Elohim Bijbel

Habakuk 3

123

Het gebed van Habakuk

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Opschrift

1Een gebed van Habakuk, de profeet, op Sjiggajonot.
תְּפִלָּ֖ה
(tefila)
gebed
לַחֲבַקּ֣וּק
(lachavaquq)
van Habakuk
הַנָּבִ֑יא
(hanavi)
de profeet
עַ֖ל
(al)
op
שִׁגְיֹנֽוֹת
(shigyonot)
Sjiggajonot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּפִלָּה (tefillah), ‘gebed’: hetzelfde woord staat boven Ps. 17, 86, 90, 102 en 142.

Het hoofdstuk is een gebed dat tegelijk een lied is, met aanwijzingen voor de zang (vers 3, 9, 13 en 19).

שִׁגְיֹנוֹת (shigyonot), ‘Sjiggajonot’: het meervoud van Sjiggajon (Ps. 7:1). De betekenis is onzeker. Het is een soort lied of muzikale aanduiding, misschien een lied met wisselende toon.

Het hele hoofdstuk is een gebed van de profeet en staat zwart. Yahweh wordt in de derde persoon beschreven of rechtstreeks aangesproken met ‘U’.

Bede om Yahweh’s werk

2Yahweh, ik heb het bericht over U gehoord; ik ben bevreesd, Yahweh, voor Uw werk. Maak het levend te midden van de jaren, maak het bekend te midden van de jaren. Gedenk ontferming in de beroering.
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
שָׁמַ֣עְתִּי
(shamati)
ik heb gehoord
שִׁמְעֲךָ֮
(shimakha)
het bericht over U
יָרֵאתִי֒
(yareti)
ik ben bevreesd
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
פָּֽעָלְךָ֙
(paalekha)
Uw werk
בְּקֶ֤רֶב
(beqerev)
te midden van
שָׁנִים֙
(shanim)
jaren
חַיֵּ֔יהוּ
(chayeihu)
maak het levend
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
te midden van
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaren
תּוֹדִ֑יעַ
(todia)
maak bekend
בְּרֹ֖גֶז
(berogez)
in beroering
רַחֵ֥ם
(rachem)
ontferming
תִּזְכּֽוֹר
(tizkor)
gedenk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁמְעֲךָ (shim'akha), ‘het bericht over U’: wat de profeet over Yahweh’s daden heeft gehoord, vermoedelijk van vroeger tijd.

Het kan ook ‘Uw gerucht’ zijn.

בְּקֶרֶב שָׁנִים (bekerev shanim), ‘te midden van de jaren’: in de loop van de tijd, in onze dagen.

חַיֵּיהוּ (chayyehu), ‘maak het levend’: laat Uw werk opnieuw gebeuren.

בְּרֹגֶז רַחֵם תִּזְכּוֹר (berogez rachem tizkor), ‘gedenk ontferming in de beroering’: rachem, ‘ontferming’, komt van het woord voor ‘baarmoeder’. De profeet vraagt dat Yahweh, ook in Zijn toorn, ontferming niet vergeet.

Eloah komt uit Teman

3Eloah komt uit Teman, en de Heilige van het gebergte Paran. Sela. Zijn majesteit bedekt de hemel, en de aarde is vol van Zijn lof.
אֱל֨וֹהַ֙
(eloha)
Eloah
מִתֵּימָ֣ן
(miteiman)
uit Teman
יָב֔וֹא
(yavo)
komt
וְקָד֥וֹשׁ
(veqadosh)
en de Heilige
מֵֽהַר
(mehar)
van het gebergte
פָּארָ֖ן
(paran)
Paran
סֶ֑לָה
(sela)
Sela
כִּסָּ֤ה
(kisa)
bedekt
שָׁמַ֨יִם֙
(shamayim)
de hemel
הוֹד֔וֹ
(hodo)
Zijn majesteit
וּתְהִלָּת֖וֹ
(utehilato)
en Zijn lof
מָלְאָ֥ה
(malea)
is vol
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië).

Zie Paran: De woestijn van Paran ligt in het midden van het schiereiland Sinaï en in de Negev.

Uitleg

אֱלוֹהַ (Eloah), ‘Eloah’: een oude, enkelvoudige vorm van Elohim, vooral in poëzie (Deut. 32:15; Job).

Wij laten het woord staan.

מִתֵּימָן (miTeman), ‘uit Teman’ en פָּארָן (Paran), ‘Paran’: streken in het zuiden, bij Edom en de Sinaï. Vergelijk Deut. 33:2 en Richt. 5:4. Yahweh trekt uit het zuiden op.

סֶלָה (sela), ‘Sela’: de betekenis is onzeker; waarschijnlijk een muzikaal teken of een pauze. Het staat in dit hoofdstuk drie keer (vers 3, 9 en 13), net als in de Psalmen.

הוֹדוֹ (hodo), ‘Zijn majesteit’: hod is glans en luister.

4Een glans is als het licht; stralen komen uit Zijn hand. Daar is de verberging van Zijn kracht.
וְנֹ֨גַהּ֙
(venogah)
en glans
כָּא֣וֹר
(kaor)
als het licht
תִּֽהְיֶ֔ה
(tihye)
is
קַרְנַ֥יִם
(qarnayim)
stralen
מִיָּד֖וֹ
(miyado)
uit Zijn hand
ל֑וֹ
(lo)
voor Hem
וְשָׁ֖ם
(vesham)
en daar
חֶבְי֥וֹן
(chevyon)
verberging van
עֻזֹּֽה
(uzo)
Zijn kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנֹגַהּ (nogah), ‘glans’: het licht dat Yahweh uitstraalt.

קַרְנַיִם (qarnayim), ‘stralen’: letterlijk ‘hoorns’ (van qeren).

Stralen komen als hoorns uit Zijn hand; vergelijk Exod. 34:29, waar het gezicht van Mozes ‘straalt’ (qaran).

חֶבְיוֹן (chevyon), ‘verberging’: een zeldzaam woord. Zijn kracht blijft verborgen, ondanks Zijn glans.

5Voor Zijn aangezicht gaat de pest, en gloed gaat uit bij Zijn voeten.
לְפָנָ֖יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
יֵ֣לֶךְ
(yelekh)
gaat
דָּ֑בֶר
(daver)
pest
וְיֵצֵ֥א
(veyetse)
en gaat uit
רֶ֖שֶׁף
(reshef)
gloed
לְרַגְלָֽיו
(leraglav)
bij Zijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דָּבֶר (davar), ‘pest’: ziekte die volken treft.

רֶשֶׁף (reshef), ‘gloed’: letterlijk ‘vlam’ of ‘koorts’, zoals in Deut. 32:24.

Pest en gloed zijn Yahweh’s gevolg.

Zij volgen Hem als een gevolg.

6Hij stond stil en mat de aarde; Hij zag en deed volken opschrikken. De bergen die voor altijd stonden, werden verbrijzeld; de eeuwige heuvels zakten in. Zijn wegen zijn eeuwig.
עָמַ֣ד
(amad)
Hij stond stil
וַיְמֹ֣דֶד
(vaymoded)
en mat
אֶ֗רֶץ
(erets)
de aarde
רָאָה֙
(raa)
Hij zag
וַיַּתֵּ֣ר
(vayater)
en deed opschrikken
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
וַיִּתְפֹּֽצְצוּ֙
(vayitpotsetsu)
en werden verbrijzeld
הַרְרֵי
(harrei)
bergen van
עַ֔ד
(ad)
voor altijd
שַׁח֖וּ
(shachu)
zakten in
גִּבְע֣וֹת
(givot)
heuvels van
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwigheid
הֲלִיכ֥וֹת
(halikhot)
wegen van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwigheid
לֽוֹ
(lo)
voor Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְמֹדֶד (vayemodd), ‘en mat’: van madad, ‘meten’.

De betekenis is niet zeker; het kan ook ‘schudde’ zijn (van mud).

וַיַּתֵּר (vayyatter), ‘deed opschrikken’: het werkwoord nathar betekent ‘doen opspringen’ of ‘doen beven’.

הַרְרֵי עַד (harerei ad), ‘de bergen die voor altijd stonden’: letterlijk ‘bergen van altijd’ (ad vertalen wij met ‘voor altijd’). גִּבְעוֹת עוֹלָם (gib'ot olam), ‘de eeuwige heuvels’: zoals in Deut. 33:15. Zelfs de oudste bergen buigen voor Yahweh.

הֲלִיכוֹת עוֹלָם לוֹ (halikhot olam lo), ‘Zijn wegen zijn eeuwig’: letterlijk ‘gangen van eeuwigheid zijn Hem’. Het kan ook een uitroep zijn: ‘eeuwige gangen zijn van Hem’.

7Ik zag de tenten van Kusan onder onheil; de tentdoeken van het land Midian beefden.
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
אָ֔וֶן
(aven)
onheil
רָאִ֖יתִי
(raiti)
zag ik
אָהֳלֵ֣י
(aholei)
tenten van
כוּשָׁ֑ן
(kushan)
Kusan
יִרְגְּז֕וּן
(yirgezun)
beefden
יְרִיע֖וֹת
(yeriot)
tentdoeken van
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land
מִדְיָֽן
(midyan)
Midian
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba.

Uitleg

אָוֶן (aven), ‘onheil’: hetzelfde woord als ‘onrecht’ in 1:3.

Hier gaat het om de ellende die de tegenstanders van Yahweh treft.

כוּשָׁן (Kushan), ‘Kusan’: een zeldzame naam. Hij lijkt op Kusan-Risataïm, een koning uit Richt. 3:8, en op Kush. De betekenis is hier onzeker.

מִדְיָן (Midyan), ‘Midian’: het volk uit het zuiden, dat Gideon versloeg (Richt. 6–8).

Yahweh in de strijd

8Was het tegen de rivieren, Yahweh, dat U ontbrandde? Was Uw toorn tegen de rivieren, of Uw woede tegen de zee, dat U op Uw paarden reed, op Uw strijdwagens ter redding?
הֲבִנְהָרִים֙
(havinharim)
was het tegen de rivieren
חָרָ֣ה
(chara)
ontbrandde
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אִ֤ם
(im)
of
בַּנְּהָרִים֙
(baneharim)
tegen de rivieren
אַפֶּ֔ךָ
(apekha)
Uw toorn
אִם
(im)
of
בַּיָּ֖ם
(bayam)
tegen de zee
עֶבְרָתֶ֑ךָ
(evratekha)
Uw woede
כִּ֤י
(ki)
dat
תִרְכַּב֙
(tirkav)
U reed
עַל
(al)
op
סוּסֶ֔יךָ
(suseikha)
Uw paarden
מַרְכְּבֹתֶ֖יךָ
(markevoteikha)
Uw strijdwagens
יְשׁוּעָֽה
(yeshua)
redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲבִנְהָרִים (habinharim), ‘was het tegen de rivieren’: rivieren en zee zijn hier de krachten van chaos, zoals in de overlevering van de uittocht (Exod. 14–15; Joz. 3).

יְשׁוּעָה (yeshuah), ‘redding’: zie 1:2.

9Uw boog wordt geheel ontbloot; de eden aan de stammen zijn een woord. Sela. U splijt de aarde met rivieren.
עֶרְיָ֤ה
(erya)
naakt
תֵעוֹר֙
(teor)
wordt ontbloot
קַשְׁתֶּ֔ךָ
(qashtekha)
Uw boog
שְׁבֻע֥וֹת
(shevuot)
eden van
מַטּ֖וֹת
(matot)
stammen
אֹ֣מֶר
(omer)
woord
סֶ֑לָה
(sela)
Sela
נְהָר֖וֹת
(neharot)
rivieren
תְּבַקַּע
(tevaqa)
U splijt
אָֽרֶץ
(arets)
aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is moeilijk.

עֶרְיָה תֵעוֹר (eryah te'or), ‘geheel ontbloot’: de boog wordt uit zijn omhulsel gehaald.

De woorden שְׁבֻעוֹת מַטּוֹת אֹמֶר (shevu'ot mattot omer), ‘de eden aan de stammen zijn een woord’, zijn onzeker.

De eden kunnen de beloften van Yahweh aan de stammen van Israël zijn.

Een andere lezing is mogelijk.

נְהָרוֹת תְּבַקַּע אָרֶץ (naharot tevaqqa arets), ‘U splijt de aarde met rivieren’: ook ‘U splijt rivieren van de aarde’.

10De bergen zagen U en beefden. Een stortvloed van water trok voorbij. De diepte liet haar stem horen; zij hief haar handen omhoog.
רָא֤וּךָ
(raukha)
zagen U
יָחִ֨ילוּ֙
(yachilu)
beefden
הָרִ֔ים
(harim)
bergen
זֶ֥רֶם
(zerem)
stortvloed van
מַ֖יִם
(mayim)
water
עָבָ֑ר
(avar)
trok voorbij
נָתַ֤ן
(natan)
liet horen
תְּהוֹם֙
(tehom)
de diepte
קוֹל֔וֹ
(qolo)
haar stem
ר֖וֹם
(rom)
hoog
יָדֵ֥יהוּ
(yadeihu)
haar handen
נָשָֽׂא
(nasa)
hief op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֶרֶם מַיִם (zerem mayim), ‘een stortvloed van water’: een plotselinge, stromende regenvloed.

תְּהוֹם (tehom), ‘de diepte’: de oerdiepte (Gen. 1:2), hier met stem en handen.

De diepte reageert op Yahweh als een mens die zijn handen opheft in ontzag.

11Zon en maan bleven staan in hun woning. Bij het licht van Uw pijlen gaan zij, bij de glans van de bliksem van Uw speer.
שֶׁ֥מֶשׁ
(shemesh)
zon
יָרֵ֖חַ
(yareach)
maan
עָ֣מַד
(amad)
bleven staan
זְבֻ֑לָה
(zevula)
in hun woning
לְא֤וֹר
(leor)
bij het licht van
חִצֶּ֨יךָ֙
(chitseikha)
Uw pijlen
יְהַלֵּ֔כוּ
(yehalekhu)
gaan zij
לְנֹ֖גַהּ
(lenogah)
bij de glans van
בְּרַ֥ק
(beraq)
bliksem van
חֲנִיתֶֽךָ
(chanitekha)
Uw speer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁמֶשׁ יָרֵחַ (shemesh yareach amad zevulah), ‘zon en maan bleven staan in hun woning’: Yahweh grijpt in in de loop van de hemellichamen.

Vergelijk Joz. 10:12–13, waar de zon stilstaat.

Het Hebreeuws kan ook zijn dat zon en maan zich terugtrekken in hun verblijf.

חִצֶּיךָ (chitsekha), ‘Uw pijlen’ en חֲנִיתֶךָ (chanitekha), ‘Uw speer’: het licht van de bliksem wordt voorgesteld als wapen van Yahweh (Ps. 18:15, NL 18:14).

12In gramschap schrijdt U over de aarde; in toorn dorst U de volken.
בְּזַ֖עַם
(bezaam)
in gramschap
תִּצְעַד
(titsad)
schrijdt U
אָ֑רֶץ
(arets)
over de aarde
בְּאַ֖ף
(beaf)
in toorn
תָּד֥וּשׁ
(tadush)
dorst U
גּוֹיִֽם
(goyim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תָּדוּשׁ (tadush), ‘dorst U’: van dush, ‘dorsen’.

Het beeld is dat Yahweh de volken vertrapt als graan op de dorsvloer (Jes. 41:15; Amos 1:3).

13U bent uitgegaan ter redding van Uw volk, ter redding van Uw gezalfde. U hebt het hoofd verbrijzeld uit het huis van de goddeloze, door het fundament bloot te leggen tot aan de hals. Sela.
יָצָ֨אתָ֙
(yatsata)
U bent uitgegaan
לְיֵ֣שַׁע
(leyesha)
ter redding van
עַמֶּ֔ךָ
(amekha)
Uw volk
לְיֵ֖שַׁע
(leyesha)
ter redding
אֶת
(et)
met
מְשִׁיחֶ֑ךָ
(meshichekha)
Uw gezalfde
מָחַ֤צְתָּ
(machatsta)
U hebt verbrijzeld
רֹּאשׁ֙
(rosh)
hoofd
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
רָשָׁ֔ע
(rasha)
de goddeloze
עָר֛וֹת
(arot)
bloot te leggen
יְס֥וֹד
(yesod)
fundament
עַד
(ad)
tot
צַוָּ֖אר
(tsavar)
hals
סֶֽלָה
(sela)
Sela
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָצָאתָ לְיֵשַׁע (yatsata leyesha), ‘U bent uitgegaan ter redding’: Yahweh trekt uit om te redden.

אֶת מְשִׁיחֶךָ (et meshichekha), ‘Uw gezalfde’: het kan de koning van Juda zijn, maar ook het volk. Het woord et kan ook ‘met’ betekenen (‘ter redding met Uw gezalfde’). Wij laten beide open.

עָרוֹת יְסוֹד עַד צַוָּאר (arot yesod ad tsavvar), ‘door het fundament bloot te leggen tot aan de hals’: het huis van de goddeloze wordt gesloopt van dak tot fundament. Het beeld is dat van een lichaam: van het hoofd tot de hals.

14U hebt met zijn eigen staven het hoofd van zijn krijgers doorboord. Zij stormden aan om mij te verstrooien; hun jubel was alsof zij de arme in het verborgene verslonden.
נָקַ֤בְתָּ
(naqavta)
U doorboorde
בְמַטָּיו֙
(bematav)
met zijn staven
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd van
פְּרָזָ֔יו
(perazav)
zijn krijgers
יִסְעֲר֖וּ
(yisaru)
stormen aan
לַהֲפִיצֵ֑נִי
(lahafitseni)
om mij te verstrooien
עֲלִ֣יצֻתָ֔ם
(alitsutam)
hun jubel
כְּמוֹ
(kemo)
als
לֶאֱכֹ֥ל
(leekhol)
om te verslinden
עָנִ֖י
(ani)
arme
בַּמִּסְתָּֽר
(bamistar)
in het verborgene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De betekenis van perazim is niet zeker.

Het kan ‘krijgers’, ‘leiders’ of ‘dorpelingen’ zijn (zoals in Richt. 5:7).

נָקַבְתָּ (niqavta), ‘U doorboorde’: van naqav, ‘doorboren’. לַהֲפִיצֵנִי (lehafitsheni), ‘om mij te verstrooien’: de profeet spreekt voor het volk. Een vijand valt aan en wil het volk uiteenjagen.

עָנִי בַּמִּסְתָּר (ani bamistar), ‘de arme in het verborgene’: de vijand overvalt de weerloze in het geheim.

Lezing

Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) פְּרָזָיו (perazav), ‘zijn krijgers’.

De geschreven tekst (ketiv) heeft פרזו (parzo), dat ook als enkelvoud gelezen kan worden: ‘zijn krijger’.

15U trad met Uw paarden door de zee, door de opgehoopte grote wateren.
דָּרַ֥כְתָּ
(darakhta)
U trad
בַיָּ֖ם
(bayam)
in de zee
סוּסֶ֑יךָ
(suseikha)
Uw paarden
חֹ֖מֶר
(chomer)
hoop van
מַ֥יִם
(mayim)
wateren
רַבִּֽים
(rabim)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹמֶר (chomer), ‘hoop’: het woord betekent ‘modder’ of ‘hoop’.

De ‘opgehoopte grote wateren’ lijken op de opgetaste golven van Exod. 15:8.

De uittocht door de Rietzee is bedoeld.

Rustig wachten

16Ik heb het gehoord, en mijn binnenste beeft; bij het geluid sidderen mijn lippen. Verrotting dringt mijn beenderen binnen, en onder mij beef ik. Ik wil rustig wachten op de dag van de benauwdheid, tot hij opkomt tegen het volk dat ons aanvalt.
שָׁמַ֣עְתִּי
(shamati)
ik heb gehoord
וַתִּרְגַּ֣ז
(vatirgaz)
en beeft
בִּטְנִ֗י
(bitni)
mijn binnenste
לְקוֹל֙
(leqol)
bij het geluid
צָלֲל֣וּ
(tsalalu)
sidderen
שְׂפָתַ֔י
(sefatay)
mijn lippen
יָב֥וֹא
(yavo)
komt
רָקָ֛ב
(raqav)
verrotting
בַּעֲצָמַ֖י
(baatsamay)
in mijn beenderen
וְתַחְתַּ֣י
(vetachtay)
en onder mij
אֶרְגָּ֑ז
(ergaz)
beef ik
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
אָנ֨וּחַ֙
(anuach)
ik wil rusten
לְי֣וֹם
(leyom)
op de dag van
צָרָ֔ה
(tsara)
benauwdheid
לַעֲל֖וֹת
(laalot)
om op te komen
לְעַ֥ם
(leam)
tegen het volk
יְגוּדֶֽנּוּ
(yegudenu)
dat ons aanvalt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּטְנִי (bitni), ‘mijn binnenste’: letterlijk ‘mijn buik’.

צָלֲלוּ (tsalelu), ‘sidderen’: het werkwoord tsalal betekent ‘tintelen’ of ‘klinken’.

רָקָב (raqav), ‘verrotting’: de beenderen worden zwak (zoals in Spr. 12:4).

אָנוּחַ (anuach), ‘ik wil rustig wachten’: letterlijk ‘ik zal rusten’. De profeet kiest voor kalm afwachten.

לְיוֹם צָרָה (leyom tsarah), ‘op de dag van de benauwdheid’: zoals in Obad. 12 en 14.

יְגוּדֶנּוּ (yeguddenu), ‘dat ons aanvalt’: van gud, ‘aanvallen’. Het is de vijand uit hoofdstuk 1.

Toch zal ik juichen in Yahweh

17Want de vijgenboom bloeit niet, en er is geen opbrengst aan de wijnstokken. De opbrengst van de olijfboom valt tegen, en de akkers brengen geen voedsel voort. De kudde is uit de kraal weggesneden, en er is geen rund in de stallen.
כִּֽי
(ki)
want
תְאֵנָ֣ה
(teena)
de vijgenboom
לֹֽא
(lo)
niet
תִפְרָ֗ח
(tifrach)
bloeit
וְאֵ֤ין
(veein)
en niet is er
יְבוּל֙
(yevul)
opbrengst
בַּגְּפָנִ֔ים
(bagefanim)
aan de wijnstokken
כִּחֵשׁ֙
(kichesh)
valt tegen
מַעֲשֵׂה
(maase)
werk van
זַ֔יִת
(zayit)
de olijfboom
וּשְׁדֵמ֖וֹת
(ushedemot)
en de akkers
לֹא
(lo)
niet
עָ֣שָׂה
(asa)
brengen voort
אֹ֑כֶל
(okhel)
voedsel
גָּזַ֤ר
(gazar)
is weggesneden
מִמִּכְלָה֙
(mimikhla)
uit de kraal
צֹ֔אן
(tson)
kudde
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is er
בָּקָ֖ר
(baqar)
rund
בָּרְפָתִֽים
(barefatim)
in de stallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De profeet noemt het verlies van alle voedsel: vijg, druif, olijf, graan, kleinvee en rundvee.

Dat is de volledige ramp van een belegerd land (Deut. 28:38–42).

כִּחֵשׁ (kichesh), ‘valt tegen’: letterlijk ‘liegt’. De olijfboom geeft niet wat hij belooft.

מִמִּכְלָה (mimmikhlah), ‘uit de kraal’ en בָּרְפָתִים (birfatim), ‘in de stallen’: twee zeldzame woorden voor dierenverblijven.

18Maar ik, ik zal juichen in Yahweh, ik zal jubelen in de Elohim van mijn redding.
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en ik
בַּיהוָ֣ה
(baYahweh)
in Yahweh
אֶעְל֑וֹזָה
(eloza)
zal juichen
אָגִ֖ילָה
(agila)
zal jubelen
בֵּאלֹהֵ֥י
(belohei)
in de Elohim van
יִשְׁעִֽי
(yishi)
mijn redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶעְלוֹזָה אָגִילָה (e'elozah agilah), ‘ik zal juichen, ik zal jubelen’: twee werkwoorden voor uitbundige vreugde.

בֵּאלֹהֵי יִשְׁעִי (belohei yish'i), ‘in de Elohim van mijn redding’: yesha, ‘redding’; zie ook vers 13.

19Heer Yahweh is mijn kracht. Hij maakt mijn voeten als die van hinden en laat mij treden op mijn hoogten. Voor de koorleider, bij mijn snarenspel.
יְהוִ֤הּ
(Yahweh)
Yahweh
אֲדֹנָי֙
(adonay)
Heer
חֵילִ֔י
(cheili)
mijn kracht
וַיָּ֤שֶׂם
(vayasem)
en Hij maakt
רַגְלַי֙
(raglay)
mijn voeten
כָּֽאַיָּל֔וֹת
(kaayalot)
als hinden
וְעַ֥ל
(veal)
en op
בָּמוֹתַ֖י
(bamotay)
mijn hoogten
יַדְרִכֵ֑נִי
(yadrikheni)
laat Hij mij treden
לַמְנַצֵּ֖חַ
(lamnatseach)
voor de koorleider
בִּנְגִינוֹתָֽי
(binginotay)
bij mijn snarenspel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוִהּ אֲדֹנָי (Yahweh Adonai), ‘Heer Yahweh’: Adonai betekent ‘mijn Heer’.

Als aanspreking en naam van Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’.

Hier staat het in omgekeerde volgorde: Yahweh Adonai.

כָּאַיָּלוֹת (ka'ayyalot), ‘als hinden’: snel en veilig op steile hellingen. Dezelfde zin staat in Ps. 18:34 (NL 18:33) en 2 Sam. 22:34.

בָּמוֹתַי (bamotai), ‘mijn hoogten’: de hoge plaatsen van het land, bergen. Zie ook Deut. 32:13.

לַמְנַצֵּחַ בִּנְגִינוֹתָי (lamnatseach binginotai), ‘voor de koorleider, bij mijn snarenspel’: een liturgische aanwijzing, zoals boven veel Psalmen (Ps. 4:1). Het gebed werd dus in de tempel gezongen, met snaarinstrumenten.