Elohim Bijbel

Genesis 3

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

De val van de mens

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De slang

1De slang was listiger dan alle wilde dieren van het veld die Yahweh Elohim gemaakt had. Hij zei tegen de vrouw: „Heeft Elohim echt gezegd: ‘Jullie mogen van geen enkele boom in de tuin eten’?”
וְהַנָּחָשׁ֙
(vehanachash)
en de slang
הָיָ֣ה
(haya)
was
עָר֔וּם
(arum)
sluw
מִכֹּל֙
(mikol)
dan alle
חַיַּ֣ת
(chayat)
wilde dieren van
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָׂ֖ה
(asa)
maakte
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tegen
הָ֣אִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
אַ֚ף
(af)
ook
כִּֽי
(ki)
dat (samen: is het zo dat)
אָמַ֣ר
(amar)
zei
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹֽאכְל֔וּ
(tokhlu)
jullie zullen eten
מִכֹּ֖ל
(mikol)
van elke
עֵ֥ץ
(ets)
boom van
הַגָּֽן
(hagan)
de tuin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנָּחָשׁ (hanachash), ‘de slang’, is hier een dier van het veld, door Yahweh Elohim gemaakt.

שָׂטָן (satan) betekent ‘tegenstander’; in het Grieks Σατανᾶς (Satanas), Openb. 12:9.

Later in de Schrift wordt de slang geïdentificeerd: ‘de oude slang, die de duivel en satan wordt genoemd’ (Openbaring 12:9; 20:2), en Yeshua noemt de duivel ‘een leugenaar vanaf het begin’ (Johannes 8:44).

Hier begint dat met een verdraaiing van wat Yahweh Elohim gezegd heeft: Hij zei ‘van alle bomen mag je eten, behalve één’ (2:16–17), de slang maakt er ‘van geen enkele boom’ van.

In zijn vraag noemt hij Hem alleen ‘Elohim’ en laat de naam Yahweh weg; zo laat hij de persoonlijke naam en het gezag van Yahweh, die de Schrift met Yeshua verbindt, buiten beeld.

De tekst zegt niets over een andere gedaante vóór de vloek in vers 14.

De slang verdraait het gebod, ontkent de dood en belooft dat zij als Elohim zullen worden.

De verteller noemt Yahweh Elohim; de slang noemt Hem alleen Elohim, en de vrouw volgt hem daarin (3:3).

Aanvullend

Jubileeën 3:17–19 laat de slang en de vrouw hetzelfde gesprek voeren.

2De vrouw zei tegen de slang: „Van de vrucht van de bomen in de tuin mogen we eten,
וַתֹּ֥אמֶר
(vatomer)
en ze zei
הָֽאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
אֶל
(el)
tegen
הַנָּחָ֑שׁ
(hanachash)
de slang
מִפְּרִ֥י
(miperi)
van de vrucht van
עֵֽץ
(ets)
boom van
הַגָּ֖ן
(hagan)
de tuin
נֹאכֵֽל
(nokhel)
we eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3maar over de vrucht van de boom midden in de tuin heeft Elohim gezegd: ‘Jullie mogen er niet van eten. Jullie mogen hem niet aanraken, anders sterven jullie.’”
וּמִפְּרִ֣י
(umiperi)
en van de vrucht van
הָעֵץ֮
(haets)
de boom
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּתוֹךְ
(betokh)
midden in
הַגָּן֒
(hagan)
de tuin
אָמַ֣ר
(amar)
zei
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
לֹ֤א
(lo)
niet
תֹֽאכְלוּ֙
(tokhlu)
jullie zullen eten
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
ervan
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִגְּע֖וּ
(tigeu)
jullie zullen aanraken
בּ֑וֹ
(bo)
hem
פֶּן
(pen)
opdat niet
תְּמֻתֽוּן
(temutun)
jullie sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4De slang zei tegen de vrouw: „Jullie zullen zeker niet sterven,
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הַנָּחָ֖שׁ
(hanachash)
de slang
אֶל
(el)
tegen
הָֽאִשָּׁ֑ה
(haisha)
de vrouw
לֹֽא
(lo)
niet
מ֖וֹת
(mot)
sterven
תְּמֻתֽוּן
(temutun)
jullie zullen sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא־מוֹת תְּמֻתוּן (lo mot temutun), ‘jullie zullen zeker niet sterven’, spreekt het woord van Yahweh Elohim in 2:17 (‘je zult zeker sterven’) rechtstreeks tegen.

Dit is de eerste leugen in de Schrift, uitgesproken door de slang, de duivel en satan: Yeshua noemt hem ‘een leugenaar vanaf het begin’ (Johannes 8:44).

5want Elohim weet dat jullie ogen opengaan wanneer jullie daarvan eten. Dan zijn jullie als Elohim, kenners van goed en kwaad.”
כִּ֚י
(ki)
want
יֹדֵ֣עַ
(yodea)
weet
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
כִּ֗י
(ki)
dat
בְּיוֹם֙
(beyom)
op de dag
אֲכָלְכֶ֣ם
(akhalekhem)
jullie eten
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
ervan
וְנִפְקְח֖וּ
(venifqechu)
en ze gaan open
עֵֽינֵיכֶ֑ם
(eineikhem)
jullie ogen
וִהְיִיתֶם֙
(vihyitem)
en jullie zullen zijn
כֵּֽאלֹהִ֔ים
(kelohim)
als Elohim
יֹדְעֵ֖י
(yodeei)
kenners van
ט֥וֹב
(tov)
goed
וָרָֽע
(vara)
en kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כֵּאלֹהִים (ke-Elohim) betekent ‘als Elohim’ of ‘als goden’.

אֱלֹהִים (Elohim) is hier hetzelfde woord als in het eerste deel van de zin.

De slang belooft twee dingen: goddelijk zijn, ‘als Elohim’, en kennis, יֹדְעֵי טוֹב וָרָע (yode’ei tov vara), ‘kenners van goed en kwaad’.

De kennis komt uit (3:22: ‘Adam is als een van Ons geworden, in het kennen van goed en kwaad’).

Het goddelijk zijn komt niet uit: de mens blijft schepsel en sterfelijk (3:19), mag niet eten van de boom van het leven en wordt uit de tuin gezet (3:22–24).

De zondeval

6De vrouw zag dat de boom goed was om van te eten en dat hij een lust was voor de ogen. De boom was begeerlijk om er inzicht door te krijgen. Ze nam van zijn vrucht en at. Ze gaf ook aan haar man, die bij haar was, en hij at.
וַתֵּ֣רֶא
(vatere)
en ze zag
הָֽאִשָּׁ֡ה
(haisha)
de vrouw
כִּ֣י
(ki)
dat
טוֹב֩
(tov)
goed
הָעֵ֨ץ
(haets)
de boom
לְמַאֲכָ֜ל
(lemaakhal)
om te eten
וְכִ֧י
(vekhi)
en dat
תַֽאֲוָה
(taava)
lust
ה֣וּא
(hu)
hij
לָעֵינַ֗יִם
(laeinayim)
voor de ogen
וְנֶחְמָ֤ד
(venechmad)
en begerenswaardig
הָעֵץ֙
(haets)
de boom
לְהַשְׂכִּ֔יל
(lehaskil)
om inzicht te geven
וַתִּקַּ֥ח
(vatiqach)
en ze nam
מִפִּרְי֖וֹ
(mipiryo)
van zijn vrucht
וַתֹּאכַ֑ל
(vatokhal)
en ze at
וַתִּתֵּ֧ן
(vatiten)
en ze gaf
גַּם
(gam)
ook
לְאִישָׁ֛הּ
(leishah)
aan haar man
עִמָּ֖הּ
(imah)
bij haar
וַיֹּאכַֽל
(vayokhal)
en hij at
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de eerste ongehoorzaamheid van de mens aan Yahweh Elohim: de mens doet wat Hij in 2:17 verboden heeft.

Dit is de eerste zonde.

Hierdoor raakt de directe omgang met Yahweh Elohim verbroken, met de dood als gevolg (3:19).

7Toen gingen hun ogen allebei open en wisten ze dat ze naakt waren. Ze regen bladeren van de vijgenboom aan elkaar en maakten schorten voor zichzelf.
וַתִּפָּקַ֨חְנָה֙
(vatipaqachna)
en ze gingen open
עֵינֵ֣י
(einei)
ogen van
שְׁנֵיהֶ֔ם
(sheneihem)
hun beiden
וַיֵּ֣דְע֔וּ
(vayedeu)
en ze wisten
כִּ֥י
(ki)
dat
עֵֽירֻמִּ֖ם
(eirumim)
naakt
הֵ֑ם
(hem)
ze zijn
וַֽיִּתְפְּרוּ֙
(vayitperu)
en ze regen aan elkaar
עֲלֵ֣ה
(ale)
blad van
תְאֵנָ֔ה
(teena)
vijg
וַיַּעֲשׂ֥וּ
(vayaasu)
en ze maakten
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor zichzelf
חֲגֹרֹֽת
(chagorot)
lendenschorten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּתְפְּרוּ (vayyitperu), ‘ze regen aan elkaar’, komt van תפר (tafar), ‘aan elkaar hechten’.

חֲגֹרֹת (chagorot), ‘schorten’, zijn letterlijk ‘omgordels’: een doek om het middel.

De vijgenboom (תְּאֵנָה, te’enah) heeft grote, brede bladeren.

Yahweh Elohim zoekt Adam

8Ze hoorden de stem van Yahweh Elohim, die in de koelte van de dag in de tuin wandelde. Adam en zijn vrouw verborgen zich voor Yahweh Elohim, midden tussen de bomen van de tuin.
וַֽיִּשְׁמְע֞וּ
(vayishmeu)
en ze hoorden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
ק֨וֹל
(qol)
stem van
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
מִתְהַלֵּ֥ךְ
(mithalekh)
rondwandelend
בַּגָּ֖ן
(bagan)
in de tuin
לְר֣וּחַ
(leruach)
bij de koelte van
הַיּ֑וֹם
(hayom)
de dag
וַיִּתְחַבֵּ֨א
(vayitchabe)
en hij verborg zich
הָֽאָדָ֜ם
(haadam)
Adam
וְאִשְׁתּ֗וֹ
(veishto)
en zijn vrouw
מִפְּנֵי֙
(mipenei)
van het gezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
midden in
עֵ֥ץ
(ets)
bomen van
הַגָּֽן
(hagan)
de tuin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg

קוֹל (qol) betekent ‘stem’ en ‘geluid’.

אֶהְיֶה (ehyeh), ‘Ik ben’ of ‘Ik zal zijn’, is de Naam uit Exodus 3:14.

הָיָה (hayah), ‘zijn’, betekent met het voorzetsel עִם (im), ‘met’, of לְ (le), ‘voor’: ‘bij iemand zijn, er zijn voor iemand’.

אֶהְיֶה עִמָּךְ (ehyeh immakh), ‘Ik zal met je zijn’ (Exodus 3:12).

Dat is nabijheid.

מִפְּנֵי (mipnei), ‘van het aangezicht van’: Adam verbergt zich voor de nabijheid van Yahweh Elohim.

מִתְהַלֵּךְ (mithalekh) is ‘wandelend’: Yahweh Elohim wandelt door de tuin.

Johannes 1:18 zegt: ‘Niemand heeft Elohim (de Vader) ooit gezien.’

Hier lijkt het erop dat Yahweh Elohim (de Zoon) fysiek aanwezig was in de tuin.

Yeshua zegt van zichzelf: ‘Voordat Abraham er was, ben Ik’ (Johannes 8:58).

Dit is de eerste keer dat de tekst Hem in de ruimte plaatst.

9Yahweh Elohim riep Adam en zei tegen hem: „Waar ben je?”
וַיִּקְרָ֛א
(vayiqra)
en Hij riep
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
הָֽאָדָ֑ם
(haadam)
Adam
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֖וֹ
(lo)
tot hem
אַיֶּֽכָּה
(ayeka)
waar ben je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
10Adam zei: „Ik hoorde Uw stem in de tuin. Ik werd bang, want ik ben naakt, en ik verborg me.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
קֹלְךָ֥
(qolekha)
Uw stem
שָׁמַ֖עְתִּי
(shamati)
ik hoorde
בַּגָּ֑ן
(bagan)
in de tuin
וָאִירָ֛א
(vaira)
en ik werd bang
כִּֽי
(ki)
omdat
עֵירֹ֥ם
(eirom)
naakt
אָנֹ֖כִי
(anokhi)
ik
וָאֵחָבֵֽא
(vaechave)
en ik verborg me
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier spreekt Adam Yahweh Elohim aan met hoofdletter-U (U, Uw), omdat een van de drie goddelijke personen wordt aangesproken.

In het Hebreeuws staat alleen ‘en hij zei’.

‘Adam’ is ter verduidelijking ingevuld: het antwoord komt van Adam, aan wie Yahweh Elohim in vers 9 vroeg waar hij was.

11Hij zei: „Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je gegeten van de boom waarvan Ik je geboden had er niet van te eten?”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
מִ֚י
(mi)
wie
הִגִּ֣יד
(higid)
heeft verteld
לְךָ֔
(lekha)
aan jou
כִּ֥י
(ki)
dat
עֵירֹ֖ם
(eirom)
naakt
אָ֑תָּה
(ata)
jij
הֲמִן
(hamin)
is het van
הָעֵ֗ץ
(haets)
de boom
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
צִוִּיתִ֛יךָ
(tsivitikha)
Ik gebood jou
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
om niet
אֲכָל
(akhal)
te eten
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
ervan
אָכָֽלְתָּ
(akhalta)
je hebt gegeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Adam zei: „De vrouw die U bij mij hebt gezet, die heeft mij van de boom gegeven, en ik at.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הָֽאָדָ֑ם
(haadam)
Adam
הָֽאִשָּׁה֙
(haisha)
de vrouw
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נָתַ֣תָּה
(natata)
U hebt gegeven
עִמָּדִ֔י
(imadi)
bij mij
הִ֛וא
(hi)
zij
נָֽתְנָה
(natena)
heeft gegeven
לִּ֥י
(li)
aan mij
מִן
(min)
van
הָעֵ֖ץ
(haets)
de boom
וָאֹכֵֽל
(vaokhel)
en ik at
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg

עִמָּדִי (immadi): ‘bij mij’, ‘naast mij’.

De man schuift de schuld af op de vrouw en indirect op Yahweh Elohim zelf.

13Yahweh Elohim zei tegen de vrouw: „Wat heb je gedaan?” De vrouw zei: „De slang heeft mij misleid, en ik at.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
לָאִשָּׁ֖ה
(laisha)
tegen de vrouw
מַה
(ma)
wat
זֹּ֣את
(zot)
dit
עָשִׂ֑ית
(asit)
heb je gedaan
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en ze zei
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
הַנָּחָ֥שׁ
(hanachash)
de slang
הִשִּׁיאַ֖נִי
(hishiani)
heeft misleid mij
וָאֹכֵֽל
(vaokhel)
en ik at
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De oordelen

14Yahweh Elohim zei tegen de slang: „Omdat je dit gedaan hebt, ben je vervloekt boven al het vee en boven alle wilde dieren van het veld. Op je buik zul je gaan en stof zul je eten, alle dagen van je leven.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en Hij zei
יְהֹוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
אֶֽל
(el)
tegen
הַנָּחָשׁ֮
(hanachash)
de slang
כִּ֣י
(ki)
omdat
עָשִׂ֣יתָ
(asita)
je hebt gedaan
זֹּאת֒
(zot)
dit
אָר֤וּר
(arur)
vervloekt
אַתָּה֙
(ata)
jij
מִכָּל
(mikal)
boven al
הַבְּהֵמָ֔ה
(habehema)
het vee
וּמִכֹּ֖ל
(umikol)
en boven al
חַיַּ֣ת
(chayat)
wilde dieren van
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
het veld
עַל
(al)
op
גְּחֹנְךָ֣
(gechonekha)
je buik
תֵלֵ֔ךְ
(telekh)
zul je gaan
וְעָפָ֥ר
(veafar)
en stof
תֹּאכַ֖ל
(tokhal)
zul je eten
כָּל
(kal)
al
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיֶּֽיךָ
(chayeikha)
je leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Vijandschap zet Ik tussen jou en de vrouw, en tussen jouw nageslacht en haar nageslacht. Hij zal jouw kop vermorzelen en jij zult zijn hiel vermorzelen.”
וְאֵיבָ֣ה
(veeiva)
en vijandschap
אָשִׁ֗ית
(ashit)
Ik zet
בֵּֽינְךָ֙
(beinekha)
tussen jou
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
הָֽאִשָּׁ֔ה
(haisha)
de vrouw
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
זַרְעֲךָ֖
(zarakha)
je nageslacht
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
זַרְעָ֑הּ
(zarah)
haar nageslacht
ה֚וּא
(hu)
hij
יְשׁוּפְךָ֣
(yeshufekha)
zal vermorzelen jou
רֹ֔אשׁ
(rosh)
kop
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
תְּשׁוּפֶ֥נּוּ
(teshufenu)
zult vermorzelen hem
עָקֵֽב
(aqev)
hiel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוּא (hu) verwijst grammaticaal naar זֶרַע (zera), ‘nageslacht’ (mannelijk enkelvoud): collectief (alle nakomelingen) of een enkele nakomeling.

Lezing

Het ‘nageslacht van de vrouw’ is te lezen als het nageslacht van Eva, later Israël, en uiteindelijk Yeshua, de Zoon geboren uit een vrouw (Gal. 4:4).

De slang en zijn nageslacht en/of volgelingen zullen het nageslacht van de vrouw, Israël, Yeshua én zijn volgelingen vervolgen (‘jij zult zijn hiel vermorzelen’).

Zij zullen door Yeshua worden verslagen en vernietigd (‘Hij zal jouw kop vermorzelen’).

16Tegen de vrouw zei Hij: „Ik zal de moeite van je zwangerschap sterk vermeerderen. Met pijn zul je kinderen krijgen. Naar je man zal je verlangen uitgaan, en hij zal over je heersen.”
אֶֽל
(el)
tegen
הָאִשָּׁ֣ה
(haisha)
de vrouw
אָמַ֗ר
(amar)
zei Hij
הַרְבָּ֤ה
(harba)
zeer
אַרְבֶּה֙
(arbe)
Ik zal vermeerderen
עִצְּבוֹנֵ֣ךְ
(itsevonekh)
je moeite
וְהֵֽרֹנֵ֔ךְ
(veheronekh)
en je zwangerschap
בְּעֶ֖צֶב
(beetsev)
met pijn
תֵּֽלְדִ֣י
(teledi)
je zult baren
בָנִ֑ים
(banim)
kinderen
וְאֶל
(veel)
en naar
אִישֵׁךְ֙
(ishekh)
je man
תְּשׁ֣וּקָתֵ֔ךְ
(teshuqatekh)
je verlangen
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
יִמְשָׁל
(yimshal)
zal heersen
בָּֽךְ
(bakh)
over jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַרְבָּה אַרְבֶּה (harbeh arbeh), ‘Ik zal sterk vermeerderen’: het werkwoord רבה met zijn eigen versterking.

עִצְּבוֹן (itsvon), ‘moeite, pijn’, en עֶצֶב (etsev), ‘pijn’, komen van dezelfde stam; הֵרוֹן (heron), ‘zwangerschap’, kan samen met ‘moeite’ als één begrip worden gelezen: ‘de moeite van je zwangerschap’.

תְּשׁוּקָה (teshuqah): ‘verlangen’ of ‘drang’; vgl.

מָשַׁל (mashal): ‘heersen’.

Gen. 4:7 en Hoogl. 7:11.

17Tegen Adam zei Hij: „Je hebt geluisterd naar de stem van je vrouw en gegeten van de boom waarvan Ik je geboden had er niet van te eten. Daarom is de grond vanwege jou vervloekt. Met zwoegen zul je daarvan eten, alle dagen van je leven.
וּלְאָדָ֣ם
(uleadam)
en tegen Adam
אָמַ֗ר
(amar)
zei Hij
כִּֽי
(ki)
omdat
שָׁמַעְתָּ֮
(shamata)
je hebt geluisterd
לְק֣וֹל
(leqol)
naar de stem van
אִשְׁתֶּךָ֒
(ishtekha)
je vrouw
וַתֹּ֨אכַל֙
(vatokhal)
en je at
מִן
(min)
van
הָעֵ֔ץ
(haets)
de boom
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
צִוִּיתִ֨יךָ֙
(tsivitikha)
Ik gebood jou
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לֹ֥א
(lo)
niet
תֹאכַ֖ל
(tokhal)
je zult eten
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
ervan
אֲרוּרָ֤ה
(arura)
vervloekt
הָֽאֲדָמָה֙
(haadama)
de grond
בַּֽעֲבוּרֶ֔ךָ
(baavurekha)
vanwege jou
בְּעִצָּבוֹן֙
(beitsavon)
met zwoegen
תֹּֽאכֲלֶ֔נָּה
(tokhalena)
je zult ervan eten
כֹּ֖ל
(kol)
al
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
חַיֶּֽיךָ
(chayeikha)
je leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg

לְאָדָם (le-adam) staat hier zonder lidwoord, dus ‘Adam’ is hier een eigennaam.

בַּעֲבוּרֶךָ (ba’avurekha): ‘vanwege jou’, ‘op jouw rekening’: jouw daad is de aanleiding.

Hetzelfde woord staat in Gen. 8:21.

בְּעִצָּבוֹן (be’itsavon): ‘met zwoegen’, pijnlijke inspanning bij het werk op de grond; zelfde wortel als de pijn in 3:16.

Letterlijk staat er een aanhaling: ‘waarover Ik je geboden had: Je mag er niet van eten’.

18Doorns en distels zal ze voor je laten opkomen, en je zult het gewas van het veld eten.
וְק֥וֹץ
(veqots)
en doorn
וְדַרְדַּ֖ר
(vedardar)
en distel
תַּצְמִ֣יחַֽ
(tatsmiach)
zal ze laten opkomen
לָ֑ךְ
(lakh)
voor jou
וְאָכַלְתָּ֖
(veakhalta)
en je zult eten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
עֵ֥שֶׂב
(esev)
gewas van
הַשָּׂדֶֽה
(hasade)
het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קוֹץ (qots) en דַּרְדַּר (dardar) zijn twee stekelige planten: ‘doorns’ en ‘distels’.

עֵשֶׂב (eseb): groen gewas, planten van het veld; het is het eetbare groen, dus geen onkruid (zie Gen. 1:29 en Ps. 104:14).

Samen staan ze voor onkruid dat de akker overwoekert.

19Met zweet op je gezicht zul je aan je brood komen, totdat je terugkeert naar de grond. Want daaruit ben je genomen, want stof ben je, en tot stof zul je terugkeren.”
בְּזֵעַ֤ת
(bezeat)
in het zweet van
אַפֶּ֨יךָ֙
(apeikha)
je gezicht
תֹּ֣אכַל
(tokhal)
je zult eten
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
עַ֤ד
(ad)
tot
שֽׁוּבְךָ֙
(shuvekha)
je terugkeer
אֶל
(el)
naar
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
כִּ֥י
(ki)
want
מִמֶּ֖נָּה
(mimena)
daaruit
לֻקָּ֑חְתָּ
(luqachta)
je bent genomen
כִּֽי
(ki)
want
עָפָ֣ר
(afar)
stof
אַ֔תָּה
(ata)
jij
וְאֶל
(veel)
en tot
עָפָ֖ר
(afar)
stof
תָּשֽׁוּב
(tashuv)
je zult terugkeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּזֵעַת אַפֶּיךָ תֹּאכַל לֶחֶם (bezeat appekha tokhal lechem): letterlijk ‘in het zweet van je gezicht zul je brood eten’.

‘Brood eten’ is een Hebreeuwse uitdrukking voor ‘in je levensonderhoud voorzien’; het zweet hoort bij het werk waarmee je het brood verdient.

אַפַּיִם (appayim) is letterlijk ‘neusgaten’, hier ‘gezicht’.

Het zweet hoort bij het winnen van het brood, niet bij het kauwen.

‘Tot stof’ wordt voltrokken in 5:5.

Adam, Eva en de kleding van huid

20Adam noemde zijn vrouw Eva, want zij werd de moeder van alle levenden.
וַיִּקְרָ֧א
(vayiqra)
en hij noemde
הָֽאָדָ֛ם
(haadam)
Adam
שֵׁ֥ם
(shem)
naam van
אִשְׁתּ֖וֹ
(ishto)
zijn vrouw
חַוָּ֑ה
(chava)
Eva
כִּ֛י
(ki)
want
הִ֥וא
(hi)
zij
הָֽיְתָ֖ה
(hayeta)
werd
אֵ֥ם
(em)
moeder van
כָּל
(kal)
al
חָֽי
(chay)
levend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg

חַוָּה (Chavvah, Eva) komt van de stam ‘leven’ en klinkt aan op כָּל־חָי (kol chai), ‘alle levenden’.

Dit is de eerste keer dat de naam Eva voorkomt.

Adam geeft zijn vrouw haar naam.

21Yahweh Elohim maakte voor Adam en zijn vrouw kleding van huid en kleedde hen daarin.
וַיַּעַשׂ֩
(vayaas)
en Hij maakte
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
לְאָדָ֧ם
(leadam)
voor Adam
וּלְאִשְׁתּ֛וֹ
(uleishto)
en voor zijn vrouw
כָּתְנ֥וֹת
(katenot)
kleden van
ע֖וֹר
(or)
huid
וַיַּלְבִּשֵֽׁם
(vayalbishem)
en hij kleedde hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg

כָּתְנוֹת עוֹר (kotnot or), ‘kleding van huid’.

Opvallend is dat Yahweh Elohim zelf de kleding maakt (וַיַּעַשׂ, vaya’as) en hen kleedt (וַיַּלְבִּשֵׁם, vayalbishem).

לְאָדָם (le-adam) staat hier zonder lidwoord, dus ‘Adam’ is hier een eigennaam.

Het maken van kleding van huid kan gelezen worden als het eerste dierenoffer na de zondeval.

De prijs van de zonde is de dood (Gen. 2:17; Rom. 6:23), in dit geval de dood van een plaatsvervangend dier.

Dit wijst vooruit naar de ultieme plaatsvervangende dood van Yeshua, het Lam van Elohim (Joh. 1:29).

De tekst noemt alleen kleding van huid; daaruit volgt dat er een dier is gestorven.

Een offer noemt de tekst niet.

Lezing

Dit dier is het eerste slachtoffer, een vooruitwijzing naar Yeshua, het Lam (Joh. 1:29).

Uit de tuin verdreven

22Yahweh Elohim zei: „Zie, Adam is als een van Ons geworden, in het kennen van goed en kwaad. En nu, om te voorkomen dat hij zijn hand uitsteekt, ook van de boom van het leven neemt, eet en voor altijd zal leven—”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
הֵ֤ן
(hen)
zie
הָֽאָדָם֙
(haadam)
Adam
הָיָה֙
(haya)
is geworden
כְּאַחַ֣ד
(keachad)
als een
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
van Ons
לָדַ֖עַת
(ladaat)
om te kennen
ט֣וֹב
(tov)
goed
וָרָ֑ע
(vara)
en kwaad
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
פֶּן
(pen)
opdat niet
יִשְׁלַ֣ח
(yishlach)
hij zal uitsteken
יָד֗וֹ
(yado)
zijn hand
וְלָקַח֙
(velaqach)
en nemen
גַּ֚ם
(gam)
ook
מֵעֵ֣ץ
(meets)
van de boom van
הַֽחַיִּ֔ים
(hachayim)
het leven
וְאָכַ֖ל
(veakhal)
en eten
וָחַ֥י
(vachay)
en leven
לְעֹלָֽם
(leolam)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Uitleg

De zin breekt in het Hebreeuws af: פֶּן (pen), ‘opdat niet’, heeft geen hoofdzin; vers 23 is het vervolg.

‘Om te voorkomen dat’ geeft pen weer.

‘Leven voor altijd’: לְעֹלָם (le’olam).

Hier staat ‘Adam’; ook de Septuaginta en de Vulgaat hebben hier de naam (zie de voetnoot bij Gen. 2:16).

‘Ons’ staat in het meervoud, net als in Gen. 1:26; verklaard als meerstemmigheid, hemelse raad of de volheid van Elohim.

23Daarom stuurde Yahweh Elohim hem weg uit de tuin van Eden, om de grond te bewerken waaruit hij genomen was.
וַֽיְשַׁלְּחֵ֛הוּ
(vayshalechehu)
en Hij zond hem weg
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
מִגַּן
(migan)
uit de tuin van
עֵ֑דֶן
(eden)
Eden
לַֽעֲבֹד֙
(laavod)
om te bewerken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waaruit
לֻקַּ֖ח
(luqach)
hij was genomen
מִשָּֽׁם
(misham)
vandaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Eden: Eden wordt in deze uitgave vermoedelijk in het Armeense hoogland gezocht, waar de vier rivieren ontspringen.

Uitleg

וַיְשַׁלְּחֵהוּ (vayeshalchehu), ‘en Hij stuurde hem weg’.

Het Hebreeuws heeft alleen ‘en’; ‘Daarom’ verbindt dit vers met de afgebroken zin van vers 22.

‘Hem’ staat in het enkelvoud: het vers volgt הָאָדָם (ha’adam), waarin Eva is inbegrepen (vgl. 5:2), zoals ook 3:24.

24Hij verdreef Adam. Aan de oostkant van de tuin van Eden plaatste Hij de cherubs en het vlammende, zwaaiende zwaard. Zij moesten de weg naar de boom van het leven bewaken.
וַיְגָ֖רֶשׁ
(vaygaresh)
en Hij verdreef
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָֽאָדָ֑ם
(haadam)
Adam
וַיַּשְׁכֵּן֩
(vayashken)
en Hij liet wonen
מִקֶּ֨דֶם
(miqedem)
aan de oostkant van
לְגַן
(legan)
de tuin van
עֵ֜דֶן
(eden)
Eden
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַכְּרֻבִ֗ים
(hakeruvim)
de cherubs
וְאֵ֨ת
(veet)
en
לַ֤הַט
(lahat)
vlam van
הַחֶ֨רֶב֙
(hacherev)
het zwaard
הַמִּתְהַפֶּ֔כֶת
(hamithapekhet)
dat zich omdraait
לִשְׁמֹ֕ר
(lishmor)
om te bewaken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
weg van
עֵ֥ץ
(ets)
boom van
הַֽחַיִּֽים
(hachayim)
het leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB) + Septuaginta en Vulgaat
Plaats

Zie Eden: Eden wordt in deze uitgave vermoedelijk in het Armeense hoogland gezocht, waar de vier rivieren ontspringen.

Uitleg

וַיַּשְׁכֵּן (vayashkén), letterlijk ‘en Hij liet wonen’, heeft dezelfde wortel als מִשְׁכָּן (mishkan), ‘woning’.

כְּרֻבִים (cherubim) zijn hemelwezens; hier bewaken ze de weg naar de boom van het leven.

לַהַט הַחֶרֶב הַמִּתְהַפֶּכֶת (lahat ha-cherev ha-mithapekhet): ‘de vlam van het zwaard dat zich omkeert’.

הַמִּתְהַפֶּכֶת (hamithapekhet): ‘dat zich omkeert’; ‘zwaaiend’ is een weergave van die beweging.

קֶדֶם (qedem): ‘oost’; zie de voetnoot bij Gen. 2:8.

Hier: ‘plaatsen, laten verblijven’.

Vergelijk de cherubs op het verzoendeksel (Ex. 25:18–22).