Elohim Bijbel

Jesaja 45

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Kores, de gezalfde van Yahweh, en Yahweh alleen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh roept Kores

1Zo zegt Yahweh tegen Zijn gezalfde, tegen Kores: „Ik heb zijn rechterhand gegrepen om volken voor hem neer te werpen. Ik ontgord de heupen van koningen om voor hem deuren te openen, zodat de poorten niet gesloten blijven.
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
לִמְשִׁיחוֹ֮
(limshicho)
tegen Zijn gezalfde
לְכ֣וֹרֶשׁ
(lekhoresh)
tegen Kores
אֲשֶׁר
(asher)
wiens
הֶחֱזַ֣קְתִּי
(hechezaqti)
Ik heb gegrepen
בִֽימִינ֗וֹ
(bimino)
rechterhand
לְרַד
(lerad)
om neer te werpen
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor hem
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
וּמָתְנֵ֥י
(umatenei)
en de heupen van
מְלָכִ֖ים
(melakhim)
koningen
אֲפַתֵּ֑חַ
(afateach)
Ik ontgord
לִפְתֹּ֤חַ
(liftoach)
om te openen
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor hem
דְּלָתַ֔יִם
(delatayim)
deuren
וּשְׁעָרִ֖ים
(ushearim)
en poorten
לֹ֥א
(lo)
niet
יִסָּגֵֽרוּ
(yisageru)
zullen gesloten blijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָשִׁיחַ (mashiach), ‘gezalfde’: iemand die Yahweh heeft aangesteld, meestal een koning of priester (vergelijk Ps. 2:2).

Hier is het een koning van buiten Israël.

כּוֹרֶשׁ (Koresh), ‘Kores’: de koning van Perzië (vergelijk 2 Kron. 36:22–23).

מָתְנֵי מְלָכִים אֲפַתֵּחַ (motnei melakhim afatteach), ‘Ik ontgord de heupen van koningen’: letterlijk ‘Ik open de heupen van koningen’. Het beeld is dat een man zijn gordel losmaakt. Het betekent: Hij neemt hun kracht weg.

Het Hebreeuws heeft hier ‘wiens rechterhand Ik gegrepen heb’. Wij maken er twee zinnen van.

2Ik ga voor je uit en maak de oneffenheden recht. Bronzen deuren breek Ik stuk, en ijzeren grendels hak Ik door.
אֲנִי֙
(ani)
Ik
לְפָנֶ֣יךָ
(lefaneikha)
voor je
אֵלֵ֔ךְ
(elekh)
Ik ga
וַהֲדוּרִ֖ים
(vahadurim)
en de oneffenheden
אֲיַשֵּׁ֑ר
(ayasher)
Ik maak recht
דַּלְת֤וֹת
(daltot)
deuren van
נְחוּשָׁה֙
(nechusha)
brons
אֲשַׁבֵּ֔ר
(ashaber)
Ik breek stuk
וּבְרִיחֵ֥י
(uverichei)
en grendels van
בַרְזֶ֖ל
(barzel)
ijzer
אֲגַדֵּֽעַ
(agadea)
Ik hak door
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲדוּרִים (hadurim), ‘oneffenheden’: het woord is moeilijk.

Het kan ook ‘bergen’ of ‘hoge plaatsen’ betekenen.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Lezing

Geschreven staat אושר (oshar); voorgelezen wordt אֲיַשֵּׁר (ayasher), ‘Ik maak recht’.

Wij volgen de qere.

3Ik zal je de schatten van de duisternis geven en de verborgen rijkdommen van geheime plaatsen. Zodat je weet dat Ik Yahweh ben, die je bij je naam roept, de Elohim van Israël.
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal geven
לְךָ֙
(lekha)
aan je
אוֹצְר֣וֹת
(otserot)
schatten van
חֹ֔שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וּמַטְמֻנֵ֖י
(umatmunei)
en verborgen rijkdommen van
מִסְתָּרִ֑ים
(mistarim)
geheime plaatsen
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
תֵּדַ֗ע
(teda)
je weet
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֧י
(ani)
Ik
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
הַקּוֹרֵ֥א
(haqore)
die roept
בְשִׁמְךָ֖
(beshimkha)
bij je naam
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַטְמֻנֵי מִסְתָּרִים (matmunei mistarim), ‘verborgen rijkdommen van geheime plaatsen’: schatten die op verborgen plaatsen liggen.

4Omwille van Mijn knecht Jakob en Israël, Mijn uitverkorene, heb Ik je bij je naam geroepen. Ik heb je een eernaam gegeven, hoewel je Mij niet kende.
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
omwille van
עַבְדִּ֣י
(avdi)
Mijn knecht
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וְיִשְׂרָאֵ֖ל
(veyisrael)
en Israël
בְּחִירִ֑י
(bechiri)
Mijn uitverkorene
וָאֶקְרָ֤א
(vaeqra)
en Ik heb geroepen
לְךָ֙
(lekha)
je
בִּשְׁמֶ֔ךָ
(bishmekha)
bij je naam
אֲכַנְּךָ֖
(akhanekha)
Ik heb je een eernaam gegeven
וְלֹ֥א
(velo)
hoewel niet
יְדַעְתָּֽנִי
(yedatani)
je kende Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲכַנְּךָ (akhanneka), ‘Ik heb je een eernaam gegeven’: hetzelfde werkwoord als in 44:5.

וְלֹא יְדַעְתָּנִי (velo yeda’tani), ‘hoewel je Mij niet kende’: ook in vers 5. Kores diende Yahweh niet.

5Ik ben Yahweh, en er is geen ander. Buiten Mij is er geen Elohim. Ik omgord je, hoewel je Mij niet kende.
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is
ע֔וֹד
(od)
meer
זוּלָתִ֖י
(zulati)
buiten Mij
אֵ֣ין
(ein)
niet is
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
אֲאַזֶּרְךָ֖
(aazerkha)
Ik omgord je
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יְדַעְתָּֽנִי
(yedatani)
je kende Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲאַזֶּרְךָ (a’azzerkha), ‘Ik omgord je’: Yahweh geeft kracht, zoals een gordel een man klaarmaakt voor de strijd.

6Zodat men van het opgaan van de zon af en vanuit het westen weet dat er niets is buiten Mij. Ik ben Yahweh, en er is geen ander.
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
יֵדְע֗וּ
(yedeu)
zij weten
מִמִּזְרַח
(mimizrach)
van het opgaan van
שֶׁ֨מֶשׁ֙
(shemesh)
zon
וּמִמַּ֣עֲרָבָ֔הּ
(umimaaravah)
en van haar westen
כִּי
(ki)
dat
אֶ֖פֶס
(efes)
niets
בִּלְעָדָ֑י
(biladay)
buiten Mij
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶפֶס (efes), ‘niets’: hier ‘er is niets buiten Mij’.

7Ik vorm het licht en schep de duisternis. Ik maak de vrede en schep het onheil. Ik, Yahweh, maak dit alles.
יוֹצֵ֥ר
(yotser)
die vormt
אוֹר֙
(or)
licht
וּבוֹרֵ֣א
(uvore)
en die schept
חֹ֔שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
עֹשֶׂ֥ה
(ose)
die maakt
שָׁל֖וֹם
(shalom)
de vrede
וּב֣וֹרֵא
(uvore)
en die schept
רָ֑ע
(ra)
onheil
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עֹשֶׂ֥ה
(ose)
die maakt
כָל
(kal)
alles
אֵֽלֶּה
(ele)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלוֹם (shalom), ‘de vrede’, tegenover רָע (ra), ‘onheil’: het woord ra kan ‘kwaad’ of ‘ramp’ betekenen.

Hier gaat het om rampen die Yahweh brengt (vergelijk Amos 3:6).

Yahweh is zowel bron van licht als van duisternis.

8Hemelen, laat druppelen van boven, en laten de wolken gerechtigheid neerstromen. Laat de aarde zich openen, en laten zij redding voortbrengen. Laat zij tegelijk gerechtigheid laten ontspruiten. Ik, Yahweh, heb het geschapen.”
הַרְעִ֤יפוּ
(harifu)
laat druppelen
שָׁמַ֨יִם֙
(shamayim)
hemelen
מִמַּ֔עַל
(mimaal)
van boven
וּשְׁחָקִ֖ים
(ushechaqim)
en wolken
יִזְּלוּ
(yizelu)
laten neerstromen
צֶ֑דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
תִּפְתַּח
(tiftach)
laat zich openen
אֶ֣רֶץ
(erets)
aarde
וְיִפְרוּ
(veyifru)
en laten zij vrucht dragen
יֶ֗שַׁע
(yesha)
redding
וּצְדָקָ֤ה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
תַצְמִ֨יחַ֙
(tatsmiach)
laat zij laten ontspruiten
יַ֔חַד
(yachad)
tegelijk
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּרָאתִֽיו
(berativ)
heb het geschapen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְיִפְרוּ (veyifru), ‘en laten zij vrucht dragen’: een meervoudsvorm.

Sommige oude vertalingen lezen een enkelvoud: ‘laat zij vrucht dragen’.

Wee wie twist met zijn Vormer

9Wee wie met zijn Vormer twist, een potscherf onder de potscherven van de grond! Zal de klei tegen zijn vormer zeggen: ‘Wat maak je?’ En: ‘Je werk heeft geen handen’?
ה֗וֹי
(hoy)
wee
רָ֚ב
(rav)
wie twist
אֶת
(et)
met
יֹ֣צְר֔וֹ
(yotsero)
zijn Vormer
חֶ֖רֶשׂ
(cheres)
een potscherf
אֶת
(et)
onder
חַרְשֵׂ֣י
(charsei)
potscherven van
אֲדָמָ֑ה
(adama)
de grond
הֲיֹאמַ֨ר
(hayomar)
zal zeggen
חֹ֤מֶר
(chomer)
klei
לְיֹֽצְרוֹ֙
(leyotsero)
tegen zijn vormer
מַֽה
(ma)
wat
תַּעֲשֶׂ֔ה
(taase)
maak je
וּפָעָלְךָ֖
(ufaalekha)
en je werk
אֵין
(ein)
geen
יָדַ֥יִם
(yadayim)
handen
לֽוֹ
(lo)
heeft het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶרֶשׂ (cheres), ‘potscherf’: een stuk gebakken aarde.

Wie met zijn Vormer twist, is zelf maar een scherf uit de grond.

Het tweede deel, ‘Je werk heeft geen handen’, bedoelt: het gemaakte werk zegt dat de maker geen handen heeft. Vergelijk Rom. 9:20–21.

10Wee wie tegen een vader zegt: ‘Wat verwek je?’ en tegen een vrouw: ‘Wat baar je?’
ה֛וֹי
(hoy)
wee
אֹמֵ֥ר
(omer)
die zegt
לְאָ֖ב
(leav)
tegen een vader
מַה
(ma)
wat
תּוֹלִ֑יד
(tolid)
verwek je
וּלְאִשָּׁ֖ה
(uleisha)
en tegen een vrouw
מַה
(ma)
wat
תְּחִילִֽין
(techilin)
baar je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּחִילִין (techilin), ‘baar je’: van חִיל (chil), ‘weeën hebben’ of ‘baren’.

11Zo zegt Yahweh, de Heilige van Israël en zijn Vormer: „Vraag Mij naar wat komt. Geven jullie Mij bevelen over Mijn zonen en over het werk van Mijn handen?
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֧ר
(amar)
zegt
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
קְד֥וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וְיֹצְר֑וֹ
(veyotsero)
en zijn Vormer
הָאֹתִיּ֣וֹת
(haotiyot)
het komende
שְׁאָל֔וּנִי
(shealuni)
vraag Mij
עַל
(al)
over
בָּנַ֛י
(banay)
Mijn zonen
וְעַל
(veal)
en over
פֹּ֥עַל
(poal)
het werk van
יָדַ֖י
(yaday)
Mijn handen
תְּצַוֻּֽנִי
(tetsavuni)
geven jullie Mij bevelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֹתִיּוֹת (ha’otiyyot), ‘wat komt’: zo ook in 44:7.

Het Hebreeuws kan de laatste zin ook als bevel lezen: ‘Geef Mij bevelen’.

Wij lezen een vraag.

12Ik heb de aarde gemaakt en de mens daarop geschapen. Ik, Mijn handen hebben de hemel uitgespannen, en heel hun leger heb Ik bevolen.
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
Ik
עָשִׂ֣יתִי
(asiti)
Ik heb gemaakt
אֶ֔רֶץ
(erets)
aarde
וְאָדָ֖ם
(veadam)
en mens
עָלֶ֣יהָ
(aleiha)
op haar
בָרָ֑אתִי
(barati)
Ik heb geschapen
אֲנִ֗י
(ani)
Ik
יָדַי֙
(yaday)
Mijn handen
נָט֣וּ
(natu)
hebben uitgespannen
שָׁמַ֔יִם
(shamayim)
hemel
וְכָל
(vekhal)
en heel
צְבָאָ֖ם
(tsevaam)
hun leger
צִוֵּֽיתִי
(tsiveiti)
Ik heb bevolen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲנִי יָדַי (ani yadai), ‘Ik, Mijn handen’: een nadruk.

Wij laten het Hebreeuws zo staan.

צְבָאָם (tsiva’am), ‘hun leger’: de sterren en de hemelse machten (vergelijk Gen. 2:1).

13Ik heb hem opgewekt in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik effenen. Hij zal Mijn stad bouwen en Mijn ballingen laten gaan, niet voor een prijs en niet voor een geschenk, zegt Yahweh van de legermachten.”
אָנֹכִי֙
(anokhi)
Ik
הַעִירֹתִ֣הֽוּ
(hairotihu)
Ik heb hem opgewekt
בְצֶ֔דֶק
(betsedeq)
in gerechtigheid
וְכָל
(vekhal)
en alle
דְּרָכָ֖יו
(derakhav)
zijn wegen
אֲיַשֵּׁ֑ר
(ayasher)
Ik zal effenen
הֽוּא
(hu)
hij
יִבְנֶ֤ה
(yivne)
zal bouwen
עִירִי֙
(iri)
Mijn stad
וְגָלוּתִ֣י
(vegaluti)
en Mijn ballingen
יְשַׁלֵּ֔חַ
(yeshaleach)
zal laten gaan
לֹ֤א
(lo)
niet
בִמְחִיר֙
(bimchir)
voor een prijs
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
בְשֹׁ֔חַד
(beshochad)
voor een geschenk
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאֽוֹת
(tsevaot)
van de legermachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַעִירֹתִהוּ (ha’irotihu), ‘Ik heb hem opgewekt’: Yahweh heeft Kores doen opstaan.

Vergelijk 44:28.

בְּמְחִיר (bimchir), ‘voor een prijs’, en בְּשֹׁחַד (beshochad), ‘voor een geschenk’: Kores laat de ballingen gaan zonder losgeld of beloning.

אָמַר יְהוָה צְבָאוֹת (amar Yahweh Tsevaot), ‘zegt Yahweh van de legermachten’: wij zetten de formule in rood, omdat ze midden in Zijn eigen woorden staat.

Alleen in jou is El

14Zo zegt Yahweh: „De opbrengst van Egypte en de handelswaar van Kush, en de Sebaïeten, mannen van gestalte, zullen naar je overkomen en van jou zijn. Zij zullen achter je aan lopen; in boeien zullen zij overkomen. Zij zullen zich voor je neerbuigen en tot je bidden: ‘Alleen in jou is El, en er is geen ander. Er is geen andere Elohim.’”
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יְגִ֨יעַ
(yegia)
de opbrengst van
מִצְרַ֥יִם
(mitsrayim)
Egypte
וּֽסְחַר
(usechar)
en handelswaar van
כּוּשׁ֮
(kush)
Kush
וּסְבָאִים֮
(usevaim)
en de Sebaïeten
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
מִדָּה֒
(mida)
gestalte
עָלַ֤יִךְ
(alayikh)
naar je
יַעֲבֹ֨רוּ֙
(yaavoru)
zullen overkomen
וְלָ֣ךְ
(velakh)
en van jou
יִֽהְי֔וּ
(yihyu)
zullen zijn
אַחֲרַ֣יִךְ
(acharayikh)
achter je
יֵלֵ֔כוּ
(yelekhu)
zullen lopen
בַּזִּקִּ֖ים
(baziqim)
in boeien
יַעֲבֹ֑רוּ
(yaavoru)
zullen overkomen
וְאֵלַ֤יִךְ
(veelayikh)
en naar je
יִֽשְׁתַּחֲוּוּ֙
(yishtachauu)
zullen zich neerbuigen
אֵלַ֣יִךְ
(elayikh)
tot je
יִתְפַּלָּ֔לוּ
(yitpalalu)
zullen bidden
אַ֣ךְ
(akh)
alleen
בָּ֥ךְ
(bakh)
in jou
אֵ֛ל
(el)
El
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
ע֖וֹד
(od)
meer
אֶ֥פֶס
(efes)
niets
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan.

Uitleg

יְגִיעַ (yegia), ‘opbrengst’: letterlijk ‘wat door arbeid verworven is’.

סְחַר (sechar), ‘handelswaar’.

סְבָאִים (Seva’im), ‘Sebaïeten’: het volk van Seba (zie 43:3). אַנְשֵׁי מִדָּה (anshei middah), ‘mannen van gestalte’: letterlijk ‘mannen van maat’. Het gaat om lange mannen.

אֶפֶס (efes), ‘helemaal niet’: wij vertalen ‘er is geen andere Elohim’.

15Waarlijk, U bent een El die Zich verborgen houdt, Elohim van Israël, Redder.
אָכֵ֕ן
(akhen)
waarlijk
אַתָּ֖ה
(ata)
U
אֵ֣ל
(el)
bent een El
מִסְתַּתֵּ֑ר
(mistater)
die Zich verbergt
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מוֹשִֽׁיעַ
(moshia)
Redder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵל מִסְתַּתֵּר (El mistatter), ‘een El die Zich verborgen houdt’: Yahweh is niet altijd zichtbaar.

Dit is een woord van de profeet tot Yahweh: daarom ‘U’ en zwart.

Vergelijk Deut. 31:17–18.

16Zij worden beschaamd en zelfs vernederd, allen samen. In schande gaan zij heen, de makers van beelden.
בּ֥וֹשׁוּ
(boshu)
zij worden beschaamd
וְגַֽם
(vegam)
en ook
נִכְלְמ֖וּ
(nikhlemu)
zij worden vernederd
כֻּלָּ֑ם
(kulam)
allen
יַחְדָּו֙
(yachdav)
samen
הָלְכ֣וּ
(halekhu)
zij gaan
בַכְּלִמָּ֔ה
(bakelima)
in schande
חָרָשֵׁ֖י
(charashei)
makers van
צִירִֽים
(tsirim)
beelden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צִירִים (tsirim), ‘beelden’: het woord is zeldzaam.

Het kan ook ‘vormen’ betekenen (van het werkwoord ‘vormen’).

Dan zijn het de maakwerken van de beeldenmakers.

17Israël wordt door Yahweh gered, met een redding voor eeuwig. Jullie worden niet beschaamd en niet vernederd, voor eeuwig en altijd.
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
נוֹשַׁ֣ע
(nosha)
wordt gered
בַּיהוָ֔ה
(baYahweh)
door Yahweh
תְּשׁוּעַ֖ת
(teshuat)
redding van
עוֹלָמִ֑ים
(olamim)
eeuwigheden
לֹא
(lo)
niet
תֵבֹ֥שׁוּ
(tevoshu)
jullie worden beschaamd
וְלֹא
(velo)
en niet
תִכָּלְמ֖וּ
(tikalemu)
jullie worden vernederd
עַד
(ad)
tot
ע֥וֹלְמֵי
(olemei)
eeuwigheden van
עַֽד
(ad)
altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּשׁוּעַת עוֹלָמִים (teshu’at olamim), ‘een redding voor eeuwig’: letterlijk ‘een redding van eeuwigheden’.

Er is geen andere Elohim

18Want zo zegt Yahweh, die de hemel geschapen heeft. Hij is de Elohim, die de aarde gevormd en gemaakt heeft. Hij heeft haar gegrondvest, en Hij heeft haar niet als woeste leegte geschapen. Hij heeft haar gevormd om bewoond te worden: „Ik ben Yahweh, en er is geen ander.
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָֽמַר
(amar)
zegt
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
בּוֹרֵ֨א
(bore)
die schept
הַשָּׁמַ֜יִם
(hashamayim)
de hemel
ה֣וּא
(hu)
Hij
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
de Elohim
יֹצֵ֨ר
(yotser)
die vormt
הָאָ֤רֶץ
(haarets)
de aarde
וְעֹשָׂהּ֙
(veosah)
en die maakt haar
ה֣וּא
(hu)
Hij
כֽוֹנְנָ֔הּ
(konenah)
heeft haar gegrondvest
לֹא
(lo)
niet
תֹ֥הוּ
(tohu)
als woeste leegte
בְרָאָ֖הּ
(beraah)
Hij heeft haar geschapen
לָשֶׁ֣בֶת
(lashevet)
om bewoond te worden
יְצָרָ֑הּ
(yetsarah)
Hij heeft haar gevormd
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֹהוּ (tohu), ‘woeste leegte’: hetzelfde woord als in Gen. 1:2 en Deut. 32:10.

Elohim heeft de aarde niet als leegte gemaakt, maar om te bewonen.

הוּא הָאֱלֹהִים (hu ha’Elohim), ‘Hij is de Elohim’: Yahweh, de Schepper, is de enige Elohim. De aanhef loopt in het Hebreeuws als één lange zin tot ‘Ik ben Yahweh’; wij splitsen hem in korte zinnen.

19Ik heb niet in het verborgen gesproken, op een plaats in een land van duisternis. Ik heb tegen het nageslacht van Jakob niet gezegd: ‘Zoek Mij tevergeefs.’ Ik, Yahweh, spreek gerechtigheid en maak bekend wat recht is.
לֹ֧א
(lo)
niet
בַסֵּ֣תֶר
(baseter)
in het verborgen
דִּבַּ֗רְתִּי
(dibarti)
Ik heb gesproken
בִּמְקוֹם֙
(bimqom)
op een plaats van
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
חֹ֔שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
לֹ֥א
(lo)
niet
אָמַ֛רְתִּי
(amarti)
Ik heb gezegd
לְזֶ֥רַע
(lezera)
tegen het nageslacht van
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
תֹּ֣הוּ
(tohu)
tevergeefs
בַקְּשׁ֑וּנִי
(baqeshuni)
zoekt Mij
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
דֹּבֵ֣ר
(dover)
spreker van
צֶ֔דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
מַגִּ֖יד
(magid)
verkondiger van
מֵישָׁרִֽים
(meisharim)
wat recht is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֹּהוּ (tohu), ‘tevergeefs’: hetzelfde woord als in vers 18, ‘leegte’.

Hier betekent het: voor niets, zonder doel.

מֵישָׁרִים (meisharim), ‘wat recht is’: het woord hoort bij יָשָׁר (yashar), ‘recht’.

20Verzamel jullie en kom. Treed samen naar voren, jullie die van de volken ontkomen zijn. Zij weten niets, die het hout van hun beeld dragen en bidden tot een god die niet redt.
הִקָּבְצ֥וּ
(hiqavetsu)
verzamelt u
וָבֹ֛אוּ
(vavou)
en komt
הִֽתְנַגְּשׁ֥וּ
(hitnageshu)
treedt naar voren
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
פְּלִיטֵ֣י
(pelitei)
ontkomenen van
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדְע֗וּ
(yadeu)
zij weten
הַנֹּֽשְׂאִים֙
(hanoseim)
die dragen
אֶת
(et)
(obj.)
עֵ֣ץ
(ets)
hout van
פִּסְלָ֔ם
(pislam)
hun beeld
וּמִתְפַּלְלִ֔ים
(umitpallim)
en die bidden
אֶל
(el)
tot
אֵ֖ל
(el)
een god
לֹ֥א
(lo)
niet
יוֹשִֽׁיעַ
(yoshia)
hij redt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פְּלִיטֵי הַגּוֹיִם (pelitei hagoyim), ‘wie van de volken ontkomen zijn’: overlevenden na het oordeel over de volken.

21Maak het bekend en breng het naar voren. Laten zij ook samen overleggen. Wie heeft dit van oudsher laten horen? Wie heeft het van toen af bekendgemaakt? Ben Ik het niet, Yahweh? Er is geen andere Elohim buiten Mij. Een rechtvaardige El en Redder, er is er geen behalve Ik.
הַגִּ֣ידוּ
(hagidu)
maakt bekend
וְהַגִּ֔ישׁוּ
(vehagishu)
en brengt naar voren
אַ֥ף
(af)
ook
יִֽוָּעֲצ֖וּ
(yivaatsu)
laten zij overleggen
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
samen
מִ֣י
(mi)
wie
הִשְׁמִיעַ֩
(hishmia)
heeft laten horen
זֹ֨את
(zot)
dit
מִקֶּ֜דֶם
(miqedem)
van oudsher
מֵאָ֣ז
(meaz)
van toen af
הִגִּידָ֗הּ
(higidah)
heeft het bekendgemaakt
הֲל֨וֹא
(halo)
is het niet
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְאֵֽין
(veein)
en niet is
ע֤וֹד
(od)
meer
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
מִבַּלְעָדַ֔י
(mibaladay)
buiten Mij
אֵֽל
(el)
een El
צַדִּ֣יק
(tsadiq)
rechtvaardige
וּמוֹשִׁ֔יעַ
(umoshia)
en Redder
אַ֖יִן
(ayin)
niet is
זוּלָתִֽי
(zulati)
behalve Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵל צַדִּיק וּמוֹשִׁיעַ (El tsaddiq umoshia), ‘een rechtvaardige El en Redder’: de woorden ‘rechtvaardig’ en ‘Redder’ horen bij elkaar.

Wend jullie naar Mij toe

22Wend jullie naar Mij toe en laat je redden, alle einden van de aarde. Want Ik ben El, en er is geen ander.
פְּנוּ
(penu)
wendt u
אֵלַ֥י
(elay)
naar Mij
וְהִוָּשְׁע֖וּ
(vehivasheu)
en laat u redden
כָּל
(kal)
alle
אַפְסֵי
(afsei)
einden van
אָ֑רֶץ
(arets)
aarde
כִּ֥י
(ki)
want
אֲנִי
(ani)
Ik
אֵ֖ל
(el)
El
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Bij Mijzelf heb Ik gezworen. Gerechtigheid is uit Mijn mond gegaan, een woord dat niet terugkeert: dat voor Mij elke knie zich zal buigen en elke tong zal zweren.”
בִּ֣י
(bi)
bij Mij
נִשְׁבַּ֔עְתִּי
(nishbati)
Ik heb gezworen
יָצָ֨א
(yatsa)
is uitgegaan
מִפִּ֧י
(mipi)
uit Mijn mond
צְדָקָ֛ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
דָּבָ֖ר
(davar)
een woord
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָשׁ֑וּב
(yashuv)
het keert terug
כִּי
(ki)
dat
לִי֙
(li)
voor Mij
תִּכְרַ֣ע
(tikhra)
zal zich buigen
כָּל
(kal)
elke
בֶּ֔רֶךְ
(berekh)
knie
תִּשָּׁבַ֖ע
(tishava)
zal zweren
כָּל
(kal)
elke
לָשֽׁוֹן
(lashon)
tong
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּי נִשְׁבַּעְתִּי (bi nishba’ti), ‘bij Mijzelf heb Ik gezworen’: zoals in Gen. 22:16.

Vergelijk Rom. 14:11 en Fil. 2:10–11.

24Alleen in Yahweh, zei men tegen mij, zijn gerechtigheid en kracht. Tot Hem zal men komen, en beschaamd worden allen die tegen Hem ontstoken waren.
אַ֧ךְ
(akh)
slechts
בַּיהוָ֛ה
(baYahweh)
in Yahweh
לִ֥י
(li)
tot mij
אָמַ֖ר
(amar)
hij zei
צְדָק֣וֹת
(tsedaqot)
gerechtigheden
וָעֹ֑ז
(vaoz)
en kracht
עָדָיו֙
(adav)
tot Hem
יָב֣וֹא
(yavo)
hij zal komen
וְיֵבֹ֔שׁוּ
(veyevoshu)
en zij worden beschaamd
כֹּ֖ל
(kol)
allen
הַנֶּחֱרִ֥ים
(hanecherim)
die ontstoken waren
בּֽוֹ
(bo)
tegen Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִי אָמַר (li amar), ‘zei men tegen mij’: letterlijk ‘Hij zei tegen mij’.

Wie spreekt, zegt het Hebreeuws niet.

Het kan ook ‘Over mij is gezegd’ zijn.

Dit vers is zwart, omdat het over Yahweh in de derde persoon spreekt.

צְדָקוֹת (tsedaqot), ‘gerechtigheid’: een meervoud, letterlijk ‘gerechtigheden’.

25In Yahweh zullen zij gelijk krijgen en zich beroemen, heel het nageslacht van Israël.
בַּיהוָ֛ה
(baYahweh)
in Yahweh
יִצְדְּק֥וּ
(yitsdequ)
zullen gelijk krijgen
וְיִֽתְהַלְל֖וּ
(veyithallu)
en zullen zich beroemen
כָּל
(kal)
alle
זֶ֥רַע
(zera)
nageslacht van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִצְדְּקוּ (yitsdequ), ‘zullen gelijk krijgen’: zie 43:9.