Elohim Bijbel

1 Samuël 7

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Mizpa en Ebenezer: Samuël als rechter

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De ark in het huis van Abinadab

1De mannen van Kirjat-Jearim kwamen en brachten de ark van Yahweh omhoog. Zij brachten haar naar het huis van Abinadab op de heuvel. Zijn zoon Eleazar heiligden zij om de ark van Yahweh te bewaren.
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en kwamen
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
de mannen van
קִרְיַ֣ת
(qiryat)
Kirjat
יְעָרִ֗ים
(yearim)
Jearim
וַֽיַּעֲלוּ֙
(vayaalu)
en brachten omhoog
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּבִ֣אוּ
(vayaviu)
en zij brachten
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
naar
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אֲבִינָדָ֖ב
(avinadav)
Abinadab
בַּגִּבְעָ֑ה
(bagiva)
op de heuvel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶלְעָזָ֤ר
(elazar)
Eleazar
בְּנוֹ֙
(beno)
zijn zoon
קִדְּשׁ֔וּ
(qideshu)
heiligden zij
לִשְׁמֹ֖ר
(lishmor)
om te bewaren
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֥וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kirjat-Jearim ligt waarschijnlijk bij Abu Gosh, ten westen van Jeruzalem, in Israël.

De ligging is niet helemaal zeker.

Uitleg

קִדְּשׁוּ (qiddeshu), ‘zij heiligden’: Eleazar wordt afgezonderd voor de zorg voor de ark.

Het huis van Abinadab komt ook voor in 2 Sam. 6:3.

2Vanaf de dag dat de ark in Kirjat-Jearim bleef, werden de dagen veel. Het werden 20 jaar. Heel het huis van Israël klaagde verlangend naar Yahweh.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het gebeurde
מִיּ֞וֹם
(miyom)
vanaf de dag
שֶׁ֤בֶת
(shevet)
het blijven van
הָֽאָרוֹן֙
(haaron)
de ark
בְּקִרְיַ֣ת
(beqiryat)
in Kirjat
יְעָרִ֔ים
(yearim)
Jearim
וַיִּרְבּוּ֙
(vayirbu)
en werden veel
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
וַיִּֽהְי֖וּ
(vayihyu)
en werden het
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וַיִּנָּה֛וּ
(vayinahu)
en klaagde
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
naar
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kirjat-Jearim: Kirjat-Jearim wordt gezocht bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem.

Uitleg

וַיִּנָּהוּ (vayyinnahu), ‘klaagde verlangend’: dit werkwoord komt zelden voor.

Het gaat om een klacht, een zoeken naar Yahweh vol verdriet.

De twintig jaar lopen vanaf de komst van de ark in Kirjat-Jearim.

Samuël roept Israël terug tot Yahweh

3Samuël zei tegen heel het huis van Israël. Hij zei: „Als jullie met heel jullie hart terugkeren naar Yahweh, doe dan de vreemde goden weg uit jullie midden, en de Astarten. Richt jullie hart op Yahweh en dien Hem alleen. Dan zal Hij jullie redden uit de hand van de Filistijnen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֗ל
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
אִם
(im)
als
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לְבַבְכֶ֗ם
(levavkhem)
jullie hart
אַתֶּ֤ם
(atem)
jullie
שָׁבִים֙
(shavim)
terugkeren
אֶל
(el)
naar
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הָסִ֜ירוּ
(hasiru)
doe weg
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהֵ֧י
(elohei)
de goden van
הַנֵּכָ֛ר
(hanekhar)
de vreemde
מִתּוֹכְכֶ֖ם
(mitokhekhem)
uit jullie midden
וְהָעַשְׁתָּר֑וֹת
(vehaashtarot)
en de Astarten
וְהָכִ֨ינוּ
(vehakhinu)
en richt
לְבַבְכֶ֤ם
(levavkhem)
jullie hart
אֶל
(el)
op
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְעִבְדֻ֣הוּ
(veivduhu)
en dien Hem
לְבַדּ֔וֹ
(levado)
alleen
וְיַצֵּ֥ל
(veyatsel)
en Hij zal redden
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

אֱלֹהֵי הַנֵּכָר (elohei hannekhar), ‘vreemde goden’: de goden van andere volken.

עַשְׁתָּרוֹת (ashtarot), ‘Astarten’: vrouwelijke godheden, naast Baäl (vers 4).

Terugkeren ‘met heel jullie hart’: zie Deut. 30:2.

4De zonen van Israël deden de Baäls en de Astarten weg. Zij dienden Yahweh alleen.
וַיָּסִ֨ירוּ֙
(vayasiru)
en deden weg
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּעָלִ֖ים
(habealim)
de Baäls
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעַשְׁתָּרֹ֑ת
(haashtarot)
de Astarten
וַיַּעַבְד֥וּ
(vayaavdu)
en dienden
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְבַדּֽוֹ
(levado)
alleen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Samuël zei: „Verzamel heel Israël in Mizpa. Dan zal ik voor jullie bidden tot Yahweh.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
קִבְצ֥וּ
(qivtsu)
verzamel
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
הַמִּצְפָּ֑תָה
(hamitspata)
naar Mizpa
וְאֶתְפַּלֵּ֥ל
(veetpalel)
en ik zal bidden
בַּעַדְכֶ֖ם
(baadkhem)
voor jullie
אֶל
(el)
tot
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

6Zij kwamen samen in Mizpa, schepten water en goten het uit voor het aangezicht van Yahweh. Die dag vastten zij. Zij zeiden daar: „Wij hebben gezondigd tegen Yahweh.” Samuël sprak recht over de zonen van Israël in Mizpa.
וַיִּקָּבְצ֣וּ
(vayiqavetsu)
en zij kwamen samen
הַ֠מִּצְפָּתָה
(hamitspata)
naar Mizpa
וַיִּֽשְׁאֲבוּ
(vayishavu)
en schepten
מַ֜יִם
(mayim)
water
וַֽיִּשְׁפְּכ֣וּ
(vayishpekhu)
en goten uit
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּצ֨וּמוּ֙
(vayatsumu)
en vastten
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
וַיֹּ֣אמְרוּ
(vayomru)
en zij zeiden
שָׁ֔ם
(sham)
daar
חָטָ֖אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
וַיִּשְׁפֹּ֧ט
(vayishpot)
en sprak recht
שְׁמוּאֵ֛ל
(shemuel)
Samuël
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בַּמִּצְפָּֽה
(bamitspa)
in Mizpa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Mizpa ligt waarschijnlijk bij Tel en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in de Palestijnse gebieden.

Een ander voorstel is Nebi Samwil.

Uitleg

וַיִּשְׁאֲבוּ מַיִם וַיִּשְׁפְּכוּ (vayyish’avu mayim vayyishpeku), ‘zij schepten water en goten het uit’: de betekenis van deze handeling is niet vastgesteld.

Het is waarschijnlijk een teken van berouw, een uitgieten van zichzelf voor Yahweh.

וַיִּשְׁפֹּט (vayyishpot), ‘sprak recht’: Samuël is hier rechter, zoals de rechters in het boek Richteren.

De Filistijnen trekken op naar Mizpa

7De Filistijnen hoorden dat de zonen van Israël zich in Mizpa hadden verzameld. De vorsten van de Filistijnen trokken op tegen Israël. De zonen van Israël hoorden het en kregen angst voor de Filistijnen.
וַיִּשְׁמְע֣וּ
(vayishmeu)
en hoorden
פְלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
de Filistijnen
כִּֽי
(ki)
dat
הִתְקַבְּצ֤וּ
(hitqabetsu)
zich hadden verzameld
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
הַמִּצְפָּ֔תָה
(hamitspata)
naar Mizpa
וַיַּעֲל֥וּ
(vayaalu)
en trokken op
סַרְנֵֽי
(sarnei)
de vorsten van
פְלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
de Filistijnen
אֶל
(el)
tegen
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַֽיִּשְׁמְעוּ֙
(vayishmeu)
en hoorden
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיִּֽרְא֖וּ
(vayiru)
en kregen angst
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor
פְלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

8De zonen van Israël zeiden tegen Samuël: „Zwijg niet voor ons. Blijf roepen tot Yahweh, onze Elohim. Dan redt Hij ons uit de hand van de Filistijnen.”
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
אַל
(al)
niet
תַּחֲרֵ֣שׁ
(tacharesh)
zwijg
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
voor ons
מִזְּעֹ֖ק
(mizeoq)
om te roepen
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וְיֹשִׁעֵ֖נוּ
(veyoshienu)
dat Hij ons redt
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

9Samuël nam een zuiglam en droeg het helemaal als brandoffer op aan Yahweh. Samuël riep om hulp tot Yahweh voor Israël. Yahweh antwoordde hem.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
שְׁמוּאֵ֗ל
(shemuel)
Samuël
טְלֵ֤ה
(tele)
zuiglam
חָלָב֙
(chalav)
melk
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וַיַּעֲלֵ֧הוּ
(vayaalehu)
en droeg het op
עוֹלָ֛ה
(ola)
als brandoffer
כָּלִ֖יל
(kalil)
geheel
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וַיִּזְעַ֨ק
(vayizaq)
en riep om hulp
שְׁמוּאֵ֤ל
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tot
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּעַ֣ד
(bead)
voor
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַֽיַּעֲנֵ֖הוּ
(vayaanehu)
en antwoordde hem
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טְלֵה חָלָב (teleh chalav), ‘zuiglam’: een lam dat nog melk drinkt.

עוֹלָה כָּלִיל (olah kalil), ‘geheel brandoffer’: het hele dier gaat in rook op. Zie Lev. 6:15 en Deut. 33:10.

10Terwijl Samuël het brandoffer opdroeg, kwamen de Filistijnen naderbij voor de strijd tegen Israël. Op die dag donderde Yahweh met groot geluid over de Filistijnen. Hij bracht hen in verwarring en zij werden verslagen voor het aangezicht van Israël.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het gebeurde
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
מַעֲלֶ֣ה
(maale)
opdragend
הָעוֹלָ֔ה
(haola)
het brandoffer
וּפְלִשְׁתִּ֣ים
(ufelishtim)
en de Filistijnen
נִגְּשׁ֔וּ
(nigeshu)
naderden
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
voor de strijd
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַיַּרְעֵ֣ם
(vayarem)
en Hij donderde
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּקוֹל
(beqol)
met geluid
גָּ֠דוֹל
(gadol)
groot
בַּיּ֨וֹם
(bayom)
op die
הַה֤וּא
(hahu)
dag
עַל
(al)
over
פְּלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיְהֻמֵּ֔ם
(vayhumem)
en bracht hen in verwarring
וַיִּנָּגְפ֖וּ
(vayinagefu)
en zij werden verslagen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

וַיַּרְעֵם (vayyar’em), ‘Hij donderde’: Yahweh laat zijn stem als donder horen.

וַיְהֻמֵּם (vayhummem), ‘bracht hen in verwarring’: zoals in Joz. 10:10.

11De mannen van Israël trokken uit Mizpa, achtervolgden de Filistijnen en sloegen hen tot onder Bet-Kar.
וַיֵּ֨צְא֜וּ
(vayetseu)
en trokken uit
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
de mannen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מִן
(min)
uit
הַמִּצְפָּ֔ה
(hamitspa)
Mizpa
וַֽיִּרְדְּפ֖וּ
(vayirdefu)
en achtervolgden
אֶת
(et)
(obj.)
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיַּכּ֕וּם
(vayakum)
en sloegen hen
עַד
(ad)
tot
מִתַּ֖חַת
(mitachat)
onder
לְבֵ֥ית
(leveit)
Bet
כָּֽר
(kar)
Kar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bet-Kar is onbekend.

De ligging is onzeker; het ligt ten westen van Mizpa, op de weg naar de kust.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Ebenezer: de steen van de hulp

12Samuël nam een steen en zette die tussen Mizpa en Sen. Hij gaf haar de naam Ebenezer en zei: „Tot hier heeft Yahweh ons geholpen.”
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
שְׁמוּאֵ֜ל
(shemuel)
Samuël
אֶ֣בֶן
(even)
steen
אַחַ֗ת
(achat)
één
וַיָּ֤שֶׂם
(vayasem)
en zette
בֵּֽין
(bein)
tussen
הַמִּצְפָּה֙
(hamitspa)
Mizpa
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הַשֵּׁ֔ן
(hashen)
Sen
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en noemde
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמָ֖הּ
(shemah)
haar naam
אֶ֣בֶן
(even)
Eben
הָעָ֑זֶר
(haazer)
Ezer
וַיֹּאמַ֕ר
(vayomar)
en zei
עַד
(ad)
tot
הֵ֖נָּה
(hena)
hier
עֲזָרָ֥נוּ
(azaranu)
heeft ons geholpen
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De ligging van Sen is onzeker.

Het ligt ergens ten westen van Mizpa.

Uitleg

אֶבֶן הָעֵזֶר (even ha-ezer), ‘steen van de hulp’: Samuël geeft de steen deze naam.

De plaatsnaam Ebenezer komt eerder voor in 1 Sam. 4:1 en 5:1.

13De Filistijnen werden onderworpen. Zij kwamen niet meer in het gebied van Israël. De hand van Yahweh was tegen de Filistijnen, alle dagen van Samuël.
וַיִּכָּֽנְעוּ֙
(vayikaneu)
en werden onderworpen
הַפְּלִשְׁתִּ֔ים
(hapelishtim)
de Filistijnen
וְלֹא
(velo)
en niet
יָסְפ֣וּ
(yasefu)
zij gingen verder
ע֔וֹד
(od)
meer
לָב֖וֹא
(lavo)
om te komen
בִּגְב֣וּל
(bigvul)
in het gebied van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַתְּהִ֤י
(vatehi)
en was
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בַּפְּלִשְׁתִּ֔ים
(bapelishtim)
tegen de Filistijnen
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
שְׁמוּאֵֽל
(shemuel)
Samuël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

וַיִּכָּנְעוּ (vayyikkane’u), ‘werden onderworpen’: de Filistijnen buigen onder de macht van Israël.

14De steden die de Filistijnen van Israël hadden genomen, kwamen terug bij Israël, van Ekron tot Gat. Ook hun gebied redde Israël uit de hand van de Filistijnen. Er was vrede tussen Israël en de Amoriet.
וַתָּשֹׁ֣בְנָה
(vatashovena)
en kwamen terug
הֶעָרִ֡ים
(hearim)
de steden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לָֽקְחוּ
(laqechu)
hadden genomen
פְלִשְׁתִּים֩
(pelishtim)
de Filistijnen
מֵאֵ֨ת
(meet)
van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
לְיִשְׂרָאֵל֙
(leyisrael)
bij Israël
מֵעֶקְר֣וֹן
(meeqron)
van Ekron
וְעַד
(vead)
en tot
גַּ֔ת
(gat)
Gat
וְאֶ֨ת
(veet)
en (obj.)
גְּבוּלָ֔ן
(gevulan)
hun gebied
הִצִּ֥יל
(hitsil)
redde
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en er was
שָׁל֔וֹם
(shalom)
vrede
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
הָאֱמֹרִֽי
(haemori)
de Amoriet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ekron ligt waarschijnlijk bij Tel Miqne en Gat bij Tel es-Safi, beide in Israël.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

הָאֱמֹרִי (ha’emori), ‘de Amoriet’: de bewoners van het bergland, hier als verzamelnaam voor de volken van Kanaän.

Samuël als rechter in Israël

15Samuël sprak recht over Israël, alle dagen van zijn leven.
וַיִּשְׁפֹּ֤ט
(vayishpot)
en sprak recht
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיָּֽיו
(chayav)
zijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Elk jaar ging hij rond langs Betel, Gilgal en Mizpa. Op al die plaatsen sprak hij recht over Israël.
וְהָלַ֗ךְ
(vehalakh)
en hij ging
מִדֵּ֤י
(midei)
elk
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
בְּשָׁנָ֔ה
(beshana)
in het jaar
וְסָבַב֙
(vesavav)
en ging rond
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵ֔ל
(el)
El
וְהַגִּלְגָּ֖ל
(vehagilgal)
en Gilgal
וְהַמִּצְפָּ֑ה
(vehamitspa)
en Mizpa
וְשָׁפַט֙
(veshafat)
en sprak recht
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַמְּקוֹמ֖וֹת
(hameqomot)
de plaatsen
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betel (Hebreeuws: Bet-El) ligt bij Beitin, in de Palestijnse gebieden.

De ligging van Gilgal is onzeker; het ligt waarschijnlijk in de buurt van Jericho.

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

17Hij keerde terug naar Rama, want daar was zijn huis. Daar sprak hij recht over Israël. Daar bouwde hij een altaar voor Yahweh.
וּתְשֻׁבָת֤וֹ
(uteshuvato)
en zijn terugkeer
הָרָמָ֨תָה֙
(haramata)
naar Rama
כִּֽי
(ki)
want
שָׁ֣ם
(sham)
daar
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
וְשָׁ֖ם
(vesham)
en daar
שָׁפָ֣ט
(shafat)
sprak hij recht
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּֽבֶן
(vayiven)
en bouwde
שָׁ֥ם
(sham)
daar
מִזְבֵּ֖חַ
(mizbeach)
altaar
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De ligging van Rama is onzeker.

Het ligt in het bergland van Efraïm, waarschijnlijk ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

Over de plaats waar Israël mag offeren staat de wet in Deut. 12:13–14.

Hier meldt de tekst alleen dat Samuël in Rama een altaar bouwde.