Elohim Bijbel

1 Kronieken 29

1234567891011121314151617181920212223242526272829

De gaven voor het huis, Davids gebed en zijn dood

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David vraagt om gaven voor het huis

1Koning David zei tegen heel de vergadering: „Mijn zoon Salomo is de enige die Elohim heeft gekozen. Hij is nog jong en teer, en het werk is groot. Want de burcht is niet voor een mens, maar voor Yahweh Elohim.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֤יד
(david)
David
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
לְכָל
(lekhal)
tegen heel
הַקָּהָ֔ל
(haqahal)
de vergadering
שְׁלֹמֹ֨ה
(shelomo)
Salomo
בְנִ֥י
(beni)
mijn zoon
אֶחָ֛ד
(echad)
de enige
בָּֽחַר
(bachar)
heeft gekozen
בּ֥וֹ
(bo)
hem
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
נַ֣עַר
(naar)
jong
וָרָ֑ךְ
(varakh)
en teer
וְהַמְּלָאכָ֣ה
(vehamelakha)
en het werk
גְדוֹלָ֔ה
(gedola)
is groot
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
לְאָדָם֙
(leadam)
voor een mens
הַבִּירָ֔ה
(habira)
de burcht
כִּ֖י
(ki)
maar
לַיהוָ֥ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶחָד (echad), ‘de enige’: letterlijk ‘één’.

Het kan ook betekenen ‘Salomo alleen, een van mijn zonen’.

Wij lezen: van al mijn zonen is hij de ene die Elohim koos (zie 1 Kron. 28:5).

נַעַר וָרַךְ (na-ar varach), ‘jong en teer’: zoals in 1 Kron. 22:5.

הַבִּירָה (habirah), ‘de burcht’: het woord noemt het tempelcomplex als versterkt gebouw. Het komt ook voor in Neh. 2:8 en in vers 19.

De toespraak van David loopt van vers 1 tot en met vers 5.

2Met al mijn kracht heb ik voor het huis van mijn Elohim voorbereid. Goud voor het gouden werk, zilver voor het zilveren, koper voor het koperen, ijzer voor het ijzeren en hout voor het houten. Ook onyxstenen en inzetstenen, stenen van antimoon en veelkleurige stenen, allerlei kostbare steen en marmerstenen in menigte.
וּֽכְכָל
(ukhekhal)
en met al
כֹּחִ֞י
(kochi)
mijn kracht
הֲכִינ֣וֹתִי
(hakhinoti)
heb ik voorbereid
לְבֵית
(leveit)
voor het huis van
אֱלֹהַ֗י
(elohay)
mijn Elohim
הַזָּהָ֣ב
(hazahav)
het goud
לַ֠זָּהָב
(lazahav)
voor het gouden
וְהַכֶּ֨סֶף
(vehakesef)
en het zilver
לַכֶּ֜סֶף
(lakesef)
voor het zilveren
וְהַנְּחֹ֣שֶׁת
(vehanechoshet)
en het koper
לַנְּחֹ֗שֶׁת
(lanechoshet)
voor het koperen
הַבַּרְזֶל֙
(habarzel)
het ijzer
לַבַּרְזֶ֔ל
(labarzel)
voor het ijzeren
וְהָעֵצִ֖ים
(vehaetsim)
en het hout
לָעֵצִ֑ים
(laetsim)
voor het houten
אַבְנֵי
(avnei)
stenen van
שֹׁ֨הַם
(shoham)
onyx
וּמִלּוּאִ֜ים
(umiluim)
en inzetstenen
אַבְנֵי
(avnei)
stenen van
פ֣וּךְ
(pukh)
antimoon
וְרִקְמָ֗ה
(veriqma)
en veelkleurige
וְכֹ֨ל
(vekhol)
en allerlei
אֶ֧בֶן
(even)
steen
יְקָרָ֛ה
(yeqara)
kostbare
וְאַבְנֵי
(veavnei)
en stenen van
שַׁ֖יִשׁ
(shayish)
marmer
לָרֹֽב
(larov)
in menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁהַם (shoham), ‘onyx’ en מִלּוּאִים (milluim), ‘inzetstenen’: de stenen voor de efod en het borststuk (Exod. 25:7; 28:9–21).

פּוּךְ (puch), ‘antimoon’: een zwart poeder, gebruikt als oogschmink. Wij vertalen ‘stenen van antimoon’. De betekenis is niet zeker.

רִקְמָה (riqmah), ‘veelkleurig’: letterlijk ‘geborduurd’. Wij nemen het als ‘veelkleurige stenen’.

שַׁיִשׁ (shayish), ‘marmer’: een witte steen.

Vergelijk de voorbereidingen in 1 Kron. 22:2–5, 14–16.

3Bovendien: ik heb welgevallen in het huis van mijn Elohim. Daarom geef ik aan het huis van mijn Elohim mijn eigen bezit aan goud en zilver. Dat komt bovenop alles wat ik voor het heilige huis heb voorbereid.
וְע֗וֹד
(veod)
en bovendien
בִּרְצוֹתִי֙
(birtsoti)
omdat ik welgevallen heb
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
אֱלֹהַ֔י
(elohay)
mijn Elohim
יֶשׁ
(yesh)
er is
לִ֥י
(li)
voor mij
סְגֻלָּ֖ה
(segula)
een eigen bezit
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
וָכָ֑סֶף
(vakhasef)
en zilver
נָתַ֤תִּי
(natati)
heb ik gegeven
לְבֵית
(leveit)
aan het huis van
אֱלֹהַי֙
(elohay)
mijn Elohim
לְמַ֔עְלָה
(lemala)
bovenop
מִכָּל
(mikal)
alles
הֲכִינ֖וֹתִי
(hakhinoti)
wat ik heb voorbereid
לְבֵ֥ית
(leveit)
voor het huis van
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְגֻלָּה (segullah), ‘eigen bezit’: wat iemand zelf als kostbaar bezit heeft, zoals in Exod. 19:5 (Israël als eigen bezit van Yahweh).

בִּרְצוֹתִי (birtsoti), ‘omdat ik welgevallen heb’: hetzelfde werkwoord als in 28:4.

4Dat is 3.000 talent goud, van het goud van Ofir, en 7.000 talent gelouterd zilver, om de wanden van de gebouwen te bekleden.
שְׁלֹ֧שֶׁת
(sheloshet)
drie van
אֲלָפִ֛ים
(alafim)
duizenden
כִּכְּרֵ֥י
(kikerei)
talent van
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
מִזְּהַ֣ב
(mizehav)
van het goud van
אוֹפִ֑יר
(ofir)
Ofir
וְשִׁבְעַ֨ת
(veshivat)
en zeven van
אֲלָפִ֤ים
(alafim)
duizenden
כִּכַּר
(kikar)
talent
כֶּ֨סֶף֙
(kesef)
zilver
מְזֻקָּ֔ק
(mezuqaq)
gelouterd
לָט֖וּחַ
(latuach)
om te bekleden
קִיר֥וֹת
(qirot)
wanden van
הַבָּתִּֽים
(habatim)
de gebouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ofir is een goudland.

De ligging is onzeker.

Voorstellen zijn Zuid-Arabië, Oost-Afrika en India.

Zie ook 1 Kon. 9:28 en 10:11.

Zie

In 1 Kron. 22:14 noemt David andere, veel grotere hoeveelheden (100.000 talent goud).

Wij vertalen beide teksten zoals ze staan.

Uitleg

כִּכַּר (kikkar), ‘talent’: een gewicht van 3.000 sikkel (vergelijk Exod. 38:25–26).

Een talent is ongeveer 34 kilogram.

Dus 3.000 talent is ongeveer 103.000 kilogram (103 ton) en 7.000 talent ongeveer 239.000 kilogram.

De sikkel rekenen wij op ongeveer 11,4 gram.

לָטוּחַ (latuach), ‘bekleden’: het werkwoord betekent ook ‘bepleisteren’ (Lev. 14:42). Hier gaat het om een bekleding van de wanden met zilver.

5Het goud is voor het gouden werk en het zilver voor het zilveren werk, voor al het werk door de hand van de vaklieden. Wie wil er vandaag uit vrije wil zijn hand vullen voor Yahweh?”
לַזָּהָ֤ב
(lazahav)
voor het goud
לַזָּהָב֙
(lazahav)
voor het goud
וְלַכֶּ֣סֶף
(velakesef)
en voor het zilver
לַכֶּ֔סֶף
(lakesef)
voor het zilver
וּלְכָל
(ulekhal)
en voor al
מְלָאכָ֖ה
(melakha)
werk
בְּיַ֣ד
(beyad)
door de hand van
חָרָשִׁ֑ים
(charashim)
vaklieden
וּמִ֣י
(umi)
en wie
מִתְנַדֵּ֔ב
(mitnadev)
wil uit vrije wil geven
לְמַלֹּ֥אות
(lemalovt)
om te vullen
יָד֛וֹ
(yado)
zijn hand
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְמַלֹּאות יָדוֹ (lemallot yado), ‘zijn hand te vullen’: een uitdrukking voor ‘zich inwijden’.

Zo ook voor de priesters, bijvoorbeeld in Exod. 28:41 (‘wijd hen in’; letterlijk ‘vul hun hand’).

Wij houden hier de woordelijke vorm.

מִתְנַדֵּב (mitnadev), ‘uit vrije wil geven’: hetzelfde werkwoord als in de verzen 6, 9, 14 en 17.

Hier eindigt de toespraak die in vers 1 begon.

De leiders geven vrijwillig

6De leiders van de vaderhuizen, de leiders van de stammen van Israël, de leiders van de duizendtallen en van de honderdtallen en de leiders over het werk van de koning gaven uit vrije wil.
וַיִּֽתְנַדְּבוּ֩
(vayitnadevu)
en gaven uit vrije wil
שָׂרֵ֨י
(sarei)
de leiders van
הָאָב֜וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
וְשָׂרֵ֣י
(vesarei)
en de leiders van
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
de stammen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְשָׂרֵ֤י
(vesarei)
en de leiders van
הָאֲלָפִים֙
(haalafim)
de duizendtallen
וְהַמֵּא֔וֹת
(vehameot)
en de honderdtallen
וּלְשָׂרֵ֖י
(ulesarei)
en de leiders over
מְלֶ֥אכֶת
(melekhet)
het werk van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂרֵי הָאָבוֹת (sarei haavot), ‘leiders van de vaderhuizen’: de hoofden van de families.

Vergelijk 1 Kron. 27:1 en 28:1.

7Voor de dienst van het huis van de Elohim gaven zij 5.000 talent en 10.000 darieken goud. Zij gaven ook 10.000 talent zilver, 18.000 talent koper en 100.000 talent ijzer.
וַֽיִּתְּנ֞וּ
(vayitenu)
en gaven
לַעֲבוֹדַ֣ת
(laavodat)
voor de dienst van
בֵּית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
de Elohim
זָהָ֞ב
(zahav)
goud
כִּכָּרִ֣ים
(kikarim)
talent
חֲמֵֽשֶׁת
(chameshet)
vijf van
אֲלָפִים֮
(alafim)
duizenden
וַאֲדַרְכֹנִ֣ים
(vaadarkhonim)
en darieken
רִבּוֹ֒
(ribo)
tienduizend
וְכֶ֗סֶף
(vekhesef)
en zilver
כִּכָּרִים֙
(kikarim)
talent
עֲשֶׂ֣רֶת
(aseret)
tien van
אֲלָפִ֔ים
(alafim)
duizenden
וּנְחֹ֕שֶׁת
(unechoshet)
en koper
רִבּ֛וֹ
(ribo)
tienduizend
וּשְׁמוֹנַ֥ת
(ushemonat)
en acht van
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizenden
כִּכָּרִ֑ים
(kikarim)
talent
וּבַרְזֶ֖ל
(uvarzel)
en ijzer
מֵֽאָה
(mea)
honderd
אֶ֥לֶף
(elef)
duizend
כִּכָּרִֽים
(kikarim)
talent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדַרְכֹּנִים (adarkonim), ‘darieken’: een gouden munt.

Het is onzeker of dit de Perzische dariek is (ongeveer 8,4 gram).

Dan is 10.000 darieken ongeveer 84 kilogram.

Het woord komt ook voor in Ezra 8:27.

Omrekening: 5.000 talent goud is ongeveer 171.000 kilogram, 10.000 talent zilver ongeveer 342.000 kilogram, 18.000 talent koper ongeveer 616.000 kilogram en 100.000 talent ijzer ongeveer 3.420.000 kilogram. Alles is ongeveer.

רִבּוֹ (ribbo), ‘tienduizend’: bij het koper staat ‘tienduizend en acht duizend’, samen 18.000.

8Wie stenen had, gaf ze voor de schatkamer van het huis van Yahweh, onder het beheer van Jechiël, de Gersjoniet.
וְהַנִּמְצָ֤א
(vehanimtsa)
en wie gevonden werd
אִתּוֹ֙
(ito)
bij zich
אֲבָנִ֔ים
(avanim)
stenen
נָתְנ֖וּ
(natenu)
gaven zij
לְאוֹצַ֣ר
(leotsar)
voor de schatkamer van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
עַ֥ל
(al)
onder
יַד
(yad)
de hand van
יְחִיאֵ֖ל
(yechiel)
Jechiël
הַגֵּרְשֻׁנִּֽי
(hagereshuni)
de Gersjoniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jechiël de Gersjoniet is een Leviet die over de schatkamers gaat (1 Kron. 23:8; 26:21–22).

Gersjon: zie Num. 3:17–21.

9Het volk was blij over hun vrije gaven, want zij hadden met een volledig hart uit vrije wil aan Yahweh gegeven. Ook koning David was zeer blij.
וַיִּשְׂמְח֤וּ
(vayismechu)
en verheugden zich
הָעָם֙
(haam)
het volk
עַל
(al)
over
הִֽתְנַדְּבָ֔ם
(hitnadevam)
hun vrije gaven
כִּ֚י
(ki)
want
בְּלֵ֣ב
(belev)
met een hart
שָׁלֵ֔ם
(shalem)
volledig
הִֽתְנַדְּב֖וּ
(hitnadevu)
hadden zij uit vrije wil gegeven
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וְגַם֙
(vegam)
en ook
דָּוִ֣יד
(david)
David
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שָׂמַ֖ח
(samach)
verheugde zich
שִׂמְחָ֥ה
(simcha)
vreugde
גְדוֹלָֽה
(gedola)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het volk is blij en David is blij met grote vreugde.

Dezelfde wortel (שָׂמַח, samach) staat in beide delen van het vers.

Wij houden de herhaling.

Het gebed van David

10David zegende Yahweh voor de ogen van heel de vergadering. David zei: „Gezegend bent U, Yahweh, Elohim van Israël, onze vader, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
וַיְבָ֤רֶךְ
(vayvarekh)
en zegende
דָּוִיד֙
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
כָּל
(kal)
heel
הַקָּהָ֑ל
(haqahal)
de vergadering
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֗יד
(david)
David
בָּר֨וּךְ
(barukh)
gezegend
אַתָּ֤ה
(ata)
bent U
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
אָבִ֔ינוּ
(avinu)
onze vader
מֵעוֹלָ֖ם
(meolam)
van eeuwigheid
וְעַד
(vead)
en tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het gebed van David loopt van vers 10 tot en met vers 19.

De woorden ‘Gezegend bent U, Yahweh … van eeuwigheid tot eeuwigheid’ lijken op 1 Kron. 16:36 en Ps. 106:48.

אָבִינוּ (avinu), ‘onze vader’: dit hoort bij ‘Israël’ (de aartsvader Jakob; Gen. 32:29). Het kan ook op Yahweh slaan (Jes. 63:16). Wij houden de volgorde van het Hebreeuws.

11Van U is, Yahweh, de grootheid, de macht, de luister, de overwinning en de majesteit. Want alles in de hemel en op de aarde is van U. Van U is, Yahweh, het koninkrijk. U verheft Zich als hoofd boven alles.
לְךָ֣
(lekha)
van U
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
הַגְּדֻלָּ֨ה
(hagedula)
de grootheid
וְהַגְּבוּרָ֤ה
(vehagevura)
en de macht
וְהַתִּפְאֶ֨רֶת֙
(vehatiferet)
en de luister
וְהַנֵּ֣צַח
(vehanetsach)
en de overwinning
וְהַה֔וֹד
(vehahod)
en de majesteit
כִּי
(ki)
want
כֹ֖ל
(kol)
alles
בַּשָּׁמַ֣יִם
(bashamayim)
in de hemel
וּבָאָ֑רֶץ
(uvaarets)
en op de aarde
לְךָ֤
(lekha)
van U
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הַמַּמְלָכָ֔ה
(hamamlakha)
het koninkrijk
וְהַמִּתְנַשֵּׂ֖א
(vehamitnase)
en die Zich verheft
לְכֹ֥ל
(lekhol)
boven alles
לְרֹֽאשׁ
(lerosh)
als hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַגְּדֻלָּה (hagedullah), ‘de grootheid’; הַגְּבוּרָה (hagevurah), ‘de macht’; הַתִּפְאֶרֶת (hatiferet), ‘de luister’; הַנֵּצַח (hanetsach), ‘de overwinning’; הַהוֹד (hahod), ‘de majesteit’.

Het woord netsach betekent ook ‘duur’ of ‘eeuwigheid’ (vergelijk 1 Sam. 15:29).

הַמִּתְנַשֵּׂא לְכֹל לְרֹאשׁ (hammitnasse lechol lerosh), ‘die Zich verheft boven alles als hoofd’: Yahweh is het hoofd boven alles.

12Rijkdom en eer komen van voor Uw aangezicht. U regeert over alles. In Uw hand zijn kracht en macht. In Uw hand is het om groot te maken en alles sterk te maken.
וְהָעֹ֤שֶׁר
(vehaosher)
en de rijkdom
וְהַכָּבוֹד֙
(vehakavod)
en de eer
מִלְּפָנֶ֔יךָ
(milefaneikha)
van voor Uw aangezicht
וְאַתָּה֙
(veata)
en U
מוֹשֵׁ֣ל
(moshel)
regeert
בַּכֹּ֔ל
(bakol)
over alles
וּבְיָדְךָ֖
(uveyadekha)
en in Uw hand
כֹּ֣חַ
(koach)
kracht
וּגְבוּרָ֑ה
(ugevura)
en macht
וּבְיָ֣דְךָ֔
(uveyadekha)
en in Uw hand
לְגַדֵּ֥ל
(legadel)
om groot te maken
וּלְחַזֵּ֖ק
(ulechazeq)
en om sterk te maken
לַכֹּֽל
(lakol)
alles
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֹּחַ (koach), ‘kracht’ en גְּבוּרָה (gevurah), ‘macht’: wij houden de twee woorden apart, ook in vers 11.

מִלְּפָנֶיךָ (milefanecha), ‘van voor Uw aangezicht’: rijkdom en eer komen van Yahweh zelf.

13Nu dan, onze Elohim, wij danken U en wij prijzen de naam van Uw luister.
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
מוֹדִ֥ים
(modim)
dankend
אֲנַ֖חְנוּ
(anachnu)
wij
לָ֑ךְ
(lakh)
U
וּֽמְהַֽלְלִ֖ים
(umehallim)
en prijzend
לְשֵׁ֥ם
(leshem)
de naam van
תִּפְאַרְתֶּֽךָ
(tifartekha)
Uw luister
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּפְאַרְתֶּךָ (tifartecha), ‘Uw luister’: hetzelfde woord als in vers 11.

14Want wie ben ik, en wie is mijn volk, dat wij de kracht zouden hebben om zo uit vrije wil te geven? Want alles komt van U, en uit Uw hand hebben wij U gegeven.
וְכִ֨י
(vekhi)
en want
מִ֤י
(mi)
wie
אֲנִי֙
(ani)
ben ik
וּמִ֣י
(umi)
en wie
עַמִּ֔י
(ami)
is mijn volk
כִּֽי
(ki)
dat
נַעְצֹ֣ר
(natsor)
wij houden
כֹּ֔חַ
(koach)
kracht
לְהִתְנַדֵּ֖ב
(lehitnadev)
om uit vrije wil te geven
כָּזֹ֑את
(kazot)
zoals dit
כִּֽי
(ki)
want
מִמְּךָ֣
(mimekha)
van U
הַכֹּ֔ל
(hakol)
alles
וּמִיָּדְךָ֖
(umiyadekha)
en uit Uw hand
נָתַ֥נּוּ
(natanu)
hebben wij gegeven
לָֽךְ
(lakh)
aan U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַעְצֹר כֹּחַ (na-atsor koach), ‘wij houden kracht’: letterlijk ‘wij behouden kracht’.

De zin vraagt: wie zijn wij, dat wij de kracht zouden hebben?

מִיָּדְךָ נָתַנּוּ לָךְ (miyadecha natannu lach), ‘uit Uw hand hebben wij U gegeven’: wat wij geven, hebben wij eerst van U gekregen.

15Want vreemdelingen zijn wij voor U, en bijwoners, zoals al onze vaders. Onze dagen op de aarde zijn als een schaduw, en er is geen hoop.
כִּֽי
(ki)
want
גֵרִ֨ים
(gerim)
vreemdelingen
אֲנַ֧חְנוּ
(anachnu)
wij
לְפָנֶ֛יךָ
(lefaneikha)
voor U
וְתוֹשָׁבִ֖ים
(vetoshavim)
en bijwoners
כְּכָל
(kekhal)
zoals al
אֲבֹתֵ֑ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
כַּצֵּ֧ל
(katsel)
als een schaduw
יָמֵ֛ינוּ
(yameinu)
onze dagen
עַל
(al)
op
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is geen
מִקְוֶֽה
(miqve)
hoop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֵּרִים וְתוֹשָׁבִים (gerim vetoshavim), ‘vreemdelingen en bijwoners’: mensen zonder eigen land.

Vergelijk Lev. 25:23 en Ps. 39:13.

כְּצֵל יָמֵינוּ (ketsel yamenu), ‘onze dagen zijn als een schaduw’: vergelijk Ps. 144:4.

מִקְוֶה (miqveh), ‘hoop’: iets om op te wachten.

16Yahweh, onze Elohim, heel deze menigte die wij hebben voorbereid om voor U een huis te bouwen, voor Uw heilige naam, is uit Uw hand. En alles is van U.
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
כֹ֣ל
(kol)
heel
הֶהָמ֤וֹן
(hehamon)
de menigte
הַזֶּה֙
(haze)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֲכִינֹ֔נוּ
(hakhinonu)
wij hebben voorbereid
לִבְנֽוֹת
(livnot)
om te bouwen
לְךָ֥
(lekha)
voor U
בַ֖יִת
(bayit)
een huis
לְשֵׁ֣ם
(leshem)
voor de naam van
קָדְשֶׁ֑ךָ
(qadeshekha)
Uw heiligheid
מִיָּדְךָ֥
(miyadekha)
uit Uw hand
ה֖וּא
(hu)
is het
וּלְךָ֥
(ulekha)
en van U
הַכֹּֽל
(hakol)
alles
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָהָמוֹן (hahamon), ‘de menigte’: de grote hoeveelheid goederen die is verzameld.

לְשֵׁם קָדְשֶׁךָ (leshem qodshecha), ‘voor de naam van Uw heiligheid’: wij vertalen ‘voor Uw heilige naam’.

Lezing

Bij ‘is uit Uw hand’ staat in de geschreven tekst (ketiv) הִיא (hi), ‘zij’.

De lezing (qere) is הוּא (hu), ‘hij, het’.

Wij volgen de qere.

17Ik weet, mijn Elohim, dat U het hart toetst en welgevallen hebt in oprechtheid. In de oprechtheid van mijn hart heb ik dit alles uit vrije wil gegeven. En nu heb ik met vreugde gezien dat Uw volk, dat hier aanwezig is, U uit vrije wil geeft.
וְיָדַ֣עְתִּי
(veyadati)
en ik weet
אֱלֹהַ֔י
(elohay)
mijn Elohim
כִּ֤י
(ki)
dat
אַתָּה֙
(ata)
U
בֹּחֵ֣ן
(bochen)
toetst
לֵבָ֔ב
(levav)
het hart
וּמֵישָׁרִ֖ים
(umeisharim)
en oprechtheid
תִּרְצֶ֑ה
(tirtse)
welgevallen hebt U
אֲנִ֗י
(ani)
ik
בְּיֹ֤שֶׁר
(beyosher)
in de oprechtheid van
לְבָבִי֙
(levavi)
mijn hart
הִתְנַדַּ֣בְתִּי
(hitnadavti)
heb ik uit vrije wil gegeven
כָל
(kal)
al
אֵ֔לֶּה
(ele)
dit
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
עַמְּךָ֙
(amekha)
Uw volk
הַנִּמְצְאוּ
(hanimtseu)
dat gevonden is
פֹ֔ה
(po)
hier
רָאִ֥יתִי
(raiti)
heb ik gezien
בְשִׂמְחָ֖ה
(besimcha)
met vreugde
לְהִֽתְנַדֶּב
(lehitnadev)
om uit vrije wil te geven
לָֽךְ
(lakh)
aan U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֹּחֵן לֵבָב (bochen levav), ‘U toetst het hart’: Yahweh onderzoekt wat in een mens is (1 Sam. 16:7; Ps. 7:10).

מֵישָׁרִים (meisharim), ‘oprechtheid’, en בְּיֹשֶׁר (beyosher), ‘in de oprechtheid van’: beide woorden komen van het woord voor ‘recht’. Wij vertalen ze allebei met ‘oprechtheid’.

18Yahweh, Elohim van Abraham, Isaak en Israël, onze vaders, bewaar dit voor altijd als de neiging van de gedachten in het hart van Uw volk. Richt hun hart op U.
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱ֠לֹהֵי
(elohei)
Elohim van
אַבְרָהָ֞ם
(avraham)
Abraham
יִצְחָ֤ק
(yitschaq)
Isaak
וְיִשְׂרָאֵל֙
(veyisrael)
en Israël
אֲבֹתֵ֔ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
שֳׁמְרָה
(shomra)
bewaar
זֹּ֣את
(zot)
dit
לְעוֹלָ֔ם
(leolam)
voor altijd
לְיֵ֥צֶר
(leyetser)
als neiging van
מַחְשְׁב֖וֹת
(machshevot)
gedachten van
לְבַ֣ב
(levav)
het hart van
עַמֶּ֑ךָ
(amekha)
Uw volk
וְהָכֵ֥ן
(vehakhen)
en richt
לְבָבָ֖ם
(levavam)
hun hart
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
op U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִשְׂרָאֵל (Yisrael), ‘Israël’: hier de aartsvader Jakob, zoals in Exod. 32:13.

יֵצֶר מַחְשְׁבוֹת לְבַב (yetser machshevot levav), ‘neiging van de gedachten van het hart’: zoals in 1 Kron. 28:9. Vergelijk Gen. 6:5 en Deut. 31:21.

וְהָכֵן (vehaven), ‘en richt’: letterlijk ‘en maak vast’.

19En geef aan mijn zoon Salomo een volledig hart. Laat hem Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw voorschriften bewaren. Laat hem dit alles doen en de burcht bouwen die ik heb voorbereid.”
וְלִשְׁלֹמֹ֣ה
(velishlomo)
en aan Salomo
בְנִ֗י
(beni)
mijn zoon
תֵּ֚ן
(ten)
geef
לֵבָ֣ב
(levav)
een hart
שָׁלֵ֔ם
(shalem)
volledig
לִשְׁמוֹר֙
(lishmor)
om te bewaren
מִצְוֺתֶ֔יךָ
(mitsvoteikha)
Uw geboden
עֵדְוֺתֶ֖יךָ
(edevoteikha)
Uw getuigenissen
וְחֻקֶּ֑יךָ
(vechuqeikha)
en Uw voorschriften
וְלַעֲשׂ֣וֹת
(velaasot)
en om te doen
הַכֹּ֔ל
(hakol)
alles
וְלִבְנ֖וֹת
(velivnot)
en om te bouwen
הַבִּירָ֥ה
(habira)
de burcht
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֲכִינֽוֹתִי
(hakhinoti)
ik heb voorbereid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֵבָב שָׁלֵם (levav shalem), ‘een volledig hart’: een hart dat helemaal bij Yahweh hoort.

Zo ook in 28:9 en in 1 Kon. 8:61.

מִצְוֹתֶיךָ עֵדְוֹתֶיךָ וְחֻקֶּיךָ (mitsvotecha edotecha vechuqqecha), ‘Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw voorschriften’: de drie woorden voor de wet, zoals in Deut. 6:17. Hier eindigt het gebed.

Offers en de tweede zalving van Salomo

20David zei tegen heel de vergadering: „Zegen nu Yahweh, jullie Elohim.” Heel de vergadering zegende Yahweh, de Elohim van hun vaders. Zij bogen zich en wierpen zich neer voor Yahweh en voor de koning.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִיד֙
(david)
David
לְכָל
(lekhal)
tegen heel
הַקָּהָ֔ל
(haqahal)
de vergadering
בָּֽרְכוּ
(barekhu)
zegen
נָ֖א
(na)
nu
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֑ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וַיְבָרֲכ֣וּ
(vayvarakhu)
en zegenden
כָֽל
(kal)
heel
הַקָּהָ֗ל
(haqahal)
de vergadering
לַיהוָה֙
(laYahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
אֲבֹֽתֵיהֶ֔ם
(avoteihem)
hun vaders
וַיִּקְּד֧וּ
(vayiqedu)
en bogen zich
וַיִּֽשְׁתַּחֲו֛וּ
(vayishtachavu)
en wierpen zich neer
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְלַמֶּֽלֶךְ
(velamelekh)
en voor de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּקְּדוּ (vayiqqedu), ‘en zij bogen zich’: een diepe buiging met het hoofd (vergelijk Gen. 24:26).

Daarna volgt het neerwerpen.

21Op de dag na die dag brachten zij slachtoffers aan Yahweh. Zij droegen brandoffers aan Yahweh op: 1.000 stieren, 1.000 rammen en 1.000 lammeren, met hun plengoffers. Ook brachten zij in menigte slachtoffers voor heel Israël.
וַיִּזְבְּח֣וּ
(vayizbechu)
en brachten slachtoffers
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
זְ֠בָחִים
(zevachim)
slachtoffers
וַיַּעֲל֨וּ
(vayaalu)
en droegen op
עֹל֜וֹת
(olot)
brandoffers
לַיהוָ֗ה
(laYahweh)
aan Yahweh
לְֽמָחֳרַת֮
(lemachorat)
op de dag na
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַהוּא֒
(hahu)
die
פָּרִ֨ים
(parim)
stieren
אֶ֜לֶף
(elef)
duizend
אֵילִ֥ים
(eilim)
rammen
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
כְּבָשִׂ֥ים
(kevasim)
lammeren
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
וְנִסְכֵּיהֶ֑ם
(veniskeihem)
en hun plengoffers
וּזְבָחִ֥ים
(uzevachim)
en slachtoffers
לָרֹ֖ב
(larov)
in menigte
לְכָל
(lekhal)
voor heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְמָחֳרַת הַיּוֹם הַהוּא (lemochorat hayom hahu), ‘op de dag na die dag’: de volgende dag.

זְבָחִים (zevachim), ‘slachtoffers’: dieren die geslacht worden voor een maaltijd voor Yahweh. Hier worden ze naast de brandoffers genoemd.

22Op die dag aten en dronken zij voor het aangezicht van Yahweh, met grote vreugde. Voor de tweede keer maakten zij Salomo, de zoon van David, koning. Zij zalfden hem voor Yahweh tot leider en Zadok tot priester.
וַיֹּאכְל֨וּ
(vayokhlu)
en aten
וַיִּשְׁתּ֜וּ
(vayishtu)
en dronken
לִפְנֵ֧י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
בְּשִׂמְחָ֣ה
(besimcha)
met vreugde
גְדוֹלָ֑ה
(gedola)
grote
וַיַּמְלִ֤יכוּ
(vayamlikhu)
en maakten koning
שֵׁנִית֙
(shenit)
voor de tweede keer
לִשְׁלֹמֹ֣ה
(lishlomo)
Salomo
בֶן
(ben)
de zoon van
דָּוִ֔יד
(david)
David
וַיִּמְשְׁח֧וּ
(vayimshechu)
en zalfden
לַיהוָ֛ה
(laYahweh)
voor Yahweh
לְנָגִ֥יד
(lenagid)
tot leider
וּלְצָד֖וֹק
(uletsadoq)
en Zadok
לְכֹהֵֽן
(lekhohen)
tot priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּמְלִיכוּ שֵׁנִית (vayamlichu shenit), ‘zij maakten voor de tweede keer koning’: Salomo was al tot koning gemaakt (1 Kron. 23:1; 1 Kon. 1:32–40).

Kronieken noemt de strijd om de troon niet.

לְנָגִיד (lenagid), ‘tot leider’: zoals in 2 Sam. 7:8.

Zadok was al priester (1 Kron. 15:11; 16:39). Hier zalven zij Zadok tot priester, naast Salomo als leider.

23Salomo zat op de troon van Yahweh als koning, in de plaats van zijn vader David. Hij had voorspoed en heel Israël luisterde naar hem.
וַיֵּ֣שֶׁב
(vayeshev)
en zat
שְׁ֠לֹמֹה
(shelomo)
Salomo
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֨א
(kise)
de troon van
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
לְמֶ֛לֶךְ
(lemelekh)
als koning
תַּֽחַת
(tachat)
in de plaats van
דָּוִ֥יד
(david)
David
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
וַיַּצְלַ֑ח
(vayatslach)
en had voorspoed
וַיִּשְׁמְע֥וּ
(vayishmeu)
en luisterden
אֵלָ֖יו
(elav)
naar hem
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּסֵּא יְהוָה (kisse Yahweh), ‘de troon van Yahweh’: zie 28:5.

De parallel 1 Kon. 2:12 zegt ‘de troon van zijn vader David’.

24Alle leiders, de helden en ook alle zonen van koning David onderwierpen zich aan koning Salomo.
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַשָּׂרִים֙
(hasarim)
de leiders
וְהַגִּבֹּרִ֔ים
(vehagiborim)
en de helden
וְגַ֕ם
(vegam)
en ook
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֑יד
(david)
David
נָ֣תְנוּ
(natenu)
gaven
יָ֔ד
(yad)
hand
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
שְׁלֹמֹ֥ה
(shelomo)
Salomo
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָתְנוּ יָד תַּחַת (natnu yad tachat), ‘zij gaven de hand onder’: een uitdrukking voor zich onderwerpen.

Vergelijk 2 Kron. 30:8.

25Yahweh maakte Salomo zeer groot in de ogen van heel Israël. Hij legde op hem een koninklijke majesteit, zoals nooit op een koning vóór hem over Israël was geweest.
וַיְגַדֵּ֨ל
(vaygadel)
en maakte groot
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
לְמַ֔עְלָה
(lemala)
zeer
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en legde
עָלָיו֙
(alav)
op hem
ה֣וֹד
(hod)
majesteit van
מַלְכ֔וּת
(malkhut)
koningschap
אֲ֠שֶׁר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
הָיָ֧ה
(haya)
was
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
geen enkele
מֶ֛לֶךְ
(melekh)
koning
לְפָנָ֖יו
(lefanav)
voor hem
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹד מַלְכוּת (hod malchut), ‘koninklijke majesteit’: hetzelfde woord ‘majesteit’ als in vers 11.

De dood van David

26David, de zoon van Isaï, was koning over heel Israël.
וְדָוִיד֙
(vedavid)
en David
בֶּן
(ben)
zoon van
יִשָׁ֔י
(yishay)
Isaï
מָלַ֖ךְ
(malakh)
koning
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 26–28 sluiten aan op 2 Sam. 5:4–5 en 1 Kon. 2:10–12.

27De dagen dat hij over Israël koning was: veertig jaar. In Hebron was hij zeven jaar koning en in Jeruzalem 33 jaar.
וְהַיָּמִ֗ים
(vehayamim)
en de dagen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
מָלַךְ֙
(malakh)
hij regeerde
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אַרְבָּעִ֖ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
בְּחֶבְר֤וֹן
(bechevron)
in Hebron
מָלַךְ֙
(malakh)
regeerde hij
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaar
וּבִירוּשָׁלִַ֥ם
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
וְשָׁלֽוֹשׁ
(veshalosh)
en drie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 kilometer ten zuiden van Jeruzalem.

Het is het huidige Hebron in de Westelijke Jordaanoever.

Zie ook 2 Sam. 5:5.

Uitleg

In 2 Sam. 5:5 staat ‘zeven jaar en zes maanden’ in Hebron.

Kronieken rondt af op zeven jaar.

Samen 40 jaar.

28Hij stierf op een goede, grijze leeftijd, vol dagen, rijkdom en eer. Zijn zoon Salomo werd koning in zijn plaats.
וַיָּ֨מָת֙
(vayamat)
en stierf
בְּשֵׂיבָ֣ה
(beseiva)
op grijze leeftijd
טוֹבָ֔ה
(tova)
goede
שְׂבַ֥ע
(seva)
verzadigd van
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
עֹ֣שֶׁר
(osher)
rijkdom
וְכָב֑וֹד
(vekhavod)
en eer
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
שְׁלֹמֹ֥ה
(shelomo)
Salomo
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׂבַע יָמִים (seva yamim), ‘vol van dagen’: een lang en vol leven.

Vergelijk Gen. 25:8 en 35:29.

29De geschiedenis van koning David, de eerste en de laatste, zie, zij staat opgeschreven in de geschiedenis van Samuël, de ziener. Ook in de geschiedenis van de profeet Natan en in de geschiedenis van Gad, de ziener.
וְדִבְרֵי֙
(vedivrei)
en de geschiedenis van
דָּוִ֣יד
(david)
David
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הָרִאשֹׁנִ֖ים
(harishonim)
de eerste
וְהָאֲחרֹנִ֑ים
(vehaachronim)
en de laatste
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
opgeschreven
עַל
(al)
over
דִּבְרֵי֙
(divrei)
de geschiedenis van
שְׁמוּאֵ֣ל
(shemuel)
Samuël
הָרֹאֶ֔ה
(haroe)
de ziener
וְעַל
(veal)
en over
דִּבְרֵי֙
(divrei)
de geschiedenis van
נָתָ֣ן
(natan)
Natan
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
וְעַל
(veal)
en over
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
de geschiedenis van
גָּ֥ד
(gad)
Gad
הַחֹזֶֽה
(hachoze)
de ziener
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דִּבְרֵי (divrei), ‘geschiedenis van’: letterlijk ‘woorden van’, ook ‘zaken’ en ‘daden’.

Wij houden ‘geschiedenis’ voor alle drie de werken.

הָרֹאֶה (haro-eh), ‘de ziener’, en הַחֹזֶה (hachozeh), ‘de ziener’: twee verschillende Hebreeuwse woorden, allebei ‘ziener’. Gad heet ook ‘de ziener’ in 2 Sam. 24:11. Samuël: zie 1 Sam. 9:9.

De werken van Samuël, Natan en Gad kennen wij niet als losse boeken.

30Ook staat daar heel zijn koningschap, zijn macht en de tijden die over hem zijn gegaan, over Israël en over alle koninkrijken van de landen.
עִ֥ם
(im)
met
כָּל
(kal)
heel
מַלְכוּת֖וֹ
(malkhuto)
zijn koningschap
וּגְבוּרָת֑וֹ
(ugevurato)
en zijn macht
וְהָעִתִּ֗ים
(vehaitim)
en de tijden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
עָבְר֤וּ
(averu)
zijn gegaan
עָלָיו֙
(alav)
over hem
וְעַל
(veal)
en over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְעַ֖ל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
alle
מַמְלְכ֥וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
הָאֲרָצֽוֹת
(haaratsot)
de landen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws begint met ‘met’ (עִם, im): ‘met heel zijn koningschap …’.

Wij schrijven ‘Ook staat daar’.

הָעִתִּים (haittim), ‘de tijden’: de gebeurtenissen die over hem en Israël kwamen (vergelijk Ps. 31:16).