Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De geboorte van Mozes
1Een man uit het huis van Levi ging en nam een dochter van Levi tot vrouw.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
לֵוִ֑י
(levi)
Levi
וַיִּקַּ֖ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
בַּת
(bat)
de dochter van
לֵוִֽי
(levi)
Levi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De man en de vrouw worden hier niet bij naam genoemd; dat zijn Amram en Jochebed (6:20).
Aanvullend
Jasher 67:1–4 noemt hun namen; Jubileeën 47:8 noemt Jochebed.
3Toen zij hem niet langer kon verbergen, nam zij voor hem een kistje van papyrus, bestreek het met asfalt en pek. Zij legde het kind erin en zette het tussen het riet aan de oever van de Nijl.
וְלֹא
(velo)
en niet
יָכְלָ֣ה
(yakhela)
kon zij
עוֹד֮
(od)
langer
הַצְּפִינוֹ֒
(hatsefino)
hem verbergen
וַתִּֽקַּֽח
(vatiqach)
en nam
לוֹ֙
(lo)
voor hem
תֵּ֣בַת
(tevat)
een kistje van
גֹּ֔מֶא
(gome)
papyrus
וַתַּחְמְרָ֥ה
(vatachmera)
en bestreek het
בַחֵמָ֖ר
(bachemar)
met asfalt
וּבַזָּ֑פֶת
(uvazafet)
en met pek
וַתָּ֤שֶׂם
(vatasem)
en legde
בָּהּ֙
(bah)
erin
אֶת
(et)
(obj.)
הַיֶּ֔לֶד
(hayeled)
het kind
וַתָּ֥שֶׂם
(vatasem)
en legde
בַּסּ֖וּף
(basuf)
tussen het riet
עַל
(al)
aan
שְׂפַ֥ת
(sefat)
de oever van
הַיְאֹֽר
(hayor)
de Nijl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.
Uitleg
תֵּבָה (tevah), ‘kist’, is hetzelfde woord als de ark van Noach (Gen. 6:14); het woord komt alleen in deze twee verhalen voor.
גֹּמֶא (gome) is papyrus, een riet van de Nijl.
חֵמָר (chemar) is asfalt of bitumen, זֶפֶת (zefet) is pek.
5De dochter van de farao ging naar de Nijl om te baden, en haar meisjes liepen langs de oever van de Nijl. Zij zag het kistje midden in het riet en stuurde haar slavin om het te halen.
וַתֵּ֤רֶד
(vatered)
en daalde af
בַּת
(bat)
de dochter van
פַּרְעֹה֙
(paro)
de farao
לִרְחֹ֣ץ
(lirchots)
om te baden
עַל
(al)
in
הַיְאֹ֔ר
(hayor)
de Nijl
וְנַעֲרֹתֶ֥יהָ
(venaaroteiha)
en haar meisjes
הֹלְכֹ֖ת
(holekhot)
liepen
עַל
(al)
langs
יַ֣ד
(yad)
de kant van
הַיְאֹ֑ר
(hayor)
de Nijl
וַתֵּ֤רֶא
(vatere)
en zij zag
אֶת
(et)
(obj.)
הַתֵּבָה֙
(hateva)
het kistje
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
הַסּ֔וּף
(hasuf)
het riet
וַתִּשְׁלַ֥ח
(vatishlach)
en stuurde
אֶת
(et)
(obj.)
אֲמָתָ֖הּ
(amatah)
haar slavin
וַתִּקָּחֶֽהָ
(vatiqacheha)
en nam het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Nijl stroomt van zuid naar noord door Egypte naar de Middellandse Zee; de precieze plaats van het riet wordt niet genoemd.
6Zij opende het en zag het kind, en zie, het was een huilende jongen. Zij kreeg medelijden met hem en zei: „Dit is een van de kinderen van de Hebreeën.”
וַתִּפְתַּח֙
(vatiftach)
en opende
וַתִּרְאֵ֣הוּ
(vatirehu)
en zag hem
אֶת
(et)
(obj.)
הַיֶּ֔לֶד
(hayeled)
het kind
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
נַ֖עַר
(naar)
een jongen
בֹּכֶ֑ה
(bokhe)
huilend
וַתַּחְמֹ֣ל
(vatachmol)
en had medelijden
עָלָ֔יו
(alav)
met hem
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en zei
מִיַּלְדֵ֥י
(miyaldei)
van de kinderen van
הָֽעִבְרִ֖ים
(haivrim)
de Hebreeën
זֶֽה
(ze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9De dochter van de farao zei tot haar: „Neem dit kind mee en zoog het voor mij, en ik zal je loon geven.” De vrouw nam het kind en zoogde het.
וַתֹּ֧אמֶר
(vatomer)
en zei
לָ֣הּ
(lah)
tot haar
בַּת
(bat)
de dochter van
פַּרְעֹ֗ה
(paro)
de farao
הֵילִ֜יכִי
(heilikhi)
neem mee
אֶת
(et)
(obj.)
הַיֶּ֤לֶד
(hayeled)
het kind
הַזֶּה֙
(haze)
dit
וְהֵינִקִ֣הוּ
(veheiniqihu)
en zoog het
לִ֔י
(li)
voor mij
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en ik
אֶתֵּ֣ן
(eten)
zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
שְׂכָרֵ֑ךְ
(sekharekh)
je loon
וַתִּקַּ֧ח
(vatiqach)
en nam
הָאִשָּׁ֛ה
(haisha)
de vrouw
הַיֶּ֖לֶד
(hayeled)
het kind
וַתְּנִיקֵֽהוּ
(vateniqehu)
en zoogde het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Het kind groeide op en zij bracht hem naar de dochter van de farao. Hij werd haar tot zoon. Zij noemde hem Mozes, want zij zei: „Uit het water heb ik hem getrokken.”
וַיִגְדַּ֣ל
(vayigdal)
en groeide op
הַיֶּ֗לֶד
(hayeled)
het kind
וַתְּבִאֵ֨הוּ֙
(vateviehu)
en zij bracht hem
לְבַת
(levat)
naar de dochter van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
de farao
וַֽיְהִי
(vayhi)
en hij werd
לָ֖הּ
(lah)
haar
לְבֵ֑ן
(leven)
tot zoon
וַתִּקְרָ֤א
(vatiqra)
en zij noemde
שְׁמוֹ֙
(shemo)
zijn naam
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en zei
כִּ֥י
(ki)
omdat
מִן
(min)
uit
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het water
מְשִׁיתִֽהוּ
(meshitihu)
heb ik hem getrokken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De naam מֹשֶׁה (Mosheh) is Egyptisch (‘kind van’, zoals in Ramses) en klinkt in het Hebreeuws als מָשָׁה (mashah), ‘trekken’.
De dochter van de farao legt de naam uit met het Hebreeuws; Jes. 63:11 speelt daar ook op in.
11In die dagen, toen Mozes groot geworden was, ging hij naar zijn broers en zag hun zware lasten. Hij zag een Egyptenaar die een Hebreeuwse man, een van zijn broers, sloeg.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het geschiedde
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֗ם
(hahem)
die
וַיִּגְדַּ֤ל
(vayigdal)
en groeide op
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
אֶל
(el)
naar
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
וַיַּ֖רְא
(vayar)
en zag
בְּסִבְלֹתָ֑ם
(besivlotam)
hun lasten
וַיַּרְא֙
(vayar)
en zag
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
מִצְרִ֔י
(mitsri)
Egyptisch
מַכֶּ֥ה
(make)
slaande
אִישׁ
(ish)
een man
עִבְרִ֖י
(ivri)
Hebreeuwse
מֵאֶחָֽיו
(meechav)
van zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is de enige zin over Mozes’ jonge jaren.
Het Nieuwe Testament vult aan dat hij veertig jaar was (Hand. 7:23) en de smaad van de Messias verkoos boven Egypte (Hebr. 11:24–26).
13Toen hij op de tweede dag uitging, zie, twee Hebreeuwse mannen waren aan het twisten. Hij zei tot degene die onrecht deed: „Waarom sla je je naaste?”
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en ging uit
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
tweede
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
אֲנָשִׁ֥ים
(anashim)
mannen
עִבְרִ֖ים
(ivrim)
Hebreeuwse
נִצִּ֑ים
(nitsim)
twistend
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
לָֽרָשָׁ֔ע
(larasha)
tot de schuldige
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
תַכֶּ֖ה
(take)
sla je
רֵעֶֽךָ
(reekha)
je naaste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Hij zei: „Wie heeft jou aangesteld als leider en rechter over ons? Wil je mij doden zoals je de Egyptenaar hebt gedood?” Mozes werd bang en zei: „Zeker, de zaak is bekend geworden.”
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en hij zei
מִ֣י
(mi)
wie
שָֽׂמְךָ֞
(samekha)
heeft jou gesteld
לְאִ֨ישׁ
(leish)
tot een man
שַׂ֤ר
(sar)
leider
וְשֹׁפֵט֙
(veshofet)
en rechter
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
over ons
הַלְהָרְגֵ֨נִי֙
(halharegeni)
wil je mij doden
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
אֹמֵ֔ר
(omer)
zeg je dat
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
הָרַ֖גְתָּ
(haragta)
je doodde
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּצְרִ֑י
(hamitsri)
de Egyptenaar
וַיִּירָ֤א
(vayira)
en werd bang
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
וַיֹּאמַ֔ר
(vayomar)
en zei
אָכֵ֖ן
(akhen)
zeker
נוֹדַ֥ע
(noda)
is bekend geworden
הַדָּבָֽר
(hadavar)
de zaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׂר וְשֹׁפֵט (sar veshofet), ‘leider en rechter’: de man betwist Mozes’ gezag.
23In die vele dagen stierf de koning van Egypte. De zonen van Israël zuchtten onder de slavernij en riepen om hulp. Hun hulpgeroep vanwege de slavernij steeg op tot Elohim.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het geschiedde
בַיָּמִ֨ים
(bayamim)
in de dagen
הָֽרַבִּ֜ים
(harabim)
de vele
הָהֵ֗ם
(hahem)
die
וַיָּ֨מָת֙
(vayamat)
en stierf
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיֵּאָנְח֧וּ
(vayeanechu)
en zuchtten
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
מִן
(min)
vanwege
הָעֲבֹדָ֖ה
(haavoda)
de slavernij
וַיִּזְעָ֑קוּ
(vayizaqu)
en riepen om hulp
וַתַּ֧עַל
(vataal)
en steeg op
שַׁוְעָתָ֛ם
(shavatam)
hun hulpgeroep
אֶל
(el)
tot
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
מִן
(min)
vanwege
הָעֲבֹדָֽה
(haavoda)
de slavernij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Met de dood van de farao eindigt de tijd van Mozes’ vlucht (zie 4:19).
Het gekreun van Israël wordt hier niet als gebed beschreven, maar het stijgt wel op tot Elohim.