Elohim Bijbel

Spreuken 30

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Woorden van Agur

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Woorden van Agur

1Woorden van Agur, de zoon van Jake, de godsspraak. Uitspraak van de man tot Ithiël, tot Ithiël en Ukal.
דִּבְרֵ֤י
(divrei)
woorden van
אָג֥וּר
(agur)
Agur
בִּן
(bin)
zoon van
יָקֶ֗ה
(yaqe)
Jake
הַמַּ֫שָּׂ֥א
(hamasa)
de godsspraak
נְאֻ֣ם
(neum)
uitspraak van
הַ֭גֶּבֶר
(hagever)
de man
לְאִֽיתִיאֵ֑ל
(leitiel)
tot Ithiël
לְאִ֖יתִיאֵ֣ל
(leitiel)
tot Ithiël
וְאֻכָֽל
(veukhal)
en Ukal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמַּשָּׂא (hammassa), ‘de godsspraak’: het woord kan ook een plaatsnaam zijn, ‘Massa’ (zie Gen. 25:14).

Wij vertalen ‘de godsspraak’, zoals in Spr. 31:1.

אִיתִיאֵל (Iti’el) en אֻכָל (Ukal): dit kunnen namen zijn van twee mannen tot wie Agur spreekt, of woorden met een betekenis. Wij laten ze als namen staan; de betekenis is onzeker.

2Ik ben immers dommer dan wie ook. Het inzicht van een mens heb ik niet.
כִּ֤י
(ki)
want
בַ֣עַר
(baar)
dom
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
מֵאִ֑ישׁ
(meish)
dan een man
וְלֹֽא
(velo)
en niet
בִינַ֖ת
(binat)
inzicht van
אָדָ֣ם
(adam)
een mens
לִֽי
(li)
bij mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּעַר (ba‘ar), ‘dom’: de spreker noemt zichzelf onwetend.

מֵאִישׁ (me’ish), letterlijk ‘dan een man’: dommer dan wie ook.

3Wijsheid heb ik niet geleerd. De kennis van de Heiligen ken ik niet.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
לָמַ֥דְתִּי
(lamadti)
ik heb geleerd
חָכְמָ֑ה
(chakhema)
wijsheid
וְדַ֖עַת
(vedaat)
en kennis van
קְדֹשִׁ֣ים
(qedoshim)
heiligen
אֵדָֽע
(eda)
ik ken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְדֹשִׁים (qedoshim), ‘Heiligen’: het meervoud kan ook ‘de Heilige’ betekenen, zoals in Spr. 9:10.

Wij vertalen ‘de Heiligen’.

4Wie is naar de hemel opgestegen en weer neergedaald? Wie heeft de wind verzameld in zijn handpalmen? Wie heeft het water in een mantel gebonden? Wie heeft alle einden van de aarde vastgesteld? Wat is zijn naam, en wat is de naam van zijn zoon, als je het weet?
מִ֤י
(mi)
wie
עָלָֽה
(ala)
is opgestegen
שָׁמַ֨יִם
(shamayim)
naar de hemel
וַיֵּרַ֡ד
(vayerad)
en is neergedaald
מִ֤י
(mi)
wie
אָֽסַף
(asaf)
heeft verzameld
ר֨וּחַ
(ruach)
de wind
בְּחָפְנָ֡יו
(bechafenav)
in zijn handpalmen
מִ֤י
(mi)
wie
צָֽרַר
(tsarar)
heeft gebonden
מַ֨יִם
(mayim)
water
בַּשִּׂמְלָ֗ה
(basimla)
in een mantel
מִ֭י
(mi)
wie
הֵקִ֣ים
(heqim)
heeft vastgesteld
כָּל
(kal)
alle
אַפְסֵי
(afsei)
einden van
אָ֑רֶץ
(arets)
de aarde
מַה
(ma)
wat
שְּׁמ֥וֹ
(shemo)
is zijn naam
וּמַֽה
(uma)
en wat
שֶּׁם
(shem)
is de naam van
בְּ֝נ֗וֹ
(beno)
zijn zoon
כִּ֣י
(ki)
als
תֵדָֽע
(teda)
je weet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze vragen lijken op de vragen die Yahweh aan Job stelt (Job 38:4–5).

Het vers noemt geen antwoord.

Wij laten ‘zijn’ en ‘zijn zoon’ met kleine letter staan; het Hebreeuws zegt niet wie bedoeld is.

רוּחַ (ruach), ‘wind’: hier de wind, niet de geest.

בְּחָפְנָיו (bechofnav), ‘in zijn handpalmen’: in de holle handen.

5Elk woord van Eloah is gelouterd. Hij is een schild voor wie bij Hem schuilen.
כָּל
(kal)
elk
אִמְרַ֣ת
(imrat)
woord van
אֱל֣וֹהַּ
(eloha)
Eloah
צְרוּפָ֑ה
(tserufa)
gelouterd
מָגֵ֥ן
(magen)
schild
ה֝֗וּא
(hu)
Hij
לַֽחֹסִ֥ים
(lachosim)
voor wie schuilen
בּֽוֹ
(bo)
bij Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלוֹהַּ (Eloah), ‘Eloah’: dezelfde naam als in Job.

Zie ook Ps. 18:31.

6Voeg niets toe aan Zijn woorden, anders wijst Hij je terecht en word je een leugenaar bevonden.
אַל
(al)
niet
תּ֥וֹסְףְּ
(tosep)
voeg toe
עַל
(al)
aan
דְּבָרָ֑יו
(devarav)
Zijn woorden
פֶּן
(pen)
anders
יוֹכִ֖יחַ
(yokhiach)
wijst Hij terecht
בְּךָ֣
(bekha)
jou
וְנִכְזָֽבְתָּ
(venikhzavta)
en je wordt een leugenaar bevonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Deut. 4:2 en Deut. 13:1.

וְנִכְזָבְתָּ (venikzavta), ‘en je wordt een leugenaar bevonden’: letterlijk ‘en je blijkt leugenachtig’.

Twee dingen vraag ik van U

7Twee dingen vraag ik van U. Weiger ze mij niet, voordat ik sterf.
שְׁ֭תַּיִם
(shetayim)
twee
שָׁאַ֣לְתִּי
(shaalti)
ik vraag
מֵאִתָּ֑ךְ
(meitakh)
van U
אַל
(al)
niet
תִּמְנַ֥ע
(timna)
weiger
מִ֝מֶּ֗נִּי
(mimeni)
mij
בְּטֶ֣רֶם
(beterem)
voordat
אָמֽוּת
(amut)
ik sterf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁתַּיִם (shtayim), ‘twee’: er staat geen zelfstandig naamwoord bij.

Wij vullen ‘dingen’ aan, zoals het vervolg (vers 8–9) laat zien.

8Houd valsheid en leugenwoorden ver van mij. Geef mij geen armoede en geen rijkdom. Laat mij het brood eten dat mij is toegemeten.
שָׁ֤וְא
(shave)
valsheid
וּֽדְבַר
(udevar)
en woord van
כָּזָ֡ב
(kazav)
leugen
הַרְחֵ֬ק
(harcheq)
houd ver
מִמֶּ֗נִּי
(mimeni)
van mij
רֵ֣אשׁ
(resh)
armoede
וָ֭עֹשֶׁר
(vaosher)
en rijkdom
אַל
(al)
niet
תִּֽתֶּן
(titen)
geef
לִ֑י
(li)
mij
הַ֝טְרִיפֵ֗נִי
(hatrifeni)
laat mij eten
לֶ֣חֶם
(lechem)
brood van
חֻקִּֽי
(chuqi)
mijn toegemeten deel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֵאשׁ (resh), ‘armoede’: het woord klinkt als רָשׁ (rash), ‘berooid’.

חֻקִּי (chuqqi), ‘mijn toegemeten deel’: wat voor mij is vastgesteld.

9Anders word ik verzadigd, ontken ik en zeg ik: „Wie is Yahweh?” Of anders verarm ik, steel ik en vergrijp ik mij aan de naam van mijn Elohim.
פֶּ֥ן
(pen)
anders
אֶשְׂבַּ֨ע
(esba)
ik word verzadigd
וְכִחַשְׁתִּי֮
(vekhichashti)
en ik ontken
וְאָמַ֗רְתִּי
(veamarti)
en ik zeg
מִ֥י
(mi)
wie
יְה֫וָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
וּפֶֽן
(ufen)
en anders
אִוָּרֵ֥שׁ
(ivaresh)
ik verarm
וְגָנַ֑בְתִּי
(veganavti)
en ik steel
וְ֝תָפַ֗שְׂתִּי
(vetafasti)
en ik vergrijp mij aan
שֵׁ֣ם
(shem)
naam van
אֱלֹהָֽי
(elohay)
mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִוָּרֵשׁ (ivvaresh), ‘ik verarm’: letterlijk ‘ik word van mijn bezit beroofd’.

תָפַשְׂתִּי (tafasti), ‘ik grijp’: ik vergrijp mij aan de naam, ik misbruik hem.

כִחַשְׁתִּי (kichashti), ‘ik ontken’: het Hebreeuws noemt geen voorwerp.

10Belaster een dienaar niet bij zijn heer, anders vervloekt hij je en word je schuldig bevonden.
אַל
(al)
niet
תַּלְשֵׁ֣ן
(talshen)
belaster
עֶ֭בֶד
(eved)
dienaar
אֶל
(el)
bij
אֲדֹנָ֑יו
(adonav)
zijn heer
פֶּֽן
(pen)
anders
יְקַלֶּלְךָ֥
(yeqalelkha)
hij vervloekt jou
וְאָשָֽׁמְתָּ
(veashamta)
en je wordt schuldig bevonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּלְשֵׁן (talshen), ‘belaster’: letterlijk ‘bewerk met de tong’.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft אדנו en het gelezen woord (qere) אֲדֹנָיו; beide betekenen ‘zijn heer’.

Een geslacht dat zich verheft

11Een geslacht dat zijn vader vervloekt en zijn moeder niet zegent.
דּ֭וֹר
(dor)
geslacht
אָבִ֣יו
(aviv)
zijn vader
יְקַלֵּ֑ל
(yeqalel)
vervloekt
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אִ֝מּ֗וֹ
(imo)
zijn moeder
לֹ֣א
(lo)
niet
יְבָרֵֽךְ
(yevarekh)
zegent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דּוֹר (dor), ‘geslacht’: de mensen van een tijd, een soort mensen.

Vers 11–14 beginnen alle vier met dit woord.

Zie ook Exod. 21:17 en Lev. 20:9.

12Een geslacht dat rein is in eigen ogen, maar niet gewassen is van zijn vuil.
דּ֭וֹר
(dor)
geslacht
טָה֣וֹר
(tahor)
rein
בְּעֵינָ֑יו
(beeinav)
in zijn ogen
וּ֝מִצֹּאָת֗וֹ
(umitsoato)
en van zijn vuil
לֹ֣א
(lo)
niet
רֻחָֽץ
(ruchats)
is gewassen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צֹאָה (tso’ah), ‘vuil’: letterlijk ‘uitwerpselen’.

13Een geslacht, hoe hoog staan zijn ogen, en zijn oogleden worden opgeheven.
דּ֭וֹר
(dor)
geslacht
מָה
(ma)
hoe
רָמ֣וּ
(ramu)
zijn hoog
עֵינָ֑יו
(einav)
zijn ogen
וְ֝עַפְעַפָּ֗יו
(veafapav)
en zijn oogleden
יִנָּשֵֽׂאוּ
(yinaseu)
worden opgeheven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Een geslacht waarvan de tanden zwaarden zijn en de kiezen messen, om de ellendigen van de aarde te verslinden en de armen onder de mensen.
דּ֤וֹר
(dor)
geslacht
חֲרָב֣וֹת
(charavot)
zwaarden
שִׁנָּיו֮
(shinav)
zijn tanden
וּֽמַאֲכָל֪וֹת
(umaakhalot)
en messen
מְֽתַלְּעֹ֫תָ֥יו
(metaleotav)
zijn kiezen
לֶאֱכֹ֣ל
(leekhol)
om te verslinden
עֲנִיִּ֣ים
(aniyim)
ellendigen
מֵאֶ֑רֶץ
(meerets)
van de aarde
וְ֝אֶבְיוֹנִ֗ים
(veevyonim)
en armen
מֵאָדָֽם
(meadam)
onder de mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְתַלְּעוֹת (metalle‘ot), ‘kiezen’: de grote tanden achter in de mond.

Wat nooit genoeg krijgt

15De bloedzuiger heeft twee dochters: „Geef! Geef!” Drie zijn er die niet verzadigd worden, vier die niet zeggen: „Genoeg!”
לַֽעֲלוּקָ֨ה
(laaluqa)
voor de bloedzuiger
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee
בָנוֹת֮
(banot)
dochters
הַ֤ב
(hav)
geef
הַ֥ב
(hav)
geef
שָׁל֣וֹשׁ
(shalosh)
drie
הֵ֭נָּה
(hena)
zij
לֹ֣א
(lo)
niet
תִשְׂבַּ֑עְנָה
(tisbana)
worden verzadigd
אַ֝רְבַּ֗ע
(arba)
vier
לֹא
(lo)
niet
אָ֥מְרוּ
(ameru)
zeggen
הֽוֹן
(hon)
genoeg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲלוּקָה (‘aluqah), ‘bloedzuiger’: het woord komt alleen hier voor.

De weergave is gangbaar maar niet zeker.

הוֹן (hon), ‘genoeg’: het woord betekent ook ‘rijkdom’ of ‘bezit’.

Vanaf hier volgen spreuken met de opbouw ‘drie, ja vier’: eerst een getal, dan hetzelfde getal plus één (vers 15–16, 18–19, 21–23, 24–28 en 29–31).

16De Sjeol en de gesloten baarmoeder; de aarde die niet verzadigd wordt van water, en het vuur dat niet zegt: „Genoeg!”
שְׁאוֹל֮
(sheol)
Sjeol
וְעֹ֪צֶ֫ר
(veotser)
en sluiting van
רָ֥חַם
(racham)
baarmoeder
אֶ֭רֶץ
(erets)
aarde
לֹא
(lo)
niet
שָׂ֣בְעָה
(savea)
is verzadigd
מַּ֑יִם
(mayim)
water
וְ֝אֵ֗שׁ
(veesh)
en vuur
לֹא
(lo)
niet
אָ֥מְרָה
(amera)
zegt
הֽוֹן
(hon)
genoeg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹצֶר רָחַם (otser rachem), ‘gesloten baarmoeder’: letterlijk ‘het sluiten van de baarmoeder’, een onvruchtbare schoot.

17Het oog dat de vader bespot en de gehoorzaamheid aan een moeder veracht. De raven van het beekdal zullen het uitpikken, en de jonge arenden zullen het opeten.
עַ֤יִן
(ayin)
oog
תִּֽלְעַ֣ג
(tilag)
dat bespot
לְאָב֮
(leav)
een vader
וְתָב֪וּז
(vetavuz)
en veracht
לִֽיקֲּהַ֫ת
(liqahat)
gehoorzaamheid aan
אֵ֥ם
(em)
een moeder
יִקְּר֥וּהָ
(yiqeruha)
zullen het uitpikken
עֹרְבֵי
(orevei)
raven van
נַ֑חַל
(nachal)
het beekdal
וְֽיֹאכְל֥וּהָ
(veyokhluha)
en zullen het opeten
בְנֵי
(benei)
jongen van
נָֽשֶׁר
(nasher)
de arend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִקְּהַת (yiqqehat), ‘gehoorzaamheid’: hetzelfde woord als in Gen. 49:10.

De betekenis is niet helemaal zeker.

עֹרְבֵי נַחַל (‘orevei nachal), ‘raven van het beekdal’: een nachal is een dal waar alleen in het regenseizoen water stroomt.

Wat te wonderlijk is

18Drie dingen zijn te wonderlijk voor mij, en vier ken ik niet:
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
הֵ֭מָּה
(hema)
zij
נִפְלְא֣וּ
(nifleu)
zijn te wonderlijk
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
voor mij
וְ֝אַרְבָּעָ֗ה
(vearbaa)
en vier
לֹ֣א
(lo)
niet
יְדַעְתִּֽים
(yedatim)
ken ik ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft וארבע en het gelezen woord (qere) וְאַרְבָּעָה; beide betekenen ‘en vier’.

19De weg van de arend aan de hemel. De weg van de slang over een rots. De weg van een schip midden op zee. En de weg van een man bij een jonge vrouw.
דֶּ֤רֶךְ
(derekh)
weg van
הַנֶּ֨שֶׁר
(hanesher)
de arend
בַּשָּׁמַיִם֮
(bashamayim)
aan de hemel
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
weg van
נָחָ֗שׁ
(nachash)
slang
עֲלֵ֫י
(alei)
over
צ֥וּר
(tsur)
rots
דֶּֽרֶךְ
(derekh)
weg van
אֳנִיָּ֥ה
(oniya)
schip
בְלֶב
(belev)
in het hart van
יָ֑ם
(yam)
zee
וְדֶ֖רֶךְ
(vederekh)
en weg van
גֶּ֣בֶר
(gever)
man
בְּעַלְמָֽה
(bealma)
bij een jonge vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּעַלְמָה (be‘almah), ‘bij een jonge vrouw’: een almah is een jonge vrouw.

Het voorzetsel kan ook ‘in’ of ‘met’ betekenen.

De vier wegen hebben gemeen dat ze geen sporen achterlaten.

20Zo is de weg van een overspelige vrouw: zij eet, veegt haar mond af en zegt: „Ik heb geen onheil aangericht.”
כֵּ֤ן
(ken)
zo
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
weg van
אִשָּׁ֗ה
(isha)
vrouw
מְנָ֫אָ֥פֶת
(menaafet)
overspelige
אָ֭כְלָה
(akhela)
zij eet
וּמָ֣חֲתָה
(umachata)
en veegt af
פִ֑יהָ
(piha)
haar mond
וְ֝אָמְרָ֗ה
(veamera)
en zegt
לֹֽא
(lo)
niet
פָעַ֥לְתִּי
(paalti)
ik heb gedaan
אָֽוֶן
(aven)
onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָוֶן (aven), ‘onheil’: onrecht, kwaad.

Wat de aarde laat beven

21Onder drie beeft de aarde, en onder vier kan zij het niet dragen:
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
שָׁ֭לוֹשׁ
(shalosh)
drie
רָ֣גְזָה
(rageza)
beeft
אֶ֑רֶץ
(erets)
de aarde
וְתַ֥חַת
(vetachat)
en onder
אַ֝רְבַּ֗ע
(arba)
vier
לֹא
(lo)
niet
תוּכַ֥ל
(tukhal)
kan zij
שְׂאֵֽת
(seet)
dragen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22onder een dienaar als hij koning wordt, en een dwaze als hij verzadigd is van brood;
תַּֽחַת
(tachat)
onder
עֶ֭בֶד
(eved)
een dienaar
כִּ֣י
(ki)
als
יִמְל֑וֹךְ
(yimlokh)
hij koning wordt
וְ֝נָבָ֗ל
(venaval)
en een dwaze
כִּ֣י
(ki)
als
יִֽשְׂבַּֽע
(yisba)
hij verzadigd is van
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23onder een gehate vrouw als zij gehuwd wordt, en een slavin als zij haar meesteres beërft.
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
שְׂ֭נוּאָה
(senua)
een gehate vrouw
כִּ֣י
(ki)
als
תִבָּעֵ֑ל
(tibael)
zij gehuwd wordt
וְ֝שִׁפְחָ֗ה
(veshifcha)
en een slavin
כִּֽי
(ki)
als
תִירַ֥שׁ
(tirash)
zij beërft
גְּבִרְתָּֽהּ
(gevirtah)
haar meesteres
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׂנוּאָה (senu’ah), ‘gehate vrouw’: een vrouw die niet geliefd wordt.

תִירַשׁ (tirash), ‘zij beërft’: letterlijk ‘zij neemt in bezit’. Het kan ook ‘zij verdringt’ betekenen.

Klein en toch wijs

24Vier zijn er klein op aarde, maar zij zijn uiterst wijs:
אַרְבָּ֣עָה
(arbaa)
vier
הֵ֭ם
(hem)
zij
קְטַנֵּי
(qetanei)
kleinen van
אָ֑רֶץ
(arets)
de aarde
וְ֝הֵ֗מָּה
(vehema)
maar zij
חֲכָמִ֥ים
(chakhamim)
wijzen
מְחֻכָּמִֽים
(mechukamim)
uiterst wijs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְחֻכָּמִים (mechukkamim), ‘uiterst wijs’: letterlijk ‘wijs gemaakt’; de herhaling versterkt.

Het kan ook ‘wijzer dan de wijzen’ betekenen.

Zie ookJob 12:7
25de mieren, een volk dat niet sterk is, maar in de zomer maken zij hun voedsel klaar;
הַ֭נְּמָלִים
(hanemalim)
de mieren
עַ֣ם
(am)
volk
לֹא
(lo)
niet
עָ֑ז
(az)
sterk
וַיָּכִ֖ינוּ
(vayakhinu)
en zij maken klaar
בַקַּ֣יִץ
(baqayits)
in de zomer
לַחְמָֽם
(lachmam)
hun voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Spr. 6:6–8.

26de klipdassen, een volk dat niet machtig is, maar zij zetten hun huis in de rots;
שְׁ֭פַנִּים
(shefanim)
de klipdassen
עַ֣ם
(am)
volk
לֹא
(lo)
niet
עָצ֑וּם
(atsum)
machtig
וַיָּשִׂ֖ימוּ
(vayasimu)
en zij zetten
בַסֶּ֣לַע
(basela)
in de rots
בֵּיתָֽם
(beitam)
hun huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁפָן (shafan), ‘klipdas’: zie Lev. 11:5 en Ps. 104:18.

Deze weergave is gangbaar maar niet helemaal zeker.

27de sprinkhaan heeft geen koning, maar hij trekt uit, helemaal in gelederen;
מֶ֭לֶךְ
(melekh)
koning
אֵ֣ין
(ein)
er is niet
לָאַרְבֶּ֑ה
(laarbe)
voor de sprinkhaan
וַיֵּצֵ֖א
(vayetse)
en hij trekt uit
חֹצֵ֣ץ
(chotsets)
in gelederen
כֻּלּֽוֹ
(kulo)
helemaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhaan’: zie Exod. 10:13–14.

חֹצֵץ (chotsets), ‘in gelederen’: letterlijk ‘verdelend’. Het woord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker.

28de hagedis kun je met de handen grijpen, maar zij is in de paleizen van de koning.
שְׂ֭מָמִית
(semamit)
hagedis
בְּיָדַ֣יִם
(beyadayim)
met de handen
תְּתַפֵּ֑שׂ
(tetapes)
je kunt grijpen
וְ֝הִ֗יא
(vehi)
maar zij
בְּהֵ֣יכְלֵי
(beheikhelei)
in de paleizen van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׂמָמִית (semamit), ‘hagedis’: het dier is niet zeker te bepalen; ‘spin’ of ‘gekko’ is ook mogelijk.

תְּתַפֵּשׂ (tetapes) kan ‘je grijpt’ betekenen of ‘zij grijpt zich vast’. Wij lezen: je kunt haar met de handen pakken.

Statig van gang

29Drie zijn er die goed stappen, en vier die goed gaan:
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
הֵ֭מָּה
(hema)
zij
מֵיטִ֣יבֵי
(meitivei)
die goed doen
צָ֑עַד
(tsaad)
stap
וְ֝אַרְבָּעָ֗ה
(vearbaa)
en vier
מֵיטִ֥בֵי
(meitivei)
die goed doen
לָֽכֶת
(lakhet)
gang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30de leeuw, de held onder de dieren, die voor niemand terugkeert;
לַ֭יִשׁ
(layish)
leeuw
גִּבּ֣וֹר
(gibor)
held
בַּבְּהֵמָ֑ה
(babehema)
onder de dieren
וְלֹא
(velo)
en niet
יָ֝שׁ֗וּב
(yashuv)
hij keert terug
מִפְּנֵי
(mipenei)
voor
כֹֽל
(kol)
iedereen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31de strijdhaan, of de bok, en een koning tegen wie niemand opstaat.
זַרְזִ֣יר
(zarzir)
omgord
מָתְנַ֣יִם
(matenayim)
van de lenden
אוֹ
(o)
of
תָ֑יִשׁ
(tayish)
bok
וּ֝מֶ֗לֶךְ
(umelekh)
en koning
אַלְק֥וּם
(alqum)
niemand staat op
עִמּֽוֹ
(imo)
bij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זַרְזִיר מָתְנַיִם (zarzir motnayim), letterlijk ‘omgord van de lenden’: een dier dat wij niet zeker kunnen bepalen.

‘Strijdhaan’, ‘windhond’ en ‘strijdros’ zijn voorstellen.

אַלְקוּם (alqum): het woord komt alleen hier voor. Wij lezen het als אַל קוּם (al qum), ‘niet opstaan’: een koning tegen wie niemand opstaat. Andere voorstellen zijn mogelijk; de tekst blijft moeilijk.

Houd je in

32Als je onverstandig hebt gehandeld door je te verheffen, en als je plannen hebt gesmeed: de hand op de mond.
אִם
(im)
als
נָבַ֥לְתָּ
(navalta)
je hebt onverstandig gehandeld
בְהִתְנַשֵּׂ֑א
(behitnase)
door je te verheffen
וְאִם
(veim)
en als
זַ֝מּ֗וֹתָ
(zamota)
je hebt gepland
יָ֣ד
(yad)
hand
לְפֶֽה
(lefe)
op de mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זַמּוֹת (zammota), ‘je hebt plannen gesmeed’: het woord kan kwade plannen bedoelen.

יָד לְפֶה (yad lefeh), ‘hand op de mond’: zwijgen, zoals in Job 40:4.

33Want het wringen van melk brengt boter voort. Het wringen van de neus brengt bloed voort. En het wringen van de toorn brengt twist voort.
כִּ֤י
(ki)
want
מִ֪יץ
(mits)
het wringen van
חָלָ֡ב
(chalav)
melk
י֘וֹצִ֤יא
(yotsi)
brengt voort
חֶמְאָ֗ה
(chema)
boter
וּֽמִיץ
(umits)
en het wringen van
אַ֭ף
(af)
neus
י֣וֹצִיא
(yotsi)
brengt voort
דָ֑ם
(dam)
bloed
וּמִ֥יץ
(umits)
en het wringen van
אַ֝פַּ֗יִם
(apayim)
toorn
י֣וֹצִיא
(yotsi)
brengt voort
רִֽיב
(riv)
twist
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִיץ (mits), ‘wringen’: dit ene woord staat drie keer: het karnen van melk, het knijpen in de neus en het wringen van toorn.

אַף (af), ‘neus’, en אַפַּיִם (apayim), ‘toorn’ (letterlijk ‘neusgaten’): in het Hebreeuws is de neus het beeld van toorn.

Het woordspel gaat in de vertaling verloren.