Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De Filistijnen en Israël tegenover elkaar
1De Filistijnen verzamelden hun legers voor de oorlog. Zij verzamelden zich bij Soko, dat bij Juda hoort. Zij legerden zich tussen Soko en Azeka, bij Efes-Dammim.
וַיַּאַסְפ֨וּ
(vayaasfu)
en ze verzamelden
פְלִשְׁתִּ֤ים
(pelishtim)
Filistijnen
אֶת
(et)
(obj.)
מַֽחֲנֵיהֶם֙
(machaneihem)
hun legers
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
voor de oorlog
וַיֵּאָ֣סְפ֔וּ
(vayeasefu)
en ze verzamelden zich
שֹׂכֹ֖ה
(sokho)
Soko
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לִיהוּדָ֑ה
(lihuda)
van Juda
וַֽיַּחֲנ֛וּ
(vayachanu)
en ze legerden zich
בֵּין
(bein)
tussen
שׂוֹכֹ֥ה
(sokho)
Soko
וּבֵין
(uvein)
en tussen
עֲזֵקָ֖ה
(azeqa)
Azeka
בְּאֶ֥פֶס
(beefes)
in Efes
דַּמִּֽים
(damim)
Dammim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Soko ligt bij Khirbet Shuweikeh, in het Judese heuvelland (Israël).
Azeka is Tel Zakariya (Israël).
Efes-Dammim, ‘einde van bloed’, ligt tussen die twee plaatsen.
De precieze plek is onzeker.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
8Hij ging staan en riep naar de slagorde van Israël. Hij zei tegen hen: „Waarom komen jullie naar buiten om je in slagorde op te stellen? Ben ik niet de Filistijn, en zijn jullie niet de dienaren van Saul? Kies een man uit en laat hem naar mij afdalen.
וַֽיַּעֲמֹ֗ד
(vayaamod)
en hij ging staan
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en hij riep
אֶל
(el)
naar
מַעַרְכֹ֣ת
(maarkhot)
de slagorde van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֔ם
(lahem)
tot hen
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
תֵצְא֖וּ
(tetseu)
komen jullie uit
לַעֲרֹ֣ךְ
(laarokh)
om op te stellen
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
הֲל֧וֹא
(halo)
is niet
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
הַפְּלִשְׁתִּ֗י
(hapelishti)
de Filistijn
וְאַתֶּם֙
(veatem)
en jullie
עֲבָדִ֣ים
(avadim)
dienaren
לְשָׁא֔וּל
(leshaul)
van Saul
בְּרוּ
(beru)
kiest uit
לָכֶ֥ם
(lakhem)
voor jullie
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
וְיֵרֵ֥ד
(veyered)
en laat hem afdalen
אֵלָֽי
(elay)
naar mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Als hij met mij kan vechten en mij verslaat, worden wij jullie dienaren. Maar als ik hem overwin en hem versla, worden jullie onze dienaren. Dan dienen jullie ons.”
אִם
(im)
als
יוּכַ֞ל
(yukhal)
hij kan
לְהִלָּחֵ֤ם
(lehilachem)
vechten
אִתִּי֙
(iti)
met mij
וְהִכָּ֔נִי
(vehikani)
en mij verslaat
וְהָיִ֥ינוּ
(vehayinu)
dan zullen wij zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לַעֲבָדִ֑ים
(laavadim)
tot dienaren
וְאִם
(veim)
en als
אֲנִ֤י
(ani)
ik
אֽוּכַל
(ukhal)
ik overwin
לוֹ֙
(lo)
hem
וְהִכִּיתִ֔יו
(vehikitiv)
en ik hem versla
וִהְיִ֤יתֶם
(vihyitem)
dan zullen jullie zijn
לָ֨נוּ֙
(lanu)
voor ons
לַעֲבָדִ֔ים
(laavadim)
tot dienaren
וַעֲבַדְתֶּ֖ם
(vaavadtem)
en jullie zullen dienen
אֹתָֽנוּ
(otanu)
ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12David was de zoon van een Efratiet uit Betlehem in Juda. Zijn naam was Isaï. Hij had acht zonen. In de dagen van Saul was die man oud en op leeftijd onder de mannen.
וְדָוִד֩
(vedavid)
en David
בֶּן
(ben)
zoon van
אִ֨ישׁ
(ish)
een man
אֶפְרָתִ֜י
(efrati)
Efratiet
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit Bet
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
Lechem
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וּשְׁמ֣וֹ
(ushemo)
en zijn naam
יִשַׁ֔י
(yishay)
Isaï
וְל֖וֹ
(velo)
en voor hem
שְׁמֹנָ֣ה
(shemona)
acht
בָנִ֑ים
(banim)
zonen
וְהָאִישׁ֙
(vehaish)
en de man
בִּימֵ֣י
(bimei)
in de dagen van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
זָקֵ֖ן
(zaqen)
oud
בָּ֥א
(ba)
gekomen
בַאֲנָשִֽׁים
(baanashim)
onder de mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Betlehem is het huidige Bethlehem (Westelijke Jordaanoever).
Een Efratiet is iemand uit Efrata, de oude naam van de streek van Betlehem.
Zie Ruth 4:11 en 4:17.
Lezing
Sommige oude vertalingen zijn in dit hoofdstuk korter dan de Masoretische tekst.
Wij volgen de Masoretische tekst.
De laatste woorden van het vers (‘gekomen onder de mannen’) zijn moeilijk. Wij nemen ze als: al op leeftijd, onder de mannen.
13De drie oudste zonen van Isaï waren Saul gevolgd naar de oorlog. De namen van zijn drie zonen die naar de oorlog waren gegaan: Eliab, de eerstgeborene, Abinadab, de tweede, en Samma, de derde.
וַיֵּ֨לְכ֜וּ
(vayelekhu)
en ze gingen
שְׁלֹ֤שֶׁת
(sheloshet)
drie
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשַׁי֙
(yishay)
Isaï
הַגְּדֹלִ֔ים
(hagedolim)
de oudste
הָלְכ֥וּ
(halekhu)
ze gingen
אַחֲרֵי
(acharei)
achter
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
לַמִּלְחָמָ֑ה
(lamilchama)
naar de oorlog
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
בָּנָ֗יו
(banav)
zijn zonen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הָלְכוּ֙
(halekhu)
gingen
בַּמִּלְחָמָ֔ה
(bamilchama)
in de oorlog
אֱלִיאָ֣ב
(eliav)
Eliab
הַבְּכ֗וֹר
(habekhor)
de eerstgeborene
וּמִשְׁנֵ֨הוּ֙
(umishnehu)
en zijn tweede
אֲבִ֣ינָדָ֔ב
(avinadav)
Abinadab
וְהַשְּׁלִשִׁ֖י
(vehashelishi)
en de derde
שַׁמָּֽה
(shama)
Samma
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Saul, zij en alle mannen van Israël waren in het dal van Ela. Zij streden tegen de Filistijnen.
וְשָׁא֤וּל
(veshaul)
en Saul
וְהֵ֨מָּה֙
(vehema)
en zij
וְכָל
(vekhal)
en alle
אִ֣ישׁ
(ish)
mannen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בְּעֵ֖מֶק
(beemeq)
in het dal van
הָֽאֵלָ֑ה
(haela)
Ela
נִלְחָמִ֖ים
(nilchamim)
strijdend
עִם
(im)
met
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Dal van Ela: Het dal van Ela (Wadi es-Sant) ligt in de Sefela, ten westen van Betlehem.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
David in het kamp
20David stond 's morgens vroeg op. Hij liet de schapen achter bij een hoeder, nam alles mee en ging, zoals Isaï hem had geboden. Hij kwam bij de wagenkring toen het leger naar de slagorde uittrok. Zij hieven de strijdkreet aan voor de oorlog.
וַיַּשְׁכֵּ֨ם
(vayashkem)
en hij stond vroeg op
דָּוִ֜ד
(david)
David
בַּבֹּ֗קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיִּטֹּ֤שׁ
(vayitosh)
en hij liet achter
אֶת
(et)
(obj.)
הַצֹּאן֙
(hatson)
de schapen
עַל
(al)
bij
שֹׁמֵ֔ר
(shomer)
een hoeder
וַיִּשָּׂ֣א
(vayisa)
en hij laadde op
וַיֵּ֔לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֖הוּ
(tsivahu)
hij had geboden
יִשָׁ֑י
(yishay)
Isaï
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en hij kwam
הַמַּעְגָּ֔לָה
(hamagala)
bij de wagenkring
וְהַחַ֗יִל
(vehachayil)
en het leger
הַיֹּצֵא֙
(hayotse)
dat uittrok
אֶל
(el)
naar
הַמַּ֣עֲרָכָ֔ה
(hamaarakha)
de slagorde
וְהֵרֵ֖עוּ
(vehereu)
en ze hieven de strijdkreet aan
בַּמִּלְחָמָֽה
(bamilchama)
voor de oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמַּעְגָּלָה (hamma'galah), ‘de wagenkring’: de kring van wagens om het kamp.
23Terwijl hij met hen sprak, kwam de kampioen omhoog uit de slagorden van de Filistijnen. Hij heette Goliat, de Filistijn uit Gat. Hij sprak dezelfde woorden als eerst. David hoorde het.
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
מְדַבֵּ֣ר
(medaber)
sprekend
עִמָּ֗ם
(imam)
met hen
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
אִ֣ישׁ
(ish)
een man van
הַבֵּנַ֡יִם
(habenayim)
de tussenruimte
עוֹלֶ֞ה
(ole)
omhoogkomend
גָּלְיָת֩
(galeyat)
Goliat
הַפְּלִשְׁתִּ֨י
(hapelishti)
de Filistijn
שְׁמ֤וֹ
(shemo)
zijn naam
מִגַּת֙
(migat)
uit Gat
מִמַּעַרְכ֣וֹת
(mimaarkhot)
uit de slagorden van
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיְדַבֵּ֖ר
(vaydaber)
en hij sprak
כַּדְּבָרִ֣ים
(kadevarim)
zoals de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וַיִּשְׁמַ֖ע
(vayishma)
en hij hoorde
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi.
Dit is niet geheel zeker.
Lezing
In het geschreven Hebreeuws staat מִמְּעָרוֹת (mimme'arot), ‘uit de grotten’.
De voorgelezen tekst heeft מִמַּעַרְכוֹת (mimma'arkhot), ‘uit de slagorden’.
25De mannen van Israël zeiden: „Hebben jullie die man gezien die opkomt? Hij komt op om Israël te honen. Wie hem verslaat, maakt de koning zeer rijk. Hij geeft hem zijn dochter. Het huis van zijn vader maakt hij vrij in Israël.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
הַרְּאִיתֶם֙
(hareitem)
hebben jullie gezien
הָאִ֤ישׁ
(haish)
de man
הָֽעֹלֶה֙
(haole)
die opkomt
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
כִּ֛י
(ki)
want
לְחָרֵ֥ף
(lecharef)
om te honen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עֹלֶ֑ה
(ole)
hij komt op
וְֽ֠הָיָה
(vehaya)
en het zal zijn
הָאִ֨ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁר
(asher)
die
יַכֶּ֜נּוּ
(yakenu)
hem verslaat
יַעְשְׁרֶ֥נּוּ
(yasherenu)
hij zal hem rijk maken
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עֹ֣שֶׁר
(osher)
rijkdom
גָּד֗וֹל
(gadol)
grote
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בִּתּוֹ֙
(bito)
zijn dochter
יִתֶּן
(yiten)
hij zal geven
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
יַעֲשֶׂ֥ה
(yaase)
hij zal maken
חָפְשִׁ֖י
(chafeshi)
vrij
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָפְשִׁי (chofshi), ‘vrij’: vrij gemaakt van de lasten en diensten die een familie aan de koning moest geven.
26David vroeg de mannen die bij hem stonden: „Wat wordt er gedaan voor de man die deze Filistijn verslaat en de hoon van Israël wegneemt? Want wie is deze onbesneden Filistijn? Hij heeft de slagorden van de levende Elohim gehoond.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֗ד
(david)
David
אֶֽל
(el)
tot
הָאֲנָשִׁ֞ים
(haanashim)
de mannen
הָעֹמְדִ֣ים
(haomedim)
die staan
עִמּוֹ֮
(imo)
bij hem
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
מַה
(ma)
wat
יֵּעָשֶׂ֗ה
(yease)
wordt gedaan
לָאִישׁ֙
(laish)
voor de man
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יַכֶּה֙
(yake)
verslaat
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֣י
(hapelishti)
de Filistijn
הַלָּ֔ז
(halaz)
die daar
וְהֵסִ֥יר
(vehesir)
en wegneemt
חֶרְפָּ֖ה
(cherpa)
hoon
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּ֣י
(ki)
want
מִ֗י
(mi)
wie
הַפְּלִשְׁתִּ֤י
(hapelishti)
de Filistijn
הֶֽעָרֵל֙
(hearel)
de onbesneden
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
כִּ֣י
(ki)
want
חֵרֵ֔ף
(cheref)
hij heeft gehoond
מַעַרְכ֖וֹת
(maarkhot)
slagorden van
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
חַיִּֽים
(chayim)
levende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָרֵל (arel), ‘onbesneden’: iemand buiten het verbond (Gen. 17:10–14).
David gebruikt het woord om te zeggen dat de Filistijn niet bij Elohim hoort.
28Zijn oudste broer Eliab hoorde hem met de mannen spreken. Eliab werd zeer boos op David. Hij zei: „Waarom ben je hierheen gekomen? Bij wie heb je die paar schapen in de woestijn achtergelaten? Ik ken je overmoed en de slechtheid van je hart. Want je bent gekomen om de strijd te zien.”
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en hij hoorde
אֱלִיאָב֙
(eliav)
Eliab
אָחִ֣יו
(achiv)
zijn broer
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de oudste
בְּדַבְּר֖וֹ
(bedabero)
bij zijn spreken
אֶל
(el)
tot
הָאֲנָשִׁ֑ים
(haanashim)
de mannen
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַף֩
(af)
de toorn van
אֱלִיאָ֨ב
(eliav)
Eliab
בְּדָוִ֜ד
(bedavid)
op David
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָמָּה
(lama)
waarom
זֶּ֣ה
(ze)
dit
יָרַ֗דְתָּ
(yaradta)
ben je afgedaald
וְעַל
(veal)
en bij
מִ֨י
(mi)
wie
נָטַ֜שְׁתָּ
(natashta)
heb je achtergelaten
מְעַ֨ט
(meat)
die paar
הַצֹּ֤אן
(hatson)
schapen
הָהֵ֨נָּה֙
(hahena)
die daar
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
אֲנִ֧י
(ani)
ik
יָדַ֣עְתִּי
(yadati)
ik ken
אֶת
(et)
(obj.)
זְדֹנְךָ֗
(zedonekha)
je overmoed
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
רֹ֣עַ
(roa)
de slechtheid van
לְבָבֶ֔ךָ
(levavekha)
je hart
כִּ֗י
(ki)
want
לְמַ֛עַן
(lemaan)
om
רְא֥וֹת
(reot)
te zien
הַמִּלְחָמָ֖ה
(hamilchama)
de strijd
יָרָֽדְתָּ
(yaradta)
ben je afgedaald
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זְדֹנְךָ (zedonkha), ‘je overmoed’: trots die te ver gaat.
33Saul zei tegen David: „Je kunt niet naar deze Filistijn gaan om met hem te strijden. Want je bent nog een jongen, en hij is een krijgsman van jongs af aan.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֗ד
(david)
David
לֹ֤א
(lo)
niet
תוּכַל֙
(tukhal)
je kunt
לָלֶ֨כֶת֙
(lalekhet)
gaan
אֶל
(el)
naar
הַפְּלִשְׁתִּ֣י
(hapelishti)
de Filistijn
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
לְהִלָּחֵ֖ם
(lehilachem)
om te strijden
עִמּ֑וֹ
(imo)
met hem
כִּֽי
(ki)
want
נַ֣עַר
(naar)
een jongen
אַ֔תָּה
(ata)
jij
וְה֛וּא
(vehu)
en hij
אִ֥ישׁ
(ish)
een man van
מִלְחָמָ֖ה
(milchama)
oorlog
מִנְּעֻרָֽיו
(mineurav)
van zijn jeugd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34David zei tegen Saul: „Uw dienaar hoedde de schapen voor zijn vader. Soms kwam er een leeuw, of een beer, en nam een lam uit de kudde mee.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
tot
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
רֹעֶ֨ה
(roe)
herder
הָיָ֧ה
(haya)
was
עַבְדְּךָ֛
(avdekha)
uw dienaar
לְאָבִ֖יו
(leaviv)
voor zijn vader
בַּצֹּ֑אן
(batson)
bij de schapen
וּבָ֤א
(uva)
en kwam
הָֽאֲרִי֙
(haari)
de leeuw
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַדּ֔וֹב
(hadov)
de beer
וְנָשָׂ֥א
(venasa)
en nam mee
שֶׂ֖ה
(se)
een lam
מֵהָעֵֽדֶר
(mehaeder)
uit de kudde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws vertelt dit als iets dat vaker gebeurde.
Wij vertalen daarom ‘soms kwam er’.
35Dan ging ik achter hem aan, sloeg hem en redde het lam uit zijn bek. Stond hij tegen mij op, dan greep ik hem bij zijn baard, sloeg hem en doodde hem.
וְיָצָ֧אתִי
(veyatsati)
en ik ging uit
אַחֲרָ֛יו
(acharav)
achter hem
וְהִכִּתִ֖יו
(vehikitiv)
en ik sloeg hem
וְהִצַּ֣לְתִּי
(vehitsalti)
en ik redde
מִפִּ֑יו
(mipiv)
uit zijn bek
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en hij stond op
עָלַ֔י
(alay)
tegen mij
וְהֶחֱזַ֨קְתִּי֙
(vehechezaqti)
en ik greep vast
בִּזְקָנ֔וֹ
(bizqano)
zijn baard
וְהִכִּתִ֖יו
(vehikitiv)
en ik sloeg hem
וַהֲמִיתִּֽיו
(vahamitiv)
en ik doodde hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Zowel de leeuw als de beer heeft uw dienaar verslagen. Deze onbesneden Filistijn zal zijn als een van die twee. Want hij heeft de slagorde van de levende Elohim gehoond.”
גַּ֧ם
(gam)
ook
אֶֽת
(et)
(obj.)
הָאֲרִ֛י
(haari)
de leeuw
גַּם
(gam)
ook
הַדּ֖וֹב
(hadov)
de beer
הִכָּ֣ה
(hika)
heeft verslagen
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
uw dienaar
וְֽ֠הָיָה
(vehaya)
en hij zal zijn
הַפְּלִשְׁתִּ֨י
(hapelishti)
de Filistijn
הֶעָרֵ֤ל
(hearel)
de onbesneden
הַזֶּה֙
(haze)
deze
כְּאַחַ֣ד
(keachad)
als één
מֵהֶ֔ם
(mehem)
van hen
כִּ֣י
(ki)
want
חֵרֵ֔ף
(cheref)
hij heeft gehoond
מַעַרְכֹ֖ת
(maarkhot)
de slagorde van
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
חַיִּֽים
(chayim)
levende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37David zei: „Yahweh heeft mij gered uit de poot van de leeuw en uit de poot van de beer. Hij zal mij redden uit de hand van deze Filistijn.” Saul zei tegen David: „Ga. Yahweh zal met je zijn.”
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en hij zei
דָּוִד֒
(david)
David
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הִצִּלַ֜נִי
(hitsilani)
mij heeft gered
מִיַּ֤ד
(miyad)
uit de hand van
הָֽאֲרִי֙
(haari)
de leeuw
וּמִיַּ֣ד
(umiyad)
en uit de hand van
הַדֹּ֔ב
(hadov)
de beer
ה֣וּא
(hu)
Hij
יַצִּילֵ֔נִי
(yatsileni)
zal mij redden
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
הַפְּלִשְׁתִּ֖י
(hapelishti)
de Filistijn
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֤וּל
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tot
דָּוִד֙
(david)
David
לֵ֔ךְ
(lekh)
ga
וַֽיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
עִמָּֽךְ
(imakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
David zegt: ‘uit de poot’.
Het Hebreeuws heeft hier יָד (yad), ‘hand’, ook voor de poot van een dier.
38Saul trok David zijn eigen legerkleding aan. Hij zette een bronzen helm op zijn hoofd en trok hem een pantser aan.
וַיַּלְבֵּ֨שׁ
(vayalbesh)
en hij kleedde
שָׁא֤וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִד֙
(david)
David
מַדָּ֔יו
(madav)
in zijn legerkleding
וְנָתַ֛ן
(venatan)
en hij zette
ק֥וֹבַע
(qova)
een helm van
נְחֹ֖שֶׁת
(nechoshet)
brons
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַיַּלְבֵּ֥שׁ
(vayalbesh)
en hij kleedde
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
שִׁרְיֽוֹן
(shiryon)
in een pantser
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַדָּיו (maddav), ‘zijn legerkleding’: de kleding en wapenrusting van Saul.
39David gespte zijn zwaard over zijn legerkleding. Hij probeerde te lopen, want hij had het nog nooit geprobeerd. David zei tegen Saul: „Hierin kan ik niet lopen, want ik heb het nog nooit geprobeerd.” Toen deed David alles uit.
וַיַּחְגֹּ֣ר
(vayachgor)
en hij gespte om
דָּוִ֣ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
חַ֠רְבּוֹ
(charbo)
zijn zwaard
מֵעַ֨ל
(meal)
boven
לְמַדָּ֜יו
(lemadav)
zijn legerkleding
וַיֹּ֣אֶל
(vayoel)
en hij probeerde
לָלֶכֶת֮
(lalekhet)
om te gaan
כִּ֣י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
נִסָּה֒
(nisa)
hij had geprobeerd
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִ֜ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
לֹ֥א
(lo)
niet
אוּכַ֛ל
(ukhal)
ik kan
לָלֶ֥כֶת
(lalekhet)
gaan
בָּאֵ֖לֶּה
(baele)
hierin
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
נִסִּ֑יתִי
(nisiti)
ik heb geprobeerd
וַיְסִרֵ֥ם
(vaysirem)
en hij deed ze uit
דָּוִ֖ד
(david)
David
מֵעָלָֽיו
(mealav)
van zich af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Hij nam zijn staf in zijn hand en koos vijf gladde stenen uit de beek. Hij deed ze in zijn herderstas, in de buidel. Zijn slinger had hij in zijn hand. Zo kwam hij dichter bij de Filistijn.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en hij nam
מַקְל֜וֹ
(maqlo)
zijn staf
בְּיָד֗וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיִּבְחַר
(vayivchar)
en hij koos
ל֣וֹ
(lo)
voor zich
חֲמִשָּׁ֣ה
(chamisha)
vijf
חַלֻּקֵֽי
(chaluqei)
gladde
אֲבָנִ֣ים
(avanim)
stenen
מִן
(min)
uit
הַנַּ֡חַל
(hanachal)
de beek
וַיָּ֣שֶׂם
(vayasem)
en hij legde
אֹ֠תָם
(otam)
ze
בִּכְלִ֨י
(bikhli)
in de tas van
הָרֹעִ֧ים
(haroim)
de herders
אֲשֶׁר
(asher)
die
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
וּבַיַּלְק֖וּט
(uvayalqut)
en in de buidel
וְקַלְּע֣וֹ
(veqaleo)
en zijn slinger
בְיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
וַיִּגַּ֖שׁ
(vayigash)
en hij kwam dichterbij
אֶל
(el)
naar
הַפְּלִשְׁתִּֽי
(hapelishti)
de Filistijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De beek is het droge dal van het Wadi es-Sant (Israël).
Uitleg
חַלְּקֵי־אֲבָנִים (challeqei avanim), ‘gladde stenen’: stenen die door het water glad zijn geslepen.
קֶלַע (qela), ‘slinger’: een band van leer waarmee je stenen wegslingert.
45David zei tegen de Filistijn: „Jij komt naar mij met een zwaard, een speer en een werpspies. Maar ik kom naar jou in de naam van Yahweh van de legermachten, de Elohim van de slagorden van Israël, die jij hebt gehoond.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דָּוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
tot
הַפְּלִשְׁתִּ֔י
(hapelishti)
de Filistijn
אַתָּה֙
(ata)
jij
בָּ֣א
(ba)
komt
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
בְּחֶ֖רֶב
(becherev)
met zwaard
וּבַחֲנִ֣ית
(uvachanit)
en met speer
וּבְכִיד֑וֹן
(uvekhidon)
en met werpspies
וְאָנֹכִ֣י
(veanokhi)
en ik
בָֽא
(ba)
kom
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
naar jou
בְּשֵׁם֙
(beshem)
in de naam van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֛י
(elohei)
de Elohim van
מַעַרְכ֥וֹת
(maarkhot)
de slagorden van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
חֵרַֽפְתָּ
(cherafta)
je hebt gehoond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יהוה צבאות (Yahweh Tsevaot), ‘Yahweh van de legermachten’: צְבָאוֹת (tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’.
Hier staat het in tegenstelling met de slagorden van de Filistijn.
46Vandaag geeft Yahweh je over in mijn hand. Ik zal je verslaan en je hoofd van je afnemen. Vandaag geef ik de lijken van het leger van de Filistijnen aan de vogels van de hemel en aan de wilde dieren van de aarde. Heel de aarde zal weten dat Israël een Elohim heeft.
הַיּ֣וֹם
(hayom)
deze dag
הַזֶּ֡ה
(haze)
de ene
יְסַגֶּרְךָ֩
(yesagerkha)
zal overleveren
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיָדִ֜י
(beyadi)
in mijn hand
וְהִכִּיתִ֗ךָ
(vehikitikha)
en ik zal je verslaan
וַהֲסִרֹתִ֤י
(vahasiroti)
en ik zal wegnemen
אֶת
(et)
(obj.)
רֹֽאשְׁךָ֙
(roshkha)
je hoofd
מֵעָלֶ֔יךָ
(mealeikha)
van je
וְנָ֨תַתִּ֜י
(venatati)
en ik zal geven
פֶּ֣גֶר
(peger)
het lijk van
מַחֲנֵ֤ה
(machane)
het leger van
פְלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
Filistijnen
הַיּ֣וֹם
(hayom)
deze dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
de ene
לְע֥וֹף
(leof)
aan de vogel van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
וּלְחַיַּ֣ת
(ulechayat)
en aan de wilde dieren van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְיֵֽדְעוּ֙
(veyedeu)
en ze zullen weten
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
כִּ֛י
(ki)
dat
יֵ֥שׁ
(yesh)
er is
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
לְיִשְׂרָאֵֽל
(leyisrael)
voor Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
Vers 45–47 zijn de woorden van David aan Goliat en aan heel de vergadering.
49David stak zijn hand in de tas en nam daar een steen uit. Hij slingerde hem en trof de Filistijn op zijn voorhoofd. De steen drong in zijn voorhoofd en hij viel met zijn gezicht op de grond.
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en hij stak uit
דָּוִ֨ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
יָד֜וֹ
(yado)
zijn hand
אֶל
(el)
naar
הַכֶּ֗לִי
(hakeli)
de tas
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en hij nam
מִשָּׁ֥ם
(misham)
vandaar
אֶ֨בֶן֙
(even)
een steen
וַיְקַלַּ֔ע
(vayqala)
en hij slingerde
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en hij trof
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֖י
(hapelishti)
de Filistijn
אֶל
(el)
op
מִצְח֑וֹ
(mitscho)
zijn voorhoofd
וַתִּטְבַּ֤ע
(vatitba)
en zonk
הָאֶ֨בֶן֙
(haeven)
de steen
בְּמִצְח֔וֹ
(bemitscho)
in zijn voorhoofd
וַיִּפֹּ֥ל
(vayipol)
en hij viel
עַל
(al)
op
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
אָֽרְצָה
(aretsa)
naar de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
51David rende naar de Filistijn en ging bij hem staan. Hij nam diens zwaard, trok het uit de schede en doodde hem. Daarmee sneed hij zijn hoofd af. De Filistijnen zagen dat hun krijgsheld dood was en vluchtten.
וַיָּ֣רָץ
(vayarats)
en hij rende
דָּ֠וִד
(david)
David
וַיַּעֲמֹ֨ד
(vayaamod)
en hij ging staan
אֶל
(el)
bij
הַפְּלִשְׁתִּ֜י
(hapelishti)
de Filistijn
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en hij nam
אֶת
(et)
(obj.)
חַ֠רְבּוֹ
(charbo)
zijn zwaard
וַֽיִּשְׁלְפָ֤הּ
(vayishlefah)
en hij trok het
מִתַּעְרָהּ֙
(mitarah)
uit zijn schede
וַיְמֹ֣תְתֵ֔הוּ
(vaymotetehu)
en hij doodde hem
וַיִּכְרָת
(vayikhrat)
en hij sneed af
בָּ֖הּ
(bah)
daarmee
אֶת
(et)
(obj.)
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַיִּרְא֧וּ
(vayiru)
en ze zagen
הַפְּלִשְׁתִּ֛ים
(hapelishtim)
de Filistijnen
כִּֽי
(ki)
dat
מֵ֥ת
(met)
dood was
גִּבּוֹרָ֖ם
(giboram)
hun krijgsheld
וַיָּנֻֽסוּ
(vayanusu)
en ze vluchtten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
52De mannen van Israël en Juda stonden op en hieven de strijdkreet aan. Zij achtervolgden de Filistijnen tot waar je in het dal komt en tot de poorten van Ekron. De gesneuvelde Filistijnen lagen langs de weg van Saaraim, tot Gat en tot Ekron.
וַיָּקֻ֣מוּ
(vayaqumu)
en ze stonden op
אַנְשֵׁי֩
(anshei)
mannen van
יִשְׂרָאֵ֨ל
(yisrael)
Israël
וִיהוּדָ֜ה
(vihuda)
en Juda
וַיָּרִ֗עוּ
(vayariu)
en ze hieven de strijdkreet aan
וַֽיִּרְדְּפוּ֙
(vayirdefu)
en ze achtervolgden
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֔ים
(hapelishtim)
de Filistijnen
עַד
(ad)
tot
בּוֹאֲךָ֣
(boakha)
je komt in
גַ֔יְא
(gay)
dal
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
שַׁעֲרֵ֣י
(shaarei)
poorten van
עֶקְר֑וֹן
(eqron)
Ekron
וַֽיִּפְּל֞וּ
(vayipelu)
en ze vielen
חַֽלְלֵ֤י
(challei)
gesneuvelden van
פְלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
Filistijnen
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op de weg
שַׁעֲרַ֔יִם
(shaarayim)
Saaraim
וְעַד
(vead)
en tot
גַּ֖ת
(gat)
Gat
וְעַד
(vead)
en tot
עֶקְרֽוֹן
(eqron)
Ekron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Ekron is Tel Miqne (Israël).
Saaraim ligt mogelijk bij Khirbet Qeiyafa, in het Judese heuvelland (Israël).
Zie ook Joz. 15:36.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Zie Saäraïm (ligging onzeker): Saäraïm wordt gezocht bij Khirbet Qeiyafa, in de Sefela.
Dit is niet zeker.
Zie Gat (Tell es-Safi): Gat, een van de Filistijnse steden, wordt gezocht bij Tell es-Safi.
Dit is niet geheel zeker.
Lezing
De Masoretische tekst heeft ‘tot waar je in het dal komt’ (גַּיְא, gay).
Gat en Ekron worden daarna genoemd.
Daarom denken sommigen dat hier oorspronkelijk ‘Gat’ stond.
55Toen Saul David zag uitgaan, de Filistijn tegemoet, zei hij tegen Abner, de legeraanvoerder: „Abner, van wie is deze jongen de zoon?” Abner zei: „Zo waar uw ziel leeft, koning, ik weet het niet.”
וְכִרְא֨וֹת
(vekhirot)
en toen zag
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֗ד
(david)
David
יֹצֵא֙
(yotse)
uitgaand
לִקְרַ֣את
(liqrat)
tegemoet
הַפְּלִשְׁתִּ֔י
(hapelishti)
de Filistijn
אָמַ֗ר
(amar)
hij zei
אֶל
(el)
tot
אַבְנֵר֙
(avner)
Abner
שַׂ֣ר
(sar)
aanvoerder van
הַצָּבָ֔א
(hatsava)
het leger
בֶּן
(ben)
zoon van
מִי
(mi)
wie
זֶ֥ה
(ze)
deze
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
אַבְנֵ֑ר
(avner)
Abner
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אַבְנֵ֔ר
(avner)
Abner
חֵֽי
(chei)
zo waar leeft
נַפְשְׁךָ֥
(nafshekha)
je ziel
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
koning
אִם
(im)
als
יָדָֽעְתִּי
(yadati)
ik weet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Saul kende David al uit 1 Sam. 16:21–23.
Het Hebreeuws laat Saul hier vragen van wie David de zoon is: hij vraagt naar zijn familie, niet naar zijn naam.