Elohim Bijbel

Matteüs 27

12345678910111213141516171819202122232425262728

Yeshua voor Pilatus, de kruisiging en het graf

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua wordt aan Pilatus overgeleverd

1Toen het ochtend was geworden, hielden alle hogepriesters en de oudsten van het volk overleg tegen Yeshua om Hem ter dood te brengen.
Πρωΐας
(Proias)
ochtend
δὲ
(de)
maar
γενομένης
(genomenes)
geworden
συμβούλιον
(symboulion)
overleg
ἔλαβον
(elabon)
hielden
πάντες
(pantes)
alle
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
πρεσβύτεροι
(presbyteroi)
oudsten
τοῦ
(tou)
van het
λαοῦ
(laou)
volk
κατὰ
(kata)
tegen
τοῦ
(tou)
de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ὥστε
(hoste)
zodat
θανατῶσαι
(thanatosai)
ter dood te brengen
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Mark. 15:1; Luc. 23:1; Joh. 18:28.

2Zij bonden Hem vast, brachten Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus, de stadhouder.
καὶ
(kai)
en
δήσαντες
(desantes)
gebonden hebbend
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἀπήγαγον
(apegagon)
brachten weg
καὶ
(kai)
en
παρέδωκαν
(paredokan)
leverden over
Πιλάτῳ
(Pilato)
aan Pilatus
τῷ
(to)
de
ἡγεμόνι
(hegemoni)
stadhouder
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἡγεμών (hegemon), ‘stadhouder’: de Romeinse bestuurder over Judea.

Pilatus (Πιλᾶτος, Pilatos) is de naam van deze stadhouder.

Het einde van Judas

3Toen Judas, die Hem overleverde, zag dat Hij veroordeeld was, kreeg hij berouw. Hij bracht de 30 zilverstukken terug aan de hogepriesters en de oudsten
Τότε
(Tote)
toen
ἰδὼν
(idon)
ziende
Ἰούδας
(Ioudas)
Judas
ὁ
(ho)
de
παραδιδοὺς
(paradidous)
overleverende
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὅτι
(hoti)
dat
κατεκρίθη
(katekrithe)
Hij veroordeeld werd
μεταμεληθεὶς
(metameletheis)
berouw krijgend
ἔστρεψεν
(estrepsen)
bracht terug
τὰ
(ta)
de
τριάκοντα
(triakonta)
30
ἀργύρια
(argyria)
zilverstukken
τοῖς
(tois)
aan de
ἀρχιερεῦσιν
(archiereusin)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
πρεσβυτέροις
(presbyterois)
oudsten
Bron: SBLGNT
Uitleg

μεταμεληθείς (metameletheis), ‘berouw krijgend’: spijt hebben van wat men gedaan heeft.

Het is een ander woord dan μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’ (3:2).

Zie ook Hand. 1:18–19.

4en zei: „Ik heb gezondigd door onschuldig bloed over te leveren.” Zij zeiden: „Wat gaat ons dat aan? Zie jij er zelf maar naar.”
λέγων
(legon)
zeggend
Ἥμαρτον
(Hemarton)
ik heb gezondigd
παραδοὺς
(paradous)
overleverend
αἷμα
(haima)
bloed
ἀθῷον
(athoon)
onschuldig
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Τί
(Ti)
wat
πρὸς
(pros)
voor
ἡμᾶς
(hemas)
ons
σὺ
(sy)
jij
ὄψῃ
(opse)
zult zien
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Onschuldig bloed’: het bloed van iemand die geen doodstraf verdient (Deut. 19:10; Jer. 19:4).

5Hij wierp de zilverstukken in het heiligdom en vertrok. Hij ging weg en verhing zich.
καὶ
(kai)
en
ῥίψας
(rhipsas)
werpend
τὰ
(ta)
de
ἀργύρια
(argyria)
zilverstukken
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
het
ναὸν
(naon)
heiligdom
ἀνεχώρησεν
(anechoresen)
vertrok
καὶ
(kai)
en
ἀπελθὼν
(apelthon)
weggegaan
ἀπήγξατο
(apenxato)
verhing zich
Bron: SBLGNT
Uitleg

ναός (naos), ‘heiligdom’: het gebouw zelf.

Vergelijk Zach. 11:13, waar de dertig stukken zilver in het huis van Yahweh geworpen worden.

Zie ookZach 11:13
6De hogepriesters namen de zilverstukken en zeiden: „Het is niet toegestaan die in de tempelkas te werpen, want het is de prijs van bloed.”
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
λαβόντες
(labontes)
nemend
τὰ
(ta)
de
ἀργύρια
(argyria)
zilverstukken
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἔξεστιν
(exestin)
is toegestaan
βαλεῖν
(balein)
te werpen
αὐτὰ
(auta)
ze
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
κορβανᾶν
(korbanan)
tempelkas
ἐπεὶ
(epei)
omdat
τιμὴ
(time)
prijs
αἵματός
(haimatos)
van bloed
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

κορβανᾶς (korbanas), ‘tempelkas’: de schatkist voor wat aan de tempel gegeven werd.

Het woord komt van het Aramese qorban, ‘offergave’.

7Zij overlegden en kochten daarmee de Akker van de Pottenbakker, als begraafplaats voor de vreemdelingen.
συμβούλιον
(symboulion)
overleg
δὲ
(de)
maar
λαβόντες
(labontes)
houdend
ἠγόρασαν
(egorasan)
kochten
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῶν
(auton)
hen
τὸν
(ton)
de
Ἀγρὸν
(Agron)
Akker
τοῦ
(tou)
van de
Κεραμέως
(Kerameos)
Pottenbakker
εἰς
(eis)
tot
ταφὴν
(taphen)
begraafplaats
τοῖς
(tois)
voor de
ξένοις
(xenois)
vreemdelingen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Akker van Bloed (Hakeldama; ligging onzeker): De Akker van de Pottenbakker, later Akker van Bloed (Hakeldama), wordt van oudsher gezocht aan de zuidkant van het dal van Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem.

Dit is niet zeker.

Uitleg

ξένοι (xenoi), ‘vreemdelingen’: mensen van buiten de stad of het land.

Het Grieks heeft ‘tot begrafenis voor de vreemdelingen’.

8Daarom is die akker tot op de dag van vandaag Akker van Bloed genoemd.
διὸ
(dio)
daarom
ἐκλήθη
(eklethe)
werd genoemd
ὁ
(ho)
de
ἀγρὸς
(agros)
akker
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
Ἀγρὸς
(Agros)
Akker
Αἵματος
(Haimatos)
van Bloed
ἕως
(heos)
tot
τῆς
(tes)
de
σήμερον
(semeron)
vandaag
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Akker van Bloed (Hakeldama; ligging onzeker): De Akker van de Pottenbakker, later Akker van Bloed (Hakeldama), wordt van oudsher gezocht aan de zuidkant van het dal van Hinnom, ten zuiden van Jeruzalem.

Dit is niet zeker.

Uitleg

Ἀγρὸς Αἵματος (Agros Haimatos), ‘Akker van Bloed’.

In Hand. 1:19 heet deze akker met de Aramese naam Akeldama.

Zie ookHand 1:19
9Toen werd vervuld wat gezegd is door de profeet Jeremia: „En zij namen de 30 zilverstukken, de prijs van degene die geschat was, die zij van de zonen van Israël geschat hadden,
τότε
(tote)
toen
ἐπληρώθη
(eplerothe)
werd vervuld
τὸ
(to)
het
ῥηθὲν
(rhethen)
gesprokene
διὰ
(dia)
door
Ἰερεμίου
(Ieremiou)
Jeremia
τοῦ
(tou)
de
προφήτου
(prophetou)
profeet
λέγοντος
(legontos)
zeggend
Καὶ
(Kai)
en
ἔλαβον
(elabon)
namen
τὰ
(ta)
de
τριάκοντα
(triakonta)
30
ἀργύρια
(argyria)
zilverstukken
τὴν
(ten)
de
τιμὴν
(timen)
prijs
τοῦ
(tou)
van de
τετιμημένου
(tetimemenou)
geschatte
ὃν
(hon)
die
ἐτιμήσαντο
(etimesanto)
zij schatten
ἀπὸ
(apo)
van
υἱῶν
(huion)
zonen
Ἰσραήλ
(Israel)
Israël
Bron: SBLGNT
Uitleg

Matteüs noemt Jeremia.

De woorden lijken het meest op Zach. 11:12–13: dertig stukken zilver, ‘geschat’ en de pottenbakker.

Verwant zijn ook Jer. 18:2–3 en 19:1–2 (de pottenbakker), en Jer. 32:6–9 (een akker kopen en het zilver afwegen).

Hoe Matteüs deze teksten samenneemt, kunnen wij niet vaststellen.

τετιμημένου (tetimemenou), ‘degene die geschat was’: het woord is hetzelfde als in Zach. 11:13 ‘geschat’. ἀπὸ υἱῶν Ἰσραήλ (apo huion Israel), ‘van de zonen van Israël’, kan ook betekenen ‘sommigen van de zonen van Israël’.

10en zij gaven die voor de akker van de pottenbakker, zoals Yahweh mij opgedragen had.”
καὶ
(kai)
en
ἔδωκαν
(edokan)
gaven
αὐτὰ
(auta)
ze
εἰς
(eis)
voor
τὸν
(ton)
de
ἀγρὸν
(agron)
akker
τοῦ
(tou)
van de
κεραμέως
(kerameos)
pottenbakker
καθὰ
(katha)
zoals
συνέταξέν
(synetaxen)
had opgedragen
μοι
(moi)
mij
κύριος
(kyrios)
Yahweh
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριος (kyrios) is hier vertaald als Yahweh, omdat het een citaat uit de profeten is; vergelijk Zach. 11:13 ‘Yahweh zei tot mij’.

Zie ookZach 11:13

Yeshua voor de stadhouder

11Yeshua stond voor de stadhouder. De stadhouder ondervroeg Hem: „Bent U de koning van de Joden?” Yeshua zei: „Jij zegt het.”
Ὁ
(Ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐστάθη
(estathe)
stond
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
τοῦ
(tou)
de
ἡγεμόνος
(hegemonos)
stadhouder
καὶ
(kai)
en
ἐπηρώτησεν
(eperotesen)
ondervroeg
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὁ
(ho)
de
ἡγεμὼν
(hegemon)
stadhouder
λέγων
(legon)
zeggend
Σὺ
(Sy)
U
εἶ
(ei)
bent
ὁ
(ho)
de
βασιλεὺς
(basileus)
koning
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἔφη
(ephe)
zei
Σὺ
(Sy)
jij
λέγεις
(legeis)
zegt
Bron: SBLGNT
Uitleg

Σὺ λέγεις (Sy legeis), ‘Jij zegt het’: net als ‘Jij hebt het gezegd’ in 26:25 en 26:64 een bevestigend, maar terughoudend antwoord.

Zie ook Mark. 15:2–5; Luc. 23:2–5; Joh. 18:33–38.

12Toen Hij door de hogepriesters en oudsten beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
bij
τῷ
(to)
het
κατηγορεῖσθαι
(kategoreisthai)
beschuldigd worden
αὐτὸν
(auton)
Hij
ὑπὸ
(hypo)
door
τῶν
(ton)
de
ἀρχιερέων
(archiereon)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
πρεσβυτέρων
(presbyteron)
oudsten
οὐδὲν
(ouden)
niets
ἀπεκρίνατο
(apekrinato)
antwoordde
Bron: SBLGNT
13Toen zei Pilatus tegen Hem: „Hoort U niet hoeveel zij tegen U getuigen?”
τότε
(tote)
toen
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tot Hem
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἀκούεις
(akoueis)
hoort U
πόσα
(posa)
hoeveel
σου
(sou)
tegen U
καταμαρτυροῦσιν
(katamartyrousin)
getuigen zij
Bron: SBLGNT
14Maar Hij antwoordde hem niet, op geen enkel woord, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde.
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
αὐτῷ
(auto)
hem
πρὸς
(pros)
op
οὐδὲ
(oude)
geen
ἓν
(hen)
enkel
ῥῆμα
(rhema)
woord
ὥστε
(hoste)
zodat
θαυμάζειν
(thaumazein)
zich verwonderde
τὸν
(ton)
de
ἡγεμόνα
(hegemona)
stadhouder
λίαν
(lian)
zeer
Bron: SBLGNT

Yeshua of Barabbas

15Bij elk feest was de stadhouder gewend één gevangene voor de menigte vrij te laten, wie zij wilden.
Κατὰ
(Kata)
bij
δὲ
(de)
maar
ἑορτὴν
(heorten)
feest
εἰώθει
(eiothei)
was gewend
ὁ
(ho)
de
ἡγεμὼν
(hegemon)
stadhouder
ἀπολύειν
(apolyein)
los te laten
ἕνα
(hena)
één
τῷ
(to)
aan de
ὄχλῳ
(ochlo)
menigte
δέσμιον
(desmion)
gevangene
ὃν
(hon)
die
ἤθελον
(ethelon)
zij wilden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Mark. 15:6–15; Luc. 23:13–25; Joh. 18:39–19:16.

16Zij hadden toen een bekende gevangene, die Yeshua Barabbas genoemd werd.
εἶχον
(eichon)
zij hadden
δὲ
(de)
maar
τότε
(tote)
toen
δέσμιον
(desmion)
gevangene
ἐπίσημον
(episemon)
bekende
λεγόμενον
(legomenon)
genoemd
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
Βαραββᾶν
(Barabban)
Barabbas
Bron: SBLGNT
Uitleg

Βαραββᾶς (Barabbas) is Aramees en betekent ‘zoon van de vader’ (bar abba). ἐπίσημος (episemos), ‘bekende’: bekend, opvallend.

Lezing

In de Griekse tekst die wij volgen heet Barabbas hier en in 27:17 ‘Yeshua Barabbas’.

In sommige latere handschriften ontbreekt ‘Yeshua’ voor Barabbas.

17Toen zij bijeengekomen waren, zei Pilatus tegen hen: „Wie willen jullie dat ik voor jullie vrijlaat: Yeshua Barabbas of Yeshua, die Messias genoemd wordt?”
συνηγμένων
(synegmenon)
bijeengekomen
οὖν
(oun)
dus
αὐτῶν
(auton)
zij
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
Τίνα
(Tina)
wie
θέλετε
(thelete)
willen jullie
ἀπολύσω
(apolyso)
dat ik loslaat
ὑμῖν
(hymin)
voor jullie
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
τὸν
(ton)
de
Βαραββᾶν
(Barabban)
Barabbas
ἢ
(e)
of
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
τὸν
(ton)
de
λεγόμενον
(legomenon)
genoemde
χριστόν
(christon)
Messias
Bron: SBLGNT
18Want hij wist dat zij Hem uit afgunst hadden overgeleverd.
ᾔδει
(edei)
hij wist
γὰρ
(gar)
want
ὅτι
(hoti)
dat
διὰ
(dia)
uit
φθόνον
(phthonon)
afgunst
παρέδωκαν
(paredokan)
hadden overgeleverd
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
19Terwijl hij op de rechterstoel zat, zond zijn vrouw hem een bericht: „Heb niets te maken met die rechtvaardige. Want ik heb vandaag in een droom veel geleden vanwege Hem.”
Καθημένου
(Kathemenou)
zittend
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
hij
ἐπὶ
(epi)
op
τοῦ
(tou)
de
βήματος
(bematos)
rechterstoel
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond
πρὸς
(pros)
naar
αὐτὸν
(auton)
hem
ἡ
(he)
de
γυνὴ
(gyne)
vrouw
αὐτοῦ
(autou)
zijn
λέγουσα
(legousa)
zeggend
Μηδὲν
(Meden)
niets
σοὶ
(soi)
voor u
καὶ
(kai)
en
τῷ
(to)
de
δικαίῳ
(dikaio)
rechtvaardige
ἐκείνῳ
(ekeino)
die
πολλὰ
(polla)
veel
γὰρ
(gar)
want
ἔπαθον
(epathon)
heb geleden
σήμερον
(semeron)
vandaag
κατ’
(kat’)
in
ὄναρ
(onar)
droom
δι’
(di’)
vanwege
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

βῆμα (bema), ‘rechterstoel’: de zetel van waaruit de stadhouder recht sprak. δίκαιος (dikaios), ‘rechtvaardige’: zonder schuld.

20De hogepriesters en de oudsten overtuigden de menigten om Barabbas te vragen en Yeshua om te brengen.
Οἱ
(Hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
πρεσβύτεροι
(presbyteroi)
oudsten
ἔπεισαν
(epeisan)
overtuigden
τοὺς
(tous)
de
ὄχλους
(ochlous)
menigten
ἵνα
(hina)
opdat
αἰτήσωνται
(aitesontai)
zij zouden vragen
τὸν
(ton)
de
Βαραββᾶν
(Barabban)
Barabbas
τὸν
(ton)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
ἀπολέσωσιν
(apolesosin)
zij zouden doden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπόλλυμι (apollymi), ‘ombrengen’: doden of vernietigen.

21De stadhouder antwoordde en zei tegen hen: „Wie van de twee willen jullie dat ik voor jullie vrijlaat?” Zij zeiden: „Barabbas.”
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
ἡγεμὼν
(hegemon)
stadhouder
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
Τίνα
(Tina)
wie
θέλετε
(thelete)
willen jullie
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
δύο
(dyo)
twee
ἀπολύσω
(apolyso)
dat ik loslaat
ὑμῖν
(hymin)
voor jullie
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Τὸν
(Ton)
de
Βαραββᾶν
(Barabban)
Barabbas
Bron: SBLGNT
22Pilatus zei tegen hen: „Wat moet ik dan doen met Yeshua, die Messias genoemd wordt?” Allen zeiden: „Laat Hem gekruisigd worden!”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
Τί
(Ti)
wat
οὖν
(oun)
dus
ποιήσω
(poieso)
zal ik doen
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
τὸν
(ton)
de
λεγόμενον
(legomenon)
genoemde
χριστόν
(christon)
Messias
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
πάντες
(pantes)
allen
Σταυρωθήτω
(Staurotheto)
laat gekruisigd worden
Bron: SBLGNT
23Hij zei: „Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?” Maar zij schreeuwden nog harder: „Laat Hem gekruisigd worden!”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἔφη
(ephe)
zei
Τί
(Ti)
wat
γὰρ
(gar)
want
κακὸν
(kakon)
kwaad
ἐποίησεν
(epoiesen)
heeft gedaan
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
περισσῶς
(perissos)
nog harder
ἔκραζον
(ekrazon)
schreeuwden
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Σταυρωθήτω
(Staurotheto)
laat gekruisigd worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

περισσῶς (perissos), ‘nog harder’: eigenlijk ‘overvloedig, buitengewoon’.

24Toen Pilatus zag dat het niets hielp, maar dat er juist opschudding ontstond, nam hij water en waste zijn handen voor de menigte. Hij zei: „Ik ben onschuldig aan dit bloed. Zie jullie er zelf maar naar.”
ἰδὼν
(idon)
ziende
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
ὅτι
(hoti)
dat
οὐδὲν
(ouden)
niets
ὠφελεῖ
(ophelei)
helpt
ἀλλὰ
(alla)
maar
μᾶλλον
(mallon)
juist
θόρυβος
(thorybos)
opschudding
γίνεται
(ginetai)
ontstaat
λαβὼν
(labon)
nemend
ὕδωρ
(hydor)
water
ἀπενίψατο
(apenipsato)
wasde
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἀπέναντι
(apenanti)
voor
τοῦ
(tou)
de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
λέγων
(legon)
zeggend
Ἀθῷός
(Athoos)
onschuldig
εἰμι
(eimi)
ben ik
ἀπὸ
(apo)
aan
τοῦ
(tou)
het
αἵματος
(haimatos)
bloed
τούτου
(toutou)
dit
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ὄψεσθε
(opsesthe)
zullen zien
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het wassen van de handen om te laten zien dat men onschuldig is, doet denken aan Deut. 21:6–8.

Lezing

Sommige latere handschriften hebben ‘aan het bloed van deze rechtvaardige’.

25Het hele volk antwoordde en zei: „Laat Zijn bloed over ons komen en over onze kinderen.”
καὶ
(kai)
en
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
πᾶς
(pas)
heel
ὁ
(ho)
het
λαὸς
(laos)
volk
εἶπεν
(eipen)
zei
Τὸ
(To)
het
αἷμα
(haima)
bloed
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἐφ’
(eph’)
over
ἡμᾶς
(hemas)
ons
καὶ
(kai)
en
ἐπὶ
(epi)
over
τὰ
(ta)
de
τέκνα
(tekna)
kinderen
ἡμῶν
(hemon)
onze
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft geen werkwoord: ‘Zijn bloed over ons en over onze kinderen’.

Wij vullen ‘laat … komen’ aan.

26Toen liet hij Barabbas voor hen vrij. Maar Yeshua leverde hij over om gekruisigd te worden, nadat hij Hem had gegeseld.
τότε
(tote)
toen
ἀπέλυσεν
(apelysen)
liet los
αὐτοῖς
(autois)
voor hen
τὸν
(ton)
de
Βαραββᾶν
(Barabban)
Barabbas
τὸν
(ton)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
φραγελλώσας
(phragellosas)
gegeseld hebbend
παρέδωκεν
(paredoken)
leverde over
ἵνα
(hina)
opdat
σταυρωθῇ
(staurothe)
Hij gekruisigd wordt
Bron: SBLGNT
Uitleg

φραγελλόω (fragelloo), ‘geselen’: slaan met een zweep; bij de Romeinen ging dit aan de kruisiging vooraf.

De soldaten bespotten Yeshua

27Toen namen de soldaten van de stadhouder Yeshua mee naar het pretorium. Zij riepen de hele cohort bij Hem samen.
Τότε
(Tote)
toen
οἱ
(hoi)
de
στρατιῶται
(stratiotai)
soldaten
τοῦ
(tou)
van de
ἡγεμόνος
(hegemonos)
stadhouder
παραλαβόντες
(paralabontes)
meenemend
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
het
πραιτώριον
(praitorion)
pretorium
συνήγαγον
(synegagon)
verzamelden
ἐπ’
(ep’)
bij
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὅλην
(holen)
hele
τὴν
(ten)
de
σπεῖραν
(speiran)
cohort
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Pretorium (Jeruzalem; ligging onzeker): Het pretorium was het verblijf van de Romeinse stadhouder in Jeruzalem.

Of dat het paleis van Herodes (westkant van de stad) of de Antonia-burcht (bij de tempel) was, is niet zeker.

Uitleg

πραιτώριον (praitorion), ‘pretorium’: het verblijf van de stadhouder. σπεῖρα (speira), ‘cohort’: een Romeinse afdeling soldaten.

Zie ook Mark. 15:16–20; Joh. 19:2–3.

28Zij trokken Hem uit en deden Hem een karmozijnrode mantel om.
καὶ
(kai)
en
ἐκδύσαντες
(ekdysantes)
uitgekleed hebbend
αὐτὸν
(auton)
Hem
χλαμύδα
(chlamyda)
mantel
κοκκίνην
(kokkinen)
karmozijnrode
περιέθηκαν
(periethekan)
legden om
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

χλαμύς (chlamys), ‘mantel’: een korte soldatenmantel. κόκκινος (kokkinos), ‘karmozijnrood’ (zoals het garen in Exod. 26:31).

Zie ookEx 26:31
29Zij vlochten een kroon van doornen en zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechterhand. Zij knielden voor Hem en bespotten Hem met de woorden: „Gegroet, koning van de Joden!”
καὶ
(kai)
en
πλέξαντες
(plexantes)
gevlochten hebbend
στέφανον
(stephanon)
kroon
ἐξ
(ex)
van
ἀκανθῶν
(akanthon)
doornen
ἐπέθηκαν
(epethekan)
zetten
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
het
κεφαλῆς
(kephales)
hoofd
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
κάλαμον
(kalamon)
rietstok
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
δεξιᾷ
(dexia)
rechterhand
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
γονυπετήσαντες
(gonypetesantes)
geknield hebbend
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ἐνέπαιξαν
(enepaixan)
bespotten
αὐτῷ
(auto)
Hem
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Χαῖρε
(Chaire)
gegroet
βασιλεῦ
(basileu)
koning
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
Bron: SBLGNT
30Zij spuwden op Hem, namen de rietstok en sloegen Hem op het hoofd.
καὶ
(kai)
en
ἐμπτύσαντες
(emptysantes)
gespuwd hebbend
εἰς
(eis)
op
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἔλαβον
(elabon)
namen
τὸν
(ton)
de
κάλαμον
(kalamon)
rietstok
καὶ
(kai)
en
ἔτυπτον
(etypton)
sloegen
εἰς
(eis)
op
τὴν
(ten)
het
κεφαλὴν
(kephalen)
hoofd
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
31Toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de mantel uit en deden Hem Zijn kleren aan. Daarna brachten zij Hem weg om Hem te kruisigen.
καὶ
(kai)
en
ὅτε
(hote)
toen
ἐνέπαιξαν
(enepaixan)
bespot hadden
αὐτῷ
(auto)
Hem
ἐξέδυσαν
(exedysan)
trokken uit
αὐτὸν
(auton)
Hem
τὴν
(ten)
de
χλαμύδα
(chlamyda)
mantel
καὶ
(kai)
en
ἐνέδυσαν
(enedysan)
trokken aan
αὐτὸν
(auton)
Hem
τὰ
(ta)
de
ἱμάτια
(himatia)
kleren
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἀπήγαγον
(apegagon)
brachten weg
αὐτὸν
(auton)
Hem
εἰς
(eis)
om
τὸ
(to)
het
σταυρῶσαι
(staurosai)
te kruisigen
Bron: SBLGNT

De kruisiging

32Toen zij naar buiten gingen, vonden zij een man uit Cyrene, Simon genaamd. Hem dwongen zij Zijn kruis te dragen.
Ἐξερχόμενοι
(Exerchomenoi)
uitgaand
δὲ
(de)
maar
εὗρον
(heuron)
vonden
ἄνθρωπον
(anthropon)
man
Κυρηναῖον
(Kyrenaion)
Cyreneeër
ὀνόματι
(onomati)
bij naam
Σίμωνα
(Simona)
Simon
τοῦτον
(touton)
deze
ἠγγάρευσαν
(engareusan)
dwongen
ἵνα
(hina)
opdat
ἄρῃ
(are)
hij draagt
τὸν
(ton)
het
σταυρὸν
(stauron)
kruis
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Cyrene: Cyrene was de hoofdstad van Cyrenaica, in het noordoosten van het huidige Libië.

Er woonde een grote Joodse gemeenschap.

Uitleg

Κυρηναῖος (Kyrenaios), ‘uit Cyrene’: een stad in Noord-Afrika, nu in Libië. ἀγγαρεύω (angareuo), ‘dwingen’: soldaten mochten iemand dwingen een last te dragen (vergelijk 5:41).

Zie ook Mark. 15:21–32; Luc. 23:26–43; Joh. 19:17–27.

33Zij kwamen op een plaats die Golgota genoemd wordt, dat is: de zogenaamde Plaats van de Schedel.
Καὶ
(Kai)
en
ἐλθόντες
(elthontes)
gekomen
εἰς
(eis)
naar
τόπον
(topon)
plaats
λεγόμενον
(legomenon)
genoemd
Γολγοθᾶ
(Golgotha)
Golgota
ὅ
(ho)
wat
ἐστιν
(estin)
is
Κρανίου
(Kraniou)
van schedel
Τόπος
(Topos)
plaats
λεγόμενος
(legomenos)
genoemd
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Golgota (ligging onzeker): Golgota (Plaats van de Schedel) lag buiten de stadsmuur van Jeruzalem.

De traditie zoekt het bij de Heilig-Grafkerk in de oude stad.

Dit is niet zeker.

Uitleg

Γολγοθᾶ (Golgota) is Aramees en betekent ‘schedel’. κρανίον (kranion), ‘schedel’.

34Zij gaven Hem wijn te drinken, gemengd met gal. Hij proefde die, maar wilde niet drinken.
ἔδωκαν
(edokan)
gaven
αὐτῷ
(auto)
Hem
πιεῖν
(piein)
te drinken
οἶνον
(oinon)
wijn
μετὰ
(meta)
met
χολῆς
(choles)
gal
μεμιγμένον
(memigmenon)
gemengd
καὶ
(kai)
en
γευσάμενος
(geusamenos)
geproefd hebbend
οὐκ
(ouk)
niet
ἠθέλησεν
(ethelesen)
wilde
πιεῖν
(piein)
drinken
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Ps. 69:22 (in de Nederlandse telling 69:21): ‘Ze gaven mij gif als voedsel, en voor mijn dorst lieten ze mij azijn drinken.’

Het Hebreeuws heeft hier רֹאשׁ (rosh), ‘gif’ of een bittere plant; de Griekse tekst heeft χολή (chole), ‘gal’.

Zie ookPs 69:22
35Nadat zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren onder elkaar door het lot te werpen.
σταυρώσαντες
(staurosantes)
gekruisigd hebbend
δὲ
(de)
maar
αὐτὸν
(auton)
Hem
διεμερίσαντο
(diemerisanto)
verdeelden
τὰ
(ta)
de
ἱμάτια
(himatia)
kleren
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
βάλλοντες
(ballontes)
werpend
κλῆρον
(kleron)
lot
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Ps. 22:19 (in de Nederlandse telling 22:18): ‘Zij verdelen mijn kleren onder zich en over mijn gewaad werpen zij het lot.’

Lezing

Sommige latere handschriften voegen hier een aanhaling uit de profeten toe die in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen die niet.

Zie ookPs 22:19
36Daarna zaten zij daar en bewaakten Hem.
καὶ
(kai)
en
καθήμενοι
(kathemenoi)
zittend
ἐτήρουν
(eteroun)
bewaakten
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐκεῖ
(ekei)
daar
Bron: SBLGNT
37Boven Zijn hoofd zetten zij de aanklacht tegen Hem, zoals die geschreven was: „Dit is Yeshua, de koning van de Joden.”
καὶ
(kai)
en
ἐπέθηκαν
(epethekan)
zetten
ἐπάνω
(epano)
boven
τῆς
(tes)
het
κεφαλῆς
(kephales)
hoofd
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
τὴν
(ten)
de
αἰτίαν
(aitian)
aanklacht
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
γεγραμμένην
(gegrammenen)
geschreven
Οὗτός
(Houtos)
dit
ἐστιν
(estin)
is
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὁ
(ho)
de
βασιλεὺς
(basileus)
koning
τῶν
(ton)
van de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
Bron: SBLGNT
Uitleg

αἰτία (aitia), ‘aanklacht’: de reden van de straf, die boven het hoofd werd aangebracht.

38Toen werden twee rovers met Hem gekruisigd, één aan de rechterkant en één aan de linkerkant.
Τότε
(Tote)
toen
σταυροῦνται
(staurountai)
worden gekruisigd
σὺν
(syn)
met
αὐτῷ
(auto)
Hem
δύο
(dyo)
twee
λῃσταί
(lestai)
rovers
εἷς
(heis)
één
ἐκ
(ek)
uit
δεξιῶν
(dexion)
rechts
καὶ
(kai)
en
εἷς
(heis)
één
ἐξ
(ex)
uit
εὐωνύμων
(euonymon)
links
Bron: SBLGNT
Uitleg

λῃστής (lestes), ‘rover’: zoals in 26:55.

39Wie voorbijkwamen, lasterden Hem en schudden hun hoofd
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
παραπορευόμενοι
(paraporeuomenoi)
voorbijgangers
ἐβλασφήμουν
(eblasphemoun)
lasterden
αὐτὸν
(auton)
Hem
κινοῦντες
(kinountes)
schuddend
τὰς
(tas)
de
κεφαλὰς
(kephalas)
hoofden
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Ps. 22:8 (in de Nederlandse telling 22:7): ‘Allen die mij zien, bespotten mij.

Zij trekken de lip op en schudden het hoofd.’

Zie ookPs 22:8
40en zeiden: „U die het heiligdom afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf. Als U Zoon van Elohim bent, kom van het kruis af.”
καὶ
(kai)
en
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ὁ
(Ho)
de
καταλύων
(katalyon)
afbrekende
τὸν
(ton)
het
ναὸν
(naon)
heiligdom
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
τρισὶν
(trisin)
drie
ἡμέραις
(hemerais)
dagen
οἰκοδομῶν
(oikodomon)
opbouwende
σῶσον
(soson)
red
σεαυτόν
(seauton)
Uzelf
εἰ
(ei)
als
υἱὸς
(huios)
Zoon
εἶ
(ei)
bent
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
κατάβηθι
(katabethi)
kom af
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
het
σταυροῦ
(staurou)
kruis
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk 26:61.

Hier wordt Yeshua’s woord over het heiligdom Hem nagezegd door de voorbijgangers.

41Ook de hogepriesters bespotten Hem op dezelfde manier, samen met de schriftgeleerden en de oudsten. Zij zeiden:
ὁμοίως
(homoios)
evenzo
καὶ
(kai)
ook
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
ἐμπαίζοντες
(empaizontes)
bespottend
μετὰ
(meta)
met
τῶν
(ton)
de
γραμματέων
(grammateon)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
πρεσβυτέρων
(presbyteron)
oudsten
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Bron: SBLGNT
42„Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden. Hij is koning van Israël: laat Hij nu van het kruis afkomen, en wij zullen in Hem geloven.
Ἄλλους
(Allous)
anderen
ἔσωσεν
(esosen)
redde
ἑαυτὸν
(heauton)
Zichzelf
οὐ
(ou)
niet
δύναται
(dynatai)
kan
σῶσαι
(sosai)
redden
βασιλεὺς
(basileus)
koning
Ἰσραήλ
(Israel)
van Israël
ἐστιν
(estin)
is
καταβάτω
(katabato)
laat afkomen
νῦν
(nyn)
nu
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
het
σταυροῦ
(staurou)
kruis
καὶ
(kai)
en
πιστεύσομεν
(pisteusomen)
zullen geloven
ἐπ’
(ep’)
in
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
43Hij heeft op Elohim vertrouwd. Laat Elohim Hem nu bevrijden, als Hij Hem wil. Want Hij heeft gezegd: ‘Ik ben Zoon van Elohim.’”
πέποιθεν
(pepoithen)
heeft vertrouwd
ἐπὶ
(epi)
op
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
ῥυσάσθω
(rhysastho)
laat bevrijden
νῦν
(nyn)
nu
εἰ
(ei)
als
θέλει
(thelei)
Hij wil
αὐτόν
(auton)
Hem
εἶπεν
(eipen)
Hij zei
γὰρ
(gar)
want
ὅτι
(hoti)
dat
Θεοῦ
(Theou)
van Elohim
εἰμι
(eimi)
ben ik
υἱός
(huios)
Zoon
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Ps. 22:9 (in de Nederlandse telling 22:8): ‘Wentel het op Yahweh!

Laat Hij hem laten ontkomen, laat Hij hem bevrijden, want Hij heeft behagen in hem.’

Het Grieks heeft bij ῥυσάσθω (rhysastho), ‘laat bevrijden’, geen onderwerp. Wij noemen Elohim, om verwarring met Yeshua te voorkomen.

Zie ookPs 22:9
44Op dezelfde manier hoonden ook de rovers die met Hem gekruisigd waren Hem.
τὸ
(to)
het
δ’
(d’)
maar
αὐτὸ
(auto)
zelfde
καὶ
(kai)
ook
οἱ
(hoi)
de
λῃσταὶ
(lestai)
rovers
οἱ
(hoi)
de
συσταυρωθέντες
(systaurothentes)
mee gekruisigden
σὺν
(syn)
met
αὐτῷ
(auto)
Hem
ὠνείδιζον
(oneidizon)
hoonden
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT

De dood van Yeshua

45Vanaf het zesde uur kwam er duisternis over het hele land, tot het negende uur.
Ἀπὸ
(Apo)
vanaf
δὲ
(de)
maar
ἕκτης
(hektes)
zesde
ὥρας
(horas)
uur
σκότος
(skotos)
duisternis
ἐγένετο
(egeneto)
kwam
ἐπὶ
(epi)
over
πᾶσαν
(pasan)
heel
τὴν
(ten)
het
γῆν
(gen)
land
ἕως
(heos)
tot
ὥρας
(horas)
uur
ἐνάτης
(enates)
negende
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het zesde uur is ongeveer 12 uur ’s middags, het negende uur ongeveer 3 uur ’s middags: de uren werden geteld vanaf zonsopgang, ongeveer 6 uur ’s ochtends. γῆ (ge), ‘land’: ook ‘aarde’.

46Rond het negende uur riep Yeshua met luide stem: „Eli, Eli, lema sabachtani?” Dat betekent: „Mijn Elohim, Mijn Elohim, waarom hebt U Mij verlaten?”
περὶ
(peri)
rond
δὲ
(de)
maar
τὴν
(ten)
de
ἐνάτην
(enaten)
negende
ὥραν
(horan)
uur
ἀνεβόησεν
(aneboesen)
riep
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
φωνῇ
(phone)
met stem
μεγάλῃ
(megale)
luide
λέγων
(legon)
zeggend
Ἠλὶ
(Eli)
Eli
ἠλὶ
(eli)
Eli
λεμὰ
(lema)
lema
σαβαχθάνι
(sabachthani)
sabachtani
τοῦτ’
(tout’)
dat
ἔστιν
(estin)
is
Θεέ
(Thee)
Elohim
μου
(mou)
Mijn
θεέ
(thee)
Elohim
μου
(mou)
Mijn
ἱνατί
(hinati)
waarom
με
(me)
Mij
ἐγκατέλιπες
(enkatelipes)
hebt verlaten
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ἠλί (Eli) is Hebreeuws voor ‘mijn El’ (Elohim). σαβαχθάνι (sabachtani) is Aramees voor ‘U hebt mij verlaten’.

Het Hebreeuws van Ps. 22:2 heeft עֲזַבְתָּנִי (azavtani).

De woorden zijn de aanhef van Ps. 22:2 (in de Nederlandse telling 22:1).

In 27:47 verstaan de omstanders ‘Eli’ als ‘Elia’.

Zie ookPs 22:2
47Sommigen van de omstanders hoorden dit en zeiden: „Deze roept Elia.”
τινὲς
(tines)
sommigen
δὲ
(de)
maar
τῶν
(ton)
van de
ἐκεῖ
(ekei)
daar
ἑστηκότων
(hestekoton)
staanden
ἀκούσαντες
(akousantes)
horend
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
ὅτι
(hoti)
dat
Ἠλίαν
(Elian)
Elia
φωνεῖ
(phonei)
roept
οὗτος
(houtos)
deze
Bron: SBLGNT
48Meteen rende een van hen heen. Hij nam een spons, vulde die met azijn, zette hem op een rietstok en gaf Hem te drinken.
καὶ
(kai)
en
εὐθέως
(eutheos)
meteen
δραμὼν
(dramon)
gerend hebbend
εἷς
(heis)
een
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῶν
(auton)
hen
καὶ
(kai)
en
λαβὼν
(labon)
nemend
σπόγγον
(spongon)
spons
πλήσας
(plesas)
vullend
τε
(te)
en
ὄξους
(oxous)
met azijn
καὶ
(kai)
en
περιθεὶς
(peritheis)
zettend
καλάμῳ
(kalamo)
op rietstok
ἐπότιζεν
(epotizen)
gaf te drinken
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὄξος (oxos), ‘azijn’: zure wijn.

Vergelijk Ps. 69:22 (zie 27:34).

Zie ookPs 69:22
49De anderen zeiden: „Laat maar, laten wij zien of Elia komt om Hem te redden.”
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
λοιποὶ
(loipoi)
overigen
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Ἄφες
(Aphes)
laat maar
ἴδωμεν
(idomen)
laten wij zien
εἰ
(ei)
of
ἔρχεται
(erchetai)
komt
Ἠλίας
(Elias)
Elia
σώσων
(soson)
om te redden
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
50Yeshua riep opnieuw met luide stem en gaf de geest.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
πάλιν
(palin)
opnieuw
κράξας
(kraxas)
roepend
φωνῇ
(phone)
met stem
μεγάλῃ
(megale)
luide
ἀφῆκεν
(apheken)
liet gaan
τὸ
(to)
de
πνεῦμα
(pneuma)
geest
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀφῆκεν τὸ πνεῦμα (afeken to pneuma), ‘liet de geest gaan’: hij stierf. πνεῦμα kan ook ‘adem’ betekenen.

51En zie: de voorhang van het heiligdom scheurde in twee, van boven tot onder. De aarde beefde en de rotsen scheurden.
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
τὸ
(to)
de
καταπέτασμα
(katapetasma)
voorhang
τοῦ
(tou)
van het
ναοῦ
(naou)
heiligdom
ἐσχίσθη
(eschisthe)
scheurde
ἀπ’
(ap’)
van
ἄνωθεν
(anothen)
boven
ἕως
(heos)
tot
κάτω
(kato)
beneden
εἰς
(eis)
in
δύο
(dyo)
twee
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
γῆ
(ge)
aarde
ἐσείσθη
(eseisthe)
beefde
καὶ
(kai)
en
αἱ
(hai)
de
πέτραι
(petrai)
rotsen
ἐσχίσθησαν
(eschisthesan)
scheurden
Bron: SBLGNT
Uitleg

καταπέτασμα (katapetasma), ‘voorhang’: de voorhang in het heiligdom, die het heilige van het hoogheilige scheidt (Exod. 26:31–33).

Zie ook Mark. 15:33–41; Luc. 23:44–49; Joh. 19:28–37.

52De graven gingen open en vele lichamen van heiligen die ontslapen waren, werden opgewekt.
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
μνημεῖα
(mnemeia)
graven
ἀνεῴχθησαν
(aneochthesan)
gingen open
καὶ
(kai)
en
πολλὰ
(polla)
vele
σώματα
(somata)
lichamen
τῶν
(ton)
van de
κεκοιμημένων
(kekoimemenon)
ontslapenen
ἁγίων
(hagion)
heiligen
ἠγέρθησαν
(egerthesan)
werden opgewekt
Bron: SBLGNT
Uitleg

κοιμάομαι (koimaomai), ‘ontslapen’: slapen als beeld voor sterven (vergelijk Dan. 12:2).

Zie ookDan 12:2
53Zij kwamen na Zijn opwekking uit de graven, gingen de heilige stad binnen en lieten zich aan velen zien.
καὶ
(kai)
en
ἐξελθόντες
(exelthontes)
uitgegaan
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
μνημείων
(mnemeion)
graven
μετὰ
(meta)
na
τὴν
(ten)
de
ἔγερσιν
(egersin)
opwekking
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἰσῆλθον
(eiselthon)
gingen binnen
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
ἁγίαν
(hagian)
heilige
πόλιν
(polin)
stad
καὶ
(kai)
en
ἐνεφανίσθησαν
(enephanisthesan)
lieten zich zien
πολλοῖς
(pollois)
aan velen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἔγερσις (egersis), ‘opwekking’: van ἐγείρω (egeiro), ‘wekken, opwekken’, zoals in 26:32.

‘De heilige stad’ is Jeruzalem (vergelijk 4:5).

54De centurio en zij die met hem Yeshua bewaakten, zagen de aardbeving en wat er gebeurde. Zij werden zeer bang en zeiden: „Werkelijk, deze was Zoon van Elohim.”
Ὁ
(Ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἑκατόνταρχος
(hekatontarchos)
centurio
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
die
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
hem
τηροῦντες
(terountes)
bewakend
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
ἰδόντες
(idontes)
ziende
τὸν
(ton)
de
σεισμὸν
(seismon)
aardbeving
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
γενόμενα
(genomena)
gebeurde dingen
ἐφοβήθησαν
(ephobethesan)
werden bevreesd
σφόδρα
(sphodra)
zeer
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ἀληθῶς
(Alethos)
werkelijk
θεοῦ
(theou)
van Elohim
υἱὸς
(huios)
Zoon
ἦν
(en)
was
οὗτος
(houtos)
deze
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἑκατόνταρχος (hekatontarchos), ‘centurio’: een Romeinse bevelhebber over ongeveer 100 soldaten.

Het Grieks heeft geen lidwoord bij ‘Zoon van Elohim’ (zoals in 4:3): het kan ‘een Zoon van Elohim’ of ‘de Zoon van Elohim’ betekenen.

De vrouwen bij het kruis

55Er waren daar ook veel vrouwen die van veraf toekeken. Zij waren Yeshua gevolgd vanuit Galilea en hadden Hem gediend.
Ἦσαν
(Esan)
waren
δὲ
(de)
maar
ἐκεῖ
(ekei)
daar
γυναῖκες
(gynaikes)
vrouwen
πολλαὶ
(pollai)
vele
ἀπὸ
(apo)
van
μακρόθεν
(makrothen)
veraf
θεωροῦσαι
(theorousai)
kijkend
αἵτινες
(haitines)
die
ἠκολούθησαν
(ekolouthesan)
volgden
τῷ
(to)
de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
διακονοῦσαι
(diakonousai)
dienend
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

56Onder hen waren Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus en Jozef, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.
ἐν
(en)
onder
αἷς
(hais)
wie
ἦν
(en)
was
Μαρία
(Maria)
Maria
ἡ
(he)
de
Μαγδαληνὴ
(Magdalene)
Magdalena
καὶ
(kai)
en
Μαρία
(Maria)
Maria
ἡ
(he)
de
τοῦ
(tou)
van de
Ἰακώβου
(Iakobou)
Jakobus
καὶ
(kai)
en
Ἰωσὴφ
(Ioseph)
Jozef
μήτηρ
(meter)
moeder
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
μήτηρ
(meter)
moeder
τῶν
(ton)
van de
υἱῶν
(huion)
zonen
Ζεβεδαίου
(Zebedaiou)
Zebedeüs
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zebedeüs: de vader van Jakobus en Johannes (4:21).

Het graf van Jozef van Arimatea

57Toen het avond was geworden, kwam er een rijke man uit Arimatea, Jozef genaamd, die zelf ook een leerling van Yeshua geworden was.
Ὀψίας
(Opsias)
avond
δὲ
(de)
maar
γενομένης
(genomenes)
geworden
ἦλθεν
(elthen)
kwam
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
πλούσιος
(plousios)
rijke
ἀπὸ
(apo)
uit
Ἁριμαθαίας
(Harimathaias)
Arimatea
τοὔνομα
(tounoma)
naam
Ἰωσήφ
(Ioseph)
Jozef
ὃς
(hos)
die
καὶ
(kai)
ook
αὐτὸς
(autos)
zelf
ἐμαθητεύθη
(ematheteuthe)
leerling werd
τῷ
(to)
de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Arimatea (Ramataim?; ligging onzeker): De ligging van Arimatea is onbekend.

Vaak wordt het gelijkgesteld met Ramataim-Sofim (Rama), ongeveer bij Rentis, ten noordoosten van Lod.

Dit is niet zeker.

Uitleg

Ἁριμαθαία (Harimathaia), ‘Arimatea’: een stad in Judea; de ligging is niet zeker.

Vergelijk Jes. 53:9: ‘bij een rijke in zijn dood’.

Zie ook Mark. 15:42–47; Luc. 23:50–56; Joh. 19:38–42.

58Hij ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Yeshua. Toen beval Pilatus dat het gegeven werd.
οὗτος
(houtos)
deze
προσελθὼν
(proselthon)
naderend
τῷ
(to)
de
Πιλάτῳ
(Pilato)
Pilatus
ᾐτήσατο
(etesato)
vroeg
τὸ
(to)
het
σῶμα
(soma)
lichaam
τοῦ
(tou)
van de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
τότε
(tote)
toen
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
ἐκέλευσεν
(ekeleusen)
beval
ἀποδοθῆναι
(apodothenai)
gegeven te worden
Bron: SBLGNT
59Jozef nam het lichaam en wikkelde het in een schone linnen doek
καὶ
(kai)
en
λαβὼν
(labon)
nemend
τὸ
(to)
het
σῶμα
(soma)
lichaam
ὁ
(ho)
de
Ἰωσὴφ
(Ioseph)
Jozef
ἐνετύλιξεν
(enetylixen)
wikkelde
αὐτὸ
(auto)
het
σινδόνι
(sindoni)
in linnen doek
καθαρᾷ
(kathara)
schone
Bron: SBLGNT
60en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots had uitgehouwen. Hij rolde een grote steen voor de ingang van het graf en ging weg.
καὶ
(kai)
en
ἔθηκεν
(etheken)
legde
αὐτὸ
(auto)
het
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
καινῷ
(kaino)
nieuwe
αὐτοῦ
(autou)
zijn
μνημείῳ
(mnemeio)
graf
ὃ
(ho)
dat
ἐλατόμησεν
(elatomesen)
had uitgehouwen
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
πέτρᾳ
(petra)
rots
καὶ
(kai)
en
προσκυλίσας
(proskylisas)
gerold hebbend
λίθον
(lithon)
steen
μέγαν
(megan)
grote
τῇ
(te)
aan de
θύρᾳ
(thyra)
ingang
τοῦ
(tou)
van het
μνημείου
(mnemeiou)
graf
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Graf van Jozef van Arimatea (ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging.

De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk.

Dit is niet zeker.

Uitleg

μνημεῖον (mnemeion), ‘graf’: hier een graf uitgehouwen in de rots, met een grote steen voor de ingang.

61Maria Magdalena en de andere Maria zaten daar tegenover het graf.
ἦν
(en)
was
δὲ
(de)
maar
ἐκεῖ
(ekei)
daar
Μαριὰμ
(Mariam)
Maria
ἡ
(he)
de
Μαγδαληνὴ
(Magdalene)
Magdalena
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
ἄλλη
(alle)
andere
Μαρία
(Maria)
Maria
καθήμεναι
(kathemenai)
zittend
ἀπέναντι
(apenanti)
tegenover
τοῦ
(tou)
het
τάφου
(taphou)
graf
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Graf van Jozef van Arimatea (ligging onzeker): Het graf lag in een rots, buiten Jeruzalem, bij de plek van de kruisiging.

De traditie zoekt het in de Heilig-Grafkerk.

Dit is niet zeker.

De wacht bij het graf

62De volgende dag, de dag na de voorbereidingsdag, kwamen de hogepriesters en de Farizeeën bij Pilatus bijeen
Τῇ
(Te)
op de
δὲ
(de)
maar
ἐπαύριον
(epaurion)
volgende dag
ἥτις
(hetis)
die
ἐστὶν
(estin)
is
μετὰ
(meta)
na
τὴν
(ten)
de
παρασκευήν
(paraskeuen)
voorbereidingsdag
συνήχθησαν
(synechthesan)
kwamen bijeen
οἱ
(hoi)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
πρὸς
(pros)
bij
Πιλᾶτον
(Pilaton)
Pilatus
Bron: SBLGNT
Uitleg

παρασκευή (paraskeue), ‘voorbereidingsdag’: de dag voor de sabbat.

63en zeiden: „Heer, wij herinneren ons dat die bedrieger, toen Hij nog leefde, zei: ‘Na drie dagen word Ik opgewekt.’
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Κύριε
(Kyrie)
heer
ἐμνήσθημεν
(emnesthemen)
wij herinneren ons
ὅτι
(hoti)
dat
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
ὁ
(ho)
de
πλάνος
(planos)
bedrieger
εἶπεν
(eipen)
zei
ἔτι
(eti)
nog
ζῶν
(zon)
levend
Μετὰ
(Meta)
na
τρεῖς
(treis)
drie
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
ἐγείρομαι
(egeiromai)
word opgewekt
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριε (kyrie), ‘heer’: een beleefde aanspreking van de stadhouder. πλάνος (planos), ‘bedrieger’: iemand die mensen op een dwaalspoor brengt.

Vergelijk 12:40; 16:21; 17:23 en 20:19.

64Geef dan bevel het graf te laten beveiligen tot de derde dag. Anders komen Zijn leerlingen Hem stelen en zeggen zij tegen het volk: ‘Hij is opgewekt uit de doden.’ Dan zal het laatste bedrog erger zijn dan het eerste.”
κέλευσον
(keleuson)
beveel
οὖν
(oun)
dus
ἀσφαλισθῆναι
(asphalisthenai)
beveiligd te worden
τὸν
(ton)
het
τάφον
(taphon)
graf
ἕως
(heos)
tot
τῆς
(tes)
de
τρίτης
(trites)
derde
ἡμέρας
(hemeras)
dag
μήποτε
(mepote)
anders
ἐλθόντες
(elthontes)
gekomen
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
κλέψωσιν
(klepsosin)
stelen
αὐτὸν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
εἴπωσιν
(eiposin)
zeggen
τῷ
(to)
aan het
λαῷ
(lao)
volk
Ἠγέρθη
(Egerthe)
Hij is opgewekt
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
νεκρῶν
(nekron)
doden
καὶ
(kai)
en
ἔσται
(estai)
zal zijn
ἡ
(he)
de
ἐσχάτη
(eschate)
laatste
πλάνη
(plane)
bedrog
χείρων
(cheiron)
erger
τῆς
(tes)
dan de
πρώτης
(protes)
eerste
Bron: SBLGNT
65Pilatus zei tegen hen: „Jullie hebben een wacht. Ga heen en beveilig het zoals jullie weten.”
ἔφη
(ephe)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tot hen
ὁ
(ho)
de
Πιλᾶτος
(Pilatos)
Pilatus
Ἔχετε
(Echete)
jullie hebben
κουστωδίαν
(koustodian)
wacht
ὑπάγετε
(hypagete)
ga
ἀσφαλίσασθε
(asphalisasthe)
beveilig
ὡς
(hos)
zoals
οἴδατε
(oidate)
jullie weten
Bron: SBLGNT
Uitleg

κουστωδία (koustodia), ‘wacht’: een Latijns leenwoord. Ἔχετε (echete) kan ‘jullie hebben’ of ‘neem’ betekenen; wij lezen ‘jullie hebben’.

66Zij gingen weg en beveiligden het graf: zij verzegelden de steen, samen met de wacht.
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
πορευθέντες
(poreuthentes)
gegaan zijnde
ἠσφαλίσαντο
(esphalisanto)
beveiligden
τὸν
(ton)
het
τάφον
(taphon)
graf
σφραγίσαντες
(sphragisantes)
verzegelend
τὸν
(ton)
de
λίθον
(lithon)
steen
μετὰ
(meta)
met
τῆς
(tes)
de
κουστωδίας
(koustodias)
wacht
Bron: SBLGNT