Open in de app Alle boeken Job ← 21 23 → Job 22 Elifaz beschuldigt Job en roept hem tot bekering
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Elifaz beschuldigt Job 1 Elifaz uit Teman nam het woord en zei:
וַ֭יַּעַן
(vayaan)
en antwoordde
הַֽתֵּמָנִ֗י
(hatemani)
de Temaniet
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië).
Uitleg
Elifaz noemt Job voor het eerst concreet schuldig.
Er is in het boek nergens een aanwijzing dat Job deze dingen heeft gedaan; het zijn aannames die voortkomen uit de leer van vergelding: wie lijdt, moet zondig zijn.
Vergelijk hoofdstuk 31, waar Job zijn onschuld tegenover elk van deze beschuldigingen uitspreekt.
2 „Kan een man El van nut zijn? Nee, de verstandige is alleen zichzelf tot nut.
יִסְכָּן
(yiskan)
is van nut
יִסְכֹּ֖ן
(yiskon)
is van nut
עָלֵ֣ימוֹ
(aleimo)
voor zichzelf
מַשְׂכִּֽיל
(maskil)
een verstandige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3 Heeft Shaddai er plezier in als jij rechtvaardig bent, of winst als je wegen onberispelijk zijn?
הַחֵ֣פֶץ
(hachefets)
is er lust
לְ֭שַׁדַּי
(leshaday)
voor Shaddai
תִצְדָּ֑ק
(titsdaq)
je rechtvaardig bent
תַתֵּ֥ם
(tatem)
je onberispelijk maakt
דְּרָכֶֽיךָ
(derakheikha)
je wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4 Straft Hij je om je ontzag, brengt Hij je daarom voor het gericht?
הֲֽ֭מִיִּרְאָ֣תְךָ
(hamiyiratekha)
vanwege je ontzag
יֹכִיחֶ֑ךָ
(yokhichekha)
straft Hij je
בַּמִּשְׁפָּֽט
(bamishpat)
in het gericht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5 Is je kwaad niet groot en zijn je schulden niet eindeloos?
רָעָֽתְךָ֣
(raatekha)
je kwaad
וְאֵֽין
(veein)
en niet is er
לַעֲוֺנֹתֶֽיךָ
(laavonoteikha)
aan je schulden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6 Je nam zonder reden pand van je broer en stroopte de kleren van naakten af.
תַחְבֹּ֣ל
(tachbol)
nam je pand van
אַחֶ֣יךָ
(acheikha)
je broer
חִנָּ֑ם
(chinam)
zonder reden
וּבִגְדֵ֖י
(uvigdei)
en kleren van
עֲרוּמִּ֣ים
(arumim)
naakten
תַּפְשִֽׁיט
(tafshit)
stroopte je af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Pand nemen van een arme en zijn kleed afnemen is in de wet verboden (Ex. 22:25–26; Deut. 24:12–13).
7 Je gaf de vermoeide geen water te drinken, en de hongerige onthield je brood.
תַּשְׁקֶ֑ה
(tashqe)
gaf je te drinken
וּ֝מֵרָעֵ֗ב
(umeraev)
en van de hongerige
תִּֽמְנַֽע
(timna)
onthield je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8 Maar de machtige man had het land, en de aanzienlijke woonde erin.
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en de man van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וּנְשׂ֥וּא
(unesu)
en de aanzienlijke
פָ֝נִ֗ים
(panim)
(van) gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9 Weduwen stuurde je met lege handen weg, en de armen van wezen werden vermorzeld.
אַ֭לְמָנוֹת
(almanot)
weduwen
שִׁלַּ֣חְתָּ
(shilachta)
stuurde je weg
רֵיקָ֑ם
(reiqam)
met lege handen
וּזְרֹע֖וֹת
(uzeroot)
en armen van
יְדֻכָּֽא
(yeduka)
werden vermorzeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Weduwen en wezen waren de zwakste leden van de samenleving.
De wet beschermt hen uitdrukkelijk (Ex. 22:21).
10 Daarom zijn er strikken rondom je, en overvalt je plotseling angst,
סְבִיבוֹתֶ֣יךָ
(sevivoteikha)
rondom je
וִֽ֝יבַהֶלְךָ
(vivahelkha)
en doet je schrikken
פִּתְאֹֽם
(pitom)
plotseling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11 of duisternis, zodat je niets ziet, en een vloed van water bedekt je.
חֹ֥שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וְֽשִׁפְעַת
(veshifat)
en een vloed van
תְּכַסֶּֽךָּ
(tekhaseka)
bedekt je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Wat weet El? 12 Is Eloah niet hoog in de hemel? Kijk naar de top van de sterren: hoe hoog!
כּוֹכָבִ֣ים
(kokhavim)
sterren
רָֽמּוּ
(ramu)
hoog zijn ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 Maar jij zegt: ‘Wat weet El? Kan Hij door donkere wolken heen oordelen?
וְֽ֭אָמַרְתָּ
(veamarta)
en je zegt
עֲרָפֶ֣ל
(arafel)
donkere wolk
יִשְׁפּֽוֹט
(yishpot)
oordeelt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Elifaz legt Job woorden in de mond die hij niet heeft gezegd: dat Elohim niets ziet door de wolken.
Job zegt het tegendeel: Hij ziet te veel (7:17–20).
14 Wolken zijn een sluier voor Hem, zodat Hij niet ziet. Hij wandelt over de koepel van de hemel.’
וְח֥וּג
(vechug)
en de koepel van
שָׁ֝מַ֗יִם
(shamayim)
hemel
יִתְהַלָּֽךְ
(yithalakh)
wandelt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חוּג (chug), ‘koepel’ of ‘cirkel’, is het hemelgewelf (Jes. 40:22; Spr. 8:27).
15 Wil je het oude pad bewaren dat de mensen van onrecht hebben betreden,
תִּשְׁמֹ֑ר
(tishmor)
wil je bewaren
דָּרְכ֣וּ
(darekhu)
betraden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 die voor hun tijd zijn weggerukt, wier fundament als een stroom is weggespoeld,
קֻמְּט֥וּ
(qumetu)
werden weggerukt
יוּצַ֥ק
(yutsaq)
wordt uitgegoten
יְסוֹדָֽם
(yesodam)
hun fundament
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17 die tegen El zeiden: ‘Ga weg van ons!’ en: ‘Wat kan Shaddai voor hen doen?’
הָאֹמְרִ֣ים
(haomerim)
die zeggen
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
van ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Elifaz herhaalt Jobs woorden uit 21:14–16, nu als bewijs tegen de goddelozen (en indirect tegen Job).
18 Terwijl Hij hun huizen met goede dingen vulde? Maar de raad van de goddelozen is ver van mij.
בָתֵּיהֶ֣ם
(bateihem)
hun huizen
ט֑וֹב
(tov)
met goede dingen
וַעֲצַ֥ת
(vaatsat)
maar raad van
רְ֝שָׁעִ֗ים
(reshaim)
goddelozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19 De rechtvaardigen zien het en verheugen zich, en de onschuldige spot met hen:
צַדִּיקִ֣ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
וְיִשְׂמָ֑חוּ
(veyismachu)
en zijn blij
וְ֝נָקִ֗י
(venaqi)
en de onschuldige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20 ‘Is onze tegenstander niet vernietigd, en heeft vuur hun rijkdom niet verteerd?’
נִכְחַ֣ד
(nikhchad)
is vernietigd
קִימָ֑נוּ
(qimanu)
onze tegenstander
וְ֝יִתְרָ֗ם
(veyitram)
en hun overschot
אָ֣כְלָה
(akhela)
heeft verteerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Keer terug tot Shaddai 21 Raak toch vertrouwd met Hem en maak vrede. Daardoor zal er goeds voor je komen.
הַסְכֶּן
(hasken)
raak vertrouwd
וּשְׁלם
(ushelm)
en maak vrede
תְּֽבוֹאַתְךָ֥
(tevoatkha)
zal je opbrengst zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22 Neem toch onderricht aan uit Zijn mond en leg Zijn woorden in je hart.
מִפִּ֣יו
(mipiv)
uit Zijn mond
אֲ֝מָרָ֗יו
(amarav)
Zijn woorden
בִּלְבָבֶֽךָ
(bilvavekha)
in je hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23 Als je terugkeert tot Shaddai, word je herbouwd. Als je onrecht uit je tent verwijdert,
תָּשׁ֣וּב
(tashuv)
je terugkeert
תִּבָּנֶ֑ה
(tibane)
word je herbouwd
תַּרְחִ֥יק
(tarchiq)
indien je verwijdert
מֵאָהֳלֶֽךָ
(meaholekha)
uit je tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Net als Zofar (11:13–19) en Bildad (8:5–7) roept Elifaz Job tot bekering op, met de belofte van herstel.
Hij legt zijn eigen leer uit: zondaars lijden, wie zich bekeert krijgt weer geluk.
24 je goud in het stof legt en het goud van Ofir tussen de stenen van de beken,
וּבְצ֖וּר
(uvetsur)
en tussen de rots van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Ofir (אוֹפִיר ) was een land bekend om zijn goud (1 Kon. 9:28; 10:11).
De ligging is niet zeker: voorstellen zijn zuidwest-Arabië, Oost-Afrika (Somalië) en India.
Uitleg
Elifaz zegt: leg zelfs het beste goud weg, want Shaddai zal je goud zijn.
25 dan is Shaddai je goud en je zilver in overvloed.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en zal zijn
בְּצָרֶ֑יךָ
(betsareikha)
je goud
וְכֶ֖סֶף
(vekhesef)
en zilver
תּוֹעָפ֣וֹת
(toafot)
overvloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Want dan zul je je verlustigen in Shaddai en je gezicht opheffen tot Eloah.
תִּתְעַנָּ֑ג
(titanag)
verlustig je je
וְתִשָּׂ֖א
(vetisa)
en hef je op
פָּנֶֽיךָ
(paneikha)
je gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27 Je zult tot Hem bidden en Hij hoort je, en je geloften kun je inlossen.
תַּעְתִּ֣יר
(tatir)
je zult bidden
וְיִשְׁמָעֶ֑ךָּ
(veyishmaeka)
en Hij hoort je
וּנְדָרֶ֥יךָ
(unedareikha)
en je geloften
תְשַׁלֵּֽם
(teshalem)
betaal je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28 Wat je besluit, komt tot stand, en over je wegen zal licht schijnen.
וְֽתִגְזַר
(vetigzar)
en je besluit
וְיָ֣קָם
(veyaqam)
en het wordt bevestigd
דְּ֝רָכֶ֗יךָ
(derakheikha)
je wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29 Als ze naar beneden worden gedrukt, zeg je: ‘Omhoog!’ En wie de ogen neerslaat, redt Hij.
הִ֭שְׁפִּילוּ
(hishpilu)
zij neergedrukt worden
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
dan zeg je
וְשַׁ֖ח
(veshach)
en wie neerslaat
עֵינַ֣יִם
(einayim)
de ogen
יוֹשִֽׁעַ
(yoshia)
redt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30 Hij redt zelfs wie niet onschuldig is. Die wordt gered door de reinheid van je handen.”
יְֽמַלֵּ֥ט
(yemalet)
redt Hij
וְ֝נִמְלַ֗ט
(venimlat)
en die wordt gered
בְּבֹ֣ר
(bevor)
door de reinheid van
כַּפֶּֽיךָ
(kapeikha)
je handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
אִי־נָקִי (i-naqi) kan ‘de niet-onschuldige’ zijn (zoals wij vertalen) of ‘het eiland van de onschuldige’ (אִי , i, is ook ‘eiland’).
In de tweede lezing: ‘Hij zal het eiland van de onschuldige redden’.
Wij kiezen de eerste.