Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De slang
1De slang was listiger dan alle wilde dieren van het veld die Yahweh Elohim gemaakt had. Hij zei tegen de vrouw: „Heeft Elohim echt gezegd: ‘Jullie mogen van geen enkele boom in de tuin eten’?”
וְהַנָּחָשׁ֙
(vehanachash)
en de slang
הָיָ֣ה
(haya)
was
עָר֔וּם
(arum)
sluw
מִכֹּל֙
(mikol)
dan alle
חַיַּ֣ת
(chayat)
wilde dieren van
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָׂ֖ה
(asa)
maakte
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tegen
הָ֣אִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
אַ֚ף
(af)
ook
כִּֽי
(ki)
dat (samen: is het zo dat)
אָמַ֣ר
(amar)
zei
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹֽאכְל֔וּ
(tokhlu)
jullie zullen eten
מִכֹּ֖ל
(mikol)
van elke
עֵ֥ץ
(ets)
boom van
הַגָּֽן
(hagan)
de tuin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַנָּחָשׁ (hanachash), ‘de slang’, is hier een dier van het veld, door Yahweh Elohim gemaakt.
שָׂטָן (satan) betekent ‘tegenstander’; in het Grieks Σατανᾶς (Satanas), Openb. 12:9.
Later in de Schrift wordt de slang geïdentificeerd: ‘de oude slang, die de duivel en satan wordt genoemd’ (Openbaring 12:9; 20:2), en Yeshua noemt de duivel ‘een leugenaar vanaf het begin’ (Johannes 8:44).
Hier begint dat met een verdraaiing van wat Yahweh Elohim gezegd heeft: Hij zei ‘van alle bomen mag je eten, behalve één’ (2:16–17), de slang maakt er ‘van geen enkele boom’ van.
In zijn vraag noemt hij Hem alleen ‘Elohim’ en laat de naam Yahweh weg; zo laat hij de persoonlijke naam en het gezag van Yahweh, die de Schrift met Yeshua verbindt, buiten beeld.
De tekst zegt niets over een andere gedaante vóór de vloek in vers 14.
De slang verdraait het gebod, ontkent de dood en belooft dat zij als Elohim zullen worden.
De verteller noemt Yahweh Elohim; de slang noemt Hem alleen Elohim, en de vrouw volgt hem daarin (3:3).
Aanvullend
Jubileeën 3:17–19 laat de slang en de vrouw hetzelfde gesprek voeren.
3maar over de vrucht van de boom midden in de tuin heeft Elohim gezegd: ‘Jullie mogen er niet van eten. Jullie mogen hem niet aanraken, anders sterven jullie.’”
וּמִפְּרִ֣י
(umiperi)
en van de vrucht van
הָעֵץ֮
(haets)
de boom
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּתוֹךְ
(betokh)
midden in
הַגָּן֒
(hagan)
de tuin
אָמַ֣ר
(amar)
zei
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
לֹ֤א
(lo)
niet
תֹֽאכְלוּ֙
(tokhlu)
jullie zullen eten
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
ervan
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִגְּע֖וּ
(tigeu)
jullie zullen aanraken
בּ֑וֹ
(bo)
hem
פֶּן
(pen)
opdat niet
תְּמֻתֽוּן
(temutun)
jullie sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4De slang zei tegen de vrouw: „Jullie zullen zeker niet sterven,
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הַנָּחָ֖שׁ
(hanachash)
de slang
אֶל
(el)
tegen
הָֽאִשָּׁ֑ה
(haisha)
de vrouw
לֹֽא
(lo)
niet
מ֖וֹת
(mot)
sterven
תְּמֻתֽוּן
(temutun)
jullie zullen sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לֹא־מוֹת תְּמֻתוּן (lo mot temutun), ‘jullie zullen zeker niet sterven’, spreekt het woord van Yahweh Elohim in 2:17 (‘je zult zeker sterven’) rechtstreeks tegen.
Dit is de eerste leugen in de Schrift, uitgesproken door de slang, de duivel en satan: Yeshua noemt hem ‘een leugenaar vanaf het begin’ (Johannes 8:44).
5want Elohim weet dat jullie ogen opengaan wanneer jullie daarvan eten. Dan zijn jullie als Elohim, kenners van goed en kwaad.”
כִּ֚י
(ki)
want
יֹדֵ֣עַ
(yodea)
weet
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
כִּ֗י
(ki)
dat
בְּיוֹם֙
(beyom)
op de dag
אֲכָלְכֶ֣ם
(akhalekhem)
jullie eten
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
ervan
וְנִפְקְח֖וּ
(venifqechu)
en ze gaan open
עֵֽינֵיכֶ֑ם
(eineikhem)
jullie ogen
וִהְיִיתֶם֙
(vihyitem)
en jullie zullen zijn
כֵּֽאלֹהִ֔ים
(kelohim)
als Elohim
יֹדְעֵ֖י
(yodeei)
kenners van
ט֥וֹב
(tov)
goed
וָרָֽע
(vara)
en kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כֵּאלֹהִים (ke-Elohim) betekent ‘als Elohim’ of ‘als goden’.
אֱלֹהִים (Elohim) is hier hetzelfde woord als in het eerste deel van de zin.
De slang belooft twee dingen: goddelijk zijn, ‘als Elohim’, en kennis, יֹדְעֵי טוֹב וָרָע (yode’ei tov vara), ‘kenners van goed en kwaad’.
De kennis komt uit (3:22: ‘Adam is als een van Ons geworden, in het kennen van goed en kwaad’).
Het goddelijk zijn komt niet uit: de mens blijft schepsel en sterfelijk (3:19), mag niet eten van de boom van het leven en wordt uit de tuin gezet (3:22–24).
6De vrouw zag dat de boom goed was om van te eten en dat hij een lust was voor de ogen. De boom was begeerlijk om er inzicht door te krijgen. Ze nam van zijn vrucht en at. Ze gaf ook aan haar man, die bij haar was, en hij at.
וַתֵּ֣רֶא
(vatere)
en ze zag
הָֽאִשָּׁ֡ה
(haisha)
de vrouw
כִּ֣י
(ki)
dat
טוֹב֩
(tov)
goed
הָעֵ֨ץ
(haets)
de boom
לְמַאֲכָ֜ל
(lemaakhal)
om te eten
וְכִ֧י
(vekhi)
en dat
תַֽאֲוָה
(taava)
lust
ה֣וּא
(hu)
hij
לָעֵינַ֗יִם
(laeinayim)
voor de ogen
וְנֶחְמָ֤ד
(venechmad)
en begerenswaardig
הָעֵץ֙
(haets)
de boom
לְהַשְׂכִּ֔יל
(lehaskil)
om inzicht te geven
וַתִּקַּ֥ח
(vatiqach)
en ze nam
מִפִּרְי֖וֹ
(mipiryo)
van zijn vrucht
וַתֹּאכַ֑ל
(vatokhal)
en ze at
וַתִּתֵּ֧ן
(vatiten)
en ze gaf
גַּם
(gam)
ook
לְאִישָׁ֛הּ
(leishah)
aan haar man
עִמָּ֖הּ
(imah)
bij haar
וַיֹּאכַֽל
(vayokhal)
en hij at
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is de eerste ongehoorzaamheid van de mens aan Yahweh Elohim: de mens doet wat Hij in 2:17 verboden heeft.
Dit is de eerste zonde.
Hierdoor raakt de directe omgang met Yahweh Elohim verbroken, met de dood als gevolg (3:19).
8Ze hoorden de stem van Yahweh Elohim, die in de koelte van de dag in de tuin wandelde. Adam en zijn vrouw verborgen zich voor Yahweh Elohim, midden tussen de bomen van de tuin.
וַֽיִּשְׁמְע֞וּ
(vayishmeu)
en ze hoorden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
ק֨וֹל
(qol)
stem van
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
מִתְהַלֵּ֥ךְ
(mithalekh)
rondwandelend
בַּגָּ֖ן
(bagan)
in de tuin
לְר֣וּחַ
(leruach)
bij de koelte van
הַיּ֑וֹם
(hayom)
de dag
וַיִּתְחַבֵּ֨א
(vayitchabe)
en hij verborg zich
הָֽאָדָ֜ם
(haadam)
Adam
וְאִשְׁתּ֗וֹ
(veishto)
en zijn vrouw
מִפְּנֵי֙
(mipenei)
van het gezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
midden in
עֵ֥ץ
(ets)
bomen van
הַגָּֽן
(hagan)
de tuin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg
קוֹל (qol) betekent ‘stem’ en ‘geluid’.
אֶהְיֶה (ehyeh), ‘Ik ben’ of ‘Ik zal zijn’, is de Naam uit Exodus 3:14.
הָיָה (hayah), ‘zijn’, betekent met het voorzetsel עִם (im), ‘met’, of לְ (le), ‘voor’: ‘bij iemand zijn, er zijn voor iemand’.
אֶהְיֶה עִמָּךְ (ehyeh immakh), ‘Ik zal met je zijn’ (Exodus 3:12).
Dat is nabijheid.
מִפְּנֵי (mipnei), ‘van het aangezicht van’: Adam verbergt zich voor de nabijheid van Yahweh Elohim.
מִתְהַלֵּךְ (mithalekh) is ‘wandelend’: Yahweh Elohim wandelt door de tuin.
Johannes 1:18 zegt: ‘Niemand heeft Elohim (de Vader) ooit gezien.’
Hier lijkt het erop dat Yahweh Elohim (de Zoon) fysiek aanwezig was in de tuin.
Yeshua zegt van zichzelf: ‘Voordat Abraham er was, ben Ik’ (Johannes 8:58).
Dit is de eerste keer dat de tekst Hem in de ruimte plaatst.
14Yahweh Elohim zei tegen de slang: „Omdat je dit gedaan hebt, ben je vervloekt boven al het vee en boven alle wilde dieren van het veld. Op je buik zul je gaan en stof zul je eten, alle dagen van je leven.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en Hij zei
יְהֹוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
אֶֽל
(el)
tegen
הַנָּחָשׁ֮
(hanachash)
de slang
כִּ֣י
(ki)
omdat
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
je hebt gedaan
זֹּאת֒
(zot)
dit
אָר֤וּר
(arur)
vervloekt
אַתָּה֙
(ata)
jij
מִכָּל
(mikal)
boven al
הַבְּהֵמָ֔ה
(habehema)
het vee
וּמִכֹּ֖ל
(umikol)
en boven al
חַיַּ֣ת
(chayat)
wilde dieren van
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
het veld
עַל
(al)
op
גְּחֹנְךָ֣
(gechonekha)
je buik
תֵלֵ֔ךְ
(telekh)
zul je gaan
וְעָפָ֥ר
(veafar)
en stof
תֹּאכַ֖ל
(tokhal)
zul je eten
כָּל
(kal)
al
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיֶּֽיךָ
(chayeikha)
je leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Vijandschap zet Ik tussen jou en de vrouw, en tussen jouw nageslacht en haar nageslacht. Hij zal jouw kop vermorzelen en jij zult zijn hiel vermorzelen.”
וְאֵיבָ֣ה
(veeiva)
en vijandschap
אָשִׁ֗ית
(ashit)
Ik zet
בֵּֽינְךָ֙
(beinekha)
tussen jou
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
זַרְעֲךָ֖
(zarakha)
je nageslacht
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
זַרְעָ֑הּ
(zarah)
haar nageslacht
ה֚וּא
(hu)
hij
יְשׁוּפְךָ֣
(yeshufekha)
zal vermorzelen jou
רֹ֔אשׁ
(rosh)
kop
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
תְּשׁוּפֶ֥נּוּ
(teshufenu)
zult vermorzelen hem
עָקֵֽב
(aqev)
hiel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוּא (hu) verwijst grammaticaal naar זֶרַע (zera), ‘nageslacht’ (mannelijk enkelvoud): collectief (alle nakomelingen) of een enkele nakomeling.
Lezing
Het ‘nageslacht van de vrouw’ is te lezen als het nageslacht van Eva, later Israël, en uiteindelijk Yeshua, de Zoon geboren uit een vrouw (Gal. 4:4).
De slang en zijn nageslacht en/of volgelingen zullen het nageslacht van de vrouw, Israël, Yeshua én zijn volgelingen vervolgen (‘jij zult zijn hiel vermorzelen’).
Zij zullen door Yeshua worden verslagen en vernietigd (‘Hij zal jouw kop vermorzelen’).
16Tegen de vrouw zei Hij: „Ik zal de moeite van je zwangerschap sterk vermeerderen. Met pijn zul je kinderen krijgen. Naar je man zal je verlangen uitgaan, en hij zal over je heersen.”
אֶֽל
(el)
tegen
הָאִשָּׁ֣ה
(haisha)
de vrouw
אָמַ֗ר
(amar)
zei Hij
הַרְבָּ֤ה
(harba)
zeer
אַרְבֶּה֙
(arbe)
Ik zal vermeerderen
עִצְּבוֹנֵ֣ךְ
(itsevonekh)
je moeite
וְהֵֽרֹנֵ֔ךְ
(veheronekh)
en je zwangerschap
בְּעֶ֖צֶב
(beetsev)
met pijn
תֵּֽלְדִ֣י
(teledi)
je zult baren
בָנִ֑ים
(banim)
kinderen
וְאֶל
(veel)
en naar
אִישֵׁךְ֙
(ishekh)
je man
תְּשׁ֣וּקָתֵ֔ךְ
(teshuqatekh)
je verlangen
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
יִמְשָׁל
(yimshal)
zal heersen
בָּֽךְ
(bakh)
over jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַרְבָּה אַרְבֶּה (harbeh arbeh), ‘Ik zal sterk vermeerderen’: het werkwoord רבה met zijn eigen versterking.
עִצְּבוֹן (itsvon), ‘moeite, pijn’, en עֶצֶב (etsev), ‘pijn’, komen van dezelfde stam; הֵרוֹן (heron), ‘zwangerschap’, kan samen met ‘moeite’ als één begrip worden gelezen: ‘de moeite van je zwangerschap’.
תְּשׁוּקָה (teshuqah): ‘verlangen’ of ‘drang’; vgl.
17Tegen Adam zei Hij: „Je hebt geluisterd naar de stem van je vrouw en gegeten van de boom waarvan Ik je geboden had er niet van te eten. Daarom is de grond vanwege jou vervloekt. Met zwoegen zul je daarvan eten, alle dagen van je leven.
וּלְאָדָ֣ם
(uleadam)
en tegen Adam
אָמַ֗ר
(amar)
zei Hij
כִּֽי
(ki)
omdat
שָׁמַעְתָּ֮
(shamata)
je hebt geluisterd
לְק֣וֹל
(leqol)
naar de stem van
אִשְׁתֶּךָ֒
(ishtekha)
je vrouw
וַתֹּ֨אכַל֙
(vatokhal)
en je at
מִן
(min)
van
הָעֵ֔ץ
(haets)
de boom
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
צִוִּיתִ֨יךָ֙
(tsivitikha)
Ik gebood jou
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹאכַ֖ל
(tokhal)
je zult eten
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
ervan
אֲרוּרָ֤ה
(arura)
vervloekt
הָֽאֲדָמָה֙
(haadama)
de grond
בַּֽעֲבוּרֶ֔ךָ
(baavurekha)
vanwege jou
בְּעִצָּבוֹן֙
(beitsavon)
met zwoegen
תֹּֽאכֲלֶ֔נָּה
(tokhalena)
je zult ervan eten
כֹּ֖ל
(kol)
al
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיֶּֽיךָ
(chayeikha)
je leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg
לְאָדָם (le-adam) staat hier zonder lidwoord, dus ‘Adam’ is hier een eigennaam.
בַּעֲבוּרֶךָ (ba’avurekha): ‘vanwege jou’, ‘op jouw rekening’: jouw daad is de aanleiding.
Hetzelfde woord staat in Gen. 8:21.
בְּעִצָּבוֹן (be’itsavon): ‘met zwoegen’, pijnlijke inspanning bij het werk op de grond; zelfde wortel als de pijn in 3:16.
Letterlijk staat er een aanhaling: ‘waarover Ik je geboden had: Je mag er niet van eten’.
19Met zweet op je gezicht zul je aan je brood komen, totdat je terugkeert naar de grond. Want daaruit ben je genomen, want stof ben je, en tot stof zul je terugkeren.”
בְּזֵעַ֤ת
(bezeat)
in het zweet van
אַפֶּ֨יךָ֙
(apeikha)
je gezicht
תֹּ֣אכַל
(tokhal)
je zult eten
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
עַ֤ד
(ad)
tot
שֽׁוּבְךָ֙
(shuvekha)
je terugkeer
אֶל
(el)
naar
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
כִּ֥י
(ki)
want
מִמֶּ֖נָּה
(mimena)
daaruit
לֻקָּ֑חְתָּ
(luqachta)
je bent genomen
כִּֽי
(ki)
want
עָפָ֣ר
(afar)
stof
אַ֔תָּה
(ata)
jij
וְאֶל
(veel)
en tot
עָפָ֖ר
(afar)
stof
תָּשֽׁוּב
(tashuv)
je zult terugkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּזֵעַת אַפֶּיךָ תֹּאכַל לֶחֶם (bezeat appekha tokhal lechem): letterlijk ‘in het zweet van je gezicht zul je brood eten’.
‘Brood eten’ is een Hebreeuwse uitdrukking voor ‘in je levensonderhoud voorzien’; het zweet hoort bij het werk waarmee je het brood verdient.
אַפַּיִם (appayim) is letterlijk ‘neusgaten’, hier ‘gezicht’.
Het zweet hoort bij het winnen van het brood, niet bij het kauwen.
22Yahweh Elohim zei: „Zie, Adam is als een van Ons geworden, in het kennen van goed en kwaad. En nu, om te voorkomen dat hij zijn hand uitsteekt, ook van de boom van het leven neemt, eet en voor altijd zal leven—”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
הֵ֤ן
(hen)
zie
הָֽאָדָם֙
(haadam)
Adam
הָיָה֙
(haya)
is geworden
כְּאַחַ֣ד
(keachad)
als een
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
van Ons
לָדַ֖עַת
(ladaat)
om te kennen
ט֣וֹב
(tov)
goed
וָרָ֑ע
(vara)
en kwaad
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
פֶּן
(pen)
opdat niet
יִשְׁלַ֣ח
(yishlach)
hij zal uitsteken
יָד֗וֹ
(yado)
zijn hand
וְלָקַח֙
(velaqach)
en nemen
גַּ֚ם
(gam)
ook
מֵעֵ֣ץ
(meets)
van de boom van
הַֽחַיִּ֔ים
(hachayim)
het leven
וְאָכַ֖ל
(veakhal)
en eten
וָחַ֥י
(vachay)
en leven
לְעֹלָֽם
(leolam)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg
De zin breekt in het Hebreeuws af: פֶּן (pen), ‘opdat niet’, heeft geen hoofdzin; vers 23 is het vervolg.
‘Om te voorkomen dat’ geeft pen weer.
‘Leven voor altijd’: לְעֹלָם (le’olam).
Hier staat ‘Adam’; ook de Septuaginta en de Vulgaat hebben hier de naam (zie de voetnoot bij Gen. 2:16).
‘Ons’ staat in het meervoud, net als in Gen. 1:26; verklaard als meerstemmigheid, hemelse raad of de volheid van Elohim.
24Hij verdreef Adam. Aan de oostkant van de tuin van Eden plaatste Hij de cherubs en het vlammende, zwaaiende zwaard. Zij moesten de weg naar de boom van het leven bewaken.
וַיְגָ֖רֶשׁ
(vaygaresh)
en Hij verdreef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָֽאָדָ֑ם
(haadam)
Adam
וַיַּשְׁכֵּן֩
(vayashken)
en Hij liet wonen
מִקֶּ֨דֶם
(miqedem)
aan de oostkant van
לְגַן
(legan)
de tuin van
עֵ֜דֶן
(eden)
Eden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַכְּרֻבִ֗ים
(hakeruvim)
de cherubs
וְאֵ֨ת
(veet)
en
לַ֤הַט
(lahat)
vlam van
הַחֶ֨רֶב֙
(hacherev)
het zwaard
הַמִּתְהַפֶּ֔כֶת
(hamithapekhet)
dat zich omdraait
לִשְׁמֹ֕ר
(lishmor)
om te bewaken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
weg van
עֵ֥ץ
(ets)
boom van
הַֽחַיִּֽים
(hachayim)
het leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Plaats
Zie Eden: Eden wordt in deze uitgave vermoedelijk in het Armeense hoogland gezocht, waar de vier rivieren ontspringen.
Uitleg
וַיַּשְׁכֵּן (vayashkén), letterlijk ‘en Hij liet wonen’, heeft dezelfde wortel als מִשְׁכָּן (mishkan), ‘woning’.
כְּרֻבִים (cherubim) zijn hemelwezens; hier bewaken ze de weg naar de boom van het leven.
לַהַט הַחֶרֶב הַמִּתְהַפֶּכֶת (lahat ha-cherev ha-mithapekhet): ‘de vlam van het zwaard dat zich omkeert’.
הַמִּתְהַפֶּכֶת (hamithapekhet): ‘dat zich omkeert’; ‘zwaaiend’ is een weergave van die beweging.
קֶדֶם (qedem): ‘oost’; zie de voetnoot bij Gen. 2:8.
Hier: ‘plaatsen, laten verblijven’.
Vergelijk de cherubs op het verzoendeksel (Ex. 25:18–22).