Open in de app Alle boeken Spreuken ← 7 9 → Spreuken 8 De Wijsheid roept
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De Wijsheid roept 1 Roept de Wijsheid niet? Geeft Verstand haar stem niet?
חָכְמָ֥ה
(chakhema)
wijsheid
וּ֝תְבוּנָ֗ה
(utevuna)
en verstand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָכְמָה (chokmah), ‘wijsheid’, en תְּבוּנָה (tevunah), ‘verstand’: beide woorden zijn vrouwelijk en worden als een vrouw voorgesteld.
Daarom schrijven wij ‘de Wijsheid’ en ‘Verstand’ met een hoofdletter en ‘zij’ en ‘haar’.
Vanaf vers 4 spreekt de Wijsheid zelf, tot en met vers 36.
2 Op de top van de hoogten, aan de weg, waar de paden samenkomen, staat zij.
בְּרֹאשׁ
(berosh)
op de top van
מְרוֹמִ֥ים
(meromim)
hoogten
נִצָּֽבָה
(nitsava)
staat zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֵּית נְתִיבוֹת (beit netivot), letterlijk ‘huis van paden’: de plek waar paden samenkomen, een kruispunt.
3 Naast de poorten, aan de mond van de stad, bij de ingang van de toegangen roept zij luid.
שְׁעָרִ֥ים
(shearim)
poorten
לְפִי
(lefi)
aan de mond van
פְתָחִ֣ים
(petachim)
toegangen
תָּרֹֽנָּה
(tarona)
roept zij luid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Haar oproep 4 „Tot jullie, mannen, roep ik, en mijn stem is voor de mensenkinderen.
אֲלֵיכֶ֣ם
(aleikhem)
tot jullie
וְ֝קוֹלִ֗י
(veqoli)
en mijn stem
בְּנֵ֥י
(benei)
kinderen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִישִׁים (ishim), ‘mannen’, en בְּנֵי אָדָם (bene adam), ‘mensenkinderen’: zij roept alle mensen.
5 Eenvoudigen, begrijp slimheid. En jullie dwazen, begrijp met het hart.
פְתָאיִ֣ם
(petayim)
eenvoudigen
וּ֝כְסִילִ֗ים
(ukhesilim)
en dwazen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָרְמָה (ormah), ‘sluwheid’: in goede zin vertalen wij ‘slimheid’, zoals hier en in Spr. 1:4.
הָבִינוּ לֵב (havinu lev), ‘begrijp met het hart’: letterlijk ‘begrijp een hart’, dat wil zeggen: kom tot inzicht.
6 Luister, want ik spreek edele dingen, en wat mijn lippen openen is oprecht.
נְגִידִ֣ים
(negidim)
edele dingen
אֲדַבֵּ֑ר
(adaber)
ik spreek
וּמִפְתַּ֥ח
(umiftach)
en opening van
שְׂ֝פָתַ֗י
(sefatay)
mijn lippen
מֵישָׁרִֽים
(meisharim)
oprechte dingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְגִידִים (negidim), ‘edele dingen’: dingen van een leider of een edel mens, dus verheven en betrouwbaar.
מֵישָׁרִים (mesharim), ‘oprecht’: van dezelfde stam als יָשָׁר (yashar), ‘oprechte’.
7 Want mijn gehemelte spreekt waarheid, en goddeloosheid is een gruwel voor mijn lippen.
יֶהְגֶּ֣ה
(yehge)
spreekt zacht
חִכִּ֑י
(chiki)
mijn gehemelte
וְתוֹעֲבַ֖ת
(vetoavat)
en gruwel van
שְׂפָתַ֣י
(sefatay)
mijn lippen
רֶֽשַׁע
(resha)
goddeloosheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יֶהְגֶּה (yehgeh), ‘spreekt zacht’: het woord betekent ‘mompelen’ of ‘overdenken’; het gehemelte brengt de waarheid voort.
8 In gerechtigheid zijn al de woorden van mijn mond. Daarin is niets kronkeligs of verdraaids.
בְּצֶ֥דֶק
(betsedeq)
in gerechtigheid
אִמְרֵי
(imrei)
woorden van
נִפְתָּ֥ל
(niftal)
kronkelig
וְעִקֵּֽשׁ
(veiqesh)
en verdraaid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צֶדֶק (tsedeq), ‘gerechtigheid’: het woord is verwant met צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’, en wordt zo vertaald.
9 Allemaal zijn ze rechtuit voor wie inzicht heeft, en oprecht voor wie kennis vindt.
נְ֭כֹחִים
(nekhochim)
rechtuit
לַמֵּבִ֑ין
(lamevin)
voor wie inzicht heeft
וִֽ֝ישָׁרִ֗ים
(visharim)
en oprecht
לְמֹ֣צְאֵי
(lemotseei)
voor wie vinden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 Neem mijn tucht aan en niet zilver, en kennis boven uitgelezen goud.
מוּסָרִ֥י
(musari)
mijn tucht
וְ֝דַ֗עַת
(vedaat)
en kennis
מֵחָר֥וּץ
(mecharuts)
boven goud
נִבְחָֽר
(nivchar)
uitgelezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוּסָר (musar), ‘tucht’: ook ‘onderricht, vermaning’.
דַּעַת (da’at), ‘kennis’.
11 Want wijsheid is beter dan parels, en alle kostbaarheden evenaren haar niet.
חָ֭כְמָה
(chakhema)
wijsheid
מִפְּנִינִ֑ים
(mipeninim)
dan parels
חֲ֝פָצִ֗ים
(chafatsim)
kostbaarheden
יִֽשְׁווּ
(yishvu)
evenaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פְּנִינִים (peninim), ‘parels’: het woord kan ook ‘robijnen’ betekenen.
Zie ook Spr. 3:15 en Job 28:18.
Wat de Wijsheid geeft 12 Ik, de Wijsheid, woon bij slimheid, en kennis van doordachtheid vind ik.
חָ֭כְמָה
(chakhema)
wijsheid
שָׁכַ֣נְתִּי
(shakhanti)
woon bij
וְדַ֖עַת
(vedaat)
en kennis van
מְזִמּ֣וֹת
(mezimot)
doordachtheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָרְמָה (ormah), ‘slimheid’: zie bij vers 5.
מְזִמּוֹת (mezimmot), ‘doordachtheid’: het woord staat in het meervoud, doordachte plannen.
13 De vrees voor Yahweh is het haten van het kwaad. Hoogmoed en trots, de weg van het kwaad en een mond vol verdraaiingen haat ik.
יִֽרְאַ֣ת
(yirat)
vrees voor
שְֽׂנֹ֫את
(senot)
haten van
וְגָא֨וֹן
(vegaon)
en trots
וְדֶ֣רֶךְ
(vederekh)
en weg van
תַהְפֻּכ֬וֹת
(tahpukhot)
verdraaiingen
שָׂנֵֽאתִי
(saneti)
haat ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִרְאַת יְהוָה (yirat Yahweh), ‘vrees voor Yahweh’: ‘vrees’ omvat ontzag.
Zie ook Spr. 1:7 en 9:10.
גֵּאָה (ge’ah), ‘hoogmoed’, en גָּאוֹן (ga’on), ‘trots’: twee verwante woorden. תַּהְפֻּכוֹת (tahpukhot), ‘verdraaiingen’: wat omgekeerd en verdraaid wordt gezegd.
14 Van mij zijn raad en degelijk beleid. Ik ben inzicht, van mij is kracht.
וְתוּשִׁיָּ֑ה
(vetushiya)
en degelijk beleid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוּשִׁיָּה (tushiyyah), ‘degelijk beleid’: de kunde om iets tot een goed einde te brengen; zie Spr. 2:7.
בִּינָה (binah), ‘inzicht’: de Wijsheid zegt dat zij zelf het inzicht is.
15 Door mij regeren koningen, en vorsten stellen gerechtigheid vast.
מְלָכִ֣ים
(melakhim)
koningen
יִמְלֹ֑כוּ
(yimlokhu)
regeren
וְ֝רוֹזְנִ֗ים
(verozenim)
en vorsten
יְחֹ֣קְקוּ
(yechoqequ)
stellen vast
צֶֽדֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 Door mij besturen leiders, edelen en alle rechters van gerechtigheid.
יָשֹׂ֑רוּ
(yasoru)
besturen
וּ֝נְדִיבִ֗ים
(unedivim)
en edelen
שֹׁ֥פְטֵי
(shofetei)
rechters van
צֶֽדֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17 Ik heb wie mij liefhebben lief, en wie mij zoeken, zullen mij vinden.
אֹהֲבַ֣י
(ohavay)
wie mij liefhebben
וּ֝מְשַׁחֲרַ֗י
(umeshacharay)
en wie mij zoeken
יִמְצָאֻֽנְנִי
(yimtsaunni)
zullen mij vinden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is אֹהֲבֶיהָ (ohaveiha), ‘wie haar liefhebben’.
De lezing (qere), die wij volgen, is אֹהֲבַי (ohavai), ‘wie mij liefhebben’.
De Wijsheid spreekt hier over zichzelf.
18 Rijkdom en eer zijn bij mij, blijvend vermogen en gerechtigheid.
וְכָב֥וֹד
(vekhavod)
en eer
וּצְדָקָֽה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כָּבוֹד (kavod), ‘eer’: ook ‘heerlijkheid’; zie Spr. 3:16.
הוֹן עָתֵק (hon atek), ‘blijvend vermogen’: vermogen dat duurt en niet verloren gaat.
19 Mijn vrucht is beter dan goud, dan fijn goud, en mijn opbrengst dan uitgelezen zilver.
פִּ֭רְיִי
(piryi)
mijn vrucht
מֵחָר֣וּץ
(mecharuts)
dan goud
וּמִפָּ֑ז
(umipaz)
en dan fijn goud
וּ֝תְבוּאָתִ֗י
(utevuati)
en mijn opbrengst
מִכֶּ֥סֶף
(mikesef)
dan zilver
נִבְחָֽר
(nivchar)
uitgelezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20 Ik wandel op het pad van gerechtigheid, midden op de paden van recht.
בְּאֹֽרַח
(beorach)
op het pad van
צְדָקָ֥ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
אֲהַלֵּ֑ך
(ahalekh)
wandel ik
בְּ֝ת֗וֹךְ
(betokh)
midden op
נְתִיב֥וֹת
(netivot)
paden van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21 Om wie mij liefhebben bezit te laten erven. Hun schatkamers vul ik.
לְהַנְחִ֖יל
(lehanchil)
om te laten erven
אֹהֲבַ֥י
(ohavay)
wie mij liefhebben
וְאֹצְרֹ֖תֵיהֶ֣ם
(veotseroteihem)
en hun schatkamers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יֵשׁ (yesh), ‘bezit’: letterlijk ‘wat er is’, wat werkelijk bestaat.
De Wijsheid bij de schepping 22 Yahweh heeft mij verworven als begin van Zijn weg, vóór Zijn werken, van oudsher.
קָ֭נָנִי
(qanani)
heeft mij verworven
רֵאשִׁ֣ית
(reshit)
begin van
דַּרְכּ֑וֹ
(darko)
Zijn weg
מִפְעָלָ֣יו
(mifalav)
Zijn werken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קָנָנִי (qanani), ‘Yahweh heeft mij verworven’: het werkwoord kan ook ‘voortbrengen’ of ‘scheppen’ betekenen.
Zie ook Gen. 4:1.
In vers 24 en 25 staat een ander werkwoord, ‘voortgebracht’.
רֵאשִׁית דַּרְכּוֹ (reshit darko), ‘begin van Zijn weg’: de eerste van Zijn werken. Zie ook Job 28:23–27 en Job 38:4–11.
23 Van eeuwigheid ben ik ingesteld, van het begin, van vóór de oertijden van de aarde.
מֵ֭עוֹלָם
(meolam)
van eeuwigheid
נִסַּ֥כְתִּי
(nisakhti)
ben ik ingesteld
מֵרֹ֗אשׁ
(merosh)
van het begin
מִקַּדְמֵי
(miqadmei)
van de oertijden van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִסַּכְתִּי (nissakti), ‘ben ik ingesteld’: het werkwoord betekent eigenlijk ‘gieten’ en kan ook ‘vormen’ of ‘instellen’ betekenen.
Zie ook Ps. 2:6.
מֵעוֹלָם (me’olam), ‘van eeuwigheid’.
24 Toen er geen oerdiepten waren, werd ik voortgebracht. Toen er geen bronnen waren, zwaar van water.
בְּאֵין
(beein)
toen niet waren
תְּהֹמ֥וֹת
(tehomot)
oerdiepten
חוֹלָ֑לְתִּי
(cholalti)
werd ik voortgebracht
בְּאֵ֥ין
(beein)
toen niet waren
מַ֝עְיָנ֗וֹת
(mayanot)
bronnen
נִכְבַּדֵּי
(nikhbadei)
zwaar van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חוֹלָלְתִּי (cholalti), ‘ben ik voortgebracht’: letterlijk ‘ik ben met weeën geboren’.
Zo ook vers 25.
תְּהוֹם (tehom), ‘oerdiepte’: de oerwateren, zoals in Gen. 1:2 en Ps. 104:6.
25 Voordat de bergen waren neergezet, vóór de heuvels, werd ik voortgebracht.
בְּטֶ֣רֶם
(beterem)
voordat
הָטְבָּ֑עוּ
(hatbau)
waren neergezet
חוֹלָֽלְתִּי
(cholalti)
werd ik voortgebracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָטְבָּעוּ (hotba’u), ‘waren neergezet’: letterlijk ‘waren ingezonken’, vastgezet in hun plaats.
26 Toen Hij de aarde en de velden nog niet had gemaakt, en het eerste stof van de wereld.
עָ֭שָׂה
(asa)
Hij had gemaakt
וְחוּצ֑וֹת
(vechutsot)
en velden
וְ֝רֹ֗אשׁ
(verosh)
en begin van
עָפְר֥וֹת
(aferot)
stof van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27 Toen Hij de hemel vaststelde, was ik daar. Toen Hij een cirkel afbakende over het oppervlak van de oerdiepte.
בַּהֲכִינ֣וֹ
(bahakhino)
toen Hij vaststelde
בְּח֥וּקוֹ
(bechuqo)
toen Hij afbakende
פְּנֵ֥י
(penei)
oppervlak van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חוּג (chug), ‘cirkel’: de kring van de horizon of het gewelf boven de oerdiepte.
Zie ook Job 26:10 en Job 22:14.
28 Toen Hij de wolken daarboven bevestigde. Toen de bronnen van de oerdiepte sterk werden.
בְּאַמְּצ֣וֹ
(beametso)
toen Hij bevestigde
שְׁחָקִ֣ים
(shechaqim)
wolken
מִמָּ֑עַל
(mimaal)
daarboven
בַּ֝עֲז֗וֹז
(baazoz)
toen sterk werden
עִינ֥וֹת
(inot)
bronnen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁחָקִים (shechaqim), ‘wolken’: letterlijk de ‘fijne’ lucht, de wolkenlucht.
29 Toen Hij de zee haar grens stelde, zodat de wateren Zijn bevel niet overschrijden. Toen Hij de grondvesten van de aarde afbakende.
בְּשׂ֘וּמ֤וֹ
(besumo)
toen Hij stelde
וּ֭מַיִם
(umayim)
en wateren
יַֽעַבְרוּ
(yaavru)
zullen overschrijden
בְּ֝חוּק֗וֹ
(bechuqo)
toen Hij afbakende
מ֣וֹסְדֵי
(mosedei)
grondvesten van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פִּיו (piv), ‘Zijn mond’: Zijn bevel.
Zie ook Job 38:8–11.
30 Ik was bij Hem als bouwmeester. Ik was dag aan dag een vreugde, spelend voor Zijn aangezicht te allen tijde.
וָֽאֶהְיֶ֥ה
(vaehye)
en ik was
אָ֫מ֥וֹן
(amon)
bouwmeester
וָֽאֶהְיֶ֣ה
(vaehye)
en ik was
שַׁ֭עֲשֻׁעִים
(shaashuim)
vreugden
מְשַׂחֶ֖קֶת
(mesacheqet)
spelend
לְפָנָ֣יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָמוֹן (amon), ‘bouwmeester’: het woord is moeilijk.
Het kan ook ‘pleegkind’ of ‘geliefde’ betekenen.
Als bouwmeester werkt zij naast Hem; als pleegkind speelt zij voor Zijn aangezicht.
שַׁעֲשֻׁעִים (sha’ashu’im), ‘vreugden’: een vreugde, een lust. מְשַׂחֶקֶת (mesacheqet), ‘spelend’: ook ‘lachend’ of ‘dansend’.
31 Ik speelde in de wereld van Zijn aarde, en mijn vreugde was bij de mensenkinderen.
מְ֭שַׂחֶקֶת
(mesacheqet)
spelend
בְּתֵבֵ֣ל
(betevel)
in de wereld van
אַרְצ֑וֹ
(artso)
Zijn aarde
וְ֝שַׁעֲשֻׁעַ֗י
(veshaashuay)
en mijn vreugden
בְּנֵ֥י
(benei)
kinderen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְשַׁעֲשֻׁעַי אֶת־בְּנֵי אָדָם (vesha’ashu’ai et bene adam): het woordje אֶת (et) kan ‘bij’ of ‘aan’ betekenen.
Wij lezen: haar vreugde is bij de mensenkinderen.
Gelukkig wie naar haar luistert 32 En nu, zonen, luister naar mij. Gelukkig zijn zij die mijn wegen bewaren.
וְ֝אַשְׁרֵ֗י
(veashrei)
en gelukkig
דְּרָכַ֥י
(derakhay)
mijn wegen
יִשְׁמֹֽרוּ
(yishmoru)
zij bewaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַשְׁרֵי (ashrei), ‘gelukkig’: wie op de weg is die zegen brengt.
33 Luister naar tucht en word wijs, en negeer het niet.
שִׁמְע֖וּ
(shimu)
luister naar
וַחֲכָ֗מוּ
(vachakhamu)
en word wijs
תִּפְרָֽעוּ
(tifrau)
negeer het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תִּפְרָעוּ (tifra’u), ‘negeer het’: het werkwoord betekent ‘loslaten’ of ‘laten gaan’.
Er staat geen voorwerp bij.
34 Gelukkig de mens die naar mij luistert, die dag aan dag waakt bij mijn deuren, die de deurposten van mijn ingang bewaakt.
אַ֥שְֽׁרֵי
(ashrei)
gelukkig
שֹׁמֵ֪עַֽ֫
(shomea)
die luistert
לִשְׁקֹ֣ד
(lishqod)
om te waken
דַּ֭לְתֹתַי
(daltotay)
mijn deuren
לִ֝שְׁמֹ֗ר
(lishmor)
om te bewaken
מְזוּזֹ֥ת
(mezuzot)
deurposten van
פְּתָחָֽי
(petachay)
mijn ingang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35 Want wie mij vindt, vindt leven en verkrijgt het welbehagen van Yahweh.
מֹ֭צְאִי
(motsei)
wie mij vindt
מָצָ֣א
(matsa)
heeft gevonden
וַיָּ֥פֶק
(vayafeq)
en verkrijgt
רָ֝צ֗וֹן
(ratson)
welbehagen
מֵיְהוָֽה
(meYahweh)
van Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָצוֹן (ratson), ‘welbehagen’: het goede oog van Yahweh.
Bij het tweede ‘vindt’ is de geschreven vorm (ketiv) מצאי , ‘mijn vinder’; wij volgen de lezing (qere) מָצָא , ‘heeft gevonden’.
36 Maar wie mij mist, doet geweld aan zijn ziel. Allen die mij haten, houden van de dood.”
וְֽ֭חֹטְאִי
(vechotei)
en wie mij mist
חֹמֵ֣ס
(chomes)
doet geweld aan
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zijn ziel
מְ֝שַׂנְאַ֗י
(mesanay)
die mij haten
אָ֣הֲבוּ
(ahavu)
houden van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֹטְאִי (chote’i), ‘wie mij mist’: het werkwoord חָטָא (chata) betekent ‘missen’ en ook ‘zondigen’.
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven en de hele persoon. Wie de Wijsheid mist, schaadt zijn eigen leven.