Elohim Bijbel

1 Samuël 17

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

David en Goliat

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De Filistijnen en Israël tegenover elkaar

1De Filistijnen verzamelden hun legers voor de oorlog. Zij verzamelden zich bij Soko, dat bij Juda hoort. Zij legerden zich tussen Soko en Azeka, bij Efes-Dammim.
וַיַּאַסְפ֨וּ
(vayaasfu)
en ze verzamelden
פְלִשְׁתִּ֤ים
(pelishtim)
Filistijnen
אֶת
(et)
(obj.)
מַֽחֲנֵיהֶם֙
(machaneihem)
hun legers
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
voor de oorlog
וַיֵּאָ֣סְפ֔וּ
(vayeasefu)
en ze verzamelden zich
שֹׂכֹ֖ה
(sokho)
Soko
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לִיהוּדָ֑ה
(lihuda)
van Juda
וַֽיַּחֲנ֛וּ
(vayachanu)
en ze legerden zich
בֵּין
(bein)
tussen
שׂוֹכֹ֥ה
(sokho)
Soko
וּבֵין
(uvein)
en tussen
עֲזֵקָ֖ה
(azeqa)
Azeka
בְּאֶ֥פֶס
(beefes)
in Efes
דַּמִּֽים
(damim)
Dammim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Soko ligt bij Khirbet Shuweikeh, in het Judese heuvelland (Israël).

Azeka is Tel Zakariya (Israël).

Efes-Dammim, ‘einde van bloed’, ligt tussen die twee plaatsen.

De precieze plek is onzeker.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

2Saul en de mannen van Israël verzamelden zich en legerden zich in het dal van Ela. Zij stelden zich in slagorde op, de Filistijnen tegemoet.
וְשָׁא֤וּל
(veshaul)
en Saul
וְאִֽישׁ
(veish)
en de mannen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
נֶאֶסְפ֔וּ
(neesfu)
werden verzameld
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en ze legerden zich
בְּעֵ֣מֶק
(beemeq)
in het dal van
הָאֵלָ֑ה
(haela)
Ela
וַיַּעַרְכ֥וּ
(vayaarkhu)
en ze stelden op
מִלְחָמָ֖ה
(milchama)
oorlog
לִקְרַ֥את
(liqrat)
tegemoet
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het dal van Ela is het huidige Wadi es-Sant, in het Judese heuvelland (Israël).

Zie Dal van Ela: Het dal van Ela (Wadi es-Sant) ligt in de Sefela, ten westen van Betlehem.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

אֵלָה (elah), ‘terebint’: een grote boom.

Het dal heet naar die boom.

3De Filistijnen stonden op de berg aan de ene kant. Israël stond op de berg aan de andere kant. Het dal lag tussen hen in.
וּפְלִשְׁתִּ֞ים
(ufelishtim)
en Filistijnen
עֹמְדִ֤ים
(omedim)
staand
אֶל
(el)
op
הָהָר֙
(hahar)
de berg
מִזֶּ֔ה
(mize)
aan deze kant
וְיִשְׂרָאֵ֛ל
(veyisrael)
en Israël
עֹמְדִ֥ים
(omedim)
staand
אֶל
(el)
op
הָהָ֖ר
(hahar)
de berg
מִזֶּ֑ה
(mize)
aan gene kant
וְהַגַּ֖יְא
(vehagay)
en het dal
בֵּינֵיהֶֽם
(beineihem)
tussen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Goliat daagt Israël uit

4Uit de legerplaatsen van de Filistijnen kwam een kampioen naar voren. Zijn naam was Goliat, uit Gat. Hij was zes el en een span lang.
וַיֵּצֵ֤א
(vayetse)
en hij kwam naar buiten
אִֽישׁ
(ish)
een man van
הַבֵּנַ֨יִם֙
(habenayim)
de tussenruimte
מִמַּחֲנ֣וֹת
(mimachanot)
uit de legerplaatsen van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
גָּלְיָ֥ת
(galeyat)
Goliat
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
מִגַּ֑ת
(migat)
uit Gat
גָּבְה֕וֹ
(gaveho)
zijn lengte
שֵׁ֥שׁ
(shesh)
zes
אַמּ֖וֹת
(amot)
el
וָזָֽרֶת
(vazaret)
en een span
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gat is waarschijnlijk Tell es-Safi (Israël), een stad van de Filistijnen.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

אִישׁ הַבֵּנַיִם (ish habbenayim), letterlijk ‘man van de tussenruimte’: de strijder die in de ruimte tussen de twee legers vecht, dus een kampioen.

Een el is ongeveer 45 cm en een span ongeveer 22 cm. Zes el en een span is ongeveer 2,9 meter.

Lezing

Wij volgen de Masoretische tekst (zes el en een span).

Sommige oude vertalingen hebben hier een kleiner getal.

5Op zijn hoofd had hij een bronzen helm. Hij droeg een schubbenpantser. Het pantser woog 5.000 sikkel brons.
וְכ֤וֹבַע
(vekhova)
en een helm van
נְחֹ֨שֶׁת֙
(nechoshet)
brons
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֔וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וְשִׁרְי֥וֹן
(veshiryon)
en een pantser van
קַשְׂקַשִּׂ֖ים
(qasqasim)
schubben
ה֣וּא
(hu)
hij
לָב֑וּשׁ
(lavush)
gekleed
וּמִשְׁקַל֙
(umishqal)
en het gewicht van
הַשִּׁרְי֔וֹן
(hashiryon)
het pantser
חֲמֵשֶׁת
(chameshet)
vijf
אֲלָפִ֥ים
(alafim)
duizend
שְׁקָלִ֖ים
(sheqalim)
sikkel
נְחֹֽשֶֽׁת
(nechoshet)
brons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een sikkel is ongeveer 11,4 gram. 5.000 sikkel is ongeveer 57 kilo.

6Hij had bronzen beenplaten om zijn benen en een bronzen werpspies tussen zijn schouders.
וּמִצְחַ֥ת
(umitschat)
en beenplaten van
נְחֹ֖שֶׁת
(nechoshet)
brons
עַל
(al)
op
רַגְלָ֑יו
(raglav)
zijn benen
וְכִיד֥וֹן
(vekhidon)
en een werpspies van
נְחֹ֖שֶׁת
(nechoshet)
brons
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
כְּתֵפָֽיו
(ketefav)
zijn schouders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּידוֹן (kidon), ‘werpspies’: een korter wapen dat op de rug werd gedragen of geworpen.

De betekenis is niet helemaal zeker.

Het kan ook een kromzwaard zijn.

Het woord staat ook in vers 45.

7De schacht van zijn speer was als een weversbalk. De punt van zijn speer woog 600 sikkel ijzer. De man die zijn schild droeg, liep voor hem uit.
וְעֵ֣ץ
(veets)
en de schacht van
חֲנִית֗וֹ
(chanito)
zijn speer
כִּמְנוֹר֙
(kimnor)
als een balk van
אֹֽרְגִ֔ים
(oregim)
wevers
וְלַהֶ֣בֶת
(velahevet)
en de punt van
חֲנִית֔וֹ
(chanito)
zijn speer
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
שְׁקָלִ֖ים
(sheqalim)
sikkel
בַּרְזֶ֑ל
(barzel)
ijzer
וְנֹשֵׂ֥א
(venose)
en dragend
הַצִּנָּ֖ה
(hatsina)
het schild
הֹלֵ֥ךְ
(holekh)
gaand
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een weversbalk is de dikke balk van een weefgetouw.

Het beeld laat zien hoe zwaar de speer was. 600 sikkel is ongeveer 6,8 kilo.

Lezing

In het geschreven Hebreeuws staat וחץ (vechets), ‘en een pijl’.

De voorgelezen tekst heeft וְעֵץ (ve'ets), ‘en de schacht’.

Wij volgen de voorgelezen tekst.

8Hij ging staan en riep naar de slagorde van Israël. Hij zei tegen hen: „Waarom komen jullie naar buiten om je in slagorde op te stellen? Ben ik niet de Filistijn, en zijn jullie niet de dienaren van Saul? Kies een man uit en laat hem naar mij afdalen.
וַֽיַּעֲמֹ֗ד
(vayaamod)
en hij ging staan
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en hij riep
אֶל
(el)
naar
מַעַרְכֹ֣ת
(maarkhot)
de slagorde van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֔ם
(lahem)
tot hen
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
תֵצְא֖וּ
(tetseu)
komen jullie uit
לַעֲרֹ֣ךְ
(laarokh)
om op te stellen
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
הֲל֧וֹא
(halo)
is niet
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
הַפְּלִשְׁתִּ֗י
(hapelishti)
de Filistijn
וְאַתֶּם֙
(veatem)
en jullie
עֲבָדִ֣ים
(avadim)
dienaren
לְשָׁא֔וּל
(leshaul)
van Saul
בְּרוּ
(beru)
kiest uit
לָכֶ֥ם
(lakhem)
voor jullie
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
וְיֵרֵ֥ד
(veyered)
en laat hem afdalen
אֵלָֽי
(elay)
naar mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Als hij met mij kan vechten en mij verslaat, worden wij jullie dienaren. Maar als ik hem overwin en hem versla, worden jullie onze dienaren. Dan dienen jullie ons.”
אִם
(im)
als
יוּכַ֞ל
(yukhal)
hij kan
לְהִלָּחֵ֤ם
(lehilachem)
vechten
אִתִּי֙
(iti)
met mij
וְהִכָּ֔נִי
(vehikani)
en mij verslaat
וְהָיִ֥ינוּ
(vehayinu)
dan zullen wij zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לַעֲבָדִ֑ים
(laavadim)
tot dienaren
וְאִם
(veim)
en als
אֲנִ֤י
(ani)
ik
אֽוּכַל
(ukhal)
ik overwin
לוֹ֙
(lo)
hem
וְהִכִּיתִ֔יו
(vehikitiv)
en ik hem versla
וִהְיִ֤יתֶם
(vihyitem)
dan zullen jullie zijn
לָ֨נוּ֙
(lanu)
voor ons
לַעֲבָדִ֔ים
(laavadim)
tot dienaren
וַעֲבַדְתֶּ֖ם
(vaavadtem)
en jullie zullen dienen
אֹתָֽנוּ
(otanu)
ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ook1 Sam 11:1
10De Filistijn zei: „Ik hoon vandaag de slagorden van Israël. Geef mij een man, dan vechten wij samen.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
הַפְּלִשְׁתִּ֔י
(hapelishti)
de Filistijn
אֲנִ֗י
(ani)
ik
חֵרַ֛פְתִּי
(cherafti)
ik hoon
אֶת
(et)
(obj.)
מַעַרְכ֥וֹת
(maarkhot)
de slagorden van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
תְּנוּ
(tenu)
geef
לִ֣י
(li)
mij
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
וְנִֽלָּחֲמָ֖ה
(venilachama)
en laat ons vechten
יָֽחַד
(yachad)
samen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Saul en heel Israël hoorden deze woorden van de Filistijn. Zij schrokken en werden zeer bang.
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en hij hoorde
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
הַפְּלִשְׁתִּ֖י
(hapelishti)
de Filistijn
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וַיֵּחַ֥תּוּ
(vayechatu)
en ze schrokken
וַיִּֽרְא֖וּ
(vayiru)
en ze werden bang
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

David en zijn broers

12David was de zoon van een Efratiet uit Betlehem in Juda. Zijn naam was Isaï. Hij had acht zonen. In de dagen van Saul was die man oud en op leeftijd onder de mannen.
וְדָוִד֩
(vedavid)
en David
בֶּן
(ben)
zoon van
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
אֶפְרָתִ֜י
(efrati)
Efratiet
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit Bet
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
Lechem
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וּשְׁמ֣וֹ
(ushemo)
en zijn naam
יִשַׁ֔י
(yishay)
Isaï
וְל֖וֹ
(velo)
en voor hem
שְׁמֹנָ֣ה
(shemona)
acht
בָנִ֑ים
(banim)
zonen
וְהָאִישׁ֙
(vehaish)
en de man
בִּימֵ֣י
(bimei)
in de dagen van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
זָקֵ֖ן
(zaqen)
oud
בָּ֥א
(ba)
gekomen
בַאֲנָשִֽׁים
(baanashim)
onder de mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betlehem is het huidige Bethlehem (Westelijke Jordaanoever).

Een Efratiet is iemand uit Efrata, de oude naam van de streek van Betlehem.

Zie Ruth 4:11 en 4:17.

Lezing

Sommige oude vertalingen zijn in dit hoofdstuk korter dan de Masoretische tekst.

Wij volgen de Masoretische tekst.

De laatste woorden van het vers (‘gekomen onder de mannen’) zijn moeilijk. Wij nemen ze als: al op leeftijd, onder de mannen.

13De drie oudste zonen van Isaï waren Saul gevolgd naar de oorlog. De namen van zijn drie zonen die naar de oorlog waren gegaan: Eliab, de eerstgeborene, Abinadab, de tweede, en Samma, de derde.
וַיֵּ֨לְכ֜וּ
(vayelekhu)
en ze gingen
שְׁלֹ֤שֶׁת
(sheloshet)
drie
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשַׁי֙
(yishay)
Isaï
הַגְּדֹלִ֔ים
(hagedolim)
de oudste
הָלְכ֥וּ
(halekhu)
ze gingen
אַחֲרֵי
(acharei)
achter
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
לַמִּלְחָמָ֑ה
(lamilchama)
naar de oorlog
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
בָּנָ֗יו
(banav)
zijn zonen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הָלְכוּ֙
(halekhu)
gingen
בַּמִּלְחָמָ֔ה
(bamilchama)
in de oorlog
אֱלִיאָ֣ב
(eliav)
Eliab
הַבְּכ֗וֹר
(habekhor)
de eerstgeborene
וּמִשְׁנֵ֨הוּ֙
(umishnehu)
en zijn tweede
אֲבִ֣ינָדָ֔ב
(avinadav)
Abinadab
וְהַשְּׁלִשִׁ֖י
(vehashelishi)
en de derde
שַׁמָּֽה
(shama)
Samma
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De derde zoon heet hier שַׁמָּה (Shammah).

Wij schrijven ‘Samma’.

14David was de jongste. De drie oudsten waren Saul gevolgd.
וְדָוִ֖ד
(vedavid)
en David
ה֣וּא
(hu)
hij
הַקָּטָ֑ן
(haqatan)
de jongste
וּשְׁלֹשָׁה֙
(ushelosha)
en drie
הַגְּדֹלִ֔ים
(hagedolim)
de oudsten
הָלְכ֖וּ
(halekhu)
gingen
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15David ging steeds weer bij Saul weg om in Betlehem de schapen van zijn vader te hoeden.
וְדָוִ֛ד
(vedavid)
en David
הֹלֵ֥ךְ
(holekh)
gaand
וָשָׁ֖ב
(vashav)
en terugkerend
מֵעַ֣ל
(meal)
van bij
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
לִרְע֛וֹת
(lirot)
om te hoeden
אֶת
(et)
(obj.)
צֹ֥אן
(tson)
de schapen van
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
בֵּֽית
(beit)
Bet
לָֽחֶם
(lachem)
Lechem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

16De Filistijn kwam elke morgen en elke avond naar voren. Veertig dagen lang stelde hij zich op.
וַיִּגַּ֥שׁ
(vayigash)
en hij kwam naar voren
הַפְּלִשְׁתִּ֖י
(hapelishti)
de Filistijn
הַשְׁכֵּ֣ם
(hashkem)
in de morgen
וְהַעֲרֵ֑ב
(vehaarev)
en in de avond
וַיִּתְיַצֵּ֖ב
(vayityatsev)
en hij stelde zich op
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
יֽוֹם
(yom)
dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Isaï zei tegen zijn zoon David: „Neem voor je broers deze efa geroosterd koren en deze tien broden. Breng ze snel naar je broers in het kamp.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יִשַׁ֜י
(yishay)
Isaï
לְדָוִ֣ד
(ledavid)
tot David
בְּנ֗וֹ
(beno)
zijn zoon
קַח
(qach)
neem
נָ֤א
(na)
toch
לְאַחֶ֨יךָ֙
(leacheikha)
voor je broers
אֵיפַ֤ת
(eifat)
efa
הַקָּלִיא֙
(haqali)
het geroosterde koren
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וַעֲשָׂרָ֥ה
(vaasara)
en tien
לֶ֖חֶם
(lechem)
broden
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְהָרֵ֥ץ
(veharets)
en ren
הַֽמַּחֲנֶ֖ה
(hamachane)
naar het kamp
לְאַחֶֽיךָ
(leacheikha)
naar je broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een efa is ongeveer 22 liter.

קָלִי (qali), ‘geroosterd koren’: geroosterde graanaren of -korrels. Zie Lev. 2:14 en Ruth 2:14.

18Breng ook deze tien kazen naar de aanvoerder van de duizend. Ga na hoe het met je broers gaat. En neem van hen een pand mee.”
וְ֠אֵת
(veet)
en (obj.)
עֲשֶׂ֜רֶת
(aseret)
tien
חֲרִצֵ֤י
(charitsei)
kazen van
הֶֽחָלָב֙
(hechalav)
de melk
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
תָּבִ֖יא
(tavi)
zul je brengen
לְשַׂר
(lesar)
naar de aanvoerder van
הָאָ֑לֶף
(haalef)
de duizend
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַחֶ֨יךָ֙
(acheikha)
je broers
תִּפְקֹ֣ד
(tifqod)
zul je opzoeken
לְשָׁל֔וֹם
(leshalom)
naar het welzijn
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲרֻבָּתָ֖ם
(arubatam)
hun pand
תִּקָּֽח
(tiqach)
zul je nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲרִצֵי הֶחָלָב (charitsei hechalav), letterlijk ‘sneden van de melk’: stukken kaas of gestremde melk.

Wij vertalen ‘kazen’.

שַׂר הָאֶלֶף (sar ha'elef), ‘aanvoerder van de duizend’: de commandant van een eenheid van ongeveer duizend man.

עֲרֻבָּתָם (arubbatam), ‘hun pand’: een teken of bewijs dat het goed met de broers ging. De betekenis is niet helemaal zeker.

19Saul, zij en alle mannen van Israël waren in het dal van Ela. Zij streden tegen de Filistijnen.
וְשָׁא֤וּל
(veshaul)
en Saul
וְהֵ֨מָּה֙
(vehema)
en zij
וְכָל
(vekhal)
en alle
אִ֣ישׁ
(ish)
mannen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בְּעֵ֖מֶק
(beemeq)
in het dal van
הָֽאֵלָ֑ה
(haela)
Ela
נִלְחָמִ֖ים
(nilchamim)
strijdend
עִם
(im)
met
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Dal van Ela: Het dal van Ela (Wadi es-Sant) ligt in de Sefela, ten westen van Betlehem.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

David in het kamp

20David stond 's morgens vroeg op. Hij liet de schapen achter bij een hoeder, nam alles mee en ging, zoals Isaï hem had geboden. Hij kwam bij de wagenkring toen het leger naar de slagorde uittrok. Zij hieven de strijdkreet aan voor de oorlog.
וַיַּשְׁכֵּ֨ם
(vayashkem)
en hij stond vroeg op
דָּוִ֜ד
(david)
David
בַּבֹּ֗קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיִּטֹּ֤שׁ
(vayitosh)
en hij liet achter
אֶת
(et)
(obj.)
הַצֹּאן֙
(hatson)
de schapen
עַל
(al)
bij
שֹׁמֵ֔ר
(shomer)
een hoeder
וַיִּשָּׂ֣א
(vayisa)
en hij laadde op
וַיֵּ֔לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֖הוּ
(tsivahu)
hij had geboden
יִשָׁ֑י
(yishay)
Isaï
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en hij kwam
הַמַּעְגָּ֔לָה
(hamagala)
bij de wagenkring
וְהַחַ֗יִל
(vehachayil)
en het leger
הַיֹּצֵא֙
(hayotse)
dat uittrok
אֶל
(el)
naar
הַמַּ֣עֲרָכָ֔ה
(hamaarakha)
de slagorde
וְהֵרֵ֖עוּ
(vehereu)
en ze hieven de strijdkreet aan
בַּמִּלְחָמָֽה
(bamilchama)
voor de oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמַּעְגָּלָה (hamma'galah), ‘de wagenkring’: de kring van wagens om het kamp.

Het is de rand van het legerkamp.

21Israël en de Filistijnen stelden zich op, slagorde tegenover slagorde.
וַתַּעֲרֹ֤ךְ
(vataarokh)
en ze stelden op
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וּפְלִשְׁתִּ֔ים
(ufelishtim)
en Filistijnen
מַעֲרָכָ֖ה
(maarakha)
slagorde
לִקְרַ֥את
(liqrat)
tegenover
מַעֲרָכָֽה
(maarakha)
slagorde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

22David liet zijn bagage achter bij de bewaker van de bagage. Hij rende naar de slagorde, ging erheen en vroeg zijn broers hoe het met hen ging.
וַיִּטֹּשׁ֩
(vayitosh)
en hij liet achter
דָּוִ֨ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֵּלִ֜ים
(hakelim)
de bagage
מֵעָלָ֗יו
(mealav)
van zich
עַל
(al)
bij
יַד֙
(yad)
de hand van
שׁוֹמֵ֣ר
(shomer)
bewaker van
הַכֵּלִ֔ים
(hakelim)
de bagage
וַיָּ֖רָץ
(vayarats)
en hij rende
הַמַּעֲרָכָ֑ה
(hamaarakha)
naar de slagorde
וַיָּבֹ֕א
(vayavo)
en hij kwam
וַיִּשְׁאַ֥ל
(vayishal)
en hij vroeg
לְאֶחָ֖יו
(leechav)
naar zijn broers
לְשָׁלֽוֹם
(leshalom)
naar het welzijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכֵּלִים (hakelim), ‘de bagage’: de spullen en het gereedschap die David had meegenomen.

23Terwijl hij met hen sprak, kwam de kampioen omhoog uit de slagorden van de Filistijnen. Hij heette Goliat, de Filistijn uit Gat. Hij sprak dezelfde woorden als eerst. David hoorde het.
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
מְדַבֵּ֣ר
(medaber)
sprekend
עִמָּ֗ם
(imam)
met hen
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
אִ֣ישׁ
(ish)
een man van
הַבֵּנַ֡יִם
(habenayim)
de tussenruimte
עוֹלֶ֞ה
(ole)
omhoogkomend
גָּלְיָת֩
(galeyat)
Goliat
הַפְּלִשְׁתִּ֨י
(hapelishti)
de Filistijn
שְׁמ֤וֹ
(shemo)
zijn naam
מִגַּת֙
(migat)
uit Gat
מִמַּעַרְכ֣וֹת
(mimaarkhot)
uit de slagorden van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיְדַבֵּ֖ר
(vaydaber)
en hij sprak
כַּדְּבָרִ֣ים
(kadevarim)
zoals de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וַיִּשְׁמַ֖ע
(vayishma)
en hij hoorde
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi.

Dit is niet geheel zeker.

Lezing

In het geschreven Hebreeuws staat מִמְּעָרוֹת (mimme'arot), ‘uit de grotten’.

De voorgelezen tekst heeft מִמַּעַרְכוֹת (mimma'arkhot), ‘uit de slagorden’.

Wij volgen de voorgelezen tekst.

24Alle mannen van Israël vluchtten voor hem toen zij die man zagen. Zij werden zeer bang.
וְכֹל֙
(vekhol)
en alle
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בִּרְאוֹתָ֖ם
(birotam)
bij hun zien
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֑ישׁ
(haish)
de man
וַיָּנֻ֨סוּ֙
(vayanusu)
en ze vluchtten
מִפָּנָ֔יו
(mipanav)
voor zijn aangezicht
וַיִּֽירְא֖וּ
(vayireu)
en ze werden bang
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25De mannen van Israël zeiden: „Hebben jullie die man gezien die opkomt? Hij komt op om Israël te honen. Wie hem verslaat, maakt de koning zeer rijk. Hij geeft hem zijn dochter. Het huis van zijn vader maakt hij vrij in Israël.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
הַרְּאִיתֶם֙
(hareitem)
hebben jullie gezien
הָאִ֤ישׁ
(haish)
de man
הָֽעֹלֶה֙
(haole)
die opkomt
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
כִּ֛י
(ki)
want
לְחָרֵ֥ף
(lecharef)
om te honen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עֹלֶ֑ה
(ole)
hij komt op
וְֽ֠הָיָה
(vehaya)
en het zal zijn
הָאִ֨ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר
(asher)
die
יַכֶּ֜נּוּ
(yakenu)
hem verslaat
יַעְשְׁרֶ֥נּוּ
(yasherenu)
hij zal hem rijk maken
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עֹ֣שֶׁר
(osher)
rijkdom
גָּד֗וֹל
(gadol)
grote
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בִּתּוֹ֙
(bito)
zijn dochter
יִתֶּן
(yiten)
hij zal geven
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
יַעֲשֶׂ֥ה
(yaase)
hij zal maken
חָפְשִׁ֖י
(chafeshi)
vrij
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָפְשִׁי (chofshi), ‘vrij’: vrij gemaakt van de lasten en diensten die een familie aan de koning moest geven.

De tekst zegt niet precies waarvan.

Wij laten dat ook open.

26David vroeg de mannen die bij hem stonden: „Wat wordt er gedaan voor de man die deze Filistijn verslaat en de hoon van Israël wegneemt? Want wie is deze onbesneden Filistijn? Hij heeft de slagorden van de levende Elohim gehoond.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֗ד
(david)
David
אֶֽל
(el)
tot
הָאֲנָשִׁ֞ים
(haanashim)
de mannen
הָעֹמְדִ֣ים
(haomedim)
die staan
עִמּוֹ֮
(imo)
bij hem
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
מַה
(ma)
wat
יֵּעָשֶׂ֗ה
(yease)
wordt gedaan
לָאִישׁ֙
(laish)
voor de man
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יַכֶּה֙
(yake)
verslaat
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֣י
(hapelishti)
de Filistijn
הַלָּ֔ז
(halaz)
die daar
וְהֵסִ֥יר
(vehesir)
en wegneemt
חֶרְפָּ֖ה
(cherpa)
hoon
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּ֣י
(ki)
want
מִ֗י
(mi)
wie
הַפְּלִשְׁתִּ֤י
(hapelishti)
de Filistijn
הֶֽעָרֵל֙
(hearel)
de onbesneden
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
כִּ֣י
(ki)
want
חֵרֵ֔ף
(cheref)
hij heeft gehoond
מַעַרְכ֖וֹת
(maarkhot)
slagorden van
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
חַיִּֽים
(chayim)
levende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרֵל (arel), ‘onbesneden’: iemand buiten het verbond (Gen. 17:10–14).

David gebruikt het woord om te zeggen dat de Filistijn niet bij Elohim hoort.

אֱלֹהִים חַיִּים (elohim chayyim), ‘levende Elohim’: zie Deut. 5:26.

27Het volk antwoordde hem met dezelfde woorden: „Zo wordt er gedaan voor de man die hem verslaat.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לוֹ֙
(lo)
tot hem
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
כַּדָּבָ֥ר
(kadavar)
volgens het woord
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֣ה
(ko)
zo
יֵעָשֶׂ֔ה
(yease)
wordt gedaan
לָאִ֖ישׁ
(laish)
voor de man
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יַכֶּֽנּוּ
(yakenu)
hem verslaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Zijn oudste broer Eliab hoorde hem met de mannen spreken. Eliab werd zeer boos op David. Hij zei: „Waarom ben je hierheen gekomen? Bij wie heb je die paar schapen in de woestijn achtergelaten? Ik ken je overmoed en de slechtheid van je hart. Want je bent gekomen om de strijd te zien.”
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en hij hoorde
אֱלִיאָב֙
(eliav)
Eliab
אָחִ֣יו
(achiv)
zijn broer
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de oudste
בְּדַבְּר֖וֹ
(bedabero)
bij zijn spreken
אֶל
(el)
tot
הָאֲנָשִׁ֑ים
(haanashim)
de mannen
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַף֩
(af)
de toorn van
אֱלִיאָ֨ב
(eliav)
Eliab
בְּדָוִ֜ד
(bedavid)
op David
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָמָּה
(lama)
waarom
זֶּ֣ה
(ze)
dit
יָרַ֗דְתָּ
(yaradta)
ben je afgedaald
וְעַל
(veal)
en bij
מִ֨י
(mi)
wie
נָטַ֜שְׁתָּ
(natashta)
heb je achtergelaten
מְעַ֨ט
(meat)
die paar
הַצֹּ֤אן
(hatson)
schapen
הָהֵ֨נָּה֙
(hahena)
die daar
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
אֲנִ֧י
(ani)
ik
יָדַ֣עְתִּי
(yadati)
ik ken
אֶת
(et)
(obj.)
זְדֹנְךָ֗
(zedonekha)
je overmoed
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
רֹ֣עַ
(roa)
de slechtheid van
לְבָבֶ֔ךָ
(levavekha)
je hart
כִּ֗י
(ki)
want
לְמַ֛עַן
(lemaan)
om
רְא֥וֹת
(reot)
te zien
הַמִּלְחָמָ֖ה
(hamilchama)
de strijd
יָרָֽדְתָּ
(yaradta)
ben je afgedaald
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זְדֹנְךָ (zedonkha), ‘je overmoed’: trots die te ver gaat.

29David zei: „Wat heb ik nu gedaan? Was het niet maar een vraag?”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֔ד
(david)
David
מֶ֥ה
(me)
wat
עָשִׂ֖יתִי
(asiti)
heb ik gedaan
עָ֑תָּה
(ata)
nu
הֲל֖וֹא
(halo)
is het niet
דָּבָ֥ר
(davar)
een vraag
הֽוּא
(hu)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt: ‘Is het niet een woord?’

Wij vertalen ‘vraag’: David bedoelt dat hij alleen iets gevraagd heeft.

30Hij draaide zich van hem af naar een ander en zei hetzelfde. Het volk antwoordde hem hetzelfde als de eerste keer.
וַיִּסֹּ֤ב
(vayisov)
en hij draaide zich om
מֵֽאֶצְלוֹ֙
(meetslo)
van naast hem
אֶל
(el)
naar
מ֣וּל
(mul)
tegenover
אַחֵ֔ר
(acher)
een andere
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
כַּדָּבָ֣ר
(kadavar)
volgens het woord
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
וַיְשִׁבֻ֤הוּ
(vayshivuhu)
en ze antwoordden hem
הָעָם֙
(haam)
het volk
דָּבָ֔ר
(davar)
een woord
כַּדָּבָ֖ר
(kadavar)
volgens het woord
הָרִאשֽׁוֹן
(harishon)
het eerste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31De woorden die David had gesproken, werden gehoord en aan Saul verteld. Saul liet hem halen.
וַיְּשָּֽׁמְעוּ֙
(vayeshameu)
en ze hoorden
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
דִּבֶּ֣ר
(diber)
sprak
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיַּגִּ֥דוּ
(vayagidu)
en ze vertelden
לִפְנֵֽי
(lifnei)
voor
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
וַיִּקָּחֵֽהוּ
(vayiqachehu)
en hij liet hem halen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookSpr 22:29

David voor Saul

32David zei tegen Saul: „Niemand hoeft om hem de moed te verliezen. Uw dienaar zal gaan en met deze Filistijn strijden.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
tot
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
אַל
(al)
niet
יִפֹּ֥ל
(yipol)
laat vallen
לֵב
(lev)
het hart van
אָדָ֖ם
(adam)
een mens
עָלָ֑יו
(alav)
om hem
עַבְדְּךָ֣
(avdekha)
uw dienaar
יֵלֵ֔ךְ
(yelekh)
zal gaan
וְנִלְחַ֖ם
(venilcham)
en zal strijden
עִם
(im)
met
הַפְּלִשְׁתִּ֥י
(hapelishti)
de Filistijn
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David spreekt Saul aan met ‘u’ en noemt zichzelf ‘uw dienaar’.

Dat is de beleefde vorm tegenover de koning.

33Saul zei tegen David: „Je kunt niet naar deze Filistijn gaan om met hem te strijden. Want je bent nog een jongen, en hij is een krijgsman van jongs af aan.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֗ד
(david)
David
לֹ֤א
(lo)
niet
תוּכַל֙
(tukhal)
je kunt
לָלֶ֨כֶת֙
(lalekhet)
gaan
אֶל
(el)
naar
הַפְּלִשְׁתִּ֣י
(hapelishti)
de Filistijn
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
לְהִלָּחֵ֖ם
(lehilachem)
om te strijden
עִמּ֑וֹ
(imo)
met hem
כִּֽי
(ki)
want
נַ֣עַר
(naar)
een jongen
אַ֔תָּה
(ata)
jij
וְה֛וּא
(vehu)
en hij
אִ֥ישׁ
(ish)
een man van
מִלְחָמָ֖ה
(milchama)
oorlog
מִנְּעֻרָֽיו
(mineurav)
van zijn jeugd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34David zei tegen Saul: „Uw dienaar hoedde de schapen voor zijn vader. Soms kwam er een leeuw, of een beer, en nam een lam uit de kudde mee.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
tot
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
רֹעֶ֨ה
(roe)
herder
הָיָ֧ה
(haya)
was
עַבְדְּךָ֛
(avdekha)
uw dienaar
לְאָבִ֖יו
(leaviv)
voor zijn vader
בַּצֹּ֑אן
(batson)
bij de schapen
וּבָ֤א
(uva)
en kwam
הָֽאֲרִי֙
(haari)
de leeuw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַדּ֔וֹב
(hadov)
de beer
וְנָשָׂ֥א
(venasa)
en nam mee
שֶׂ֖ה
(se)
een lam
מֵהָעֵֽדֶר
(mehaeder)
uit de kudde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws vertelt dit als iets dat vaker gebeurde.

Wij vertalen daarom ‘soms kwam er’.

35Dan ging ik achter hem aan, sloeg hem en redde het lam uit zijn bek. Stond hij tegen mij op, dan greep ik hem bij zijn baard, sloeg hem en doodde hem.
וְיָצָ֧אתִי
(veyatsati)
en ik ging uit
אַחֲרָ֛יו
(acharav)
achter hem
וְהִכִּתִ֖יו
(vehikitiv)
en ik sloeg hem
וְהִצַּ֣לְתִּי
(vehitsalti)
en ik redde
מִפִּ֑יו
(mipiv)
uit zijn bek
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en hij stond op
עָלַ֔י
(alay)
tegen mij
וְהֶחֱזַ֨קְתִּי֙
(vehechezaqti)
en ik greep vast
בִּזְקָנ֔וֹ
(bizqano)
zijn baard
וְהִכִּתִ֖יו
(vehikitiv)
en ik sloeg hem
וַהֲמִיתִּֽיו
(vahamitiv)
en ik doodde hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Zowel de leeuw als de beer heeft uw dienaar verslagen. Deze onbesneden Filistijn zal zijn als een van die twee. Want hij heeft de slagorde van de levende Elohim gehoond.”
גַּ֧ם
(gam)
ook
אֶֽת
(et)
(obj.)
הָאֲרִ֛י
(haari)
de leeuw
גַּם
(gam)
ook
הַדּ֖וֹב
(hadov)
de beer
הִכָּ֣ה
(hika)
heeft verslagen
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
uw dienaar
וְֽ֠הָיָה
(vehaya)
en hij zal zijn
הַפְּלִשְׁתִּ֨י
(hapelishti)
de Filistijn
הֶעָרֵ֤ל
(hearel)
de onbesneden
הַזֶּה֙
(haze)
deze
כְּאַחַ֣ד
(keachad)
als één
מֵהֶ֔ם
(mehem)
van hen
כִּ֣י
(ki)
want
חֵרֵ֔ף
(cheref)
hij heeft gehoond
מַעַרְכֹ֖ת
(maarkhot)
de slagorde van
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
חַיִּֽים
(chayim)
levende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37David zei: „Yahweh heeft mij gered uit de poot van de leeuw en uit de poot van de beer. Hij zal mij redden uit de hand van deze Filistijn.” Saul zei tegen David: „Ga. Yahweh zal met je zijn.”
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en hij zei
דָּוִד֒
(david)
David
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הִצִּלַ֜נִי
(hitsilani)
mij heeft gered
מִיַּ֤ד
(miyad)
uit de hand van
הָֽאֲרִי֙
(haari)
de leeuw
וּמִיַּ֣ד
(umiyad)
en uit de hand van
הַדֹּ֔ב
(hadov)
de beer
ה֣וּא
(hu)
Hij
יַצִּילֵ֔נִי
(yatsileni)
zal mij redden
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
הַפְּלִשְׁתִּ֖י
(hapelishti)
de Filistijn
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֤וּל
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tot
דָּוִד֙
(david)
David
לֵ֔ךְ
(lekh)
ga
וַֽיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
עִמָּֽךְ
(imakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David zegt: ‘uit de poot’.

Het Hebreeuws heeft hier יָד (yad), ‘hand’, ook voor de poot van een dier.

Dat spel met ‘hand’ keert terug in vers 46–47.

38Saul trok David zijn eigen legerkleding aan. Hij zette een bronzen helm op zijn hoofd en trok hem een pantser aan.
וַיַּלְבֵּ֨שׁ
(vayalbesh)
en hij kleedde
שָׁא֤וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִד֙
(david)
David
מַדָּ֔יו
(madav)
in zijn legerkleding
וְנָתַ֛ן
(venatan)
en hij zette
ק֥וֹבַע
(qova)
een helm van
נְחֹ֖שֶׁת
(nechoshet)
brons
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַיַּלְבֵּ֥שׁ
(vayalbesh)
en hij kleedde
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
שִׁרְיֽוֹן
(shiryon)
in een pantser
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַדָּיו (maddav), ‘zijn legerkleding’: de kleding en wapenrusting van Saul.

39David gespte zijn zwaard over zijn legerkleding. Hij probeerde te lopen, want hij had het nog nooit geprobeerd. David zei tegen Saul: „Hierin kan ik niet lopen, want ik heb het nog nooit geprobeerd.” Toen deed David alles uit.
וַיַּחְגֹּ֣ר
(vayachgor)
en hij gespte om
דָּוִ֣ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
חַ֠רְבּוֹ
(charbo)
zijn zwaard
מֵעַ֨ל
(meal)
boven
לְמַדָּ֜יו
(lemadav)
zijn legerkleding
וַיֹּ֣אֶל
(vayoel)
en hij probeerde
לָלֶכֶת֮
(lalekhet)
om te gaan
כִּ֣י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
נִסָּה֒
(nisa)
hij had geprobeerd
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֜ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
לֹ֥א
(lo)
niet
אוּכַ֛ל
(ukhal)
ik kan
לָלֶ֥כֶת
(lalekhet)
gaan
בָּאֵ֖לֶּה
(baele)
hierin
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
נִסִּ֑יתִי
(nisiti)
ik heb geprobeerd
וַיְסִרֵ֥ם
(vaysirem)
en hij deed ze uit
דָּוִ֖ד
(david)
David
מֵעָלָֽיו
(mealav)
van zich af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Hij nam zijn staf in zijn hand en koos vijf gladde stenen uit de beek. Hij deed ze in zijn herderstas, in de buidel. Zijn slinger had hij in zijn hand. Zo kwam hij dichter bij de Filistijn.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en hij nam
מַקְל֜וֹ
(maqlo)
zijn staf
בְּיָד֗וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיִּבְחַר
(vayivchar)
en hij koos
ל֣וֹ
(lo)
voor zich
חֲמִשָּׁ֣ה
(chamisha)
vijf
חַלֻּקֵֽי
(chaluqei)
gladde
אֲבָנִ֣ים
(avanim)
stenen
מִן
(min)
uit
הַנַּ֡חַל
(hanachal)
de beek
וַיָּ֣שֶׂם
(vayasem)
en hij legde
אֹ֠תָם
(otam)
ze
בִּכְלִ֨י
(bikhli)
in de tas van
הָרֹעִ֧ים
(haroim)
de herders
אֲשֶׁר
(asher)
die
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
וּבַיַּלְק֖וּט
(uvayalqut)
en in de buidel
וְקַלְּע֣וֹ
(veqaleo)
en zijn slinger
בְיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיִּגַּ֖שׁ
(vayigash)
en hij kwam dichterbij
אֶל
(el)
naar
הַפְּלִשְׁתִּֽי
(hapelishti)
de Filistijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De beek is het droge dal van het Wadi es-Sant (Israël).

Uitleg

חַלְּקֵי־אֲבָנִים (challeqei avanim), ‘gladde stenen’: stenen die door het water glad zijn geslepen.

קֶלַע (qela), ‘slinger’: een band van leer waarmee je stenen wegslingert.

David en Goliat

41De Filistijn kwam steeds dichter bij David. De man die zijn schild droeg, liep voor hem uit.
וַיֵּ֨לֶךְ֙
(vayelekh)
en hij ging
הַפְּלִשְׁתִּ֔י
(hapelishti)
de Filistijn
הֹלֵ֥ךְ
(holekh)
gaande
וְקָרֵ֖ב
(veqarev)
en naderend
אֶל
(el)
naar
דָּוִ֑ד
(david)
David
וְהָאִ֛ישׁ
(vehaish)
en de man
נֹשֵׂ֥א
(nose)
dragend
הַצִּנָּ֖ה
(hatsina)
het schild
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42De Filistijn keek en zag David. Hij verachtte hem, want David was nog een jongen, rossig en met een mooi uiterlijk.
וַיַּבֵּ֧ט
(vayabet)
en hij keek
הַפְּלִשְׁתִּ֛י
(hapelishti)
de Filistijn
וַיִּרְאֶ֥ה
(vayire)
en hij zag
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֖ד
(david)
David
וַיִּבְזֵ֑הוּ
(vayivzehu)
en hij verachtte hem
כִּֽי
(ki)
want
הָיָ֣ה
(haya)
hij was
נַ֔עַר
(naar)
een jongen
וְאַדְמֹנִ֖י
(veadmoni)
en rossig
עִם
(im)
met
יְפֵ֥ה
(yefe)
mooi
מַרְאֶֽה
(mare)
uiterlijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַדְמֹנִי (admoni), ‘rossig’: met een rode, gezonde kleur.

Het woord staat ook bij David in 1 Sam. 16:12.

43De Filistijn zei tegen David: „Ben ik een hond, dat je met stokken naar mij komt?” De Filistijn vervloekte David bij zijn goden.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הַפְּלִשְׁתִּי֙
(hapelishti)
de Filistijn
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֔ד
(david)
David
הֲכֶ֣לֶב
(hakhelev)
de hond
אָנֹ֔כִי
(anokhi)
ik
כִּֽי
(ki)
dat
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
בָֽא
(ba)
komt
אֵלַ֖י
(elay)
naar mij
בַּמַּקְל֑וֹת
(bamaqlot)
met stokken
וַיְקַלֵּ֧ל
(vayqalel)
en hij vervloekte
הַפְּלִשְׁתִּ֛י
(hapelishti)
de Filistijn
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֖ד
(david)
David
בֵּאלֹהָֽיו
(belohav)
bij zijn goden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּאלֹהָיו (be'lohav), ‘bij zijn goden’: de Filistijn vloekt bij zijn eigen goden, zoals Dagon (1 Sam. 5:2).

44De Filistijn zei tegen David: „Kom naar mij toe. Dan geef ik je vlees aan de vogels van de hemel en aan de dieren van het veld.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הַפְּלִשְׁתִּ֖י
(hapelishti)
de Filistijn
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֑ד
(david)
David
לְכָ֣ה
(lekha)
kom
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
וְאֶתְּנָה֙
(veetena)
en ik zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשָׂ֣רְךָ֔
(besarekha)
je vlees
לְע֥וֹף
(leof)
aan de vogel van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וּלְבֶהֱמַ֥ת
(ulevehemat)
en aan de dieren van
הַשָּׂדֶֽה
(hasade)
het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45David zei tegen de Filistijn: „Jij komt naar mij met een zwaard, een speer en een werpspies. Maar ik kom naar jou in de naam van Yahweh van de legermachten, de Elohim van de slagorden van Israël, die jij hebt gehoond.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
tot
הַפְּלִשְׁתִּ֔י
(hapelishti)
de Filistijn
אַתָּה֙
(ata)
jij
בָּ֣א
(ba)
komt
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
בְּחֶ֖רֶב
(becherev)
met zwaard
וּבַחֲנִ֣ית
(uvachanit)
en met speer
וּבְכִיד֑וֹן
(uvekhidon)
en met werpspies
וְאָנֹכִ֣י
(veanokhi)
en ik
בָֽא
(ba)
kom
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
naar jou
בְּשֵׁם֙
(beshem)
in de naam van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֛י
(elohei)
de Elohim van
מַעַרְכ֥וֹת
(maarkhot)
de slagorden van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
חֵרַֽפְתָּ
(cherafta)
je hebt gehoond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יהוה צבאות (Yahweh Tsevaot), ‘Yahweh van de legermachten’: צְבָאוֹת (tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’.

Hier staat het in tegenstelling met de slagorden van de Filistijn.

46Vandaag geeft Yahweh je over in mijn hand. Ik zal je verslaan en je hoofd van je afnemen. Vandaag geef ik de lijken van het leger van de Filistijnen aan de vogels van de hemel en aan de wilde dieren van de aarde. Heel de aarde zal weten dat Israël een Elohim heeft.
הַיּ֣וֹם
(hayom)
deze dag
הַזֶּ֡ה
(haze)
de ene
יְסַגֶּרְךָ֩
(yesagerkha)
zal overleveren
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיָדִ֜י
(beyadi)
in mijn hand
וְהִכִּיתִ֗ךָ
(vehikitikha)
en ik zal je verslaan
וַהֲסִרֹתִ֤י
(vahasiroti)
en ik zal wegnemen
אֶת
(et)
(obj.)
רֹֽאשְׁךָ֙
(roshkha)
je hoofd
מֵעָלֶ֔יךָ
(mealeikha)
van je
וְנָ֨תַתִּ֜י
(venatati)
en ik zal geven
פֶּ֣גֶר
(peger)
het lijk van
מַחֲנֵ֤ה
(machane)
het leger van
פְלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
Filistijnen
הַיּ֣וֹם
(hayom)
deze dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
de ene
לְע֥וֹף
(leof)
aan de vogel van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וּלְחַיַּ֣ת
(ulechayat)
en aan de wilde dieren van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְיֵֽדְעוּ֙
(veyedeu)
en ze zullen weten
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
כִּ֛י
(ki)
dat
יֵ֥שׁ
(yesh)
er is
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
לְיִשְׂרָאֵֽל
(leyisrael)
voor Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

Vers 45–47 zijn de woorden van David aan Goliat en aan heel de vergadering.

Wij sluiten de aanhalingstekens pas na vers 47.

47En heel deze vergadering zal weten dat Yahweh niet met zwaard en speer redt. Want de strijd is van Yahweh. Hij zal jullie in onze hand geven.”
וְיֵֽדְעוּ֙
(veyedeu)
en ze zullen weten
כָּל
(kal)
heel
הַקָּהָ֣ל
(haqahal)
de vergadering
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
כִּֽי
(ki)
dat
לֹ֛א
(lo)
niet
בְּחֶ֥רֶב
(becherev)
met zwaard
וּבַחֲנִ֖ית
(uvachanit)
en met speer
יְהוֹשִׁ֣יעַ
(yehoshia)
redt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֤י
(ki)
want
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
van Yahweh
הַמִּלְחָמָ֔ה
(hamilchama)
de strijd
וְנָתַ֥ן
(venatan)
en Hij zal geven
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בְּיָדֵֽנוּ
(beyadenu)
in onze hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David zegt: ‘de strijd is van Yahweh’.

Zie ook Exod. 14:14 en Deut. 20:4.

48De Filistijn stond op en kwam dichterbij om David tegemoet te gaan. David haastte zich en rende naar de slagorde, de Filistijn tegemoet.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het was
כִּֽי
(ki)
toen
קָ֣ם
(qam)
opstond
הַפְּלִשְׁתִּ֔י
(hapelishti)
de Filistijn
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
וַיִּקְרַ֖ב
(vayiqrav)
en dichterbij kwam
לִקְרַ֣את
(liqrat)
tegemoet
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיְמַהֵ֣ר
(vaymaher)
en haastte zich
דָּוִ֔ד
(david)
David
וַיָּ֥רָץ
(vayarats)
en rende
הַמַּעֲרָכָ֖ה
(hamaarakha)
naar de slagorde
לִקְרַ֥את
(liqrat)
tegemoet
הַפְּלִשְׁתִּֽי
(hapelishti)
de Filistijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
49David stak zijn hand in de tas en nam daar een steen uit. Hij slingerde hem en trof de Filistijn op zijn voorhoofd. De steen drong in zijn voorhoofd en hij viel met zijn gezicht op de grond.
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en hij stak uit
דָּוִ֨ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
יָד֜וֹ
(yado)
zijn hand
אֶל
(el)
naar
הַכֶּ֗לִי
(hakeli)
de tas
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en hij nam
מִשָּׁ֥ם
(misham)
vandaar
אֶ֨בֶן֙
(even)
een steen
וַיְקַלַּ֔ע
(vayqala)
en hij slingerde
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en hij trof
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֖י
(hapelishti)
de Filistijn
אֶל
(el)
op
מִצְח֑וֹ
(mitscho)
zijn voorhoofd
וַתִּטְבַּ֤ע
(vatitba)
en zonk
הָאֶ֨בֶן֙
(haeven)
de steen
בְּמִצְח֔וֹ
(bemitscho)
in zijn voorhoofd
וַיִּפֹּ֥ל
(vayipol)
en hij viel
עַל
(al)
op
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
אָֽרְצָה
(aretsa)
naar de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
50Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen. Hij trof de Filistijn en doodde hem. David had geen zwaard in zijn hand.
וַיֶּחֱזַ֨ק
(vayechezaq)
en hij overwon
דָּוִ֤ד
(david)
David
מִן
(min)
over
הַפְּלִשְׁתִּי֙
(hapelishti)
de Filistijn
בַּקֶּ֣לַע
(baqela)
met een slinger
וּבָאֶ֔בֶן
(uvaeven)
en met een steen
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en hij trof
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֖י
(hapelishti)
de Filistijn
וַיְמִיתֵ֑הוּ
(vaymitehu)
en hij doodde hem
וְחֶ֖רֶב
(vecherev)
en een zwaard
אֵ֥ין
(ein)
niet
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De Filistijnen op de vlucht

51David rende naar de Filistijn en ging bij hem staan. Hij nam diens zwaard, trok het uit de schede en doodde hem. Daarmee sneed hij zijn hoofd af. De Filistijnen zagen dat hun krijgsheld dood was en vluchtten.
וַיָּ֣רָץ
(vayarats)
en hij rende
דָּ֠וִד
(david)
David
וַיַּעֲמֹ֨ד
(vayaamod)
en hij ging staan
אֶל
(el)
bij
הַפְּלִשְׁתִּ֜י
(hapelishti)
de Filistijn
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(obj.)
חַ֠רְבּוֹ
(charbo)
zijn zwaard
וַֽיִּשְׁלְפָ֤הּ
(vayishlefah)
en hij trok het
מִתַּעְרָהּ֙
(mitarah)
uit zijn schede
וַיְמֹ֣תְתֵ֔הוּ
(vaymotetehu)
en hij doodde hem
וַיִּכְרָת
(vayikhrat)
en hij sneed af
בָּ֖הּ
(bah)
daarmee
אֶת
(et)
(obj.)
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַיִּרְא֧וּ
(vayiru)
en ze zagen
הַפְּלִשְׁתִּ֛ים
(hapelishtim)
de Filistijnen
כִּֽי
(ki)
dat
מֵ֥ת
(met)
dood was
גִּבּוֹרָ֖ם
(giboram)
hun krijgsheld
וַיָּנֻֽסוּ
(vayanusu)
en ze vluchtten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

52De mannen van Israël en Juda stonden op en hieven de strijdkreet aan. Zij achtervolgden de Filistijnen tot waar je in het dal komt en tot de poorten van Ekron. De gesneuvelde Filistijnen lagen langs de weg van Saaraim, tot Gat en tot Ekron.
וַיָּקֻ֣מוּ
(vayaqumu)
en ze stonden op
אַנְשֵׁי֩
(anshei)
mannen van
יִשְׂרָאֵ֨ל
(yisrael)
Israël
וִיהוּדָ֜ה
(vihuda)
en Juda
וַיָּרִ֗עוּ
(vayariu)
en ze hieven de strijdkreet aan
וַֽיִּרְדְּפוּ֙
(vayirdefu)
en ze achtervolgden
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֔ים
(hapelishtim)
de Filistijnen
עַד
(ad)
tot
בּוֹאֲךָ֣
(boakha)
je komt in
גַ֔יְא
(gay)
dal
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
שַׁעֲרֵ֣י
(shaarei)
poorten van
עֶקְר֑וֹן
(eqron)
Ekron
וַֽיִּפְּל֞וּ
(vayipelu)
en ze vielen
חַֽלְלֵ֤י
(challei)
gesneuvelden van
פְלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
Filistijnen
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op de weg
שַׁעֲרַ֔יִם
(shaarayim)
Saaraim
וְעַד
(vead)
en tot
גַּ֖ת
(gat)
Gat
וְעַד
(vead)
en tot
עֶקְרֽוֹן
(eqron)
Ekron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ekron is Tel Miqne (Israël).

Saaraim ligt mogelijk bij Khirbet Qeiyafa, in het Judese heuvelland (Israël).

Zie ook Joz. 15:36.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Saäraïm (ligging onzeker): Saäraïm wordt gezocht bij Khirbet Qeiyafa, in de Sefela.

Dit is niet zeker.

Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi.

Dit is niet geheel zeker.

Lezing

De Masoretische tekst heeft ‘tot waar je in het dal komt’ (גַּיְא, gay).

Gat en Ekron worden daarna genoemd.

Daarom denken sommigen dat hier oorspronkelijk ‘Gat’ stond.

Wij volgen de Masoretische tekst.

53De zonen van Israël keerden terug van hun vurige achtervolging van de Filistijnen. Zij plunderden hun legerplaatsen.
וַיָּשֻׁ֨בוּ֙
(vayashuvu)
en ze keerden terug
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מִדְּלֹ֖ק
(mideloq)
van het vurig achtervolgen
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
פְלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיָּשֹׁ֖סּוּ
(vayashosu)
en ze plunderden
אֶת
(et)
(obj.)
מַחֲנֵיהֶֽם
(machaneihem)
hun legerplaatsen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

מִדְּלֹק (middelok), ‘van het branden’: van het hete, vurige achtervolgen.

54David nam het hoofd van de Filistijn en bracht het naar Jeruzalem. Zijn wapens legde hij in zijn tent.
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij nam
דָּוִד֙
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
רֹ֣אשׁ
(rosh)
het hoofd van
הַפְּלִשְׁתִּ֔י
(hapelishti)
de Filistijn
וַיְבִאֵ֖הוּ
(vayviehu)
en hij bracht het
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כֵּלָ֖יו
(kelav)
zijn wapens
שָׂ֥ם
(sam)
hij legde
בְּאָהֳלֽוֹ
(beaholo)
in zijn tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jeruzalem was in die tijd nog een stad van de Jebusieten (2 Sam. 5:6–9).

Het Hebreeuws noemt de stad hier al bij haar latere naam.

Uitleg

Waarom David het hoofd naar Jeruzalem bracht, zegt de tekst niet.

Het hoofd is een teken van de overwinning.

Saul vraagt naar David

55Toen Saul David zag uitgaan, de Filistijn tegemoet, zei hij tegen Abner, de legeraanvoerder: „Abner, van wie is deze jongen de zoon?” Abner zei: „Zo waar uw ziel leeft, koning, ik weet het niet.”
וְכִרְא֨וֹת
(vekhirot)
en toen zag
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֗ד
(david)
David
יֹצֵא֙
(yotse)
uitgaand
לִקְרַ֣את
(liqrat)
tegemoet
הַפְּלִשְׁתִּ֔י
(hapelishti)
de Filistijn
אָמַ֗ר
(amar)
hij zei
אֶל
(el)
tot
אַבְנֵר֙
(avner)
Abner
שַׂ֣ר
(sar)
aanvoerder van
הַצָּבָ֔א
(hatsava)
het leger
בֶּן
(ben)
zoon van
מִי
(mi)
wie
זֶ֥ה
(ze)
deze
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
אַבְנֵ֑ר
(avner)
Abner
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַבְנֵ֔ר
(avner)
Abner
חֵֽי
(chei)
zo waar leeft
נַפְשְׁךָ֥
(nafshekha)
je ziel
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
koning
אִם
(im)
als
יָדָֽעְתִּי
(yadati)
ik weet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Saul kende David al uit 1 Sam. 16:21–23.

Het Hebreeuws laat Saul hier vragen van wie David de zoon is: hij vraagt naar zijn familie, niet naar zijn naam.

שַׂר הַצָּבָא (sar hatsava), ‘legeraanvoerder’.

56De koning zei: „Vraag jij van wie deze jongeman de zoon is.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁאַ֣ל
(sheal)
vraag
אַתָּ֔ה
(ata)
jij
בֶּן
(ben)
zoon van
מִי
(mi)
wie
זֶ֖ה
(ze)
deze
הָעָֽלֶם
(haalem)
de jongeman
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
57Toen David terugkwam van het verslaan van de Filistijn, nam Abner hem mee en bracht hem voor Saul. Het hoofd van de Filistijn was in zijn hand.
וּכְשׁ֣וּב
(ukheshuv)
en toen terugkwam
דָּוִ֗ד
(david)
David
מֵֽהַכּוֹת֙
(mehakot)
van het verslaan van
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֔י
(hapelishti)
de Filistijn
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij nam
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
אַבְנֵ֔ר
(avner)
Abner
וַיְבִאֵ֖הוּ
(vayviehu)
en hij bracht hem
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וְרֹ֥אשׁ
(verosh)
en het hoofd van
הַפְּלִשְׁתִּ֖י
(hapelishti)
de Filistijn
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
58Saul zei tegen hem: „Jongen, van wie ben jij de zoon?” David zei: „De zoon van uw dienaar Isaï uit Betlehem.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
בֶּן
(ben)
zoon van
מִ֥י
(mi)
wie
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
הַנָּ֑עַר
(hanaar)
de jongen
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֔ד
(david)
David
בֶּֽן
(ben)
zoon van
עַבְדְּךָ֥
(avdekha)
uw dienaar
יִשַׁ֖י
(yishay)
Isaï
בֵּ֥ית
(beit)
uit Betlehem
הַלַּחְמִֽי
(halachmi)
de Betlehemiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

בֵּית הַלַּחְמִי (beit hallachmi), ‘de Betlehemiet’.

Wij vertalen ‘uit Betlehem’.