Elohim Bijbel

Exodus 2

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

De geboorte van Mozes en zijn vlucht naar Midian

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De geboorte van Mozes

1Een man uit het huis van Levi ging en nam een dochter van Levi tot vrouw.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
לֵוִ֑י
(levi)
Levi
וַיִּקַּ֖ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
בַּת
(bat)
de dochter van
לֵוִֽי
(levi)
Levi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De man en de vrouw worden hier niet bij naam genoemd; dat zijn Amram en Jochebed (6:20).

Aanvullend

Jasher 67:1–4 noemt hun namen; Jubileeën 47:8 noemt Jochebed.

2De vrouw werd zwanger en beviel van een zoon. Zij zag dat hij goed was en hield hem drie maanden verborgen.
וַתַּ֥הַר
(vatahar)
en werd zwanger
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en baarde
בֵּ֑ן
(ben)
een zoon
וַתֵּ֤רֶא
(vatere)
en zij zag
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
כִּי
(ki)
dat
ט֣וֹב
(tov)
goed
ה֔וּא
(hu)
hij was
וַֽתִּצְפְּנֵ֖הוּ
(vatitspenehu)
en zij verborg hem
שְׁלֹשָׁ֥ה
(shelosha)
drie
יְרָחִֽים
(yerachim)
maanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Goed’ (טוֹב, tov) herinnert aan Gen. 1:4 en kan ‘mooi’ of ‘gezond’ betekenen; Hand. 7:20 zegt ‘mooi voor Elohim’.

3Toen zij hem niet langer kon verbergen, nam zij voor hem een kistje van papyrus, bestreek het met asfalt en pek. Zij legde het kind erin en zette het tussen het riet aan de oever van de Nijl.
וְלֹא
(velo)
en niet
יָכְלָ֣ה
(yakhela)
kon zij
עוֹד֮
(od)
langer
הַצְּפִינוֹ֒
(hatsefino)
hem verbergen
וַתִּֽקַּֽח
(vatiqach)
en nam
לוֹ֙
(lo)
voor hem
תֵּ֣בַת
(tevat)
een kistje van
גֹּ֔מֶא
(gome)
papyrus
וַתַּחְמְרָ֥ה
(vatachmera)
en bestreek het
בַחֵמָ֖ר
(bachemar)
met asfalt
וּבַזָּ֑פֶת
(uvazafet)
en met pek
וַתָּ֤שֶׂם
(vatasem)
en legde
בָּהּ֙
(bah)
erin
אֶת
(et)
(obj.)
הַיֶּ֔לֶד
(hayeled)
het kind
וַתָּ֥שֶׂם
(vatasem)
en legde
בַּסּ֖וּף
(basuf)
tussen het riet
עַל
(al)
aan
שְׂפַ֥ת
(sefat)
de oever van
הַיְאֹֽר
(hayor)
de Nijl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

Uitleg

תֵּבָה (tevah), ‘kist’, is hetzelfde woord als de ark van Noach (Gen. 6:14); het woord komt alleen in deze twee verhalen voor.

גֹּמֶא (gome) is papyrus, een riet van de Nijl.

חֵמָר (chemar) is asfalt of bitumen, זֶפֶת (zefet) is pek.

4Zijn zuster bleef op een afstand staan om te weten wat er met hem zou gebeuren.
וַתֵּתַצַּ֥ב
(vatetatsav)
en ging staan
אֲחֹת֖וֹ
(achoto)
zijn zuster
מֵרָחֹ֑ק
(merachoq)
op een afstand
לְדֵעָ֕ה
(ledea)
om te weten
מַה
(ma)
wat
יֵּעָשֶׂ֖ה
(yease)
zou gedaan worden
לֽוֹ
(lo)
aan hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5De dochter van de farao ging naar de Nijl om te baden, en haar meisjes liepen langs de oever van de Nijl. Zij zag het kistje midden in het riet en stuurde haar slavin om het te halen.
וַתֵּ֤רֶד
(vatered)
en daalde af
בַּת
(bat)
de dochter van
פַּרְעֹה֙
(paro)
de farao
לִרְחֹ֣ץ
(lirchots)
om te baden
עַל
(al)
in
הַיְאֹ֔ר
(hayor)
de Nijl
וְנַעֲרֹתֶ֥יהָ
(venaaroteiha)
en haar meisjes
הֹלְכֹ֖ת
(holekhot)
liepen
עַל
(al)
langs
יַ֣ד
(yad)
de kant van
הַיְאֹ֑ר
(hayor)
de Nijl
וַתֵּ֤רֶא
(vatere)
en zij zag
אֶת
(et)
(obj.)
הַתֵּבָה֙
(hateva)
het kistje
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
הַסּ֔וּף
(hasuf)
het riet
וַתִּשְׁלַ֥ח
(vatishlach)
en stuurde
אֶת
(et)
(obj.)
אֲמָתָ֖הּ
(amatah)
haar slavin
וַתִּקָּחֶֽהָ
(vatiqacheha)
en nam het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Nijl stroomt van zuid naar noord door Egypte naar de Middellandse Zee; de precieze plaats van het riet wordt niet genoemd.

6Zij opende het en zag het kind, en zie, het was een huilende jongen. Zij kreeg medelijden met hem en zei: „Dit is een van de kinderen van de Hebreeën.”
וַתִּפְתַּח֙
(vatiftach)
en opende
וַתִּרְאֵ֣הוּ
(vatirehu)
en zag hem
אֶת
(et)
(obj.)
הַיֶּ֔לֶד
(hayeled)
het kind
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
נַ֖עַר
(naar)
een jongen
בֹּכֶ֑ה
(bokhe)
huilend
וַתַּחְמֹ֣ל
(vatachmol)
en had medelijden
עָלָ֔יו
(alav)
met hem
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en zei
מִיַּלְדֵ֥י
(miyaldei)
van de kinderen van
הָֽעִבְרִ֖ים
(haivrim)
de Hebreeën
זֶֽה
(ze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Zijn zuster zei tot de dochter van de farao: „Zal ik gaan en voor u een Hebreeuwse vrouw roepen die zoogt, zodat zij het kind voor u zoogt?”
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zei
אֲחֹתוֹ֮
(achoto)
zijn zuster
אֶל
(el)
tot
בַּת
(bat)
de dochter van
פַּרְעֹה֒
(paro)
de farao
הַאֵלֵ֗ךְ
(haelekh)
zal ik gaan
וְקָרָ֤אתִי
(veqarati)
en roepen
לָךְ֙
(lakh)
voor u
אִשָּׁ֣ה
(isha)
een vrouw
מֵינֶ֔קֶת
(meineqet)
die zoogt
מִ֖ן
(min)
uit
הָעִבְרִיֹּ֑ת
(haivriyot)
de Hebreeuwse
וְתֵינִ֥ק
(veteiniq)
zodat zij zoogt
לָ֖ךְ
(lakh)
voor u
אֶת
(et)
(obj.)
הַיָּֽלֶד
(hayaled)
het kind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De dochter van de farao zei tot haar: „Ga.” Het meisje ging en riep de moeder van het kind.
וַתֹּֽאמֶר
(vatomer)
en zei
לָ֥הּ
(lah)
tot haar
בַּת
(bat)
de dochter van
פַּרְעֹ֖ה
(paro)
de farao
לֵ֑כִי
(lekhi)
ga
וַתֵּ֨לֶךְ֙
(vatelekh)
en ging
הָֽעַלְמָ֔ה
(haalma)
het meisje
וַתִּקְרָ֖א
(vatiqra)
en riep
אֶת
(et)
(obj.)
אֵ֥ם
(em)
de moeder van
הַיָּֽלֶד
(hayaled)
het kind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9De dochter van de farao zei tot haar: „Neem dit kind mee en zoog het voor mij, en ik zal je loon geven.” De vrouw nam het kind en zoogde het.
וַתֹּ֧אמֶר
(vatomer)
en zei
לָ֣הּ
(lah)
tot haar
בַּת
(bat)
de dochter van
פַּרְעֹ֗ה
(paro)
de farao
הֵילִ֜יכִי
(heilikhi)
neem mee
אֶת
(et)
(obj.)
הַיֶּ֤לֶד
(hayeled)
het kind
הַזֶּה֙
(haze)
dit
וְהֵינִקִ֣הוּ
(veheiniqihu)
en zoog het
לִ֔י
(li)
voor mij
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en ik
אֶתֵּ֣ן
(eten)
zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
שְׂכָרֵ֑ךְ
(sekharekh)
je loon
וַתִּקַּ֧ח
(vatiqach)
en nam
הָאִשָּׁ֛ה
(haisha)
de vrouw
הַיֶּ֖לֶד
(hayeled)
het kind
וַתְּנִיקֵֽהוּ
(vateniqehu)
en zoogde het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Het kind groeide op en zij bracht hem naar de dochter van de farao. Hij werd haar tot zoon. Zij noemde hem Mozes, want zij zei: „Uit het water heb ik hem getrokken.”
וַיִגְדַּ֣ל
(vayigdal)
en groeide op
הַיֶּ֗לֶד
(hayeled)
het kind
וַתְּבִאֵ֨הוּ֙
(vateviehu)
en zij bracht hem
לְבַת
(levat)
naar de dochter van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וַֽיְהִי
(vayhi)
en hij werd
לָ֖הּ
(lah)
haar
לְבֵ֑ן
(leven)
tot zoon
וַתִּקְרָ֤א
(vatiqra)
en zij noemde
שְׁמוֹ֙
(shemo)
zijn naam
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en zei
כִּ֥י
(ki)
omdat
מִן
(min)
uit
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het water
מְשִׁיתִֽהוּ
(meshitihu)
heb ik hem getrokken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De naam מֹשֶׁה (Mosheh) is Egyptisch (‘kind van’, zoals in Ramses) en klinkt in het Hebreeuws als מָשָׁה (mashah), ‘trekken’.

De dochter van de farao legt de naam uit met het Hebreeuws; Jes. 63:11 speelt daar ook op in.

Mozes slaat een Egyptenaar

11In die dagen, toen Mozes groot geworden was, ging hij naar zijn broers en zag hun zware lasten. Hij zag een Egyptenaar die een Hebreeuwse man, een van zijn broers, sloeg.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het geschiedde
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֗ם
(hahem)
die
וַיִּגְדַּ֤ל
(vayigdal)
en groeide op
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
אֶל
(el)
naar
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
וַיַּ֖רְא
(vayar)
en zag
בְּסִבְלֹתָ֑ם
(besivlotam)
hun lasten
וַיַּרְא֙
(vayar)
en zag
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
מִצְרִ֔י
(mitsri)
Egyptisch
מַכֶּ֥ה
(make)
slaande
אִישׁ
(ish)
een man
עִבְרִ֖י
(ivri)
Hebreeuwse
מֵאֶחָֽיו
(meechav)
van zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de enige zin over Mozes’ jonge jaren.

Het Nieuwe Testament vult aan dat hij veertig jaar was (Hand. 7:23) en de smaad van de Messias verkoos boven Egypte (Hebr. 11:24–26).

Aanvullend

Jasher 70 beschrijft Mozes’ jaren aan het hof.

12Hij keek om zich heen, zag dat er niemand was, sloeg de Egyptenaar dood en verborg hem in het zand.
וַיִּ֤פֶן
(vayifen)
en keerde zich
כֹּה֙
(ko)
hierheen
וָכֹ֔ה
(vakho)
en daarheen
וַיַּ֖רְא
(vayar)
en zag
כִּ֣י
(ki)
dat
אֵ֣ין
(ein)
niemand
אִ֑ישׁ
(ish)
man
וַיַּךְ֙
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּצְרִ֔י
(hamitsri)
de Egyptenaar
וַֽיִּטְמְנֵ֖הוּ
(vayitmenehu)
en verborg hem
בַּחֽוֹל
(bachol)
in het zand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Toen hij op de tweede dag uitging, zie, twee Hebreeuwse mannen waren aan het twisten. Hij zei tot degene die onrecht deed: „Waarom sla je je naaste?”
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en ging uit
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
tweede
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
אֲנָשִׁ֥ים
(anashim)
mannen
עִבְרִ֖ים
(ivrim)
Hebreeuwse
נִצִּ֑ים
(nitsim)
twistend
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
לָֽרָשָׁ֔ע
(larasha)
tot de schuldige
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
תַכֶּ֖ה
(take)
sla je
רֵעֶֽךָ
(reekha)
je naaste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Hij zei: „Wie heeft jou aangesteld als leider en rechter over ons? Wil je mij doden zoals je de Egyptenaar hebt gedood?” Mozes werd bang en zei: „Zeker, de zaak is bekend geworden.”
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en hij zei
מִ֣י
(mi)
wie
שָֽׂמְךָ֞
(samekha)
heeft jou gesteld
לְאִ֨ישׁ
(leish)
tot een man
שַׂ֤ר
(sar)
leider
וְשֹׁפֵט֙
(veshofet)
en rechter
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
over ons
הַלְהָרְגֵ֨נִי֙
(halharegeni)
wil je mij doden
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
אֹמֵ֔ר
(omer)
zeg je dat
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
הָרַ֖גְתָּ
(haragta)
je doodde
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּצְרִ֑י
(hamitsri)
de Egyptenaar
וַיִּירָ֤א
(vayira)
en werd bang
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
וַיֹּאמַ֔ר
(vayomar)
en zei
אָכֵ֖ן
(akhen)
zeker
נוֹדַ֥ע
(noda)
is bekend geworden
הַדָּבָֽר
(hadavar)
de zaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂר וְשֹׁפֵט (sar veshofet), ‘leider en rechter’: de man betwist Mozes’ gezag.

Hand. 7:27 citeert dit.

Mozes in Midian

15Toen de farao dit hoorde, zocht hij Mozes te doden. Mozes vluchtte voor de farao en verbleef in het land Midian; hij ging bij een bron zitten.
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en hoorde
פַּרְעֹה֙
(paro)
de farao
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וַיְבַקֵּ֖שׁ
(vayvaqesh)
en zocht
לַהֲרֹ֣ג
(laharog)
te doden
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וַיִּבְרַ֤ח
(vayivrach)
en vluchtte
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor
פַרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land
מִדְיָ֖ן
(midyan)
Midian
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en zat
עַֽל
(al)
bij
הַבְּאֵֽר
(habeer)
de bron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Midian lag in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba; de Midianieten waren nomadische herders.

16De priester van Midian had zeven dochters. Zij kwamen, putten water en vulden de drinkbakken om de kudde van hun vader te drenken.
וּלְכֹהֵ֥ן
(ulekhohen)
en bij de priester van
מִדְיָ֖ן
(midyan)
Midian
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
בָּנ֑וֹת
(banot)
dochters
וַתָּבֹ֣אנָה
(vatavona)
en zij kwamen
וַתִּדְלֶ֗נָה
(vatidlena)
en putten
וַתְּמַלֶּ֨אנָה֙
(vatemalena)
en vulden
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣רְהָטִ֔ים
(harehatim)
de drinkbakken
לְהַשְׁק֖וֹת
(lehashqot)
om te drenken
צֹ֥אן
(tson)
de kudde van
אֲבִיהֶֽן
(avihen)
hun vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba.

Uitleg

De priester van Midian heet in vers 18 Reüel, elders Jetro (3:1; 18:1) en Chobab (Num. 10:29).

Zijn zeven dochters putten water; dit lijkt op Gen. 29:2–10.

17De herders kwamen en verdreven hen, maar Mozes stond op, hielp hen en gaf hun kudde te drinken.
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en kwamen
הָרֹעִ֖ים
(haroim)
de herders
וַיְגָרְשׁ֑וּם
(vaygareshum)
en verdreven hen
וַיָּ֤קָם
(vayaqam)
en stond op
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
וַיּ֣וֹשִׁעָ֔ן
(vayoshian)
en hielp hen
וַיַּ֖שְׁקְ
(vayashq)
en gaf te drinken
אֶת
(et)
(obj.)
צֹאנָֽם
(tsonam)
hun kudde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Toen zij bij Reüel, hun vader, kwamen, zei hij: „Waarom zijn jullie vandaag zo snel terug?”
וַתָּבֹ֕אנָה
(vatavona)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
רְעוּאֵ֖ל
(reuel)
Reüel
אֲבִיהֶ֑ן
(avihen)
hun vader
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מַדּ֛וּעַ
(madua)
waarom
מִהַרְתֶּ֥ן
(miharten)
haastten jullie je
בֹּ֖א
(bo)
te komen
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Reüel (רְעוּאֵל, re’u’el) betekent ‘vriend van El’.

De Samaritaanse tekst en sommige Griekse handschriften lezen ‘Jetro’.

19Zij zeiden: „Een Egyptenaar heeft ons uit de hand van de herders gered. Hij heeft zelfs water voor ons geput en de kudde te drinken gegeven.”
וַתֹּאמַ֕רְןָ
(vatomarna)
en zeiden zij
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
מִצְרִ֔י
(mitsri)
Egyptisch
הִצִּילָ֖נוּ
(hitsilanu)
redde ons
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
הָרֹעִ֑ים
(haroim)
de herders
וְגַם
(vegam)
en ook
דָּלֹ֤ה
(dalo)
putte
דָלָה֙
(dala)
putte
לָ֔נוּ
(lanu)
voor ons
וַיַּ֖שְׁקְ
(vayashq)
en gaf te drinken
אֶת
(et)
(obj.)
הַצֹּֽאן
(hatson)
de kudde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Hij zei tot zijn dochters: „Waar is hij dan? Waarom hebben jullie de man achtergelaten? Roep hem, dan kan hij brood eten.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
בְּנֹתָ֖יו
(benotav)
zijn dochters
וְאַיּ֑וֹ
(veayo)
en waar is hij
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
זֶּה֙
(ze)
dit
עֲזַבְתֶּ֣ן
(azavten)
hebben jullie verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
קִרְאֶ֥ן
(qiren)
roep
ל֖וֹ
(lo)
hem
וְיֹ֥אכַל
(veyokhal)
opdat hij eet
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Mozes stemde erin toe bij de man te blijven wonen, en hij gaf Mozes zijn dochter Sippora.
וַיּ֥וֹאֶל
(vayoel)
en stemde in
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
לָשֶׁ֣בֶת
(lashevet)
te blijven wonen
אֶת
(et)
bij
הָאִ֑ישׁ
(haish)
de man
וַיִּתֵּ֛ן
(vayiten)
en hij gaf
אֶת
(et)
(obj.)
צִפֹּרָ֥ה
(tsipora)
Sippora
בִתּ֖וֹ
(bito)
zijn dochter
לְמֹשֶֽׁה
(lemoshe)
aan Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Zij beviel van een zoon, en hij noemde hem Gersom, want hij zei: „Een vreemdeling ben ik geweest in een vreemd land.”
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en baarde zij
בֵּ֔ן
(ben)
een zoon
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
גֵּרְשֹׁ֑ם
(gereshom)
Gersom
כִּ֣י
(ki)
want
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
גֵּ֣ר
(ger)
vreemdeling
הָיִ֔יתִי
(hayiti)
ben ik geweest
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in een land
נָכְרִיָּֽה
(nakheriya)
vreemd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֵּרְשֹׁם (Gershom) klinkt als גֵּר שָׁם (ger sham), ‘vreemdeling daar’.

Zo noemt Mozes zijn zoon om zijn vreemdelingschap.

Het kermen van Israël

23In die vele dagen stierf de koning van Egypte. De zonen van Israël zuchtten onder de slavernij en riepen om hulp. Hun hulpgeroep vanwege de slavernij steeg op tot Elohim.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het geschiedde
בַיָּמִ֨ים
(bayamim)
in de dagen
הָֽרַבִּ֜ים
(harabim)
de vele
הָהֵ֗ם
(hahem)
die
וַיָּ֨מָת֙
(vayamat)
en stierf
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיֵּאָנְח֧וּ
(vayeanechu)
en zuchtten
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
מִן
(min)
vanwege
הָעֲבֹדָ֖ה
(haavoda)
de slavernij
וַיִּזְעָ֑קוּ
(vayizaqu)
en riepen om hulp
וַתַּ֧עַל
(vataal)
en steeg op
שַׁוְעָתָ֛ם
(shavatam)
hun hulpgeroep
אֶל
(el)
tot
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
מִן
(min)
vanwege
הָעֲבֹדָֽה
(haavoda)
de slavernij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Met de dood van de farao eindigt de tijd van Mozes’ vlucht (zie 4:19).

Het gekreun van Israël wordt hier niet als gebed beschreven, maar het stijgt wel op tot Elohim.

24Elohim hoorde hun kermen, en Elohim dacht aan Zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob.
וַיִּשְׁמַ֥ע
(vayishma)
en hoorde
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
נַאֲקָתָ֑ם
(naaqatam)
hun kermen
וַיִּזְכֹּ֤ר
(vayizkor)
en dacht
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִית֔וֹ
(berito)
Zijn verbond
אֶת
(et)
met
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
אֶת
(et)
met
יִצְחָ֥ק
(yitschaq)
Isaak
וְאֶֽת
(veet)
en met
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Denken aan’ (זָכַר, zakhar) is bij Elohim handelen op grond van een belofte (Gen. 8:1; 9:15; 19:29).

Het verbond is dat met Abraham (Gen. 15:18), Isaak (26:3) en Jakob (28:13).

25Elohim zag de zonen van Israël, en Elohim wist ervan.
וַיַּ֥רְא
(vayar)
en zag
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֵּ֖דַע
(vayeda)
en wist
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

וַיֵּדַע אֱלֹהִים (vayyeda Elohim) heeft geen voorwerp: ‘en Elohim wist’.

Wij vertalen ‘wist ervan’; de Griekse vertaling voegt ‘en werd bekend aan hen’ toe, wat uit een andere lezing (וַיִּוָּדַע) kan komen.