Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
David vraagt om gaven voor het huis
1Koning David zei tegen heel de vergadering: „Mijn zoon Salomo is de enige die Elohim heeft gekozen. Hij is nog jong en teer, en het werk is groot. Want de burcht is niet voor een mens, maar voor Yahweh Elohim.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֤יד
(david)
David
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
לְכָל
(lekhal)
tegen heel
הַקָּהָ֔ל
(haqahal)
de vergadering
שְׁלֹמֹ֨ה
(shelomo)
Salomo
בְנִ֥י
(beni)
mijn zoon
אֶחָ֛ד
(echad)
de enige
בָּֽחַר
(bachar)
heeft gekozen
בּ֥וֹ
(bo)
hem
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
נַ֣עַר
(naar)
jong
וָרָ֑ךְ
(varakh)
en teer
וְהַמְּלָאכָ֣ה
(vehamelakha)
en het werk
גְדוֹלָ֔ה
(gedola)
is groot
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
לְאָדָם֙
(leadam)
voor een mens
הַבִּירָ֔ה
(habira)
de burcht
כִּ֖י
(ki)
maar
לַיהוָ֥ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶחָד (echad), ‘de enige’: letterlijk ‘één’.
Het kan ook betekenen ‘Salomo alleen, een van mijn zonen’.
Wij lezen: van al mijn zonen is hij de ene die Elohim koos (zie 1 Kron. 28:5).
נַעַר וָרַךְ (na-ar varach), ‘jong en teer’: zoals in 1 Kron. 22:5.
הַבִּירָה (habirah), ‘de burcht’: het woord noemt het tempelcomplex als versterkt gebouw. Het komt ook voor in Neh. 2:8 en in vers 19.
De toespraak van David loopt van vers 1 tot en met vers 5.
2Met al mijn kracht heb ik voor het huis van mijn Elohim voorbereid. Goud voor het gouden werk, zilver voor het zilveren, koper voor het koperen, ijzer voor het ijzeren en hout voor het houten. Ook onyxstenen en inzetstenen, stenen van antimoon en veelkleurige stenen, allerlei kostbare steen en marmerstenen in menigte.
וּֽכְכָל
(ukhekhal)
en met al
כֹּחִ֞י
(kochi)
mijn kracht
הֲכִינ֣וֹתִי
(hakhinoti)
heb ik voorbereid
לְבֵית
(leveit)
voor het huis van
אֱלֹהַ֗י
(elohay)
mijn Elohim
הַזָּהָ֣ב
(hazahav)
het goud
לַ֠זָּהָב
(lazahav)
voor het gouden
וְהַכֶּ֨סֶף
(vehakesef)
en het zilver
לַכֶּ֜סֶף
(lakesef)
voor het zilveren
וְהַנְּחֹ֣שֶׁת
(vehanechoshet)
en het koper
לַנְּחֹ֗שֶׁת
(lanechoshet)
voor het koperen
הַבַּרְזֶל֙
(habarzel)
het ijzer
לַבַּרְזֶ֔ל
(labarzel)
voor het ijzeren
וְהָעֵצִ֖ים
(vehaetsim)
en het hout
לָעֵצִ֑ים
(laetsim)
voor het houten
אַבְנֵי
(avnei)
stenen van
שֹׁ֨הַם
(shoham)
onyx
וּמִלּוּאִ֜ים
(umiluim)
en inzetstenen
אַבְנֵי
(avnei)
stenen van
פ֣וּךְ
(pukh)
antimoon
וְרִקְמָ֗ה
(veriqma)
en veelkleurige
וְכֹ֨ל
(vekhol)
en allerlei
אֶ֧בֶן
(even)
steen
יְקָרָ֛ה
(yeqara)
kostbare
וְאַבְנֵי
(veavnei)
en stenen van
שַׁ֖יִשׁ
(shayish)
marmer
לָרֹֽב
(larov)
in menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֹׁהַם (shoham), ‘onyx’ en מִלּוּאִים (milluim), ‘inzetstenen’: de stenen voor de efod en het borststuk (Exod. 25:7; 28:9–21).
פּוּךְ (puch), ‘antimoon’: een zwart poeder, gebruikt als oogschmink. Wij vertalen ‘stenen van antimoon’. De betekenis is niet zeker.
רִקְמָה (riqmah), ‘veelkleurig’: letterlijk ‘geborduurd’. Wij nemen het als ‘veelkleurige stenen’.
שַׁיִשׁ (shayish), ‘marmer’: een witte steen.
Vergelijk de voorbereidingen in 1 Kron. 22:2–5, 14–16.
3Bovendien: ik heb welgevallen in het huis van mijn Elohim. Daarom geef ik aan het huis van mijn Elohim mijn eigen bezit aan goud en zilver. Dat komt bovenop alles wat ik voor het heilige huis heb voorbereid.
וְע֗וֹד
(veod)
en bovendien
בִּרְצוֹתִי֙
(birtsoti)
omdat ik welgevallen heb
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
אֱלֹהַ֔י
(elohay)
mijn Elohim
יֶשׁ
(yesh)
er is
לִ֥י
(li)
voor mij
סְגֻלָּ֖ה
(segula)
een eigen bezit
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
וָכָ֑סֶף
(vakhasef)
en zilver
נָתַ֤תִּי
(natati)
heb ik gegeven
לְבֵית
(leveit)
aan het huis van
אֱלֹהַי֙
(elohay)
mijn Elohim
לְמַ֔עְלָה
(lemala)
bovenop
מִכָּל
(mikal)
alles
הֲכִינ֖וֹתִי
(hakhinoti)
wat ik heb voorbereid
לְבֵ֥ית
(leveit)
voor het huis van
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סְגֻלָּה (segullah), ‘eigen bezit’: wat iemand zelf als kostbaar bezit heeft, zoals in Exod. 19:5 (Israël als eigen bezit van Yahweh).
בִּרְצוֹתִי (birtsoti), ‘omdat ik welgevallen heb’: hetzelfde werkwoord als in 28:4.
5Het goud is voor het gouden werk en het zilver voor het zilveren werk, voor al het werk door de hand van de vaklieden. Wie wil er vandaag uit vrije wil zijn hand vullen voor Yahweh?”
לַזָּהָ֤ב
(lazahav)
voor het goud
לַזָּהָב֙
(lazahav)
voor het goud
וְלַכֶּ֣סֶף
(velakesef)
en voor het zilver
לַכֶּ֔סֶף
(lakesef)
voor het zilver
וּלְכָל
(ulekhal)
en voor al
מְלָאכָ֖ה
(melakha)
werk
בְּיַ֣ד
(beyad)
door de hand van
חָרָשִׁ֑ים
(charashim)
vaklieden
וּמִ֣י
(umi)
en wie
מִתְנַדֵּ֔ב
(mitnadev)
wil uit vrije wil geven
לְמַלֹּ֥אות
(lemalovt)
om te vullen
יָד֛וֹ
(yado)
zijn hand
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְמַלֹּאות יָדוֹ (lemallot yado), ‘zijn hand te vullen’: een uitdrukking voor ‘zich inwijden’.
Zo ook voor de priesters, bijvoorbeeld in Exod. 28:41 (‘wijd hen in’; letterlijk ‘vul hun hand’).
Wij houden hier de woordelijke vorm.
מִתְנַדֵּב (mitnadev), ‘uit vrije wil geven’: hetzelfde werkwoord als in de verzen 6, 9, 14 en 17.
6De leiders van de vaderhuizen, de leiders van de stammen van Israël, de leiders van de duizendtallen en van de honderdtallen en de leiders over het werk van de koning gaven uit vrije wil.
וַיִּֽתְנַדְּבוּ֩
(vayitnadevu)
en gaven uit vrije wil
שָׂרֵ֨י
(sarei)
de leiders van
הָאָב֜וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
וְשָׂרֵ֣י
(vesarei)
en de leiders van
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
de stammen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְשָׂרֵ֤י
(vesarei)
en de leiders van
הָאֲלָפִים֙
(haalafim)
de duizendtallen
וְהַמֵּא֔וֹת
(vehameot)
en de honderdtallen
וּלְשָׂרֵ֖י
(ulesarei)
en de leiders over
מְלֶ֥אכֶת
(melekhet)
het werk van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׂרֵי הָאָבוֹת (sarei haavot), ‘leiders van de vaderhuizen’: de hoofden van de families.
7Voor de dienst van het huis van de Elohim gaven zij 5.000 talent en 10.000 darieken goud. Zij gaven ook 10.000 talent zilver, 18.000 talent koper en 100.000 talent ijzer.
וַֽיִּתְּנ֞וּ
(vayitenu)
en gaven
לַעֲבוֹדַ֣ת
(laavodat)
voor de dienst van
בֵּית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
de Elohim
זָהָ֞ב
(zahav)
goud
כִּכָּרִ֣ים
(kikarim)
talent
חֲמֵֽשֶׁת
(chameshet)
vijf van
אֲלָפִים֮
(alafim)
duizenden
וַאֲדַרְכֹנִ֣ים
(vaadarkhonim)
en darieken
רִבּוֹ֒
(ribo)
tienduizend
וְכֶ֗סֶף
(vekhesef)
en zilver
כִּכָּרִים֙
(kikarim)
talent
עֲשֶׂ֣רֶת
(aseret)
tien van
אֲלָפִ֔ים
(alafim)
duizenden
וּנְחֹ֕שֶׁת
(unechoshet)
en koper
רִבּ֛וֹ
(ribo)
tienduizend
וּשְׁמוֹנַ֥ת
(ushemonat)
en acht van
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizenden
כִּכָּרִ֑ים
(kikarim)
talent
וּבַרְזֶ֖ל
(uvarzel)
en ijzer
מֵֽאָה
(mea)
honderd
אֶ֥לֶף
(elef)
duizend
כִּכָּרִֽים
(kikarim)
talent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדַרְכֹּנִים (adarkonim), ‘darieken’: een gouden munt.
Het is onzeker of dit de Perzische dariek is (ongeveer 8,4 gram).
Dan is 10.000 darieken ongeveer 84 kilogram.
Het woord komt ook voor in Ezra 8:27.
Omrekening: 5.000 talent goud is ongeveer 171.000 kilogram, 10.000 talent zilver ongeveer 342.000 kilogram, 18.000 talent koper ongeveer 616.000 kilogram en 100.000 talent ijzer ongeveer 3.420.000 kilogram. Alles is ongeveer.
רִבּוֹ (ribbo), ‘tienduizend’: bij het koper staat ‘tienduizend en acht duizend’, samen 18.000.
10David zegende Yahweh voor de ogen van heel de vergadering. David zei: „Gezegend bent U, Yahweh, Elohim van Israël, onze vader, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
וַיְבָ֤רֶךְ
(vayvarekh)
en zegende
דָּוִיד֙
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
כָּל
(kal)
heel
הַקָּהָ֑ל
(haqahal)
de vergadering
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֗יד
(david)
David
בָּר֨וּךְ
(barukh)
gezegend
אַתָּ֤ה
(ata)
bent U
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
אָבִ֔ינוּ
(avinu)
onze vader
מֵעוֹלָ֖ם
(meolam)
van eeuwigheid
וְעַד
(vead)
en tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het gebed van David loopt van vers 10 tot en met vers 19.
De woorden ‘Gezegend bent U, Yahweh … van eeuwigheid tot eeuwigheid’ lijken op 1 Kron. 16:36 en Ps. 106:48.
אָבִינוּ (avinu), ‘onze vader’: dit hoort bij ‘Israël’ (de aartsvader Jakob; Gen. 32:29). Het kan ook op Yahweh slaan (Jes. 63:16). Wij houden de volgorde van het Hebreeuws.
11Van U is, Yahweh, de grootheid, de macht, de luister, de overwinning en de majesteit. Want alles in de hemel en op de aarde is van U. Van U is, Yahweh, het koninkrijk. U verheft Zich als hoofd boven alles.
לְךָ֣
(lekha)
van U
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
הַגְּדֻלָּ֨ה
(hagedula)
de grootheid
וְהַגְּבוּרָ֤ה
(vehagevura)
en de macht
וְהַתִּפְאֶ֨רֶת֙
(vehatiferet)
en de luister
וְהַנֵּ֣צַח
(vehanetsach)
en de overwinning
וְהַה֔וֹד
(vehahod)
en de majesteit
כִּי
(ki)
want
כֹ֖ל
(kol)
alles
בַּשָּׁמַ֣יִם
(bashamayim)
in de hemel
וּבָאָ֑רֶץ
(uvaarets)
en op de aarde
לְךָ֤
(lekha)
van U
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הַמַּמְלָכָ֔ה
(hamamlakha)
het koninkrijk
וְהַמִּתְנַשֵּׂ֖א
(vehamitnase)
en die Zich verheft
לְכֹ֥ל
(lekhol)
boven alles
לְרֹֽאשׁ
(lerosh)
als hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Rijkdom en eer komen van voor Uw aangezicht. U regeert over alles. In Uw hand zijn kracht en macht. In Uw hand is het om groot te maken en alles sterk te maken.
וְהָעֹ֤שֶׁר
(vehaosher)
en de rijkdom
וְהַכָּבוֹד֙
(vehakavod)
en de eer
מִלְּפָנֶ֔יךָ
(milefaneikha)
van voor Uw aangezicht
וְאַתָּה֙
(veata)
en U
מוֹשֵׁ֣ל
(moshel)
regeert
בַּכֹּ֔ל
(bakol)
over alles
וּבְיָדְךָ֖
(uveyadekha)
en in Uw hand
כֹּ֣חַ
(koach)
kracht
וּגְבוּרָ֑ה
(ugevura)
en macht
וּבְיָ֣דְךָ֔
(uveyadekha)
en in Uw hand
לְגַדֵּ֥ל
(legadel)
om groot te maken
וּלְחַזֵּ֖ק
(ulechazeq)
en om sterk te maken
לַכֹּֽל
(lakol)
alles
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כֹּחַ (koach), ‘kracht’ en גְּבוּרָה (gevurah), ‘macht’: wij houden de twee woorden apart, ook in vers 11.
מִלְּפָנֶיךָ (milefanecha), ‘van voor Uw aangezicht’: rijkdom en eer komen van Yahweh zelf.
14Want wie ben ik, en wie is mijn volk, dat wij de kracht zouden hebben om zo uit vrije wil te geven? Want alles komt van U, en uit Uw hand hebben wij U gegeven.
וְכִ֨י
(vekhi)
en want
מִ֤י
(mi)
wie
אֲנִי֙
(ani)
ben ik
וּמִ֣י
(umi)
en wie
עַמִּ֔י
(ami)
is mijn volk
כִּֽי
(ki)
dat
נַעְצֹ֣ר
(natsor)
wij houden
כֹּ֔חַ
(koach)
kracht
לְהִתְנַדֵּ֖ב
(lehitnadev)
om uit vrije wil te geven
כָּזֹ֑את
(kazot)
zoals dit
כִּֽי
(ki)
want
מִמְּךָ֣
(mimekha)
van U
הַכֹּ֔ל
(hakol)
alles
וּמִיָּדְךָ֖
(umiyadekha)
en uit Uw hand
נָתַ֥נּוּ
(natanu)
hebben wij gegeven
לָֽךְ
(lakh)
aan U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Yahweh, onze Elohim, heel deze menigte die wij hebben voorbereid om voor U een huis te bouwen, voor Uw heilige naam, is uit Uw hand. En alles is van U.
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
כֹ֣ל
(kol)
heel
הֶהָמ֤וֹן
(hehamon)
de menigte
הַזֶּה֙
(haze)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֲכִינֹ֔נוּ
(hakhinonu)
wij hebben voorbereid
לִבְנֽוֹת
(livnot)
om te bouwen
לְךָ֥
(lekha)
voor U
בַ֖יִת
(bayit)
een huis
לְשֵׁ֣ם
(leshem)
voor de naam van
קָדְשֶׁ֑ךָ
(qadeshekha)
Uw heiligheid
מִיָּדְךָ֥
(miyadekha)
uit Uw hand
ה֖וּא
(hu)
is het
וּלְךָ֥
(ulekha)
en van U
הַכֹּֽל
(hakol)
alles
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָהָמוֹן (hahamon), ‘de menigte’: de grote hoeveelheid goederen die is verzameld.
לְשֵׁם קָדְשֶׁךָ (leshem qodshecha), ‘voor de naam van Uw heiligheid’: wij vertalen ‘voor Uw heilige naam’.
Lezing
Bij ‘is uit Uw hand’ staat in de geschreven tekst (ketiv) הִיא (hi), ‘zij’.
17Ik weet, mijn Elohim, dat U het hart toetst en welgevallen hebt in oprechtheid. In de oprechtheid van mijn hart heb ik dit alles uit vrije wil gegeven. En nu heb ik met vreugde gezien dat Uw volk, dat hier aanwezig is, U uit vrije wil geeft.
וְיָדַ֣עְתִּי
(veyadati)
en ik weet
אֱלֹהַ֔י
(elohay)
mijn Elohim
כִּ֤י
(ki)
dat
אַתָּה֙
(ata)
U
בֹּחֵ֣ן
(bochen)
toetst
לֵבָ֔ב
(levav)
het hart
וּמֵישָׁרִ֖ים
(umeisharim)
en oprechtheid
תִּרְצֶ֑ה
(tirtse)
welgevallen hebt U
אֲנִ֗י
(ani)
ik
בְּיֹ֤שֶׁר
(beyosher)
in de oprechtheid van
לְבָבִי֙
(levavi)
mijn hart
הִתְנַדַּ֣בְתִּי
(hitnadavti)
heb ik uit vrije wil gegeven
כָל
(kal)
al
אֵ֔לֶּה
(ele)
dit
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
עַמְּךָ֙
(amekha)
Uw volk
הַנִּמְצְאוּ
(hanimtseu)
dat gevonden is
פֹ֔ה
(po)
hier
רָאִ֥יתִי
(raiti)
heb ik gezien
בְשִׂמְחָ֖ה
(besimcha)
met vreugde
לְהִֽתְנַדֶּב
(lehitnadev)
om uit vrije wil te geven
לָֽךְ
(lakh)
aan U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֹּחֵן לֵבָב (bochen levav), ‘U toetst het hart’: Yahweh onderzoekt wat in een mens is (1 Sam. 16:7; Ps. 7:10).
מֵישָׁרִים (meisharim), ‘oprechtheid’, en בְּיֹשֶׁר (beyosher), ‘in de oprechtheid van’: beide woorden komen van het woord voor ‘recht’. Wij vertalen ze allebei met ‘oprechtheid’.
18Yahweh, Elohim van Abraham, Isaak en Israël, onze vaders, bewaar dit voor altijd als de neiging van de gedachten in het hart van Uw volk. Richt hun hart op U.
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱ֠לֹהֵי
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָ֞ם
(avraham)
Abraham
יִצְחָ֤ק
(yitschaq)
Isaak
וְיִשְׂרָאֵל֙
(veyisrael)
en Israël
אֲבֹתֵ֔ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
שֳׁמְרָה
(shomra)
bewaar
זֹּ֣את
(zot)
dit
לְעוֹלָ֔ם
(leolam)
voor altijd
לְיֵ֥צֶר
(leyetser)
als neiging van
מַחְשְׁב֖וֹת
(machshevot)
gedachten van
לְבַ֣ב
(levav)
het hart van
עַמֶּ֑ךָ
(amekha)
Uw volk
וְהָכֵ֥ן
(vehakhen)
en richt
לְבָבָ֖ם
(levavam)
hun hart
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
op U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִשְׂרָאֵל (Yisrael), ‘Israël’: hier de aartsvader Jakob, zoals in Exod. 32:13.
יֵצֶר מַחְשְׁבוֹת לְבַב (yetser machshevot levav), ‘neiging van de gedachten van het hart’: zoals in 1 Kron. 28:9. Vergelijk Gen. 6:5 en Deut. 31:21.
וְהָכֵן (vehaven), ‘en richt’: letterlijk ‘en maak vast’.
19En geef aan mijn zoon Salomo een volledig hart. Laat hem Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw voorschriften bewaren. Laat hem dit alles doen en de burcht bouwen die ik heb voorbereid.”
וְלִשְׁלֹמֹ֣ה
(velishlomo)
en aan Salomo
בְנִ֗י
(beni)
mijn zoon
תֵּ֚ן
(ten)
geef
לֵבָ֣ב
(levav)
een hart
שָׁלֵ֔ם
(shalem)
volledig
לִשְׁמוֹר֙
(lishmor)
om te bewaren
מִצְוֺתֶ֔יךָ
(mitsvoteikha)
Uw geboden
עֵדְוֺתֶ֖יךָ
(edevoteikha)
Uw getuigenissen
וְחֻקֶּ֑יךָ
(vechuqeikha)
en Uw voorschriften
וְלַעֲשׂ֣וֹת
(velaasot)
en om te doen
הַכֹּ֔ל
(hakol)
alles
וְלִבְנ֖וֹת
(velivnot)
en om te bouwen
הַבִּירָ֥ה
(habira)
de burcht
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֲכִינֽוֹתִי
(hakhinoti)
ik heb voorbereid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לֵבָב שָׁלֵם (levav shalem), ‘een volledig hart’: een hart dat helemaal bij Yahweh hoort.
Zo ook in 28:9 en in 1 Kon. 8:61.
מִצְוֹתֶיךָ עֵדְוֹתֶיךָ וְחֻקֶּיךָ (mitsvotecha edotecha vechuqqecha), ‘Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw voorschriften’: de drie woorden voor de wet, zoals in Deut. 6:17. Hier eindigt het gebed.
20David zei tegen heel de vergadering: „Zegen nu Yahweh, jullie Elohim.” Heel de vergadering zegende Yahweh, de Elohim van hun vaders. Zij bogen zich en wierpen zich neer voor Yahweh en voor de koning.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִיד֙
(david)
David
לְכָל
(lekhal)
tegen heel
הַקָּהָ֔ל
(haqahal)
de vergadering
בָּֽרְכוּ
(barekhu)
zegen
נָ֖א
(na)
nu
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֑ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וַיְבָרֲכ֣וּ
(vayvarakhu)
en zegenden
כָֽל
(kal)
heel
הַקָּהָ֗ל
(haqahal)
de vergadering
לַיהוָה֙
(laYahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
אֲבֹֽתֵיהֶ֔ם
(avoteihem)
hun vaders
וַיִּקְּד֧וּ
(vayiqedu)
en bogen zich
וַיִּֽשְׁתַּחֲו֛וּ
(vayishtachavu)
en wierpen zich neer
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְלַמֶּֽלֶךְ
(velamelekh)
en voor de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּקְּדוּ (vayiqqedu), ‘en zij bogen zich’: een diepe buiging met het hoofd (vergelijk Gen. 24:26).
21Op de dag na die dag brachten zij slachtoffers aan Yahweh. Zij droegen brandoffers aan Yahweh op: 1.000 stieren, 1.000 rammen en 1.000 lammeren, met hun plengoffers. Ook brachten zij in menigte slachtoffers voor heel Israël.
וַיִּזְבְּח֣וּ
(vayizbechu)
en brachten slachtoffers
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
זְ֠בָחִים
(zevachim)
slachtoffers
וַיַּעֲל֨וּ
(vayaalu)
en droegen op
עֹל֜וֹת
(olot)
brandoffers
לַיהוָ֗ה
(laYahweh)
aan Yahweh
לְֽמָחֳרַת֮
(lemachorat)
op de dag na
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַהוּא֒
(hahu)
die
פָּרִ֨ים
(parim)
stieren
אֶ֜לֶף
(elef)
duizend
אֵילִ֥ים
(eilim)
rammen
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
כְּבָשִׂ֥ים
(kevasim)
lammeren
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
וְנִסְכֵּיהֶ֑ם
(veniskeihem)
en hun plengoffers
וּזְבָחִ֥ים
(uzevachim)
en slachtoffers
לָרֹ֖ב
(larov)
in menigte
לְכָל
(lekhal)
voor heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְמָחֳרַת הַיּוֹם הַהוּא (lemochorat hayom hahu), ‘op de dag na die dag’: de volgende dag.
זְבָחִים (zevachim), ‘slachtoffers’: dieren die geslacht worden voor een maaltijd voor Yahweh. Hier worden ze naast de brandoffers genoemd.
22Op die dag aten en dronken zij voor het aangezicht van Yahweh, met grote vreugde. Voor de tweede keer maakten zij Salomo, de zoon van David, koning. Zij zalfden hem voor Yahweh tot leider en Zadok tot priester.
וַיֹּאכְל֨וּ
(vayokhlu)
en aten
וַיִּשְׁתּ֜וּ
(vayishtu)
en dronken
לִפְנֵ֧י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
בְּשִׂמְחָ֣ה
(besimcha)
met vreugde
גְדוֹלָ֑ה
(gedola)
grote
וַיַּמְלִ֤יכוּ
(vayamlikhu)
en maakten koning
שֵׁנִית֙
(shenit)
voor de tweede keer
לִשְׁלֹמֹ֣ה
(lishlomo)
Salomo
בֶן
(ben)
de zoon van
דָּוִ֔יד
(david)
David
וַיִּמְשְׁח֧וּ
(vayimshechu)
en zalfden
לַיהוָ֛ה
(laYahweh)
voor Yahweh
לְנָגִ֥יד
(lenagid)
tot leider
וּלְצָד֖וֹק
(uletsadoq)
en Zadok
לְכֹהֵֽן
(lekhohen)
tot priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיַּמְלִיכוּ שֵׁנִית (vayamlichu shenit), ‘zij maakten voor de tweede keer koning’: Salomo was al tot koning gemaakt (1 Kron. 23:1; 1 Kon. 1:32–40).
Kronieken noemt de strijd om de troon niet.
לְנָגִיד (lenagid), ‘tot leider’: zoals in 2 Sam. 7:8.
Zadok was al priester (1 Kron. 15:11; 16:39). Hier zalven zij Zadok tot priester, naast Salomo als leider.
25Yahweh maakte Salomo zeer groot in de ogen van heel Israël. Hij legde op hem een koninklijke majesteit, zoals nooit op een koning vóór hem over Israël was geweest.
וַיְגַדֵּ֨ל
(vaygadel)
en maakte groot
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
לְמַ֔עְלָה
(lemala)
zeer
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en legde
עָלָיו֙
(alav)
op hem
ה֣וֹד
(hod)
majesteit van
מַלְכ֔וּת
(malkhut)
koningschap
אֲ֠שֶׁר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
הָיָ֧ה
(haya)
was
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
geen enkele
מֶ֛לֶךְ
(melekh)
koning
לְפָנָ֖יו
(lefanav)
voor hem
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוֹד מַלְכוּת (hod malchut), ‘koninklijke majesteit’: hetzelfde woord ‘majesteit’ als in vers 11.
29De geschiedenis van koning David, de eerste en de laatste, zie, zij staat opgeschreven in de geschiedenis van Samuël, de ziener. Ook in de geschiedenis van de profeet Natan en in de geschiedenis van Gad, de ziener.
וְדִבְרֵי֙
(vedivrei)
en de geschiedenis van
דָּוִ֣יד
(david)
David
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הָרִאשֹׁנִ֖ים
(harishonim)
de eerste
וְהָאֲחרֹנִ֑ים
(vehaachronim)
en de laatste
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
opgeschreven
עַל
(al)
over
דִּבְרֵי֙
(divrei)
de geschiedenis van
שְׁמוּאֵ֣ל
(shemuel)
Samuël
הָרֹאֶ֔ה
(haroe)
de ziener
וְעַל
(veal)
en over
דִּבְרֵי֙
(divrei)
de geschiedenis van
נָתָ֣ן
(natan)
Natan
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
וְעַל
(veal)
en over
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
de geschiedenis van
גָּ֥ד
(gad)
Gad
הַחֹזֶֽה
(hachoze)
de ziener
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דִּבְרֵי (divrei), ‘geschiedenis van’: letterlijk ‘woorden van’, ook ‘zaken’ en ‘daden’.
Wij houden ‘geschiedenis’ voor alle drie de werken.
הָרֹאֶה (haro-eh), ‘de ziener’, en הַחֹזֶה (hachozeh), ‘de ziener’: twee verschillende Hebreeuwse woorden, allebei ‘ziener’. Gad heet ook ‘de ziener’ in 2 Sam. 24:11. Samuël: zie 1 Sam. 9:9.
De werken van Samuël, Natan en Gad kennen wij niet als losse boeken.