zebulon
καὶ
(kai)
en
γῆ
(ge)
land
Νεφθαλίμ
(Nephthalim)
van Naftali
ὁδὸν
(hodon)
weg
θαλάσσης
(thalasses)
van de zee
πέραν
(peran)
aan de overkant
τοῦ
(tou)
van de
Ἰορδάνου
(Iordanou)
Jordaan
Γαλιλαία
(Galilaia)
Galilea
τῶν
(ton)
van de
ἐθνῶν
(ethnon)
volken
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Zebulon: Zebulon is het stamgebied in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea.

Zie Naftali: Naftali is het stamgebied in het noorden van Galilea, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

16Het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien. Voor hen die zaten in het land en de schaduw van de dood, is hun een licht opgegaan.”
ὁ
(ho)
het
λαὸς
(laos)
volk
ὁ
(ho)
het
καθήμενος
(kathemenos)
zittende
ἐν
(en)
in
σκοτίᾳ
(skotia)
duisternis
φῶς
(phos)
licht
εἶδεν
(eiden)
zag
μέγα
(mega)
groot
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
voor de
καθημένοις
(kathemenois)
zittenden
ἐν
(en)
in
χώρᾳ
(chora)
land
καὶ
(kai)
en
σκιᾷ
(skia)
schaduw
θανάτου
(thanatou)
van de dood
φῶς
(phos)
licht
ἀνέτειλεν
(aneteilen)
is opgegaan
αὐτοῖς
(autois)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Jes. 8:23–9:1 (Hebreeuwse telling; in de Nederlandse telling is dit 9:1–2).

Het Hebreeuws heeft ‘het volk dat in de duisternis liep’ en ‘wie in het land van diepe schaduw woonden’; de Griekse tekst heeft ‘het volk dat in duisternis zat’ en ‘zaten in het land en de schaduw van de dood’. σκιὰ θανάτου (skia thanatou), ‘schaduw van de dood’, geeft het Hebreeuwse צַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’, weer.

Matteüs laat ook de zin vooraf uit Jes. 8:23 weg, over de ‘minachting’ van het land Zebulon en het land Naftali.

ἔθνη (ethne), ‘volken’: ook ‘de heidenen’, de niet-Joden.

17Vanaf die tijd begon Yeshua te verkondigen en te zeggen: „Bekeer jullie, want het koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen.”
Ἀπὸ
(Apo)
vanaf
τότε
(tote)
toen
ἤρξατο
(erxato)
begon
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
κηρύσσειν
(keryssein)
te verkondigen
καὶ
(kai)
en
λέγειν
(legein)
te zeggen
Μετανοεῖτε
(Metanoeite)
bekeer jullie
ἤγγικεν
(engiken)
is nabij gekomen
γὰρ
(gar)
want
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τῶν
(ton)
van de
οὐρανῶν
(ouranon)
hemelen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Dezelfde woorden als bij Johannes in 3:2.

Zie ook Mark. 1:14–15.

De roeping van de eerste leerlingen

18Terwijl Hij langs de zee van Galilea liep, zag Hij twee broers: Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Zij wierpen een net in de zee, want zij waren vissers.
Περιπατῶν
(Peripaton)
wandelend
δὲ
(de)
maar
παρὰ
(para)
langs
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
τῆς
(tes)
van de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
εἶδεν
(eiden)
zag
δύο
(dyo)
twee
ἀδελφούς
(adelphous)
broers
Σίμωνα
(Simona)
Simon
τὸν
(ton)
de
λεγόμενον
(legomenon)
genoemde
Πέτρον
(Petron)
Petrus
καὶ
(kai)
en
Ἀνδρέαν
(Andrean)
Andreas
τὸν
(ton)
de
ἀδελφὸν
(adelphon)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
βάλλοντας
(ballontas)
werpend
ἀμφίβληστρον
(amphiblestron)
net
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
ἦσαν
(esan)
waren
γὰρ
(gar)
want
ἁλιεῖς
(halieis)
vissers
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.

Uitleg

Πέτρος (Petros), ‘Petrus’, is Grieks voor ‘rots’; zie Matt. 16:18 en Joh. 1:42.

θάλασσα (thalassa), ‘zee’: het gaat hier om het meer van Galilea, in het Hebreeuws de ‘zee van Kinneret’ (Num. 34:11).

Zie ook Mark. 1:16–20; Luc. 5:1–11.

19Hij zei tegen hen: „Kom achter Mij aan, en Ik zal jullie vissers van mensen maken.”
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Δεῦτε
(Deute)
kom
ὀπίσω
(opiso)
achter
μου
(mou)
Mij
καὶ
(kai)
en
ποιήσω
(poieso)
zal maken
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἁλιεῖς
(halieis)
vissers
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
Bron: SBLGNT
20Meteen lieten zij de netten achter en volgden Hem.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εὐθέως
(eutheos)
meteen
ἀφέντες
(aphentes)
achterlatend
τὰ
(ta)
de
δίκτυα
(diktya)
netten
ἠκολούθησαν
(ekolouthesan)
volgden
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
21Hij ging vandaar verder en zag twee andere broers: Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Zij waren met hun vader Zebedeüs in de boot, terwijl zij hun netten herstelden. Hij riep hen.
Καὶ
(Kai)
en
προβὰς
(probas)
verder gaand
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
εἶδεν
(eiden)
zag
ἄλλους
(allous)
andere
δύο
(dyo)
twee
ἀδελφούς
(adelphous)
broers
Ἰάκωβον
(Iakobon)
Jakobus
τὸν
(ton)
de
τοῦ
(tou)
van de
Ζεβεδαίου
(Zebedaiou)
Zebedeüs
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
τὸν
(ton)
de
ἀδελφὸν
(adelphon)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
πλοίῳ
(ploio)
boot
μετὰ
(meta)
met
Ζεβεδαίου
(Zebedaiou)
Zebedeüs
τοῦ
(tou)
de
πατρὸς
(patros)
vader
αὐτῶν
(auton)
hun
καταρτίζοντας
(katartizontas)
herstellend
τὰ
(ta)
de
δίκτυα
(diktya)
netten
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
ἐκάλεσεν
(ekalesen)
riep
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ἰάκωβος (Iakobos) is de Griekse vorm van Jakob; wij schrijven ‘Jakobus’, om hem te onderscheiden van de aartsvader. καταρτίζω (katartizo), ‘herstellen’: in orde brengen.

22Meteen lieten zij de boot en hun vader achter en volgden Hem.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εὐθέως
(eutheos)
meteen
ἀφέντες
(aphentes)
achterlatend
τὸ
(to)
de
πλοῖον
(ploion)
boot
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
αὐτῶν
(auton)
hun
ἠκολούθησαν
(ekolouthesan)
volgden
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT

Yeshua geneest en onderwijst in heel Galilea

23Hij trok door heel Galilea. Hij onderwees in hun synagogen, verkondigde de goede boodschap van het koninkrijk en genas elke ziekte en elke kwaal onder het volk.
Καὶ
(Kai)
en
περιῆγεν
(periegen)
trok rond
ἐν
(en)
in
ὅλῃ
(hole)
hele
τῇ
(te)
de
Γαλιλαίᾳ
(Galilaia)
Galilea
διδάσκων
(didaskon)
onderwijzend
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
συναγωγαῖς
(synagogais)
synagogen
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
en
κηρύσσων
(kerysson)
verkondigend
τὸ
(to)
de
εὐαγγέλιον
(euangelion)
goede boodschap
τῆς
(tes)
van het
βασιλείας
(basileias)
koninkrijk
καὶ
(kai)
en
θεραπεύων
(therapeuon)
genezend
πᾶσαν
(pasan)
elke
νόσον
(noson)
ziekte
καὶ
(kai)
en
πᾶσαν
(pasan)
elke
μαλακίαν
(malakian)
kwaal
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
λαῷ
(lao)
volk
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Uitleg

εὐαγγέλιον (euangelion), ‘goede boodschap’: het bericht dat Elohim Koning is; het Hebreeuwse werkwoord בָּשַׂר (basar), ‘goed nieuws brengen’, staat in Jes. 52:7 en Jes. 61:1.

συναγωγή (synagoge), ‘samenkomst’: de plaats waar de Joden samenkwamen om de Schrift te lezen en te bespreken.

24Het nieuws over Hem ging tot in heel Syrië. Zij brachten bij Hem allen die ziek waren, gekweld door allerlei ziekten en pijnen: door demonen bezeten, maanziek en verlamd. En Hij genas hen.
καὶ
(kai)
en
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging
ἡ
(he)
het
ἀκοὴ
(akoe)
nieuws
αὐτοῦ
(autou)
over Hem
εἰς
(eis)
naar
ὅλην
(holen)
heel
τὴν
(ten)
de
Συρίαν
(Syrian)
Syrië
καὶ
(kai)
en
προσήνεγκαν
(prosenenkan)
brachten
αὐτῷ
(auto)
aan Hem
πάντας
(pantas)
alle
τοὺς
(tous)
de
κακῶς
(kakos)
slecht
ἔχοντας
(echontas)
hebbenden
ποικίλαις
(poikilais)
verschillende
νόσοις
(nosois)
ziekten
καὶ
(kai)
en
βασάνοις
(basanois)
pijnen
συνεχομένους
(synechomenous)
gekweld
δαιμονιζομένους
(daimonizomenous)
door demonen bezeten
καὶ
(kai)
en
σεληνιαζομένους
(seleniazomenous)
maanzieken
καὶ
(kai)
en
παραλυτικούς
(paralytikous)
verlamden
καὶ
(kai)
en
ἐθεράπευσεν
(etherapeusen)
genas
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Syrië (Romeinse provincie; ongeveer): Syrië was een Romeinse provincie ten noorden van Galilea, met Antiochië als hoofdstad.

De grenzen waren niet scherp.

Uitleg

σεληνιάζομαι (seleniazomai), ‘maanziek zijn’, van σελήνη (selene), ‘maan’: men verbond deze ziekte met de maan.

Het gaat vermoedelijk om aanvallen zoals bij epilepsie, maar dat is niet zeker. δαιμονίζομαι (daimonizomai), ‘door een demon bezeten zijn’.

25Veel menigten volgden Hem, uit Galilea, de Decapolis, Jeruzalem, Judea en van de overkant van de Jordaan.
καὶ
(kai)
en
ἠκολούθησαν
(ekolouthesan)
volgden
αὐτῷ
(auto)
Hem
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
πολλοὶ
(polloi)
vele
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
καὶ
(kai)
en
Δεκαπόλεως
(Dekapoleos)
Decapolis
καὶ
(kai)
en
Ἱεροσολύμων
(Hierosolymon)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
Ἰουδαίας
(Ioudaias)
Judea
καὶ
(kai)
en
πέραν
(peran)
overkant
τοῦ
(tou)
van de
Ἰορδάνου
(Iordanou)
Jordaan
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Zie Decapolis (ligging onzeker): De Decapolis (‘tien steden’) was een groep Griekse steden, grotendeels ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea, nu in Jordanië, Syrië en Israël.

De omvang is niet exact vast te stellen.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.

Het komt overeen met het oude Juda.

Zie Overkant van de Jordaan (Perea; ligging onzeker): ‘De overkant van de Jordaan’ is het gebied ten oosten van de Jordaan, tegenover Judea.

Later heette dit gebied Perea.

De precieze grenzen zijn niet vast te stellen.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

Δεκάπολις (Dekapolis), ‘Tien Steden’: een gebied van tien steden, grotendeels ten oosten van de Jordaan.