Vuur uit de cherubs over de stad en de heerlijkheid van Yahweh verlaat de drempel
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De troon boven de cherubs
1Ik keek, en zie, op het uitspansel boven het hoofd van de cherubs was iets als een saffier. Het zag eruit als een troon en het verscheen boven hen.
וָאֶרְאֶ֗ה
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
אֶל
(el)
op
הָרָקִ֨יעַ֙
(haraqia)
het uitspansel
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
עַל
(al)
boven
רֹ֣אשׁ
(rosh)
het hoofd van
הַכְּרֻבִ֔ים
(hakeruvim)
de cherubs
כְּאֶ֣בֶן
(keeven)
als een steen van
סַפִּ֔יר
(sapir)
saffier
כְּמַרְאֵ֖ה
(kemare)
als het uiterlijk van
דְּמ֣וּת
(demut)
de gedaante van
כִּסֵּ֑א
(kise)
een troon
נִרְאָ֖ה
(nira)
verscheen
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
boven hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הרקיע (haraqia), ‘het uitspansel’: de gewelfde plaat boven de hoofden van de levende wezens in Ezech. 1:22.
Daarboven zag Ezechiël een troon van saffier (Ezech. 1:26).
ספיר (sappir), ‘saffier’: een blauwe edelsteen, zoals het plaveisel onder de voeten van Elohim in Exod. 24:10.
De ‘cherubs’ zijn de levende wezens uit het eerste hoofdstuk; vers 15 en 20 zeggen dat uitdrukkelijk.
2Hij sprak tegen de man die in linnen gekleed was en zei: „Ga naar binnen, tussen het wielwerk, onder de cherub. Vul je handen met vurige kolen van tussen de cherubs en strooi ze uit over de stad.” De man ging naar binnen voor mijn ogen.
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tegen
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
לְבֻ֣שׁ
(levush)
gekleed in
הַבַּדִּ֗ים
(habadim)
het linnen
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en zei
בֹּא֩
(bo)
ga
אֶל
(el)
naar
בֵּינ֨וֹת
(beinot)
tussen
לַגַּלְגַּ֜ל
(lagalgal)
het wielwerk
אֶל
(el)
naar
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
לַכְּר֗וּב
(lakeruv)
de cherub
וּמַלֵּ֨א
(umale)
en vul
חָפְנֶ֤יךָ
(chafeneikha)
je handen
גַֽחֲלֵי
(gachalei)
kolen van
אֵשׁ֙
(esh)
vuur
מִבֵּינ֣וֹת
(mibeinot)
van tussen
לַכְּרֻבִ֔ים
(lakeruvim)
de cherubs
וּזְרֹ֖ק
(uzeroq)
en strooi uit
עַל
(al)
over
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij ging naar binnen
לְעֵינָֽי
(leeinay)
voor mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Wie spreekt, wordt niet genoemd: het is ‘Hij’.
Wij lezen dat als Yahweh, die vanaf de troon boven de cherubs spreekt, en zetten de woorden rood.
לגלגל (galgal), ‘wielwerk’: het woord betekent ‘rollend wiel’ en komt in vers 13 als naam voor de wielen terug. Het is een ander woord dan האופן (ha’ofan), ‘het wiel’, in vers 6.
חפניך (chofnayikh), ‘je beide handen’: de holle handen, vol genomen met kolen.
גחלי אשׁ (gachalei esh), ‘vurige kolen’. Het vuur, over de stad uitgestrooid, past bij het oordeel in hoofdstuk 9. Vergelijk Jes. 6:6, waar een gloeiende steen juist zuivert.
וזרק (uzraq), ‘strooi uit’: het werkwoord wordt ook gebruikt voor het sprenkelen van bloed (Lev. 1:5).
4De heerlijkheid van Yahweh steeg op van de cherub naar de drempel van het huis. Het huis werd vol van de wolk, en de voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van Yahweh.
וַיָּ֤רָם
(vayaram)
en verhief zich
כְּבוֹד
(kevod)
heerlijkheid van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מֵעַ֣ל
(meal)
van boven
הַכְּר֔וּב
(hakeruv)
de cherub
עַ֖ל
(al)
naar
מִפְתַּ֣ן
(miftan)
drempel van
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וַיִּמָּלֵ֤א
(vayimale)
en werd vol
הַבַּ֨יִת֙
(habayit)
het huis
אֶת
(et)
(obj.)
הֶ֣עָנָ֔ן
(heanan)
de wolk
וְהֶֽחָצֵר֙
(vehechatser)
en de voorhof
מָֽלְאָ֔ה
(malea)
was vol van
אֶת
(et)
(obj.)
נֹ֖גַהּ
(nogah)
glans van
כְּב֥וֹד
(kevod)
heerlijkheid van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De heerlijkheid van Yahweh verlaat de cherub en gaat naar de drempel, zoals in 9:3.
De wolk en de glans doen denken aan het moment waarop Yahweh in het huis kwam wonen (Exod. 40:34–35; 1 Kon. 8:10–11).
נגה (nogah), ‘glans’: het licht dat van Yahweh uitgaat.
6Hij beval de man die in linnen gekleed was: „Neem vuur van tussen het wielwerk, van tussen de cherubs.” De man ging naar binnen en bleef naast het wiel staan.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het gebeurde
בְּצַוֺּתוֹ֙
(betsavoto)
toen Hij beval
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֤ישׁ
(haish)
de man
לְבֻֽשׁ
(levush)
gekleed in
הַבַּדִּים֙
(habadim)
het linnen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
קַ֥ח
(qach)
neem
אֵשׁ֙
(esh)
vuur
מִבֵּינ֣וֹת
(mibeinot)
van tussen
לַגַּלְגַּ֔ל
(lagalgal)
het wielwerk
מִבֵּינ֖וֹת
(mibeinot)
van tussen
לַכְּרוּבִ֑ים
(lakeruvim)
de cherubs
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en hij ging naar binnen
וַֽיַּעֲמֹ֔ד
(vayaamod)
en hij ging staan
אֵ֖צֶל
(etsel)
naast
הָאוֹפָֽן
(haofan)
het wiel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit herhaalt de opdracht uit vers 2.
In het Hebreeuws begint de zin met ‘het gebeurde toen Hij beval’; wij splitsen hem.
Ook hier staat dat Hij (Yahweh) beveelt; de bevelswoorden zijn rood.
האופן (ha’ofan), ‘het wiel’: het woord voor de gewone wielen van de wagen, tegenover לגלגל (haggilgal), ‘wielwerk’.
7Een cherub stak zijn hand uit van tussen de cherubs naar het vuur dat tussen de cherubs was. De cherub nam ervan op en legde het in de handen van hem die in linnen gekleed was. De man nam het en ging naar buiten.
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en strekte uit
הַכְּר֨וּב
(hakeruv)
de cherub
אֶת
(et)
(obj.)
יָד֜וֹ
(yado)
zijn hand
מִבֵּינ֣וֹת
(mibeinot)
van tussen
לַכְּרוּבִ֗ים
(lakeruvim)
de cherubs
אֶל
(el)
naar
הָאֵשׁ֙
(haesh)
het vuur
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
בֵּינ֣וֹת
(beinot)
tussen
הַכְּרֻבִ֔ים
(hakeruvim)
de cherubs
וַיִּשָּׂא֙
(vayisa)
en hief op
וַיִּתֵּ֔ן
(vayiten)
en gaf
אֶל
(el)
in
חָפְנֵ֖י
(chafenei)
de handen van
לְבֻ֣שׁ
(levush)
gekleed in
הַבַּדִּ֑ים
(habadim)
het linnen
וַיִּקַּ֖ח
(vayiqach)
en hij nam
וַיֵּצֵֽא
(vayetse)
en hij ging naar buiten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Een cherub reikt het vuur aan.
Het vuur komt dus uit de troonwagen van Elohim.
Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij die in linnen gekleed was’; het woord ‘man’ staat er in dit vers niet. In de verzen 2, 6 en 7 schrijven wij waar het Hebreeuws alleen ‘hij’ heeft ‘de man’ of ‘de cherub’, om verwarring met Yahweh te voorkomen.
9Ik keek, en zie, vier wielen naast de cherubs: één wiel naast de ene cherub en één wiel naast de andere cherub. Het uiterlijk van de wielen was als de glans van een chrysoliet.
וָאֶרְאֶ֗ה
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
אַרְבָּעָ֣ה
(arbaa)
vier
אוֹפַנִּים֮
(ofanim)
wielen
אֵ֣צֶל
(etsel)
naast
הַכְּרוּבִים֒
(hakeruvim)
de cherubs
אוֹפַ֣ן
(ofan)
wiel
אֶחָ֗ד
(echad)
één
אֵ֚צֶל
(etsel)
naast
הַכְּר֣וּב
(hakeruv)
de cherub
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וְאוֹפַ֣ן
(veofan)
en wiel
אֶחָ֔ד
(echad)
één
אֵ֖צֶל
(etsel)
naast
הַכְּר֣וּב
(hakeruv)
de cherub
אֶחָ֑ד
(echad)
één
וּמַרְאֵה֙
(umare)
en het uiterlijk van
הָא֣וֹפַנִּ֔ים
(haofanim)
de wielen
כְּעֵ֖ין
(keein)
als de glans van
אֶ֥בֶן
(even)
steen
תַּרְשִֽׁישׁ
(tarshish)
chrysoliet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תרשׁישׁ (tarshish), ‘chrysoliet’: een edelsteen die waarschijnlijk goudgeel of groen glinsterde.
Dezelfde steen staat in Exod. 28:20 (‘chrysoliet’), maar zeker is de herkenning niet.
כעין (ke’ein), ‘als de glans van’: het woord betekent letterlijk ‘als het oog van’. Het kan ‘glans’ of ‘kleur’ betekenen.
11Als zij gingen, gingen zij naar hun vier kanten. Zij draaiden zich niet om als zij gingen. Want waarheen het hoofd zich richtte, daarheen gingen zij erachteraan. Zij draaiden zich niet om als zij gingen.
בְּלֶכְתָּ֗ם
(belekhtam)
bij hun gaan
אֶל
(el)
naar
אַרְבַּ֤עַת
(arbaat)
vier
רִבְעֵיהֶם֙
(riveihem)
hun kanten
יֵלֵ֔כוּ
(yelekhu)
zij gingen
לֹ֥א
(lo)
niet
יִסַּ֖בּוּ
(yisabu)
zij draaiden zich om
בְּלֶכְתָּ֑ם
(belekhtam)
bij hun gaan
כִּ֣י
(ki)
want
הַמָּק֞וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waarheen
יִפְנֶ֤ה
(yifne)
zich richtte
הָרֹאשׁ֙
(harosh)
het hoofd
אַחֲרָ֣יו
(acharav)
erachter
יֵלֵ֔כוּ
(yelekhu)
zij gingen
לֹ֥א
(lo)
niet
יִסַּ֖בּוּ
(yisabu)
zij draaiden zich om
בְּלֶכְתָּֽם
(belekhtam)
bij hun gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13De wielen werden in mijn oren ‘het wielwerk’ genoemd.
לָא֖וֹפַנִּ֑ים
(laofanim)
aan de wielen
לָהֶ֛ם
(lahem)
aan hen
קוֹרָ֥א
(qora)
is geroepen
הַגַּלְגַּ֖ל
(hagalgal)
het wielwerk
בְּאָזְנָֽי
(beazenay)
in mijn oren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הגלגל (haggilgal), ‘het wielwerk’: de tekst zegt letterlijk ‘aan de wielen – aan hen – werd geroepen: het wielwerk’.
Het kan een naam zijn die de wielen kregen, of een bevel dat tot hen gericht werd.
Wij kiezen de eerste lezing.
De vier gezichten
14Elk had vier gezichten. Het eerste gezicht was dat van een cherub en het tweede dat van een mens. Het derde was dat van een leeuw en het vierde dat van een arend.
וְאַרְבָּעָ֥ה
(vearbaa)
en vier
פָנִ֖ים
(panim)
gezichten
לְאֶחָ֑ד
(leechad)
voor elk
פְּנֵ֨י
(penei)
gezicht van
הָאֶחָ֜ד
(haechad)
de eerste
פְּנֵ֣י
(penei)
gezicht van
הַכְּר֗וּב
(hakeruv)
de cherub
וּפְנֵ֤י
(ufenei)
en gezicht van
הַשֵּׁנִי֙
(hasheni)
de tweede
פְּנֵ֣י
(penei)
gezicht van
אָדָ֔ם
(adam)
een mens
וְהַשְּׁלִישִׁי֙
(vehashelishi)
en de derde
פְּנֵ֣י
(penei)
gezicht van
אַרְיֵ֔ה
(arye)
een leeuw
וְהָרְבִיעִ֖י
(veharevii)
en de vierde
פְּנֵי
(penei)
gezicht van
נָֽשֶׁר
(nasher)
een arend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In Ezech. 1:10 staat op de plaats van het gezicht van de cherub het gezicht van een stier.
Hier heet dat gezicht ‘het gezicht van de cherub’.
15De cherubs stegen op. Dat is het levende wezen dat ik aan de rivier de Kebar had gezien.
וַיֵּרֹ֖מּוּ
(vayeromu)
en stegen op
הַכְּרוּבִ֑ים
(hakeruvim)
de cherubs
הִ֣יא
(hi)
zij
הַחַיָּ֔ה
(hachaya)
het levende wezen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
רָאִ֖יתִי
(raiti)
ik had gezien
בִּֽנְהַר
(binhar)
bij de rivier
כְּבָֽר
(kevar)
Kebar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel.
Daar woonden de ballingen met Ezechiël.
Uitleg
החיה (hachayyah), ‘het levende wezen’: de dieren uit het eerste hoofdstuk.
Het woord staat in het enkelvoud, als een verzamelnaam.
בנהר כבר (benahar Kevar), ‘aan de rivier de Kebar’: een kanaal in Babylonië, waar de ballingen woonden (Ezech. 1:1, 3:15).
16Als de cherubs gingen, gingen de wielen naast hen. Als de cherubs hun vleugels hieven om zich boven de aarde te verheffen, draaiden ook de wielen zich niet van hun zijde af.
וּבְלֶ֨כֶת֙
(uvelekhet)
en bij het gaan van
הַכְּרוּבִ֔ים
(hakeruvim)
de cherubs
יֵלְכ֥וּ
(yelekhu)
gingen
הָאוֹפַנִּ֖ים
(haofanim)
de wielen
אֶצְלָ֑ם
(etslam)
naast hen
וּבִשְׂאֵ֨ת
(uviset)
en bij het heffen van
הַכְּרוּבִ֜ים
(hakeruvim)
de cherubs
אֶת
(et)
(obj.)
כַּנְפֵיהֶ֗ם
(kanfeihem)
hun vleugels
לָרוּם֙
(larum)
om zich te verheffen
מֵעַ֣ל
(meal)
boven
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
לֹא
(lo)
niet
יִסַּ֧בּוּ
(yisabu)
draaiden zich om
הָאוֹפַנִּ֛ים
(haofanim)
de wielen
גַּם
(gam)
ook
הֵ֖ם
(hem)
zij
מֵאֶצְלָֽם
(meetslam)
van hun zijde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Als de cherubs bleven staan, bleven de wielen staan. Als zij zich verhieven, verhieven de wielen zich met hen. Want de geest van het levende wezen was in hen.
בְּעָמְדָ֣ם
(beamedam)
bij hun blijven staan
יַעֲמֹ֔דוּ
(yaamodu)
zij blijven staan
וּבְרוֹמָ֖ם
(uveromam)
en bij hun zich verheffen
יֵר֣וֹמּוּ
(yeromu)
zij verheffen zich
אוֹתָ֑ם
(otam)
met hen
כִּ֛י
(ki)
want
ר֥וּחַ
(ruach)
geest van
הַחַיָּ֖ה
(hachaya)
het levende wezen
בָּהֶֽם
(bahem)
in hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In dit vers zijn de onderwerpen niet genoemd.
Wij lezen: de cherubs blijven staan en de wielen staan stil; de cherubs stijgen op en de wielen stijgen met hen mee.
רוח החיה (ruach hachayyah), ‘de geest van het levende wezen’: het woord ruach is ‘geest’ of ‘wind’. De wielen bewegen mee met wat de cherubs drijft.
19De cherubs hieven hun vleugels op en stegen voor mijn ogen van de aarde op toen zij weggingen, met de wielen naast hen. Zij bleven staan bij de ingang van de oostpoort van het huis van Yahweh. De heerlijkheid van de Elohim van Israël was boven hen, van boven.
וַיִּשְׂא֣וּ
(vayisu)
en hieven op
הַכְּרוּבִ֣ים
(hakeruvim)
de cherubs
אֶת
(et)
(obj.)
כַּ֠נְפֵיהֶם
(kanfeihem)
hun vleugels
וַיֵּר֨וֹמּוּ
(vayeromu)
en stegen op
מִן
(min)
van
הָאָ֤רֶץ
(haarets)
de aarde
לְעֵינַי֙
(leeinay)
voor mijn ogen
בְּצֵאתָ֔ם
(betsetam)
bij hun uittocht
וְהָאֽוֹפַנִּ֖ים
(vehaofanim)
en de wielen
לְעֻמָּתָ֑ם
(leumatam)
naast hen
וַֽיַּעֲמֹ֗ד
(vayaamod)
en hij bleef staan
פֶּ֣תַח
(petach)
ingang van
שַׁ֤עַר
(shaar)
poort van
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הַקַּדְמוֹנִ֔י
(haqadmoni)
de oostelijke
וּכְב֧וֹד
(ukhevod)
en heerlijkheid van
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
boven hen
מִלְמָֽעְלָה
(milmaela)
van boven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הקדמוני (haqqadmoni), ‘de oostelijke’: de poort van het huis dat naar het oosten kijkt.
De heerlijkheid staat nu bij de uitgang van het terrein.
20Dat is het levende wezen dat ik onder de Elohim van Israël aan de rivier de Kebar had gezien. Ik wist dat het cherubs waren.
הִ֣יא
(hi)
zij
הַחַיָּ֗ה
(hachaya)
het levende wezen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
רָאִ֛יתִי
(raiti)
ik had gezien
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בִּֽנְהַר
(binhar)
bij de rivier
כְּבָ֑ר
(kevar)
Kebar
וָאֵדַ֕ע
(vaeda)
en ik wist
כִּ֥י
(ki)
dat
כְרוּבִ֖ים
(keruvim)
cherubs
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel.
Daar woonden de ballingen met Ezechiël.
Uitleg
Ezechiël begrijpt nu dat de levende wezens van het eerste hoofdstuk cherubs zijn: de wezens die ook in het heiligdom zijn afgebeeld (Exod. 25:18–20; 1 Kon. 6:23–28).
22De gedaante van hun gezichten: dat waren de gezichten die ik aan de rivier de Kebar had gezien, hun uiterlijk en zijzelf. Ieder ging in de richting van zijn gezicht.
וּדְמ֣וּת
(udemut)
en gedaante van
פְּנֵיהֶ֔ם
(peneihem)
hun gezichten
הֵ֣מָּה
(hema)
zij
הַפָּנִ֗ים
(hapanim)
de gezichten
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
רָאִ֨יתִי֙
(raiti)
ik had gezien
עַל
(al)
aan
נְהַר
(nehar)
rivier
כְּבָ֔ר
(kevar)
Kebar
מַרְאֵיהֶ֖ם
(mareihem)
hun uiterlijk
וְאוֹתָ֑ם
(veotam)
en henzelf
אִ֛ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
naar
עֵ֥בֶר
(ever)
de kant van
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
יֵלֵֽכוּ
(yelekhu)
zij gingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel.
Daar woonden de ballingen met Ezechiël.
Uitleg
ואותם (ve’otam), ‘en zijzelf’: de tekst benadrukt dat het dezelfde wezens zijn.
אל עבר פניו ילכו (el ever panav yelechu), ‘ieder ging in de richting van zijn gezicht’: zij gingen recht vooruit, zoals in 1:9 en 1:12.