Elohim Bijbel

Exodus 19

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

Israël komt bij de Sinaï

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Aankomst bij de Sinaï

1In de derde maand nadat de zonen van Israël uit het land Egypte waren getrokken, op die dag, kwamen zij in de woestijn Sinaï.
בַּחֹ֨דֶשׁ֙
(bachodesh)
in de maand
הַשְּׁלִישִׁ֔י
(hashelishi)
de derde
לְצֵ֥את
(letset)
bij het uittrekken van
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
בָּ֖אוּ
(bau)
kwamen zij
מִדְבַּ֥ר
(midbar)
woestijn van
סִינָֽי
(sinay)
Sinaï
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De woestijn Sinaï ligt op het zuidelijke deel van het Sinaïschiereiland.

De traditionele berg is de Jebel Musa; andere voorstellen zijn er ook, dus de ligging is niet zeker.

Zie ook 3:1.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

‘In de derde maand’ is van het uittrekken uit Egypte af gerekend, ongeveer twee maanden na het Pesach.

2Zij braken op uit Refidim en kwamen in de woestijn Sinaï en legerden zich in de woestijn. Israël legerde zich daar tegenover de berg.
וַיִּסְע֣וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵרְפִידִ֗ים
(merefidim)
uit Refidim
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en kwamen
מִדְבַּ֣ר
(midbar)
woestijn van
סִינַ֔י
(sinay)
Sinaï
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en legerden zich
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
וַיִּֽחַן
(vayichan)
en legerde zich
שָׁ֥ם
(sham)
daar
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
נֶ֥גֶד
(neged)
tegenover
הָהָֽר
(hahar)
de berg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Refidim: zie 17:1, 8.

Het kamp lag tegenover de berg.

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

Yahweh roept Israël tot een koninkrijk van priesters

3Mozes ging op naar Elohim, en Yahweh riep hem van de berg toe: „Zo moet je tot het huis van Jakob zeggen en aan de zonen van Israël verkondigen:
וּמֹשֶׁ֥ה
(umoshe)
en Mozes
עָלָ֖ה
(ala)
ging op
אֶל
(el)
naar
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en riep
אֵלָ֤יו
(elav)
tot hem
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מִן
(min)
van
הָהָ֣ר
(hahar)
de berg
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
om te zeggen
כֹּ֤ה
(ko)
zo
תֹאמַר֙
(tomar)
zul je zeggen
לְבֵ֣ית
(leveit)
tot het huis van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וְתַגֵּ֖יד
(vetageid)
en verkondig
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4‘Jullie hebben zelf gezien wat Ik Egypte heb aangedaan, en hoe Ik jullie op arendsvleugels heb gedragen en jullie tot Mij heb gebracht.
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
רְאִיתֶ֔ם
(reitem)
hebben gezien
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עָשִׂ֖יתִי
(asiti)
Ik deed
לְמִצְרָ֑יִם
(lemitsrayim)
aan Egypte
וָאֶשָּׂ֤א
(vaesa)
en Ik droeg
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
עַל
(al)
op
כַּנְפֵ֣י
(kanfei)
vleugels van
נְשָׁרִ֔ים
(nesharim)
arenden
וָאָבִ֥א
(vaavi)
en bracht
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
אֵלָֽי
(elay)
tot Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

‘Arendsvleugels’ is een beeld voor Yahweh’s zorg en snelheid; vergelijk Deut. 32:11–12.

5Als jullie nu goed naar Mijn stem luisteren en Mijn verbond houden, dan zullen jullie uit alle volken Mijn eigen bezit zijn. Want heel de aarde is van Mij.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
אִם
(im)
als
שָׁמ֤וֹעַ
(shamoa)
horen
תִּשְׁמְעוּ֙
(tishmeu)
jullie horen
בְּקֹלִ֔י
(beqoli)
naar Mijn stem
וּשְׁמַרְתֶּ֖ם
(ushemartem)
en houden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִ֑י
(beriti)
Mijn verbond
וִהְיִ֨יתֶם
(vihyitem)
dan zullen jullie zijn
לִ֤י
(li)
voor Mij
סְגֻלָּה֙
(segula)
een eigen bezit
מִכָּל
(mikal)
uit alle
הָ֣עַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
כִּי
(ki)
want
לִ֖י
(li)
van Mij
כָּל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְגֻלָּה (segullah) betekent ‘eigen bezit’, de kostbare schat van een koning.

Zie Deut. 7:6; 14:2; 26:18; Ps. 135:4.

6En jullie zullen Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk.’ Dit zijn de woorden die je tot de zonen van Israël moet spreken.”
וְאַתֶּ֧ם
(veatem)
en jullie
תִּהְיוּ
(tihyu)
zullen zijn
לִ֛י
(li)
voor Mij
מַמְלֶ֥כֶת
(mamlekhet)
een koninkrijk van
כֹּהֲנִ֖ים
(kohanim)
priesters
וְג֣וֹי
(vegoy)
en een volk
קָד֑וֹשׁ
(qadosh)
heilig
אֵ֚לֶּה
(ele)
dit zijn
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
תְּדַבֵּ֖ר
(tedaber)
je zult spreken
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Een koninkrijk van priesters’: heel het volk krijgt een priesterlijke taak tegenover de andere volken.

Zie ook 1 Petr. 2:9; Openb. 1:6.

7Mozes kwam, riep de oudsten van het volk en legde hun al deze woorden voor die Yahweh hem had geboden.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
וַיִּקְרָ֖א
(vayiqra)
en riep
לְזִקְנֵ֣י
(leziqnei)
de oudsten van
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיָּ֣שֶׂם
(vayasem)
en legde voor
לִפְנֵיהֶ֗ם
(lifneihem)
hun aangezicht
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוָּ֖הוּ
(tsivahu)
gebood hem
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Heel het volk antwoordde tezamen: „Alles wat Yahweh gesproken heeft, zullen wij doen.” Mozes bracht de woorden van het volk terug bij Yahweh.
וַיַּעֲנ֨וּ
(vayaanu)
en antwoordde
כָל
(kal)
heel
הָעָ֤ם
(haam)
het volk
יַחְדָּו֙
(yachdav)
tezamen
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
כֹּ֛ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
דִּבֶּ֥ר
(diber)
gesproken heeft
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
נַעֲשֶׂ֑ה
(naase)
zullen wij doen
וַיָּ֧שֶׁב
(vayashev)
en bracht terug
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
tot
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Yahweh zei tot Mozes: „Zie, Ik kom tot je in een dichte wolk, opdat het volk hoort wanneer Ik met je spreek, en ook jou voor altijd zal geloven.” Mozes bracht de woorden van het volk over aan Yahweh.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֜י
(anokhi)
Ik
בָּ֣א
(ba)
kom
אֵלֶיךָ֮
(eleikha)
tot jou
בְּעַ֣ב
(beav)
in de dikte van
הֶֽעָנָן֒
(heanan)
de wolk
בַּעֲב֞וּר
(baavur)
opdat
יִשְׁמַ֤ע
(yishma)
hoort
הָעָם֙
(haam)
het volk
בְּדַבְּרִ֣י
(bedaberi)
als Ik spreek
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
met jou
וְגַם
(vegam)
en ook
בְּךָ֖
(bekha)
jou
יַאֲמִ֣ינוּ
(yaaminu)
zullen zij geloven
לְעוֹלָ֑ם
(leolam)
voor altijd
וַיַּגֵּ֥ד
(vayaged)
en bracht over
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
aan
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De voorbereiding op de ontmoeting

10Yahweh zei tot Mozes: „Ga naar het volk en heilig hen vandaag en morgen. Laat hen hun kleren wassen
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
אֶל
(el)
naar
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְקִדַּשְׁתָּ֥ם
(veqidashtam)
en heilig hen
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
וּמָחָ֑ר
(umachar)
en morgen
וְכִבְּס֖וּ
(vekhibesu)
en laat wassen
שִׂמְלֹתָֽם
(simlotam)
hun kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11en klaar zijn voor de derde dag. Want op de derde dag zal Yahweh voor de ogen van heel het volk neerdalen op de berg Sinaï.
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en laat hen zijn
נְכֹנִ֖ים
(nekhonim)
bereid
לַיּ֣וֹם
(layom)
voor de dag
הַשְּׁלִישִׁ֑י
(hashelishi)
de derde
כִּ֣י
(ki)
want
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִׁ֗י
(hashelishi)
de derde
יֵרֵ֧ד
(yered)
zal nederdalen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לְעֵינֵ֥י
(leeinei)
voor de ogen van
כָל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
עַל
(al)
op
הַ֥ר
(har)
de berg
סִינָֽי
(sinay)
Sinaï
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

12Zet een grens rondom het volk en zeg: ‘Pas op dat jullie de berg niet opgaan en de rand ervan niet aanraken. Wie de berg aanraakt, zal zeker gedood worden.
וְהִגְבַּלְתָּ֤
(vehigbalta)
en zet grenzen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָם֙
(haam)
het volk
סָבִ֣יב
(saviv)
rondom
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
om te zeggen
הִשָּׁמְר֥וּ
(hishameru)
pas op
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
עֲל֥וֹת
(alot)
dat jullie opgaan
בָּהָ֖ר
(bahar)
de berg
וּנְגֹ֣עַ
(unegoa)
en raken aan
בְּקָצֵ֑הוּ
(beqatsehu)
zijn rand
כָּל
(kal)
ieder
הַנֹּגֵ֥עַ
(hanogea)
die aanraakt
בָּהָ֖ר
(bahar)
de berg
מ֥וֹת
(mot)
sterven
יוּמָֽת
(yumat)
zal gedood worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Geen hand mag hem aanraken, want hij zal gestenigd of doorschoten worden. Of het een dier is of een mens, hij mag niet blijven leven. Wanneer de ramshoorn lang klinkt, mogen zij de berg opgaan.’”
לֹא
(lo)
niet
תִגַּ֨ע
(tiga)
zal aanraken
בּ֜וֹ
(bo)
hem
יָ֗ד
(yad)
hand
כִּֽי
(ki)
want
סָק֤וֹל
(saqol)
stenigen
יִסָּקֵל֙
(yisaqel)
zal hij gestenigd worden
אוֹ
(o)
of
יָרֹ֣ה
(yaro)
schieten
יִיָּרֶ֔ה
(yiyare)
zal hij doorschoten worden
אִם
(im)
of
בְּהֵמָ֥ה
(behema)
dier
אִם
(im)
of
אִ֖ישׁ
(ish)
mens
לֹ֣א
(lo)
niet
יִחְיֶ֑ה
(yichye)
zal leven
בִּמְשֹׁךְ֙
(bimshokh)
bij het lang klinken van
הַיֹּבֵ֔ל
(hayovel)
de ramshoorn
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
יַעֲל֥וּ
(yaalu)
mogen opgaan
בָהָֽר
(bahar)
de berg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַיֹּבֵל (hayovel) is een ramshoorn (vergelijk Joz. 6:5).

Het woord geeft ook zijn naam aan het jubeljaar (Lev. 25:10).

14Mozes daalde van de berg af naar het volk, heiligde het volk, en zij wasten hun kleren.
וַיֵּ֧רֶד
(vayered)
en daalde af
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
מִן
(min)
van
הָהָ֖ר
(hahar)
de berg
אֶל
(el)
naar
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיְקַדֵּשׁ֙
(vayqadesh)
en heiligde
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַֽיְכַבְּס֖וּ
(vaykhabesu)
en zij wasten
שִׂמְלֹתָֽם
(simlotam)
hun kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 19:10
15Hij zei tot het volk: „Wees klaar voor de derde dag. Kom niet bij een vrouw.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
הֱי֥וּ
(heyu)
weest
נְכֹנִ֖ים
(nekhonim)
bereid
לִשְׁלֹ֣שֶׁת
(lishloshet)
voor drie
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
אַֽל
(al)
niet
תִּגְּשׁ֖וּ
(tigeshu)
nader
אֶל
(el)
tot
אִשָּֽׁה
(isha)
een vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh daalt neer op de berg

16Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, waren er donderslagen en bliksems, een zware wolk op de berg en een zeer sterk hoorngeluid. En heel het volk in het kamp beefde.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het geschiedde
בַיּ֨וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִׁ֜י
(hashelishi)
de derde
בִּֽהְיֹ֣ת
(bihyot)
bij het aanbreken van
הַבֹּ֗קֶר
(haboqer)
de morgen
וַיְהִי֩
(vayhi)
en er waren
קֹלֹ֨ת
(qolot)
donderslagen
וּבְרָקִ֜ים
(uveraqim)
en bliksems
וְעָנָ֤ן
(veanan)
en een wolk
כָּבֵד֙
(kaved)
zware
עַל
(al)
op
הָהָ֔ר
(hahar)
de berg
וְקֹ֥ל
(veqol)
en het geluid van
שֹׁפָ֖ר
(shofar)
een ramshoorn
חָזָ֣ק
(chazaq)
sterk
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיֶּחֱרַ֥ד
(vayecherad)
en beefde
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בַּֽמַּחֲנֶֽה
(bamachane)
in het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֹלֹת (kolot), ‘stemmen’, is hier ‘donderslagen’.

In het Hebreeuws staat bij ‘hoorngeluid’ het woord שׁוֹפָר (shofar), een ramshoorn.

Zie ook Deut. 4:11–12; Hebr. 12:18–21.

17Mozes liet het volk uit het kamp uitgaan om Elohim te ontmoeten, en zij stelden zich op aan de voet van de berg.
וַיּוֹצֵ֨א
(vayotse)
en liet uitgaan
מֹשֶׁ֧ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
לִקְרַ֥את
(liqrat)
om te ontmoeten
הָֽאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
מִן
(min)
uit
הַֽמַּחֲנֶ֑ה
(hamachane)
het kamp
וַיִּֽתְיַצְּב֖וּ
(vayityatsevu)
en zij stelden zich op
בְּתַחְתִּ֥ית
(betachtit)
aan de voet van
הָהָֽר
(hahar)
de berg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18De berg Sinaï rookte helemaal, omdat Yahweh er in vuur op was neergedaald. De rook ervan steeg op als de rook van een smeltoven, en heel de berg beefde hevig.
וְהַ֤ר
(vehar)
en de berg
סִינַי֙
(sinay)
Sinaï
עָשַׁ֣ן
(ashan)
rookte
כֻּלּ֔וֹ
(kulo)
geheel
מִ֠פְּנֵי
(mipenei)
vanwege
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
יָרַ֥ד
(yarad)
nederdaalde
עָלָ֛יו
(alav)
op hem
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
in vuur
וַיַּ֤עַל
(vayaal)
en steeg op
עֲשָׁנוֹ֙
(ashano)
zijn rook
כְּעֶ֣שֶׁן
(keeshen)
als de rook van
הַכִּבְשָׁ֔ן
(hakivshan)
de oven
וַיֶּחֱרַ֥ד
(vayecherad)
en beefde
כָּל
(kal)
heel
הָהָ֖ר
(hahar)
de berg
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

Uitleg

כִּבְשָׁן (kivshan) is een smeltoven of kalkoven.

19Het hoorngeluid werd steeds sterker. Mozes sprak, en Elohim antwoordde hem met een stem.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het geschiedde
ק֣וֹל
(qol)
geluid van
הַשּׁוֹפָ֔ר
(hashofar)
de ramshoorn
הוֹלֵ֖ךְ
(holekh)
gaande
וְחָזֵ֣ק
(vechazeq)
en sterker wordend
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
יְדַבֵּ֔ר
(yedaber)
sprak
וְהָאֱלֹהִ֖ים
(vehaelohim)
en Elohim
יַעֲנֶ֥נּוּ
(yaanenu)
antwoordde hem
בְקֽוֹל
(beqol)
met een stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Antwoordde hem met een stem’: Elohim sprak hoorbaar, zodat het volk het kon horen (vers 9; 20:18–19).

20Yahweh daalde neer op de berg Sinaï, op de top van de berg, en Yahweh riep Mozes naar de top van de berg, en Mozes ging op.
וַיֵּ֧רֶד
(vayered)
en daalde neer
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
op
הַ֥ר
(har)
de berg
סִינַ֖י
(sinay)
Sinaï
אֶל
(el)
naar
רֹ֣אשׁ
(rosh)
de top van
הָהָ֑ר
(hahar)
de berg
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en riep
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
לְמֹשֶׁ֛ה
(lemoshe)
Mozes
אֶל
(el)
naar
רֹ֥אשׁ
(rosh)
de top van
הָהָ֖ר
(hahar)
de berg
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en ging op
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

21Yahweh zei tot Mozes: „Daal af en waarschuw het volk dat zij niet naar Yahweh doorbreken om te kijken. Want dan zullen er velen van hen vallen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
רֵ֖ד
(red)
daal af
הָעֵ֣ד
(haed)
waarschuw
בָּעָ֑ם
(baam)
het volk
פֶּן
(pen)
opdat niet
יֶהֶרְס֤וּ
(yehersu)
zij doorbreken
אֶל
(el)
tot
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לִרְא֔וֹת
(lirot)
om te zien
וְנָפַ֥ל
(venafal)
en valt
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
van hen
רָֽב
(rav)
velen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Ook de priesters die tot Yahweh naderen, moeten zich heiligen, anders breekt Yahweh tegen hen los.”
וְגַ֧ם
(vegam)
en ook
הַכֹּהֲנִ֛ים
(hakohanim)
de priesters
הַנִּגָּשִׁ֥ים
(hanigashim)
die naderen
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יִתְקַדָּ֑שׁוּ
(yitqadashu)
zich heiligen
פֶּן
(pen)
opdat niet
יִפְרֹ֥ץ
(yifrots)
losbreekt
בָּהֶ֖ם
(bahem)
tegen hen
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Mozes zei tot Yahweh: „Het volk kan niet opgaan naar de berg Sinaï. Want U hebt ons gewaarschuwd: ‘Zet een grens om de berg en heilig hem.’”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹא
(lo)
niet
יוּכַ֣ל
(yukhal)
kan
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
לַעֲלֹ֖ת
(laalot)
opgaan
אֶל
(el)
naar
הַ֣ר
(har)
de berg
סִינָ֑י
(sinay)
Sinaï
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֞ה
(ata)
U
הַעֵדֹ֤תָה
(haedota)
hebt gewaarschuwd
בָּ֨נוּ֙
(banu)
ons
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
om te zeggen
הַגְבֵּ֥ל
(hagbel)
zet grenzen
אֶת
(et)
(obj.)
הָהָ֖ר
(hahar)
de berg
וְקִדַּשְׁתּֽוֹ
(veqidashto)
en heilig hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

24Yahweh zei tot hem: „Ga, daal af, en kom dan weer op, jij en Aäron met je. Maar de priesters en het volk mogen niet doorbreken om op te gaan tot Yahweh, anders breekt Hij tegen hen los.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֤יו
(elav)
tot hem
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לֶךְ
(lekh)
ga
רֵ֔ד
(red)
daal af
וְעָלִ֥יתָ
(vealita)
en kom op
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
וְאַהֲרֹ֣ן
(veaharon)
en Aäron
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
met je
וְהַכֹּהֲנִ֣ים
(vehakohanim)
en de priesters
וְהָעָ֗ם
(vehaam)
en het volk
אַל
(al)
niet
יֶֽהֶרְס֛וּ
(yehersu)
laat doorbreken
לַעֲלֹ֥ת
(laalot)
om op te gaan
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
פֶּן
(pen)
opdat niet
יִפְרָץ
(yifrats)
losbreekt
בָּֽם
(bam)
tegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Mozes daalde af naar het volk en zei het hun.
וַיֵּ֥רֶד
(vayered)
en daalde af
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
naar
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶֽם
(alehem)
tot hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)