Elohim Bijbel

Job 22

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Elifaz beschuldigt Job en roept hem tot bekering

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Elifaz beschuldigt Job

1Elifaz uit Teman nam het woord en zei:
וַ֭יַּעַן
(vayaan)
en antwoordde
אֱלִיפַ֥ז
(elifaz)
Elifaz
הַֽתֵּמָנִ֗י
(hatemani)
de Temaniet
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië).

Uitleg

Elifaz noemt Job voor het eerst concreet schuldig.

Er is in het boek nergens een aanwijzing dat Job deze dingen heeft gedaan; het zijn aannames die voortkomen uit de leer van vergelding: wie lijdt, moet zondig zijn.

Vergelijk hoofdstuk 31, waar Job zijn onschuld tegenover elk van deze beschuldigingen uitspreekt.

2„Kan een man El van nut zijn? Nee, de verstandige is alleen zichzelf tot nut.
הַלְאֵ֥ל
(halel)
aan El?
יִסְכָּן
(yiskan)
is van nut
גָּ֑בֶר
(gaver)
een man
כִּֽי
(ki)
dat
יִסְכֹּ֖ן
(yiskon)
is van nut
עָלֵ֣ימוֹ
(aleimo)
voor zichzelf
מַשְׂכִּֽיל
(maskil)
een verstandige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Heeft Shaddai er plezier in als jij rechtvaardig bent, of winst als je wegen onberispelijk zijn?
הַחֵ֣פֶץ
(hachefets)
is er lust
לְ֭שַׁדַּי
(leshaday)
voor Shaddai
כִּ֣י
(ki)
dat
תִצְדָּ֑ק
(titsdaq)
je rechtvaardig bent
וְאִם
(veim)
of
בֶּ֝֗צַע
(betsa)
winst
כִּֽי
(ki)
dat
תַתֵּ֥ם
(tatem)
je onberispelijk maakt
דְּרָכֶֽיךָ
(derakheikha)
je wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Straft Hij je om je ontzag, brengt Hij je daarom voor het gericht?
הֲֽ֭מִיִּרְאָ֣תְךָ
(hamiyiratekha)
vanwege je ontzag
יֹכִיחֶ֑ךָ
(yokhichekha)
straft Hij je
יָב֥וֹא
(yavo)
komt Hij
עִ֝מְּךָ֗
(imekha)
met jou
בַּמִּשְׁפָּֽט
(bamishpat)
in het gericht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Is je kwaad niet groot en zijn je schulden niet eindeloos?
הֲלֹ֣א
(halo)
niet?
רָעָֽתְךָ֣
(raatekha)
je kwaad
רַבָּ֑ה
(raba)
is groot
וְאֵֽין
(veein)
en niet is er
קֵ֝֗ץ
(qets)
einde
לַעֲוֺנֹתֶֽיךָ
(laavonoteikha)
aan je schulden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Je nam zonder reden pand van je broer en stroopte de kleren van naakten af.
כִּֽי
(ki)
want
תַחְבֹּ֣ל
(tachbol)
nam je pand van
אַחֶ֣יךָ
(acheikha)
je broer
חִנָּ֑ם
(chinam)
zonder reden
וּבִגְדֵ֖י
(uvigdei)
en kleren van
עֲרוּמִּ֣ים
(arumim)
naakten
תַּפְשִֽׁיט
(tafshit)
stroopte je af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Pand nemen van een arme en zijn kleed afnemen is in de wet verboden (Ex. 22:25–26; Deut. 24:12–13).

7Je gaf de vermoeide geen water te drinken, en de hongerige onthield je brood.
לֹא
(lo)
niet
מַ֭יִם
(mayim)
water
עָיֵ֣ף
(ayef)
de vermoeide
תַּשְׁקֶ֑ה
(tashqe)
gaf je te drinken
וּ֝מֵרָעֵ֗ב
(umeraev)
en van de hongerige
תִּֽמְנַֽע
(timna)
onthield je
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Maar de machtige man had het land, en de aanzienlijke woonde erin.
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en de man van
זְ֭רוֹעַ
(zeroa)
arm
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וּנְשׂ֥וּא
(unesu)
en de aanzienlijke
פָ֝נִ֗ים
(panim)
(van) gezicht
יֵ֣שֶׁב
(yeshev)
woonde
בָּֽהּ
(bah)
erin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Weduwen stuurde je met lege handen weg, en de armen van wezen werden vermorzeld.
אַ֭לְמָנוֹת
(almanot)
weduwen
שִׁלַּ֣חְתָּ
(shilachta)
stuurde je weg
רֵיקָ֑ם
(reiqam)
met lege handen
וּזְרֹע֖וֹת
(uzeroot)
en armen van
יְתֹמִ֣ים
(yetomim)
wezen
יְדֻכָּֽא
(yeduka)
werden vermorzeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Weduwen en wezen waren de zwakste leden van de samenleving.

De wet beschermt hen uitdrukkelijk (Ex. 22:21).

10Daarom zijn er strikken rondom je, en overvalt je plotseling angst,
עַל
(al)
daarom
כֵּ֭ן
(ken)
(zo)
סְבִיבוֹתֶ֣יךָ
(sevivoteikha)
rondom je
פַחִ֑ים
(pachim)
strikken
וִֽ֝יבַהֶלְךָ
(vivahelkha)
en doet je schrikken
פַּ֣חַד
(pachad)
angst
פִּתְאֹֽם
(pitom)
plotseling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11of duisternis, zodat je niets ziet, en een vloed van water bedekt je.
אוֹ
(o)
of
חֹ֥שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
לֹֽא
(lo)
niet
תִרְאֶ֑ה
(tire)
zie je
וְֽשִׁפְעַת
(veshifat)
en een vloed van
מַ֥יִם
(mayim)
water
תְּכַסֶּֽךָּ
(tekhaseka)
bedekt je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wat weet El?

12Is Eloah niet hoog in de hemel? Kijk naar de top van de sterren: hoe hoog!
הֲֽלֹא
(halo)
niet?
אֱ֭לוֹהַּ
(eloha)
Eloah
גֹּ֣בַהּ
(govah)
hoog van
שָׁמָ֑יִם
(shamayim)
hemel
וּרְאֵ֤ה
(uree)
en kijk
רֹ֖אשׁ
(rosh)
top van
כּוֹכָבִ֣ים
(kokhavim)
sterren
כִּי
(ki)
hoe
רָֽמּוּ
(ramu)
hoog zijn ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Maar jij zegt: ‘Wat weet El? Kan Hij door donkere wolken heen oordelen?
וְֽ֭אָמַרְתָּ
(veamarta)
en je zegt
מַה
(ma)
wat
יָּ֣דַֽע
(yada)
weet
אֵ֑ל
(el)
El
הַבְעַ֖ד
(havad)
door
עֲרָפֶ֣ל
(arafel)
donkere wolk
יִשְׁפּֽוֹט
(yishpot)
oordeelt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elifaz legt Job woorden in de mond die hij niet heeft gezegd: dat Elohim niets ziet door de wolken.

Job zegt het tegendeel: Hij ziet te veel (7:17–20).

14Wolken zijn een sluier voor Hem, zodat Hij niet ziet. Hij wandelt over de koepel van de hemel.’
עָבִ֣ים
(avim)
wolken
סֵֽתֶר
(seter)
een sluier
ל֭וֹ
(lo)
voor Hem
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִרְאֶ֑ה
(yire)
ziet Hij
וְח֥וּג
(vechug)
en de koepel van
שָׁ֝מַ֗יִם
(shamayim)
hemel
יִתְהַלָּֽךְ
(yithalakh)
wandelt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חוּג (chug), ‘koepel’ of ‘cirkel’, is het hemelgewelf (Jes. 40:22; Spr. 8:27).

15Wil je het oude pad bewaren dat de mensen van onrecht hebben betreden,
הַאֹ֣רַח
(haorach)
het pad
עוֹלָ֣ם
(olam)
van oudsher
תִּשְׁמֹ֑ר
(tishmor)
wil je bewaren
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
דָּרְכ֣וּ
(darekhu)
betraden
מְתֵי
(metei)
mensen van
אָֽוֶן
(aven)
onrecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16die voor hun tijd zijn weggerukt, wier fundament als een stroom is weggespoeld,
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
קֻמְּט֥וּ
(qumetu)
werden weggerukt
וְלֹא
(velo)
en niet
עֵ֑ת
(et)
tijd
נָ֝הָ֗ר
(nahar)
een stroom
יוּצַ֥ק
(yutsaq)
wordt uitgegoten
יְסוֹדָֽם
(yesodam)
hun fundament
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17die tegen El zeiden: ‘Ga weg van ons!’ en: ‘Wat kan Shaddai voor hen doen?’
הָאֹמְרִ֣ים
(haomerim)
die zeggen
לָ֭אֵל
(lael)
tot El
ס֣וּר
(sur)
ga weg
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
van ons
וּמַה
(uma)
en wat
יִּפְעַ֖ל
(yifal)
kan doen
שַׁדַּ֣י
(shaday)
Shaddai
לָֽמוֹ
(lamo)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elifaz herhaalt Jobs woorden uit 21:14–16, nu als bewijs tegen de goddelozen (en indirect tegen Job).

18Terwijl Hij hun huizen met goede dingen vulde? Maar de raad van de goddelozen is ver van mij.
וְה֤וּא
(vehu)
en Hij
מִלֵּ֣א
(mile)
vulde
בָתֵּיהֶ֣ם
(bateihem)
hun huizen
ט֑וֹב
(tov)
met goede dingen
וַעֲצַ֥ת
(vaatsat)
maar raad van
רְ֝שָׁעִ֗ים
(reshaim)
goddelozen
רָ֣חֲקָה
(rachaqa)
is ver
מֶֽנִּי
(meni)
van mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19De rechtvaardigen zien het en verheugen zich, en de onschuldige spot met hen:
יִרְא֣וּ
(yiru)
zien
צַדִּיקִ֣ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
וְיִשְׂמָ֑חוּ
(veyismachu)
en zijn blij
וְ֝נָקִ֗י
(venaqi)
en de onschuldige
יִלְעַג
(yilag)
spot
לָֽמוֹ
(lamo)
met hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20‘Is onze tegenstander niet vernietigd, en heeft vuur hun rijkdom niet verteerd?’
אִם
(im)
indien
לֹ֣א
(lo)
niet
נִכְחַ֣ד
(nikhchad)
is vernietigd
קִימָ֑נוּ
(qimanu)
onze tegenstander
וְ֝יִתְרָ֗ם
(veyitram)
en hun overschot
אָ֣כְלָה
(akhela)
heeft verteerd
אֵֽשׁ
(esh)
vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Keer terug tot Shaddai

21Raak toch vertrouwd met Hem en maak vrede. Daardoor zal er goeds voor je komen.
הַסְכֶּן
(hasken)
raak vertrouwd
נָ֣א
(na)
toch
עִמּ֑וֹ
(imo)
met Hem
וּשְׁלם
(ushelm)
en maak vrede
בָּ֝הֶ֗ם
(bahem)
daardoor
תְּֽבוֹאַתְךָ֥
(tevoatkha)
zal je opbrengst zijn
טוֹבָֽה
(tova)
goeds
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Neem toch onderricht aan uit Zijn mond en leg Zijn woorden in je hart.
קַח
(qach)
neem
נָ֣א
(na)
toch
מִפִּ֣יו
(mipiv)
uit Zijn mond
תּוֹרָ֑ה
(tora)
onderricht
וְשִׂ֥ים
(vesim)
en leg
אֲ֝מָרָ֗יו
(amarav)
Zijn woorden
בִּלְבָבֶֽךָ
(bilvavekha)
in je hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Als je terugkeert tot Shaddai, word je herbouwd. Als je onrecht uit je tent verwijdert,
אִם
(im)
indien
תָּשׁ֣וּב
(tashuv)
je terugkeert
עַד
(ad)
tot
שַׁ֭דַּי
(shaday)
Shaddai
תִּבָּנֶ֑ה
(tibane)
word je herbouwd
תַּרְחִ֥יק
(tarchiq)
indien je verwijdert
עַ֝וְלָ֗ה
(avla)
onrecht
מֵאָהֳלֶֽךָ
(meaholekha)
uit je tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Net als Zofar (11:13–19) en Bildad (8:5–7) roept Elifaz Job tot bekering op, met de belofte van herstel.

Hij legt zijn eigen leer uit: zondaars lijden, wie zich bekeert krijgt weer geluk.

24je goud in het stof legt en het goud van Ofir tussen de stenen van de beken,
וְשִׁית
(veshit)
en leg
עַל
(al)
op
עָפָ֥ר
(afar)
stof
בָּ֑צֶר
(batser)
goud
וּבְצ֖וּר
(uvetsur)
en tussen de rots van
נְחָלִ֣ים
(nechalim)
beken
אוֹפִֽיר
(ofir)
Ofir
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ofir (אוֹפִיר) was een land bekend om zijn goud (1 Kon. 9:28; 10:11).

De ligging is niet zeker: voorstellen zijn zuidwest-Arabië, Oost-Afrika (Somalië) en India.

Uitleg

Elifaz zegt: leg zelfs het beste goud weg, want Shaddai zal je goud zijn.

25dan is Shaddai je goud en je zilver in overvloed.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en zal zijn
שַׁדַּ֣י
(shaday)
Shaddai
בְּצָרֶ֑יךָ
(betsareikha)
je goud
וְכֶ֖סֶף
(vekhesef)
en zilver
תּוֹעָפ֣וֹת
(toafot)
overvloed
לָֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Want dan zul je je verlustigen in Shaddai en je gezicht opheffen tot Eloah.
כִּי
(ki)
want
אָ֭ז
(az)
dan
עַל
(al)
in
שַׁדַּ֣י
(shaday)
Shaddai
תִּתְעַנָּ֑ג
(titanag)
verlustig je je
וְתִשָּׂ֖א
(vetisa)
en hef je op
אֶל
(el)
tot
אֱל֣וֹהַּ
(eloha)
Eloah
פָּנֶֽיךָ
(paneikha)
je gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Je zult tot Hem bidden en Hij hoort je, en je geloften kun je inlossen.
תַּעְתִּ֣יר
(tatir)
je zult bidden
אֵ֭לָיו
(elav)
tot Hem
וְיִשְׁמָעֶ֑ךָּ
(veyishmaeka)
en Hij hoort je
וּנְדָרֶ֥יךָ
(unedareikha)
en je geloften
תְשַׁלֵּֽם
(teshalem)
betaal je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Wat je besluit, komt tot stand, en over je wegen zal licht schijnen.
וְֽתִגְזַר
(vetigzar)
en je besluit
א֭וֹמֶר
(omer)
een woord
וְיָ֣קָם
(veyaqam)
en het wordt bevestigd
לָ֑ךְ
(lakh)
voor jou
וְעַל
(veal)
en over
דְּ֝רָכֶ֗יךָ
(derakheikha)
je wegen
נָ֣גַֽהּ
(nagah)
schijnt
אֽוֹר
(or)
licht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Als ze naar beneden worden gedrukt, zeg je: ‘Omhoog!’ En wie de ogen neerslaat, redt Hij.
כִּֽי
(ki)
wanneer
הִ֭שְׁפִּילוּ
(hishpilu)
zij neergedrukt worden
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
dan zeg je
גֵּוָ֑ה
(geva)
omhoog
וְשַׁ֖ח
(veshach)
en wie neerslaat
עֵינַ֣יִם
(einayim)
de ogen
יוֹשִֽׁעַ
(yoshia)
redt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Hij redt zelfs wie niet onschuldig is. Die wordt gered door de reinheid van je handen.”
יְֽמַלֵּ֥ט
(yemalet)
redt Hij
אִֽי
(i)
niet
נָקִ֑י
(naqi)
onschuldige
וְ֝נִמְלַ֗ט
(venimlat)
en die wordt gered
בְּבֹ֣ר
(bevor)
door de reinheid van
כַּפֶּֽיךָ
(kapeikha)
je handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

אִי־נָקִי (i-naqi) kan ‘de niet-onschuldige’ zijn (zoals wij vertalen) of ‘het eiland van de onschuldige’ (אִי, i, is ook ‘eiland’).

In de tweede lezing: ‘Hij zal het eiland van de onschuldige redden’.

Wij kiezen de eerste.