Obadja 1
Het oordeel over Edom en de redding van Sion
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een bode tegen Edom
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
חֲזוֹן (chazon), ‘visioen’, en עֹבַדְיָה (Ovadyah), ‘Obadja’: de naam betekent ‘knecht van Yahweh’.
Het is een veelvoorkomende naam (1 Kon. 18:3).
Over de schrijver is verder niets bekend.
Het boek is het kortste van het Oude Testament.
אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: Adonai betekent ‘mijn Heer’. Als aanspreking en naam van Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’. Zie ook Jer. 1:6.
Obadja 1–9 loopt voor een deel parallel met Jer. 49:7–22. Waar het Hebreeuws gelijk is, staan dezelfde Nederlandse woorden. De verschillen staan bij de verzen.
שְׁמוּעָה שָׁמַעְנוּ (shemu'ah shamanu), ‘een bericht hebben wij gehoord’: de profeet spreekt hier namens een groep. In Jer. 49:14 staat ‘ik’. Wij zetten de inleiding en het bericht zwart, want Yahweh spreekt zelf pas vanaf vers 2 in de eerste persoon.
וְצִיר (vetsir), ‘en een bode’: een afgezant, die de volken oproept. In Jer. 49:14 staat shaluach, ‘gezonden’; hier staat shalach, dat wij op dezelfde manier lezen. Ook het gebod is anders: Obadja heeft ‘Sta op, en laten wij opstaan’ (qumu venaqumah), Jeremia ‘verzamel jullie en trek op’.
Edom wordt klein gemaakt
Dit vers komt vrijwel overeen met Jer. 49:15.
קָטֹן (qatan), ‘klein’: Edom, dat zichzelf groot waande, is klein onder de volken.
In Jeremia staat ‘veracht onder de mensen’, hier ‘je bent zeer veracht’ (בָּזוּי אַתָּה מְאֹד).
זְדוֹן לִבְּךָ הִשִּׁיאֶךָ (zedon libbekha hishi'ekha), ‘de overmoed van je hart heeft je misleid’: dezelfde woorden staan in Jer. 49:16, waar het begint met ‘de schrik die je inboezemt’.
Het werkwoord nasha betekent ‘bedriegen’ of ‘misleiden’.
שֹׁכְנִי בְחַגְוֵי סֶּלַע (shokhni bechagvei sela), ‘die woont in de kloven van de rots’: gelijk aan Jer. 49:16. Sela is ook de naam van een stad in Edom (2 Kon. 14:7); hier gaat het om ‘de rots’. Edom lag in een bergachtig gebied met rotswoningen.
Het vers springt van ‘jij’ naar ‘hij’ (מְרוֹם שִׁבְתּוֹ, ‘de hoogte van zijn woonplaats’). Dat doet ook het Hebreeuws. Wij laten dat zo.
נְאֻם יְהוָה (ne'um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profeten.
Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt, ook als een profeet het brengt.
Wij zetten de formule in rood wanneer ze midden in Zijn woorden staat.
Voor de volgende vermeldingen verwijzen wij naar dit vers.
Dit vers komt overeen met Jer. 49:16b. Jeremia heeft alleen ‘al maak je je nest zo hoog als een arend’. De woorden over de sterren staan daar niet; hier staat ‘al maak je het zo hoog als een arend, al zet je je nest tussen de sterren’.
כּוֹכָבִים (kokhavim), ‘sterren’: het hoogste dat een mens zich kan voorstellen. Vergelijk Jes. 14:13.
Edom wordt geplunderd
Dit vers is verwant aan Jer. 49:9, maar de zinnen zijn anders opgebouwd.
Obadja stelt twee vragen: stelen dieven niet slechts wat hun genoeg is, laten wijnplukkers niet een nalezing over?
Jeremia zegt het als stelling, met ‘richten schade aan’ (hishchitu) in plaats van ‘stelen’.
שׁוֹדְדֵי לַיְלָה (shoddei layla), ‘plunderaars in de nacht’: shod betekent ‘verwoesting’ of ‘plundering’.
נִדְמֵיתָה (nidmeita), ‘ben je vernietigd’: het werkwoord damah betekent hier ‘tot zwijgen gebracht worden’ of ‘vernietigd worden’. Het staat ook in Hos. 4:5.
דַּיָּם (dayyam), ‘wat hun genoeg is’: zoals in Jer. 49:9.
עֹלֵלוֹת (olelot), ‘nalezing’: zie Lev. 19:10 en Deut. 24:21.
Vergelijk Jer. 49:10 (‘Ik heb Ezau ontbloot, Ik heb zijn schuilplaatsen onthuld’).
Obadja gebruikt andere woorden: נֶחְפְּשׂוּ (nechpesu), ‘is doorzocht’, en נִבְעוּ (nivu), ‘zijn opgespoord’.
Het laatste woord is een zeldzame vorm; de betekenis ‘opgespoord’ of ‘uitgegraven’ is niet zeker.
מַצְפֻּנָיו (matspunav), ‘zijn verborgen schatten’: letterlijk ‘zijn verborgen dingen’.
כֹּל אַנְשֵׁי בְרִיתֶךָ (kol anshei veritekha), ‘al de mannen van je verbond’: je bondgenoten.
אַנְשֵׁי שְׁלֹמֶךָ (anshei shelomekha), ‘de mannen van je vrede’: wie met je in vrede leefde.
Zij verraden Edom.
מָזוֹר (mazor), ‘valstrik’: een zeldzaam woord. Het kan ook ‘wond’ betekenen (Hos. 5:13). De zin is moeilijk; ‘je brood’ zou kunnen wijzen op wie met je aan tafel zit.
אֵין תְּבוּנָה בּוֹ (ein tevunah bo), ‘er is geen inzicht in hem’: Edom, bekend om zijn wijsheid (Jer. 49:7), ziet het gevaar niet.
De wijzen van Edom verdwijnen
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Vergelijk Jer. 49:7 (‘Is er geen wijsheid meer in Teman?
Is de raad verloren gegaan?’).
In beide teksten staat het werkwoord avad, ‘verloren gaan’: hier וְהַאֲבַדְתִּי (veha'avadti), ‘en Ik doe verloren gaan’.
De woorden voor wijsheid verschillen: Jeremia heeft chokhmah en etsah, Obadja ‘wijzen’ (chakhamim) en ‘inzicht’ (tevunah).
מֵהַר עֵשָׂו (mehar Esav), ‘uit het gebergte van Ezau’: Ezau is de naam van het volk Edom; het gebergte is het bergland van Edom.
Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië).
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
וְחַתּוּ (vechatu), ‘ontzet zijn’: het werkwoord chatat.
Vergelijk Jer. 49:37 (‘Ik verschrik Elam’).
Teman, een stad of streek in Edom, bekend om zijn wijsheid (Jer. 49:7), staat voor Edom als geheel; zie ook Amos 1:12.
מִקָּטֶל (miqqatal), ‘door een slachting’: het woord staat in de Hebreeuwse tekst aan het einde van vers 9. Sommige vertalingen trekken het mee naar vers 10.
Het geweld tegen Jakob
מֵחֲמַס אָחִיךָ יַעֲקֹב (mechamas achikha Ya'aqov), ‘wegens het geweld aan je broer Jakob’: Ezau en Jakob waren tweelingbroers (Gen. 25:24–26).
Edom, het volk van Ezau, is verwant aan Israël.
Daardoor weegt de schuld zwaarder.
וְנִכְרַתָּ לְעוֹלָם (venikhrata le'olam), ‘je wordt uitgeroeid voor eeuwig’: olam vertalen wij steeds met ‘voor eeuwig’.
Vanaf dit vers volgt de reden van het oordeel (vers 10–14).
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
מִנֶּגֶד (mineged), ‘aan de overkant’: Edom stond erbij, zonder in te grijpen.
חֵילוֹ (chelo), ‘zijn vermogen’: het woord chayil kan ‘kracht’, ‘leger’ of ‘rijkdom’ betekenen.
Het Hebreeuws zegt niet welke gebeurtenis bedoeld is.
Vaak wordt het verbonden met de val van Jeruzalem in 2 Kon. 25.
Het lot werpen om het volk of de buit komt ook voor in Joël 4:3 (NL 3:3) en Nah. 3:10.
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) שְׁעָרָיו (she'arav), ‘zijn poorten’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘zijn poort’.
נָכְרוֹ (nokhro), ‘zijn ongeluk’: het woord is verwant aan nakar, ‘vreemd zijn’ of ‘verstoten worden’.
De betekenis ‘zijn ongeluk’ is onzeker.
אָבְדָם (avdam), ‘hun verderf’: van avad, ‘verloren gaan’ (zoals in vers 8).
תַּגְדֵּל פִּיךָ (tagdel pikha), ‘maak je mond niet groot’: schep niet op, spot niet.
In dit vers en in vers 13 staat ‘kijk met leedvermaak’ voor het werkwoord ra'ah (‘zien’), met het voorzetsel ‘op’. Het bedoelt zien met genoegen.
עַמִּי (ami), ‘Mijn volk’: het Hebreeuws zegt niet wie spreekt.
Wij nemen Yahweh als spreker, die Juda zo noemt.
Als de profeet spreekt, past ‘mijn volk’ ook.
אֵידָם (eidam) en אֵידוֹ (eido), ‘hun ondergang’, ‘zijn ondergang’: eid vertalen wij met ‘ondergang’, zoals in Jer. 49:8 en 49:32. Het staat in dit vers drie keer.
בְחֵילוֹ (bechelo), ‘naar zijn vermogen’: zie vers 11.
הַפֶּרֶק (happereq), ‘de kruising’: een zeldzaam woord, dat een splitsing van wegen of een doorgang kan betekenen.
Wie vluchtte, kwam daar langs.
פְּלִיטָיו (peletav), ‘zijn ontkomenen’ en שְׂרִידָיו (seridav), ‘zijn overlevenden’: twee verwante woorden voor wie aan de ramp ontsnapt.
תַּסְגֵּר (tasger), ‘lever uit’: het werkwoord sagar betekent ‘overleveren’ of ‘uitleveren’.
De dag van Yahweh
יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh ingrijpt en oordeelt.
Zie ook Joël 1:15 en Amos 5:18.
Dit vers is het keerpunt: het oordeel dat Edom treft, treft alle volken.
Wij schrijven ‘dag’ met kleine letter.
גְּמֻלְךָ (gemulkha), ‘wat je verdient’: letterlijk ‘je behandeling’, wat je anderen aandeed.
Het vers heeft Yahweh in de derde persoon, maar staat binnen dezelfde rode toespraak als vers 2–14 en vers 16.
שְׁתִיתֶם (shetitem), ‘jullie hebben gedronken’: het meervoud wijst op Juda en Jeruzalem, die ‘op Mijn heilige berg’ de beker van Yahweh’s toorn dronken.
Het beeld van de beker voor de volken staat ook in Jer. 49:12 en 25:15.
וְלָעוּ (vela'u), ‘en slurpen’: een zeldzaam woord, dat ook ‘stamelen’ of ‘wankelen’ kan betekenen. Zij drinken tot ze niet meer bestaan.
De berg Sion en het huis van Ezau
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
פְלֵיטָה (peletah), ‘ontkoming’: een plaats waar men aan het oordeel ontsnapt.
Op de berg Sion is redding te vinden.
מוֹרָשֵׁיהֶם (morashehem), ‘hun bezittingen’: sommige oude vertalingen lezen ‘hun bezitters’, wie hen eerder verdreven. In Jer. 49:2 staat ‘wie hem in bezit namen’.
Jakob en Jozef staan voor het zuidelijke en het noordelijke Israël (Jozef met Efraïm en Manasse, het Noordrijk).
Het huis van Ezau is Edom.
לְקַשׁ (leqash), ‘stoppels’: het droge stro dat achterblijft na de oogst en snel brandt (Exod. 15:7; Jes. 5:24).
שָׂרִיד (sarid), ‘overlevende’: iemand die aan de ramp ontkomt.
כִּי יְהוָה דִּבֵּר (ki Yahweh diber), ‘want Yahweh heeft gesproken’: een vaste afsluiting van een oordeel (Jes. 1:20; Joël 4:8, NL 3:8).
Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda.
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
הַנֶּגֶב (haNegev), ‘de Negev’: het droge zuiden van Juda.
וְהַשְּׁפֵלָה (hashfelah), ‘de Sefela’: het heuvelland tussen het gebergte van Juda en de kust, waar de Filistijnen woonden.
De zuidelijke Judeeërs (Negev) nemen Edom in bezit, de westelijke (Sefela) het land van de Filistijnen. ‘Het veld van Efraïm’ en ‘het veld van Samaria’ liggen in het noorden; Benjamin neemt Gilead aan de overkant van de Jordaan in bezit.
Zie Zarefat (Sarafand): Zarefat lag aan de kust tussen Tyrus en Sidon, bij het huidige Sarafand in Libanon.
Het hoorde bij Sidon.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Sefarad (Sardes?; ligging onzeker): De ligging van Sefarad is onzeker.
Meestal wordt gedacht aan Sardes, de hoofdstad van Lydië in het westen van het huidige Turkije.
Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.
Dit is een van de moeilijkste verzen van het boek.
Het Hebreeuws is kort en de bouw van de zin is onduidelijk.
הַחֵל הַזֶּה (hachel hazeh), ‘dit leger’: de betekenis van chel is onzeker; ook ‘wal’ of ‘vesting’ is mogelijk. Wij volgen ‘leger’.
צָרְפַת (Tsarefat), ‘Zarefat’: een stad aan de kust van Fenicië, ten zuiden van Sidon (1 Kon. 17:9–10).
בִּסְפָרַד (beSefarad), ‘in Sefarad’: de ligging is onbekend. In latere Joodse traditie wordt het met Spanje verbonden, maar in Obadja’s tijd is dat niet bewezen.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
מוֹשִׁעִים (moshi'im), ‘redders’: van yasha, ‘redden’ (hoshia).
Het kunnen leiders zijn die het volk redden, zoals de richters (Neh. 9:27).
לִשְׁפֹּט (lishpot), ‘richten’: recht spreken over het gebergte van Ezau.
וְהָיְתָה לַיהוָה הַמְּלוּכָה (vehayetah laYahweh hamelukhah), ‘en het koningschap zal van Yahweh zijn’: het boek eindigt met de heerschappij van Yahweh. Zie ook Ps. 22:29 (NL 22:28).