Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De ark in het huis van Abinadab
1De mannen van Kirjat-Jearim kwamen en brachten de ark van Yahweh omhoog. Zij brachten haar naar het huis van Abinadab op de heuvel. Zijn zoon Eleazar heiligden zij om de ark van Yahweh te bewaren.
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en kwamen
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
de mannen van
קִרְיַ֣ת
(qiryat)
Kirjat
יְעָרִ֗ים
(yearim)
Jearim
וַֽיַּעֲלוּ֙
(vayaalu)
en brachten omhoog
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּבִ֣אוּ
(vayaviu)
en zij brachten
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
naar
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אֲבִינָדָ֖ב
(avinadav)
Abinadab
בַּגִּבְעָ֑ה
(bagiva)
op de heuvel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶלְעָזָ֤ר
(elazar)
Eleazar
בְּנוֹ֙
(beno)
zijn zoon
קִדְּשׁ֔וּ
(qideshu)
heiligden zij
לִשְׁמֹ֖ר
(lishmor)
om te bewaren
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֥וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Kirjat-Jearim ligt waarschijnlijk bij Abu Gosh, ten westen van Jeruzalem, in Israël.
De ligging is niet helemaal zeker.
Uitleg
קִדְּשׁוּ (qiddeshu), ‘zij heiligden’: Eleazar wordt afgezonderd voor de zorg voor de ark.
Het huis van Abinadab komt ook voor in 2 Sam. 6:3.
3Samuël zei tegen heel het huis van Israël. Hij zei: „Als jullie met heel jullie hart terugkeren naar Yahweh, doe dan de vreemde goden weg uit jullie midden, en de Astarten. Richt jullie hart op Yahweh en dien Hem alleen. Dan zal Hij jullie redden uit de hand van de Filistijnen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֗ל
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
אִם
(im)
als
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לְבַבְכֶ֗ם
(levavkhem)
jullie hart
אַתֶּ֤ם
(atem)
jullie
שָׁבִים֙
(shavim)
terugkeren
אֶל
(el)
naar
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הָסִ֜ירוּ
(hasiru)
doe weg
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהֵ֧י
(elohei)
de goden van
הַנֵּכָ֛ר
(hanekhar)
de vreemde
מִתּוֹכְכֶ֖ם
(mitokhekhem)
uit jullie midden
וְהָעַשְׁתָּר֑וֹת
(vehaashtarot)
en de Astarten
וְהָכִ֨ינוּ
(vehakhinu)
en richt
לְבַבְכֶ֤ם
(levavkhem)
jullie hart
אֶל
(el)
op
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְעִבְדֻ֣הוּ
(veivduhu)
en dien Hem
לְבַדּ֔וֹ
(levado)
alleen
וְיַצֵּ֥ל
(veyatsel)
en Hij zal redden
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
אֱלֹהֵי הַנֵּכָר (elohei hannekhar), ‘vreemde goden’: de goden van andere volken.
6Zij kwamen samen in Mizpa, schepten water en goten het uit voor het aangezicht van Yahweh. Die dag vastten zij. Zij zeiden daar: „Wij hebben gezondigd tegen Yahweh.” Samuël sprak recht over de zonen van Israël in Mizpa.
וַיִּקָּבְצ֣וּ
(vayiqavetsu)
en zij kwamen samen
הַ֠מִּצְפָּתָה
(hamitspata)
naar Mizpa
וַיִּֽשְׁאֲבוּ
(vayishavu)
en schepten
מַ֜יִם
(mayim)
water
וַֽיִּשְׁפְּכ֣וּ
(vayishpekhu)
en goten uit
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּצ֨וּמוּ֙
(vayatsumu)
en vastten
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
וַיֹּ֣אמְרוּ
(vayomru)
en zij zeiden
שָׁ֔ם
(sham)
daar
חָטָ֖אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
וַיִּשְׁפֹּ֧ט
(vayishpot)
en sprak recht
שְׁמוּאֵ֛ל
(shemuel)
Samuël
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בַּמִּצְפָּֽה
(bamitspa)
in Mizpa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Mizpa ligt waarschijnlijk bij Tel en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in de Palestijnse gebieden.
Een ander voorstel is Nebi Samwil.
Uitleg
וַיִּשְׁאֲבוּ מַיִם וַיִּשְׁפְּכוּ (vayyish’avu mayim vayyishpeku), ‘zij schepten water en goten het uit’: de betekenis van deze handeling is niet vastgesteld.
Het is waarschijnlijk een teken van berouw, een uitgieten van zichzelf voor Yahweh.
וַיִּשְׁפֹּט (vayyishpot), ‘sprak recht’: Samuël is hier rechter, zoals de rechters in het boek Richteren.
7De Filistijnen hoorden dat de zonen van Israël zich in Mizpa hadden verzameld. De vorsten van de Filistijnen trokken op tegen Israël. De zonen van Israël hoorden het en kregen angst voor de Filistijnen.
וַיִּשְׁמְע֣וּ
(vayishmeu)
en hoorden
פְלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
de Filistijnen
כִּֽי
(ki)
dat
הִתְקַבְּצ֤וּ
(hitqabetsu)
zich hadden verzameld
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
הַמִּצְפָּ֔תָה
(hamitspata)
naar Mizpa
וַיַּעֲל֥וּ
(vayaalu)
en trokken op
סַרְנֵֽי
(sarnei)
de vorsten van
פְלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
de Filistijnen
אֶל
(el)
tegen
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַֽיִּשְׁמְעוּ֙
(vayishmeu)
en hoorden
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיִּֽרְא֖וּ
(vayiru)
en kregen angst
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor
פְלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.
8De zonen van Israël zeiden tegen Samuël: „Zwijg niet voor ons. Blijf roepen tot Yahweh, onze Elohim. Dan redt Hij ons uit de hand van de Filistijnen.”
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
אַל
(al)
niet
תַּחֲרֵ֣שׁ
(tacharesh)
zwijg
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
voor ons
מִזְּעֹ֖ק
(mizeoq)
om te roepen
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וְיֹשִׁעֵ֖נוּ
(veyoshienu)
dat Hij ons redt
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
10Terwijl Samuël het brandoffer opdroeg, kwamen de Filistijnen naderbij voor de strijd tegen Israël. Op die dag donderde Yahweh met groot geluid over de Filistijnen. Hij bracht hen in verwarring en zij werden verslagen voor het aangezicht van Israël.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het gebeurde
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
מַעֲלֶ֣ה
(maale)
opdragend
הָעוֹלָ֔ה
(haola)
het brandoffer
וּפְלִשְׁתִּ֣ים
(ufelishtim)
en de Filistijnen
נִגְּשׁ֔וּ
(nigeshu)
naderden
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
voor de strijd
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַיַּרְעֵ֣ם
(vayarem)
en Hij donderde
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּקוֹל
(beqol)
met geluid
גָּ֠דוֹל
(gadol)
groot
בַּיּ֨וֹם
(bayom)
op die
הַה֤וּא
(hahu)
dag
עַל
(al)
over
פְּלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיְהֻמֵּ֔ם
(vayhumem)
en bracht hen in verwarring
וַיִּנָּגְפ֖וּ
(vayinagefu)
en zij werden verslagen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
וַיַּרְעֵם (vayyar’em), ‘Hij donderde’: Yahweh laat zijn stem als donder horen.
וַיְהֻמֵּם (vayhummem), ‘bracht hen in verwarring’: zoals in Joz. 10:10.
13De Filistijnen werden onderworpen. Zij kwamen niet meer in het gebied van Israël. De hand van Yahweh was tegen de Filistijnen, alle dagen van Samuël.
וַיִּכָּֽנְעוּ֙
(vayikaneu)
en werden onderworpen
הַפְּלִשְׁתִּ֔ים
(hapelishtim)
de Filistijnen
וְלֹא
(velo)
en niet
יָסְפ֣וּ
(yasefu)
zij gingen verder
ע֔וֹד
(od)
meer
לָב֖וֹא
(lavo)
om te komen
בִּגְב֣וּל
(bigvul)
in het gebied van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַתְּהִ֤י
(vatehi)
en was
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בַּפְּלִשְׁתִּ֔ים
(bapelishtim)
tegen de Filistijnen
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
שְׁמוּאֵֽל
(shemuel)
Samuël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
וַיִּכָּנְעוּ (vayyikkane’u), ‘werden onderworpen’: de Filistijnen buigen onder de macht van Israël.
14De steden die de Filistijnen van Israël hadden genomen, kwamen terug bij Israël, van Ekron tot Gat. Ook hun gebied redde Israël uit de hand van de Filistijnen. Er was vrede tussen Israël en de Amoriet.
וַתָּשֹׁ֣בְנָה
(vatashovena)
en kwamen terug
הֶעָרִ֡ים
(hearim)
de steden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לָֽקְחוּ
(laqechu)
hadden genomen
פְלִשְׁתִּים֩
(pelishtim)
de Filistijnen
מֵאֵ֨ת
(meet)
van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
לְיִשְׂרָאֵל֙
(leyisrael)
bij Israël
מֵעֶקְר֣וֹן
(meeqron)
van Ekron
וְעַד
(vead)
en tot
גַּ֔ת
(gat)
Gat
וְאֶ֨ת
(veet)
en (obj.)
גְּבוּלָ֔ן
(gevulan)
hun gebied
הִצִּ֥יל
(hitsil)
redde
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
פְּלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en er was
שָׁל֔וֹם
(shalom)
vrede
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
הָאֱמֹרִֽי
(haemori)
de Amoriet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Ekron ligt waarschijnlijk bij Tel Miqne en Gat bij Tel es-Safi, beide in Israël.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
הָאֱמֹרִי (ha’emori), ‘de Amoriet’: de bewoners van het bergland, hier als verzamelnaam voor de volken van Kanaän.