Handelingen 2
Pinksteren: de uitstorting van de Geest en de toespraak van Petrus
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Pinksteren: de Geest wordt uitgestort
πεντηκοστή (pentekoste), ‘Pinksteren’: letterlijk ‘de vijftigste (dag)’.
Het is het Joodse feest van de weken (Hebreeuws shavu’ot), vijftig dagen na het Pesach (Lev. 23:15–21).
Het wordt ook beschreven in Deut. 16:9–12 en Exod. 34:22. συμπληροῦσθαι (sympleroustai), ‘aanbrak’: letterlijk ‘vervuld werd’; de dag was gekomen. ἐπὶ τὸ αὐτό (epi to auto), ‘op dezelfde plaats’: letterlijk ‘op hetzelfde’.
De tekst zegt niet precies wie ‘zij allen’ zijn; vergelijk 1:13–15.
Zie ook Lev. 23:15–21; Deut. 16:9–12.
ἦχος (echos), ‘geluid’. πνοή (pnoe), ‘wind’: ook ‘adem’.
In het Hebreeuws en het Grieks betekent hetzelfde woord (ruach, pneuma) zowel ‘wind’ als ‘Geest’.
De tekst noemt ‘het huis’ en zegt niet welk huis; vergelijk 1:13.
ἑτέραις γλώσσαις (heterais glossais), ‘andere talen’: de Griekse tekst zegt dat zij in talen spraken die zij niet geleerd hadden; de menigte hoort dit in vers 6–11 als hun eigen taal. ἀποφθέγγεσθαι (apophthengesthai), ‘uitspreken’: indrukwekkend, vervuld spreken.
Zie ook Joël 3:1–5 (in de Nederlandse telling is dit 2:28–32); Luc. 24:49; Hand. 1:5.
De menigte is verbaasd
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
εὐλαβής (eulabes), ‘vroom’: iemand die Elohim met eerbied dient.
Het zijn Joden die in Jeruzalem wonen maar uit alle landen afkomstig zijn; zie de lijst in vers 9–11. ἔθνος (ethnos), ‘volk’.
φωνή (phone), ‘geluid’: ook ‘stem’.
Hier gaat het om het geluid uit vers 2 of om het spreken van de leerlingen. πλῆθος (plethos), ‘menigte’. συνεχύθη (synechythe), ‘raakte in verwarring’.
Γαλιλαῖοι (Galilaioi), ‘Galileeërs’: mensen uit Galilea, een streek waar men een eigen uitspraak had (vergelijk Matt. 26:73).
Zij verwonderen zich dat Galileeërs zoveel talen spreken.
Zie Parthië (ongeveer): Parthië was het rijk van de Parthen, dat in die tijd Iran en Irak besloeg; het oorspronkelijke Parthië lag ten zuidoosten van de Kaspische Zee.
De grenzen zijn niet scherp; dit punt is bij benadering.
Zie Medië (de Meden): Medië lag in het noordwesten van het huidige Iran.
De Meden zijn de bewoners van dat land.
Zie Elam (de Elamieten): Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.
De Elamieten zijn de bewoners van dat land.
Zie Mesopotamië (ongeveer): Mesopotamië is het land tussen de Eufraat en de Tigris, nu vooral Irak, met delen van Syrië en Turkije.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.
Het komt overeen met het oude Juda.
Zie Kappadocië (ongeveer): Kappadocië was het hoogland in het midden van het huidige Turkije.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Pontus (ongeveer): Pontus was de kuststreek aan de zuidkant van de Zwarte Zee, in het noorden van het huidige Turkije.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
De lijst van volken in vers 9–11 loopt van oost naar west: Parthen, Meden en Elamieten wonen oostelijk van het Romeinse rijk.
Het Grieks noemt ook Ἰουδαία (Ioudaia), ‘Judea’, tussen Mesopotamië en Kappadocië, wat opvallend is omdat Judea hun eigen land is; wij vertalen het zoals het staat. Ἀσία (Asia) is hier de Romeinse provincie Asia in het westen van het huidige Turkije.
Zie Frygië (ongeveer): Frygië was een streek in het westen en midden van het huidige Turkije.
De grenzen wisselden en zijn niet scherp.
Zie Pamfylië (ongeveer): Pamfylië was de kuststreek in het zuiden van het huidige Turkije, rond de baai van Antalya.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Libië (Cyrenaica; ongeveer): Met Libië bedoelt de tekst het gebied rond Cyrene, in het noordoosten van het huidige Libië.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Cyrene: Cyrene was de hoofdstad van Cyrenaica, in het noordoosten van het huidige Libië.
Er woonde een grote Joodse gemeenschap.
De streken van Libië bij Cyrene liggen ten westen van Egypte. ἐπιδημοῦντες (epidemountes), ‘verblijven’: mensen die in Jeruzalem op bezoek of tijdelijk gevestigd zijn.
Zie Kreta: Kreta is het grote eiland ten zuiden van de Egeïsche Zee, ongeveer 250 km lang.
Paulus voer er langs op weg naar Rome (Handelingen 27).
Zie Arabië (de Arabieren; ongeveer): Arabië is het woestijngebied ten oosten en zuiden van Israël.
Wat de tekst met de Arabieren precies bedoelt, is niet te zeggen; de grenzen zijn niet scherp.
προσήλυτος (proselytos), ‘proseliet’: iemand die uit de volken tot het jodendom is overgegaan.
Joden en proselieten staan hier bij elkaar. μεγαλεῖα (megaleia), ‘grote daden’: de machtige werken van Elohim; vergelijk Luc. 1:49, ‘de Machtige heeft grote dingen voor mij gedaan’.
διαπορέω (diaporeo), ‘geen raad weten’: niet weten wat men moet denken. τί θέλει τοῦτο εἶναι (ti thelei touto einai) is letterlijk ‘wat wil dit zijn’; wij schrijven ‘wat betekent dit’.
γλεῦκος (gleukos) is ‘most’ of jonge, zoete wijn; die kon nog sterk werken.
De spotters zeggen dat de leerlingen dronken zijn.
De toespraak van Petrus
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
De ‘elf’ zijn de apostelen met Matthias (1:26). ἀπεφθέγξατο (apephthenxato), ‘sprak uit’, is hetzelfde werkwoord als ‘uitspreken’ in vers 4: Petrus spreekt onder leiding van de Geest. ἐνωτίσασθε (enotisasthe), ‘luister goed’: letterlijk ‘neem in het oor’.
ὥρα τρίτη (hora trite), ‘het derde uur’: de uren van de dag werden geteld vanaf zonsopgang.
Het derde uur is dus ongeveer 9 uur ’s ochtends.
De profeet Joël: het citaat in vers 17–21 is Joël 3:1–5 (in de Nederlandse telling is dit 2:28–32).
Zie ook Joël 3:1–5.
Het Hebreeuws heeft ‘daarna’ (אַחֲרֵי־כֵן, acharei-chen); de Griekse tekst heeft ‘in de laatste dagen’ en voegt ‘zegt Elohim’ toe.
Het Hebreeuws noemt eerst de oude mannen en dan de jonge mannen; de Griekse tekst heeft de omgekeerde volgorde. πρεσβύτεροι (presbyteroi) is hier ‘oude mannen’, tegenover ‘jonge mannen’; elders in dit boek ‘ouderlingen’ (bijv. 11:30). σάρξ (sarx), ‘vlees’: alle mensen.
De uitstorting van de Geest over ‘alle vlees’ sluit aan bij de wens van Mozes in Num. 11:29.
Zie ook Joël 3:1–5; Num. 11:29.
Het Hebreeuws heeft ‘de dienaren’ en ‘de slavinnen’ zonder ‘Mijn’, en heeft niet de woorden ‘en zij zullen profeteren’; de Griekse tekst heeft beide. δοῦλος (doulos) vertalen wij ‘knecht’, δούλη (doule) ‘dienares’.
Het Hebreeuws heeft ‘Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde: bloed, vuur en zuilen van rook’.
De Griekse tekst voegt ‘boven’, ‘beneden’ en ‘tekenen’ toe en heeft ‘damp van rook’ (ἀτμίς, atmis) voor ‘zuilen van rook’. τέρας (teras), ‘wonder’; σημεῖον (semeion), ‘teken’.
κυρίου (kyriou) is hier vertaald als Yahweh, omdat het Hebreeuwse citaat יהוה heeft.
Het Hebreeuws heeft ‘de grote en vreeswekkende’ (נוֹרָא, nora); de Griekse tekst heeft ἐπιφανῆ (epiphane), ‘schitterende, in het oog vallende’.
κυρίου is hier vertaald als Yahweh (Hebreeuws יהוה).
Het Hebreeuws heeft ‘zal ontkomen’ (יִמָּלֵט, yimmalet); de Griekse tekst heeft σωθήσεται (sothesetai), ‘zal gered worden’.
Wij vertalen σῴζω overal met ‘redden’.
Het Hebreeuws gaat verder met ‘op de berg Sion en in Jeruzalem zullen er ontkomenen zijn’; Petrus houdt hier op.
Zie ook Joël 3:5; Rom. 10:13.
Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: iemand uit Nazaret (Matt. 2:23). ἀποδεδειγμένον (apodedeigmenon), ‘aangewezen’: openlijk aangetoond. δύναμις (dynamis), ‘kracht’; τέρας, ‘wonder’; σημεῖον, ‘teken’.
In het Grieks is Yeshua het voorwerp van ‘luister’; wij maken er een eigen zin van en voegen daarvoor ‘was’ toe.
Zie ook Luc. 24:19.
βουλή (boule), ‘plan’: wat Elohim besloten heeft; πρόγνωσις (prognosis), ‘voorkennis’.
Zie ook 4:28. ἄνομος (anomos), ‘wetteloze’: iemand zonder de wet van Mozes, dus meestal een niet-Jood; wij vertalen ‘wetelozen’ zoals in Luc. 22:37. προσπήγνυμι (prospegnymi), ‘vastnagelen’: aan het kruis.
Zie ook Luc. 22:22; Luc. 22:37.
ἀνέστησεν (anestesen), ‘liet opstaan’; wij vertalen ἀνίστημι zo en ἐγείρω (egeiro) met ‘opwekken’. ὠδῖνες (odines), ‘weeën’: barensweeën.
Ps. 18:5–6 (in de Nederlandse telling is dit 18:4–5) heeft in het Hebreeuws ‘touwen van de dood’ (חֶבְלֵי־מָוֶת, chevlei-mavet); het Hebreeuwse woord heeft ook de betekenis ‘weeën’.
Zie ook Ps. 18:5–6.
Dit is Ps. 16:8–11. κύριον (kyrion) is hier vertaald als Yahweh.
Het Hebreeuws heeft ‘Ik heb Yahweh altijd voor mij gesteld’; de Griekse tekst heeft προορώμην (prooromen), ‘ik zag voor mij’.
Petrus zegt dat David hier ‘over Hem’ spreekt, over de Messias (vers 31).
Zie ook Ps. 16:8–11.
Het Hebreeuws van Ps. 16:9 heeft ‘mijn eer jubelt’ (כְּבוֹדִי, kevodi); de Griekse tekst heeft ‘mijn tong jubelt’.
Het Hebreeuws heeft ‘mijn vlees zal in veiligheid wonen’; de Griekse tekst heeft ἐπ’ ἐλπίδι (ep elpidi), ‘in hoop’. κατασκηνόω (kataskenoo), ‘wonen’: letterlijk ‘een tent opslaan’.
ᾅδης (hades), ‘dodenrijk’; het Hebreeuws van Ps. 16:10 heeft ‘Sjeol’ (שְׁאוֹל). ὅσιος (hosios), ‘getrouwe’: het Hebreeuws heeft חָסִיד (chasid), ‘getrouwe’. διαφθορά (diaphthora), ‘ontbinding’, is ook ‘verderf’; het Hebreeuws heeft שַׁחַת (shachat), ‘kuil’.
Petrus legt het uit als: het lichaam van de Messias zou niet vergaan (vers 31).
Het Hebreeuws van Ps. 16:11 heeft ‘het pad van het leven’ (enkelvoud) en ‘verzadiging van vreugde’; de Griekse tekst heeft ‘wegen van het leven’ en ‘vervullen met blijdschap’ (εὐφροσύνη, euphrosyne).
De tekst eindigt hier bij het citaat; ‘voor altijd’ uit het Hebreeuws staat niet in de Griekse tekst.
Zie Graf van David (traditioneel; ligging onzeker): Het graf van David wordt van oudsher gezocht op de Sion, de zuidwestelijke heuvel van Jeruzalem.
Volgens 1 Koningen 2:10 werd David begraven in de stad van David.
De precieze plek is niet zeker.
παρρησία (parresia), ‘vrijmoedigheid’: openlijk en zonder angst spreken.
Wij vertalen dit woord overal zo (ook 4:13, 4:29, 4:31). πατριάρχης (patriarches), ‘aartsvader’: stamvader.
Het graf van David in Jeruzalem wordt genoemd in 1 Kon. 2:10.
Zie ook 1 Kon. 2:10.
Het Grieks zegt niet wie op de troon zou zitten; wij voegen ‘iemand’ toe.
Dit gaat terug op Ps. 132:11 (‘Een vrucht van je schoot zal Ik op je troon zetten’) en 2 Sam. 7:12–13. ὀσφύς (osphys), ‘lendenen’: de plaats van de voortplanting; het Hebreeuws van Ps. 132:11 heeft ‘schoot’.
Zie ook Ps. 132:11; 2 Sam. 7:12–13.
χριστός (christos), ‘Messias’: het woord betekent ‘gezalfde’; het is de vertaling van het Hebreeuwse מָשִׁיחַ (mashiach).
Wij schrijven overal ‘Messias’.
Petrus zegt dat David, doordat hij profeet was, de opstanding van de Messias voorzag.
μάρτυς (martys), ‘getuige’: zoals in 1:8 en 1:22.
τῇ δεξιᾷ (te dexia) kan ‘door de rechterhand’ of ‘aan de rechterhand’ betekenen.
Wij kiezen ‘door’; in vers 34 staat ‘aan Mijn rechterhand’. ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’: wij vertalen dit werkwoord overal zo, ook in Joh. 12:32. ἐπαγγελία, ‘belofte’: zie 1:4–5. ἐκχέω (ekcheo), ‘uitstorten’, is hetzelfde werkwoord als in vers 17.
Zie ook Luc. 24:49; Joh. 14:26.
Dit is Ps. 110:1.
Het Hebreeuws heeft ‘Uitspraak van Yahweh tot mijn Heer’ (Adonai); de Griekse tekst heeft ὁ κύριος τῷ κυρίῳ μου (ho kyrios to kyrio mou).
Wij vertalen het eerste κύριος als Yahweh en het tweede als ‘Heer’, zoals in Luc. 20:42.
Petrus zegt dat David niet naar de hemel opgestegen is; de psalm gaat dus niet over David zelf.
Zie ook Ps. 110:1; Matt. 22:44; Mark. 12:36; Luc. 20:42–43.
κύριος (kyrios) is hier de titel ‘Heer’ (met hoofdletter): Elohim heeft de gekruisigde Yeshua tot Heer en Messias gemaakt.
Het is geen citaat uit het Oude Testament.
Vergelijk Ps. 110:1 in vers 34. ἐσταυρώσατε (estaurosate), ‘gekruisigd hebt’: Petrus spreekt hier tot de bewoners van Jeruzalem.
De reactie van de menigte
κατενύγησαν (katenygesan), ‘werden getroffen’: letterlijk ‘doorstoken’.
Het gaat om diepe ontroering en schuldgevoel. ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: zie 1:15.
Het Grieks heeft bij Petrus geen werkwoord (‘Petrus … tot hen’); wij schrijven ‘zei’. μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’: van denken veranderen (zie Matt. 3:2). βαπτίζω (baptizo), ‘dopen’; βαπτισθήτω is lijdend: ‘laat zich dopen’. ἐπὶ τῷ ὀνόματι (epi to onomati) is letterlijk ‘op de naam’; elders staat ἐν τῷ ὀνόματι, ‘in de naam’ (bijv. 10:48). δωρεά (dorea), ‘gave’: een geschenk.
Zie ook Luc. 24:47; Mark. 1:4.
‘Allen die ver weg zijn’ (τοῖς εἰς μακράν) kan Joden in andere landen bedoelen of mensen uit de volken; vergelijk Jes. 57:19, ‘vrede voor wie ver is en voor wie dichtbij is’. κύριος ὁ θεὸς ἡμῶν is hier vertaald als ‘Yahweh, onze Elohim’, naar het Hebreeuwse יהוה אלהינו.
De woorden doen denken aan Joël 3:5, ‘zij die Yahweh roept’.
Zie ook Jes. 57:19; Joël 3:5.
διαμαρτύρομαι (diamartyromai), ‘ernstig getuigen’: plechtig verklaren. παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’: ook ‘vermanen, troosten’. σκολιός (skolios), ‘krom’: een beeld voor wie van het rechte pad af is; het komt uit Deut. 32:5, ‘een verdraaid en kronkelig geslacht’. γενεά (genea), ‘generatie’.
Zie ook Deut. 32:5.
De eerste gemeente in Jeruzalem
ψυχή (psyche), ‘ziel’: hier ‘persoon’, zoals het Hebreeuwse nefesj (Gen. 46:27).
Wij schrijven ‘mensen’.
Het getal 3000 is ‘ongeveer’ (ὡσεί, hosei).
διδαχή (didache), ‘onderwijs’. κοινωνία (koinonia), ‘gemeenschap’: samen delen. κλάσις τοῦ ἄρτου (klasis tou artou), ‘het breken van het brood’: de gewone maaltijd of de maaltijd van de Heer (Luc. 22:19; 24:30, 24:35).
Het Grieks zegt niet welke van de twee bedoeld is.
Het Grieks kan ook zo gelezen worden dat ‘gemeenschap’ en ‘het breken van het brood’ bij elkaar horen.
Zie ook Luc. 22:19; Luc. 24:35.
ἐπὶ τὸ αὐτό (epi to auto): zie vers 1.
Hier ‘bij elkaar’.
Zie ook Hand. 4:32–35.
κτῆμα (ktema), ‘bezit’: land en vast bezit; ὕπαρξις (hyparxis), ‘have’: roerende goederen.
Dit gebeurde vrijwillig, naar behoefte (vergelijk 4:34–35).
Zie ook Hand. 4:32–35.
ὁμοθυμαδόν (homothymadon), ‘eensgezind’: zie 1:14. κατ’ οἶκον (kat oikon) is ‘in de huizen’, van huis tot huis. ἀγαλλίασις (agalliasis), ‘jubel’; ἀφελότης (aphelotes), ‘eenvoud’: een eenvoudig, oprecht hart; het woord is zeldzaam.
χάρις (charis), ‘gunst’: hier de welwillendheid van het volk; wij vertalen χάρις elders met ‘genade’ of ‘dank’. ὁ κύριος (ho kyrios), ‘de Heer’: de Heer Yeshua; zie 1:21. ἐπὶ τὸ αὐτό (epi to auto), ‘op hetzelfde’, staat aan het eind van de zin.
Wij laten het in de tekst weg, omdat ‘aan hen toevoegen’ al zegt dat zij één groep werden; in de glosses staat het wel.