Jakobus 1
Beproevingen, wijsheid en volharding; horen en doen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aanhef
Ἰάκωβος (Iakobos), ‘Jakobus’: de Griekse vorm van Jakob.
In het Nieuwe Testament dragen meer mannen deze naam (Matt. 10:2–3; Hand. 12:2; 15:13).
De brief zegt niet welke Jakobus de schrijver is; hij noemt zich alleen ‘knecht’ (δοῦλος, doulos).
χαίρειν (chairein), ‘vreugde’ of ‘wees gegroet’: de gewone groet aan het begin van een Griekse brief. Het woord hoort bij χαρά (chara), ‘vreugde’, in vers 2. Vergelijk de groet in Hand. 15:23.
διασπορά (diaspora), ‘verstrooiing’: het wonen verspreid buiten het eigen land; vergelijk Joh. 7:35. De twaalf stammen zijn de twaalf stammen van Israël.
Zie ook Hand. 15:23; Joh. 7:35.
Beproevingen brengen volharding
ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat in de gemeente ook de zusters.
Wij houden ‘broers’, zoals in Handelingen; ἀδελφοί μου is ‘mijn broers’.
Waar het Grieks een broer of zuster als familie bedoelt, blijft het ‘broer’ of ‘zuster’ (zie 2:15).
πειρασμός (peirasmos), ‘beproeving’: het Griekse woord betekent zowel ‘beproeving’ als ‘verzoeking’. Wij vertalen het zelfstandig naamwoord met ‘beproeving’ en het werkwoord πειράζω (peirazo) met ‘op de proef stellen’ (1:13–14). ποικίλος (poikilos), ‘allerlei’: veelkleurig, van velerlei soort. πᾶσαν χαράν (pasan charan), letterlijk ‘alle vreugde’: volkomen vreugde.
δοκίμιον (dokimion), ‘toetsing’: het toetsen of iets echt is, en wat daaruit blijkt. ὑπομονή (hypomone), ‘volharding’: standvastig blijven onder druk; zie Luc. 8:15.
Zie ook Luc. 8:15.
τέλειος (teleios), ‘volmaakt’: volledig, tot het doel gekomen. ὁλόκληρος (holokleros), ‘volledig’: geheel, zonder gebrek.
Wijsheid vragen zonder te twijfelen
διακρίνομαι (diakrinomai), ‘twijfelen’: letterlijk ‘een onderscheid maken in zichzelf’.
Hetzelfde werkwoord staat in 2:4 (‘onderscheid maken’).
κύριος (kyrios): hier is de gever van de wijsheid bedoeld, dus Elohim (vers 5).
Wij schrijven daarom ‘Yahweh’.
Het Grieks kan ook de Heer Yeshua bedoelen.
δίψυχος (dipsychos), ‘met een verdeeld hart’: letterlijk ‘met twee zielen’; zie ook 4:8. ἀκατάστατος (akatastatos), ‘onstandvastig’: zonder vaste koers; zie 3:8.
Het Grieks heeft in dit vers geen werkwoord; wij voegen ‘is’ toe.
De nederige en de rijke
ταπεινός (tapeinos), ‘nederig’: laag, ook in rang of bezit. ὕψος (hypsos), ‘verhoging’: hoogte, verheven plaats; het werkwoord ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’, staat in 4:10. καυχάομαι (kauchaomai), ‘roemen’: zich beroemen op iets; hier in goede zin.
Het Grieks heeft in dit vers geen werkwoord; ‘moet roemen’ nemen wij uit vers 9. ταπείνωσις (tapeinosis), ‘vernedering’: het laag gemaakt worden.
De beelden van gras en bloem komen uit Jes. 40:6–8; vergelijk Ps. 103:15–16. In ons Hebreeuws staat in Jes. 40:6 ‘al zijn trouw is als de bloem van het veld’.
Zie ook Jes. 40:6–8; Ps. 103:15–16.
καύσων (kauson), ‘hitte’: een brandende hitte of hete wind. πορεία (poreia), ‘tocht’: de weg die iemand aflegt; hier ook zijn zaken en bezigheden. μαραίνω (maraino), ‘verwelken’: langzaam uitdoven, zoals een bloem.
Gelukkig wie volhardt
μακάριος (makarios), ‘gelukkig’: zie Matt. 5:3. ὑπομένω (hypomeno), ‘volharden’: hoort bij ὑπομονή in vers 3. δόκιμος (dokimos), ‘beproefd’: getoetst en echt gebleken. στέφανος (stephanos), ‘krans’: de krans van de overwinnaar.
Het Grieks noemt niet wie het beloofd heeft; vergelijk 2:5, waar dat Elohim is.
Zie ook Matt. 5:3.
Elohim stelt niemand met het kwade op de proef
πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’: hier in de zin van ‘tot het kwade verleiden’.
In vers 2 zijn het de beproevingen die het geloof toetsen; hier gaat het om de verzoeking tot kwaad.
Elohim doet dat niet.
ἀπείραστος (apeirastos), ‘niet op de proef te stellen’: een zeldzaam woord. Het kan ook ‘onervaren in het kwade’ betekenen; in beide gevallen heeft het kwade geen vat op Elohim.
ἐπιθυμία (epithymia), ‘begeerte’: sterk verlangen, hier naar wat niet mag. ἐξέλκω (exelko), ‘meesleuren’, en δελεάζω (deleazo), ‘lokken’: beelden van jacht en visvangst, waarin het dier met aas wordt gelokt.
Het beeld is dat van zwangerschap en geboorte: συλλαμβάνω (syllambano), ‘zwanger worden’, τίκτω (tikto), ‘baren’, en ἀποκυέω (apokyeo), ‘ter wereld brengen’.
Hetzelfde werkwoord staat in vers 18: de begeerte brengt de dood ter wereld, Elohim brengt ons ter wereld door het woord.
Elke goede gave komt van boven
πατὴρ τῶν φώτων (pater ton foton), ‘Vader van de lichten’: de lichten aan de hemel, zoals in Gen. 1:14–16.
Elohim verandert niet, anders dan zon, maan en sterren.
παραλλαγὴ ἢ τροπῆς ἀποσκίασμα (parallage e tropes aposkiasma): ‘verandering’ en ‘schaduw van wending’, een beeld uit de sterrenhemel.
Zie ook Gen. 1:14–16.
ἀπεκύησεν (apekyesen), ‘bracht ter wereld’: zie vers 15. ἀπαρχή (aparche), ‘eersteling’: het eerste deel van de opbrengst, dat aan Elohim wordt gegeven; vergelijk Lev. 23:10, ‘het eerste van jullie oogst’. τινα (tina), ‘een soort’: de eersteling is een voorbeeld van wat nog volgt.
Zie ook Lev. 23:10.
Snel om te horen, langzaam om te spreken
Ἴστε (iste) kan zowel ‘jullie weten’ als ‘weet’ zijn.
Wij kiezen de gebiedende wijs: ‘Weet het’.
δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’: het Griekse woord is rechterlijk; het hoort bij δικαιόω (dikaioo), ‘rechtvaardig verklaren’ in 2:21, 2:24 en 2:25. ἐργάζομαι (ergazomai), ‘tot stand brengen’: letterlijk ‘werken’.
ῥυπαρία (ryparia), ‘vuilheid’, en περισσεία (perisseia), ‘overmaat’. ἔμφυτος (emfytos), ‘ingeplant’: als een zaad in iemand gezet. πραΰτης (prautes), ‘zachtmoedigheid’: zie Matt. 5:5. ψυχή (psyche), ‘ziel’: ook ‘leven’ of ‘het hele wezen’.
Zie ook Matt. 5:5.
Daders van het woord
ποιητής (poietes), ‘dader’, en ἀκροατής (akroates), ‘hoorder’.
Het Grieks heeft hier een deelwoord: ‘terwijl zij zichzelf misleiden’.
Wij maken er een aparte zin van met ‘Anders’.
τὸ πρόσωπον τῆς γενέσεως (to prosopon tes geneseos), letterlijk ‘het gezicht van zijn geboorte’: het gezicht waarmee hij geboren is, zijn eigen natuurlijke gezicht. ἔσοπτρον (esoptron), ‘spiegel’: een gepolijste metalen plaat.
ὁποῖος ἦν (hopoios en), letterlijk ‘wat voor iemand hij was’.
Wij vertalen ‘hoe hij eruitzag’, omdat het beeld van de spiegel dat vraagt.
νόμος (nomos), ‘wet’: het Hebreeuwse woord tora (תּוֹרָה) betekent ‘onderwijs, instructie’.
Wij houden consequent ‘de wet’.
‘De wet van de vrijheid’ staat ook in 2:12; de ‘volmaakte wet’ is de wet die tot vrijheid leidt.
παρακύπτω (parakypto), ‘zich buigen om goed te kijken’: hetzelfde werkwoord staat in Joh. 20:5, waar iemand zich bukt om in het graf te kijken. ποίησις (poiesis), ‘doen’.
Zie ook Joh. 20:5.
Zuivere godsdienst
θρησκεία (threskeia), ‘godsdienst’: de uiterlijke uitoefening van vroomheid, zoals de eredienst; het woord staat ook in Hand. 26:5. χαλιναγωγέω (chalinagogeo), ‘beteugelen’: met een bit in bedwang houden; zie 3:2–3.
Zie ook Hand. 26:5.
Het Grieks heeft ‘bij de Elohim en Vader’ met één lidwoord; wij vertalen ‘bij Elohim, de Vader’. ἐπισκέπτομαι (episkeptomai), ‘bezoeken’: met zorg bezoeken, zich om iemand bekommeren; vergelijk Hand. 15:36. θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking’.
Wezen en weduwen staan in de wet onder Elohims bescherming.
Zie ook Exod. 22:21; Deut. 10:18; Ps. 68:6.