De koeien van Basan en het volk dat niet terugkeert
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Tegen de koeien van Basan
1Hoor dit woord, koeien van Basan op de berg van Samaria, die de geringen onderdrukken en de armen vermorzelen. Zij zeggen tegen hun heren: „Breng, dan drinken wij.”
שִׁמְע֞וּ
(shimu)
hoort
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֗ה
(haze)
dit
פָּר֤וֹת
(parot)
koeien van
הַבָּשָׁן֙
(habashan)
Basan
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
בְּהַ֣ר
(behar)
op de berg van
שֹֽׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
הָעֹשְׁק֣וֹת
(haosheqot)
die onderdrukken
דַּלִּ֔ים
(dalim)
geringen
הָרֹצְצ֖וֹת
(harotsetsot)
die vermorzelen
אֶבְיוֹנִ֑ים
(evyonim)
armen
הָאֹמְרֹ֥ת
(haomerot)
die zeggen
לַאֲדֹֽנֵיהֶ֖ם
(laadoneihem)
tegen hun heren
הָבִ֥יאָה
(havia)
breng
וְנִשְׁתֶּֽה
(venishte)
dan drinken wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Uitleg
פָּרוֹת הַבָּשָׁן (parot haBashan), ‘koeien van Basan’: de woorden zijn vrouwelijk.
Het gaat om de rijke vrouwen van Samaria.
Basan was een streek ten oosten van de Jordaan met vet vee; vergelijk Ps. 22:13.
דַּלִּים (dallim), ‘geringen’, en אֶבְיוֹנִים (evyonim), ‘armen’.
2Heer Yahweh heeft gezworen bij Zijn heiligheid: „Zie, er komen dagen over jullie. Dan voert men jullie weg met haken, en wat van jullie overblijft met vishaken.
נִשְׁבַּ֨ע
(nishba)
heeft gezworen
אֲדֹנָ֤י
(adonay)
Heer
יְהוִה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּקָדְשׁ֔וֹ
(beqadesho)
bij Zijn heiligheid
כִּ֛י
(ki)
want
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
בָּאִ֣ים
(baim)
komen
עֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
over jullie
וְנִשָּׂ֤א
(venisa)
en men voert weg
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
בְּצִנּ֔וֹת
(betsinot)
met haken
וְאַחֲרִיתְכֶ֖ן
(veacharitekhen)
en wat van jullie overblijft
בְּסִיר֥וֹת
(besirot)
met haken
דּוּגָֽה
(duga)
van vissen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
צִנּוֹת (tsinnot), ‘haken’, en סִירוֹת דּוּגָה (sirot dugah), ‘vishaken’: de woorden zijn zeldzaam en de betekenis is niet zeker. Het beeld is dat men de mensen wegsleept als vis.
3Jullie gaan door de bressen naar buiten, elke vrouw recht voor zich uit. Men werpt jullie weg naar Harmon, godsspraak van Yahweh.”
וּפְרָצִ֥ים
(uferatsim)
en bressen
תֵּצֶ֖אנָה
(tetsena)
gaan jullie uit
אִשָּׁ֣ה
(isha)
een vrouw
נֶגְדָּ֑הּ
(negdah)
recht voor zich uit
וְהִשְׁלַכְתֶּ֥נָה
(vehishlakhtena)
en jullie worden weggeworpen
הַהַרְמ֖וֹנָה
(haharmona)
naar Harmon
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (neum Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule voor een uitspraak van Yahweh zelf.
הַהַרְמוֹנָה (haharmonah), ‘naar Harmon’: de betekenis van dit woord is onzeker. Wij laten het als naam staan; sommige oude vertalingen lezen het anders.
4„Kom naar Betel en pleeg overtreding, naar Gilgal en pleeg nog meer overtreding. Breng elke morgen jullie slachtoffers en om de drie dagen jullie tienden.
בֹּ֤אוּ
(bou)
komt
בֵֽית
(beit)
huis van
אֵל֙
(el)
El
וּפִשְׁע֔וּ
(ufishu)
en pleegt overtreding
הַגִּלְגָּ֖ל
(hagilgal)
naar Gilgal
הַרְבּ֣וּ
(harbu)
vermeerdert
לִפְשֹׁ֑עַ
(lifshoa)
de overtreding
וְהָבִ֤יאוּ
(vehaviu)
en brengt
לַבֹּ֨קֶר֙
(laboqer)
elke morgen
זִבְחֵיכֶ֔ם
(zivcheikhem)
jullie slachtoffers
לִשְׁלֹ֥שֶׁת
(lishloshet)
voor drie
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
מַעְשְׂרֹֽתֵיכֶֽם
(maseroteikhem)
jullie tienden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.
Zie Gilgal (bij Jericho?; ligging onzeker): Het is niet zeker welk Gilgal hier bedoeld is.
Een mogelijkheid is het Gilgal bij Jericho (Jozua 4:19).
Dit is niet zeker.
Zie Gilgal (bij Betel?; ligging onzeker): Een andere mogelijkheid is een Gilgal in het bergland bij Betel, vermoedelijk bij het huidige Jiljilya.
Dit is niet zeker.
Uitleg
Betel (בֵּית־אֵל, Bet-El), ‘huis van El’, en Gilgal waren heiligdommen waar het volk offerde.
Zie 1 Kon. 12:28–29 en Amos 5:5.
לִשְׁלֹשֶׁת יָמִים (lishloshet yamim), letterlijk ‘voor drie dagen’: wij lezen ‘om de drie dagen’; het kan ook ‘na drie dagen’ betekenen.
5Laat een dankoffer van gezuurd brood in rook opgaan. Roep vrijwillige gaven uit en maak ze bekend. Want zo hebben jullie het graag, zonen van Israël, godsspraak van Heer Yahweh.
וְקַטֵּ֤ר
(veqater)
en laat in rook opgaan
מֵֽחָמֵץ֙
(mechamets)
van gezuurd brood
תּוֹדָ֔ה
(toda)
een dankoffer
וְקִרְא֥וּ
(veqiru)
en roept uit
נְדָב֖וֹת
(nedavot)
vrijwillige gaven
הַשְׁמִ֑יעוּ
(hashmiu)
maakt bekend
כִּ֣י
(ki)
want
כֵ֤ן
(ken)
zo
אֲהַבְתֶּם֙
(ahavtem)
hebben jullie liefgehad
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹדָה (todah), ‘dankoffer’: een offer van dank.
Gezuurd brood mocht niet op het altaar worden verbrand (Lev. 2:11), maar bij het dankoffer werd het wel als offergave gebracht (Lev. 7:13).
נְדָבוֹת (nedavot), ‘vrijwillige gaven’: offers die men uit eigen wil bracht.
6Ook Ik heb jullie schone tanden gegeven in al jullie steden en gebrek aan brood in al jullie woonplaatsen. Toch zijn jullie niet tot Mij teruggekeerd, godsspraak van Yahweh.
וְגַם
(vegam)
en ook
אֲנִי֩
(ani)
Ik
נָתַ֨תִּי
(natati)
heb gegeven
לָכֶ֜ם
(lakhem)
aan jullie
נִקְי֤וֹן
(niqyon)
reinheid van
שִׁנַּ֨יִם֙
(shinayim)
tanden
בְּכָל
(bekhal)
in al
עָ֣רֵיכֶ֔ם
(areikhem)
jullie steden
וְחֹ֣סֶר
(vechoser)
en gebrek aan
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
in al
מְקוֹמֹֽתֵיכֶ֑ם
(meqomoteikhem)
jullie woonplaatsen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שַׁבְתֶּ֥ם
(shavtem)
zijn jullie teruggekeerd
עָדַ֖י
(aday)
tot Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִקְיוֹן שִׁנַּיִם (niqyon shinnayim), ‘reinheid van de tanden’: schone tanden, omdat er niets te eten was.
In vers 6, 8, 9, 10 en 11 keert een refrein terug: שַׁבְתֶּם עָדַי (shavtem adai), ‘jullie zijn niet tot Mij teruggekeerd’. Vergelijk de vloeken in Lev. 26 en Deut. 28.
7Ook Ik heb de regen van jullie tegengehouden, toen het nog drie maanden was tot de oogst. Ik liet het regenen op de ene stad, en op de andere stad liet Ik het niet regenen. Het ene stuk land kreeg regen. Het stuk land dat geen regen kreeg, verdorde.
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אָנֹכִי֩
(anokhi)
Ik
מָנַ֨עְתִּי
(manati)
heb tegengehouden
מִכֶּ֜ם
(mikem)
van jullie
אֶת
(et)
(obj.)
הַגֶּ֗שֶׁם
(hageshem)
de regen
בְּע֨וֹד
(beod)
terwijl nog
שְׁלֹשָׁ֤ה
(shelosha)
drie
חֳדָשִׁים֙
(chodashim)
maanden
לַקָּצִ֔יר
(laqatsir)
tot de oogst
וְהִמְטַרְתִּי֙
(vehimtarti)
en Ik liet regenen
עַל
(al)
op
עִ֣יר
(ir)
stad
אֶחָ֔ת
(echat)
één
וְעַל
(veal)
en op
עִ֥יר
(ir)
stad
אַחַ֖ת
(achat)
een andere
לֹ֣א
(lo)
niet
אַמְטִ֑יר
(amtir)
liet Ik regenen
חֶלְקָ֤ה
(chelqa)
stuk land
אַחַת֙
(achat)
één
תִּמָּטֵ֔ר
(timater)
kreeg regen
וְחֶלְקָ֛ה
(vechelqa)
en stuk land
אֲשֶֽׁר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
תַמְטִ֥יר
(tamtir)
regen kreeg
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
daarop
תִּיבָֽשׁ
(tivash)
verdorde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Twee, drie steden zwierven naar één stad om water te drinken, maar ze werden niet verzadigd. Toch zijn jullie niet tot Mij teruggekeerd, godsspraak van Yahweh.
וְנָע֡וּ
(venau)
en zwierven
שְׁתַּיִם֩
(shetayim)
twee
שָׁלֹ֨שׁ
(shalosh)
drie
עָרִ֜ים
(arim)
steden
אֶל
(el)
naar
עִ֥יר
(ir)
stad
אַחַ֛ת
(achat)
één
לִשְׁתּ֥וֹת
(lishtot)
om te drinken
מַ֖יִם
(mayim)
water
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִשְׂבָּ֑עוּ
(yisbau)
werden zij verzadigd
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שַׁבְתֶּ֥ם
(shavtem)
zijn jullie teruggekeerd
עָדַ֖י
(aday)
tot Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Ik sloeg jullie met korenbrand en meeldauw. Veel van jullie tuinen en wijngaarden, van jullie vijgenbomen en olijfbomen, at de knipper op. Toch zijn jullie niet tot Mij teruggekeerd, godsspraak van Yahweh.
הִכֵּ֣יתִי
(hikeiti)
Ik sloeg
אֶתְכֶם֮
(etkhem)
jullie
בַּשִּׁדָּפ֣וֹן
(bashidafon)
met korenbrand
וּבַיֵּרָקוֹן֒
(uvayeraqon)
en met meeldauw
הַרְבּ֨וֹת
(harbot)
veel van
גַּנּוֹתֵיכֶ֧ם
(ganoteikhem)
jullie tuinen
וְכַרְמֵיכֶ֛ם
(vekharmeikhem)
en jullie wijngaarden
וּתְאֵנֵיכֶ֥ם
(uteeneikhem)
en jullie vijgenbomen
וְזֵיתֵיכֶ֖ם
(vezeiteikhem)
en jullie olijfbomen
יֹאכַ֣ל
(yokhal)
at op
הַגָּזָ֑ם
(hagazam)
de knipper
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שַׁבְתֶּ֥ם
(shavtem)
zijn jullie teruggekeerd
עָדַ֖י
(aday)
tot Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שִׁדָּפוֹן (shiddafon), ‘korenbrand’, en יֵרָקוֹן (yeraqon), ‘meeldauw’: ziekten van het gewas, ook genoemd in Deut. 28:22.
גָּזָם (gazam), ‘knipper’: een soort sprinkhaan of een stadium van de sprinkhaan; zie ook Joël 1:4.
הַרְבּוֹת (harbot), letterlijk ‘het vermeerderen van’: wij lezen ‘veel van’. De zin is moeilijk.
10Ik stuurde pest onder jullie, op de wijze van Egypte. Ik doodde jullie jongemannen met het zwaard, samen met het wegvoeren van jullie paarden. Ik liet de stank van jullie legerplaatsen opstijgen, tot in jullie neus. Toch zijn jullie niet tot Mij teruggekeerd, godsspraak van Yahweh.
שִׁלַּ֨חְתִּי
(shilachti)
Ik stuurde
בָכֶ֥ם
(bakhem)
onder jullie
דֶּ֨בֶר֙
(dever)
pest
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op de wijze van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
הָרַ֤גְתִּי
(haragti)
Ik doodde
בַחֶ֨רֶב֙
(bacherev)
met het zwaard
בַּח֣וּרֵיכֶ֔ם
(bachureikhem)
jullie jongemannen
עִ֖ם
(im)
samen met
שְׁבִ֣י
(shevi)
het wegvoeren van
סֽוּסֵיכֶ֑ם
(suseikhem)
jullie paarden
וָאַעֲלֶ֞ה
(vaaale)
en Ik liet opstijgen
בְּאֹ֤שׁ
(beosh)
de stank van
מַחֲנֵיכֶם֙
(machaneikhem)
jullie legerplaatsen
וּֽבְאַפְּכֶ֔ם
(uveapekhem)
en in jullie neus
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שַׁבְתֶּ֥ם
(shavtem)
zijn jullie teruggekeerd
עָדַ֖י
(aday)
tot Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
דֶּבֶר (dever), ‘pest’: een dodelijke ziekte; vergelijk Exod. 9:3.
בְּדֶרֶךְ מִצְרַיִם (bederekh Mitsrayim), ‘op de wijze van Egypte’: het kan ook ‘op de weg naar Egypte’ betekenen.
11Ik veroorzaakte onder jullie een omkering, zoals Elohim Sodom en Gomorra omkeerde. Jullie werden als een brandhout dat uit de brand is gered. Toch zijn jullie niet tot Mij teruggekeerd, godsspraak van Yahweh.
הָפַ֣כְתִּי
(hafakhti)
Ik keerde om
בָכֶ֗ם
(bakhem)
onder jullie
כְּמַהְפֵּכַ֤ת
(kemahpekhat)
zoals de omkering door
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
סְדֹ֣ם
(sedom)
Sodom
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲמֹרָ֔ה
(amora)
Gomorra
וַתִּהְי֕וּ
(vatihyu)
en jullie werden
כְּא֖וּד
(keud)
als een brandhout
מֻצָּ֣ל
(mutsal)
gered
מִשְׂרֵפָ֑ה
(misrefa)
uit de brand
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שַׁבְתֶּ֥ם
(shavtem)
zijn jullie teruggekeerd
עָדַ֖י
(aday)
tot Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.
Uitleg
Sodom en Gomorra: zie Gen. 19:24–25.
אוּד מֻצָּל מִשְּׂרֵפָה (ud mutsal misrefah), ‘een brandhout, gered uit de brand’: een stuk hout dat uit het vuur is gegrepen. Er bleef dus een rest over.
13Want zie, Hij vormt de bergen en schept de wind. Hij maakt de mens bekend wat zijn gedachte is. Hij maakt van de dageraad duisternis en treedt op de hoogten van de aarde. Yahweh, Elohim van de legermachten, is Zijn naam.
כִּ֡י
(ki)
want
הִנֵּה֩
(hine)
zie
יוֹצֵ֨ר
(yotser)
Hij die vormt
הָרִ֜ים
(harim)
bergen
וּבֹרֵ֣א
(uvore)
en die schept
ר֗וּחַ
(ruach)
wind
וּמַגִּ֤יד
(umagid)
en die bekendmaakt
לְאָדָם֙
(leadam)
aan de mens
מַה
(ma)
wat
שֵּׂח֔וֹ
(secho)
zijn gedachte
עֹשֵׂ֥ה
(ose)
Hij die maakt
שַׁ֨חַר֙
(shachar)
dageraad
עֵיפָ֔ה
(eifa)
duisternis
וְדֹרֵ֖ךְ
(vedorekh)
en die treedt
עַל
(al)
op
בָּ֣מֳתֵי
(bamotei)
hoogten van
אָ֑רֶץ
(arets)
de aarde
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
Elohim
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שְׁמֽוֹ
(shemo)
is Zijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֵׂחוֹ (sicho), ‘zijn gedachte’: de betekenis is onzeker.
Het kan ook ‘zijn klacht’ of ‘zijn spreken’ zijn.
‘Zijn’ kan op de mens slaan of op Yahweh.
רוּחַ (ruach), ‘wind’: het woord betekent ook ‘geest’.
עֵיפָה (eifah), ‘duisternis’: een zeldzaam woord.
צְבָאוֹת (Tsevaot) vertalen wij overal als ‘legermachten’.
Dit is een lofzang op Yahweh, zoals ook in 5:8–9 en 9:5–6.