Handelingen 16
Timoteüs, de roep uit Macedonië, Filippi: Lydia, het dienstmeisje en de cipier
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Timoteüs sluit zich aan
Zie Derbe (Kerti Hüyük?; ligging onzeker): De ligging van Derbe is niet zeker.
Meestal wordt gedacht aan Kerti Hüyük, ten noordoosten van Karaman, in het binnenland van Zuid-Turkije.
Zie Lystra (Hatunsaray; ligging waarschijnlijk): Lystra wordt meestal gezocht bij het huidige Hatunsaray, ongeveer 40 km ten zuidwesten van Konya.
Dit is waarschijnlijk, maar niet helemaal zeker.
Τιμόθεος (Timotheos), ‘Timoteüs’: een jonge leerling uit Lystra, later een vaste medewerker van Paulus.
Zijn moeder was Joods en gelovig, zijn vader een Griek.
De naam van zijn moeder en van zijn vader noemt de tekst hier niet.
Zie ook Hand. 14:6.
Zie ook 2 Tim. 1:5; 2 Tim. 3:15.
Zie Lystra (Hatunsaray; ligging waarschijnlijk): Lystra wordt meestal gezocht bij het huidige Hatunsaray, ongeveer 40 km ten zuidwesten van Konya.
Dit is waarschijnlijk, maar niet helemaal zeker.
Zie Ikonium: Ikonium is het huidige Konya, in het binnenland van Zuid-Turkije.
μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’: hier ‘goed getuigenis krijgen’.
Wij schrijven ‘er werd goed over hem getuigd’.
περιτέμνω (peritemno), ‘besnijden’.
Paulus laat Timoteüs besnijden ‘vanwege de Joden’, niet omdat het voor redding nodig is; dat was net besloten (15:1–11).
Timoteüs had een Joodse moeder, maar was niet besneden omdat zijn vader een Griek was.
Wij gaan hier niet verder dan wat de tekst zegt.
Zie ook Hand. 15:1–11.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
δόγμα (dogma), ‘besluit’: een officiële beslissing.
Dit zijn de besluiten van 15:28–29.
‘Bewaren’ (φυλάσσω, fylasso) betekent ook ‘onderhouden’ of ‘nakomen’.
Zie ook Hand. 15:28–29.
στερεόω (stereoo), ‘versterken’: sterk en vast maken. περισσεύω (perisseuo), ‘toenemen’: meer worden.
De weg naar Macedonië
Zie Frygië (ongeveer): Frygië was een streek in het westen en midden van het huidige Turkije.
De grenzen wisselden en zijn niet scherp.
Zie Galatië (ongeveer): Het Galatische land was het gebied rond het huidige Ankara, in het midden van Turkije.
De grenzen zijn bij benadering; de Romeinse provincie Galatië was groter.
Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
Φρυγία (Frygia), ‘Frygië’: een landstreek in het midden van het huidige Turkije. Γαλατικὴ χώρα (Galatike chora), ‘Galatisch land’: het gebied van de Galaten. Ἀσία (Asia), ‘Asia’: de Romeinse provincie Asia, aan de westkust van het huidige Turkije; niet het werelddeel Azië. κωλύω (koluo), ‘verhinderen’.
De Heilige Geest spreekt hier niet in directe rede; daarom staat er niets rood.
Hoe de Geest hen tegenhield, zegt de tekst niet.
Zie Mysië (ongeveer): Mysië was de streek in het noordwesten van het huidige Turkije, ten zuiden van de Zee van Marmara.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Bithynië (ongeveer): Bithynië was de streek in het noorden van het huidige Turkije, aan de Zee van Marmara en de Zwarte Zee.
De grenzen zijn bij benadering.
Μυσία (Mysia), ‘Mysië’, en Βιθυνία (Bithynia), ‘Bithynië’: streken in het noordwesten van het huidige Turkije. τὸ πνεῦμα Ἰησοῦ (to pneuma Iesou), ‘de Geest van Yeshua’: dit staat zo in het Nieuwe Testament alleen hier.
Het is de Geest van vers 6; vergelijk Fil. 1:19 en Rom. 8:9.
Ook hier spreekt de Geest niet in directe rede.
In sommige latere handschriften staat ‘de Geest’ zonder ‘van Yeshua’.
Wij volgen de SBLGNT.
Zie Mysië (ongeveer): Mysië was de streek in het noordwesten van het huidige Turkije, ten zuiden van de Zee van Marmara.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Troas (Alexandria Troas): Troas (Alexandria Troas) was een havenstad aan de kust van het noordwesten van Turkije, tegenover het eiland Tenedos.
Vanuit Troas voer Paulus naar Macedonië.
παρέρχομαι (parerchomai), ‘voorbijgaan’: hier ‘langs gaan’, niet stoppen om te spreken. Τρῳάς (Troas) was een havenstad aan de westkust van het huidige Turkije, bij het oude Troje.
Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden.
De grenzen zijn bij benadering.
ὅραμα (horama), ‘visioen’: wat iemand te zien krijgt; vergelijk Hand. 9:10. Μακεδών (Makedon), ‘Macedoniër’: iemand uit Macedonië, in het noorden van het huidige Griekenland.
De man in het visioen spreekt; wij zetten zijn woorden zwart, want het is een mens. διαβαίνω (diabaino), ‘oversteken’: letterlijk ‘doorheen gaan’; hier de zee oversteken.
Zie ook Hand. 9:10.
Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden.
De grenzen zijn bij benadering.
Vanaf dit vers staat in de tekst ‘wij’ (ἐζητήσαμεν, ezetesamen, ‘wij zochten’): de schrijver rekent zich bij de reisgezellen.
Dat gaat door tot vers 17 en komt later terug (20:5 en verder).
Wij schrijven ‘wij’, zoals het Grieks.
Wie dat is, noemt de tekst niet. συμβιβάζω (symbibazo), ‘concluderen’: dingen bij elkaar brengen en daaruit een besluit trekken. εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’.
De mannen halen het besluit uit het visioen; het Grieks zegt niet dat Elohim dit zelf zei.
In Filippi: Lydia
Zie Troas (Alexandria Troas): Troas (Alexandria Troas) was een havenstad aan de kust van het noordwesten van Turkije, tegenover het eiland Tenedos.
Vanuit Troas voer Paulus naar Macedonië.
Zie Samothrake: Samothrake is een bergachtig eiland in het noorden van de Egeïsche Zee.
Paulus legde er een nacht aan op weg naar Neapolis.
Zie Neapolis (nu Kavala): Neapolis was de havenstad van Filippi, aan de kust van Macedonië.
De stad heet nu Kavala.
ἀνάγομαι (anagomai), ‘uitvaren’: de zee op gaan. εὐθυδρομέω (euthydromeo), ‘rechtstreeks varen’: zonder koers te veranderen. Σαμοθρᾴκη (Samothrake) is een eiland in de Egeïsche Zee. Νέα Πόλις (Nea Polis), ‘Neapolis’: de havenstad van Filippi, letterlijk ‘Nieuwe Stad’.
Zie Filippi: Filippi lag in het oosten van Macedonië, ongeveer 15 km landinwaarts van de haven Neapolis.
Het was een Romeinse kolonie.
Het is niet de stad Caesarea Filippi uit de evangeliën.
Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden.
De grenzen zijn bij benadering.
Φίλιπποι (Filippoi), ‘Filippi’: een stad in Macedonië. κολωνία (kolonia), ‘kolonie’: een Romeinse stad waar oud-soldaten woonden en waar Romeins recht gold. πρώτη τῆς μερίδος (prote tes meridos), ‘eerste van het district’: de tekst kan bedoelen ‘de belangrijkste’ of ‘de eerste die ze bereikten’.
Wij houden ‘eerste’.
Macedonië was verdeeld in vier districten.
προσευχή (proseuche), ‘gebedsplaats’: het gewone woord is ‘gebed’; hier een plek waar Joden bidden, zonder gebouw.
Dat zij naar de rivier gaan, kan betekenen dat er te weinig Joodse mannen in Filippi waren voor een synagoge; de tekst zegt het niet. ἐνομίζομεν (enomizomen), ‘wij meenden’: Lucas weet het zelf niet zeker.
Zie Thyatira: Thyatira is het huidige Akhisar, in het westen van Turkije.
Lydia kwam er vandaan.
Λυδία (Lydia): een vrouw met een naam die ook ‘uit Lydië’ kan betekenen. πορφυρόπωλις (porfyropolis), ‘purperverkoopster’: purper was een dure, kostbare stof. Θυάτειρα (Thyateira), ‘Thyatira’: een stad in Lydië, in het huidige Turkije. σεβομένη τὸν θεόν (sebomene ton theon), ‘godvrezende’: een niet-Joodse vrouw die Elohim vereert; zie 13:16. ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: het Grieks maakt niet duidelijk of Elohim of Yeshua bedoeld is; wij schrijven ‘de Heer’. διανοίγω (dianoigo), ‘openen’: hetzelfde werkwoord als in Luc. 24:45.
Zie ook Hand. 13:16; Luc. 24:45.
ἐβαπτίσθη (ebaptisthe), ‘zij werd gedoopt’: Lydia en haar huis. οἶκος (oikos), ‘huis’: hier het huishouden, de mensen die bij haar hoorden.
Het Grieks zegt niet wie dat waren. παραβιάζομαι (parabiazomai), ‘aandringen’: zoals in Luc. 24:29.
Ook hier is ‘de Heer’ waarschijnlijk Yeshua; vergelijk vers 14 en vers 31.
Zie ook Luc. 24:29.
Het dienstmeisje met een geest
παιδίσκη (paidiske), ‘dienstmeisje’: een slavin; hetzelfde woord als in Luc. 22:56. πύθων (pythoon), ‘Python’: de naam van de slang bij het orakel van Delphi; een ‘geest van Python’ is een geest van waarzeggerij.
Wij houden de naam, want het Nederlands heeft geen eigen woord. μαντεύομαι (manteuomai), ‘waarzeggen’. κύριοι (kyrioi), ‘heren’: hier de eigenaars van het meisje.
Zie ook Luc. 22:56.
Het meisje roept, maar de geest in haar spreekt door haar; daarom markeren wij de woorden als woorden van een geest en zetten wij ze niet rood. δοῦλοι (douloi), ‘knechten’: zoals overal. ὕψιστος (hypsistos), ‘Allerhoogste’: zoals in Luc. 1:32.
Hier is het een Griekse benaming voor Elohim. ὁδὸς σωτηρίας (hodos soterias), ‘weg van redding’.
Het gezegde is waar, maar komt uit een geest die Paulus tot last is (vers 18).
Sommige handschriften hebben ‘ons’ in plaats van ‘jullie’.
Wij volgen de SBLGNT: ‘jullie’.
Zie ook Luc. 1:32.
διαπονέομαι (diaponeomai), ‘moe worden’: ook ‘geërgerd worden’; hij is vermoeid van het vele herhalen. ἐπιστρέφω (epistrefo), ‘zich omdraaien’. παραγγέλλω (parangello), ‘bevelen’.
Paulus gebiedt in de naam van Yeshua, en spreekt dus zelf; zijn woorden zijn zwart.
Vergelijk Luc. 10:17.
Zie ook Luc. 10:17.
Paulus en Silas in de gevangenis
ἐλπίς (elpis), ‘hoop’: hier wat zij van haar verwachtten. ἀγορά (agora), ‘markt’: het plein van de stad, waar recht gesproken werd. ἄρχοντες (archontes), ‘leiders’: zoals in 13:27.
Zie ook Hand. 13:27.
στρατηγός (strategos), ‘stadsbestuurder’: een bestuurder van een stad in een Romeinse kolonie.
In de evangeliën heet het ‘bevelhebber’ (Luc. 22:52); hier is het een ander ambt. ἐκταράσσω (ektarasso), ‘in verwarring brengen’.
Paulus en Silas worden hier als Joden aangeklaagd; de aanklagers zeggen niets over het meisje of over hun winst.
Zie ook Luc. 22:52.
ἔθος (ethos), ‘gebruik’: zie 15:1. Ῥωμαῖος (Romaios), ‘Romein’: iemand met Romeins burgerrecht.
In een kolonie als Filippi werd daar veel waarde aan gehecht.
Zie ook Hand. 15:1.
περιρήγνυμι (perirhegnymi), ‘afscheuren’: de kleren van hun lichaam rukken. ῥαβδίζω (rhabdizo), ‘met roeden slaan’: een Romeinse straf.
Paulus noemt dit later zelf (2 Kor. 11:25; 1 Tess. 2:2).
δεσμοφύλαξ (desmofylax), ‘cipier’: wie de gevangenen bewaakt. πληγή (plege), ‘slag’: wat een striem achterlaat.
Opnieuw: de stadsbestuurders geven opdracht, de cipier moet bewaken.
ξύλον (xylon), ‘blok’: letterlijk ‘hout’.
Hier een houten blok waarin de voeten gevangen zaten. ἐσωτέρα φυλακή (esotera fylake), ‘binnenste gevangenis’: het deel dat het verst van de buitenwereld ligt.
De aardbeving en de cipier
μεσονύκτιον (mesonyktion), ‘middernacht’. ὑμνέω (hymneo), ‘een lofzang zingen’. ἐπακροάομαι (epakroaomai), ‘luisteren’: aandachtig luisteren, in het Nieuwe Testament alleen hier.
σεισμός (seismos), ‘aardbeving’. θεμέλιον (themelion), ‘fundament’. δεσμά (desma), ‘boeien’: wat iemand vastbindt.
De cipier stond verantwoordelijk voor de gevangenen.
De tekst zegt niet waarom hij zichzelf wilde doden; het ligt voor de hand dat hij een straf vreesde.
Paulus roept in het donker.
De tekst zegt niet hoe hij wist wat de cipier van plan was.
φῶτα (fota), ‘lichten’: in het meervoud; waarschijnlijk fakkels of lampen. ἔντρομος (entromos), ‘bevend’. προσπίπτω (prospipto), ‘neervallen’.
κύριοι (kyrioi), ‘heren’: een beleefde aanspreking. σῴζω (sozo), ‘redden’: wat de cipier bedoelt (gered van straf of gered voor Elohim), zegt de tekst niet.
Het antwoord in vers 31 gaat over redding door geloof; vergelijk Mark. 5:34.
Zie ook Mark. 5:34.
Het Grieks heeft ‘het huis’: de mensen van zijn huishouden.
De belofte geldt voor wie gelooft; het volgende vers vertelt dat zij allemaal het woord horen.
Het Grieks heeft ‘het woord van de Heer’ (τοῦ κυρίου); zie 13:44.
Hier gaat het om de boodschap over Yeshua.
Zie ook Hand. 13:44.
ἔλουσεν ἀπὸ τῶν πληγῶν (elousen apo ton plegon), ‘hij waste hen van de slagen’: hij reinigde hun wonden. ἐβαπτίσθη (ebaptisthe), ‘werd gedoopt’: zoals Lydia en haar huis (vers 15).
Zie ook Hand. 16:15.
παρατίθημι τράπεζαν (paratithemi trapezan), ‘een tafel voorzetten’: een maaltijd aanbieden. ἀγαλλιάομαι (agalliaomai), ‘jubelen’: zoals in Luc. 1:47. πανοικεί (panoikei), ‘met heel zijn huis’.
Zie ook Luc. 1:47.
Paulus en Silas worden vrijgelaten
ῥαβδοῦχος (rhabdouchos), ‘gerechtsdienaar’: letterlijk ‘roededrager’; de dienaren van de stadsbestuurders, die de roeden droegen.
Wat de stadsbestuurders bewoog, zegt de tekst niet.
Het Grieks heeft ‘zij hebben gezonden’ (ἀπέσταλκαν) zonder object; wij vullen ‘bericht’ aan, omdat het Nederlands er een zin van moet maken.
Ῥωμαῖος (Romaios), ‘Romein’: een Romeinse burger mocht niet zonder vonnis worden geslagen of gevangengezet.
Paulus zegt dit pas nu. ἐκβάλλω (ekballo), ‘wegjagen’: letterlijk ‘naar buiten werpen’.
De tekst zegt niet waarom hij het eerder niet zei. οὐ γάρ (ou gar), letterlijk ‘nee, want’: een sterke weigering.
φοβέομαι (fobeomai), ‘bang zijn’.
De stadsbestuurders schrikken: zij hadden Romeinen mishandeld.
παρακαλέω (parakaleo), ‘smeken’: hier het smeken, niet het bemoedigen. ἐρωτάω (erotao), ‘vragen’.
παρακαλέω (parakaleo), ‘bemoedigen’: hier een ander gebruik dan in vers 39.
Lydia heeft dus een huis in Filippi waar de broers samenkomen; meer zegt de tekst niet.
Het ‘wij’ van de verzen 10–17 staat hier niet meer: Lucas noemt alleen Paulus en Silas.