Habakuk 3
Het gebed van Habakuk
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Opschrift
תְּפִלָּה (tefillah), ‘gebed’: hetzelfde woord staat boven Ps. 17, 86, 90, 102 en 142.
Het hoofdstuk is een gebed dat tegelijk een lied is, met aanwijzingen voor de zang (vers 3, 9, 13 en 19).
שִׁגְיֹנוֹת (shigyonot), ‘Sjiggajonot’: het meervoud van Sjiggajon (Ps. 7:1). De betekenis is onzeker. Het is een soort lied of muzikale aanduiding, misschien een lied met wisselende toon.
Het hele hoofdstuk is een gebed van de profeet en staat zwart. Yahweh wordt in de derde persoon beschreven of rechtstreeks aangesproken met ‘U’.
Bede om Yahweh’s werk
שִׁמְעֲךָ (shim'akha), ‘het bericht over U’: wat de profeet over Yahweh’s daden heeft gehoord, vermoedelijk van vroeger tijd.
Het kan ook ‘Uw gerucht’ zijn.
בְּקֶרֶב שָׁנִים (bekerev shanim), ‘te midden van de jaren’: in de loop van de tijd, in onze dagen.
חַיֵּיהוּ (chayyehu), ‘maak het levend’: laat Uw werk opnieuw gebeuren.
בְּרֹגֶז רַחֵם תִּזְכּוֹר (berogez rachem tizkor), ‘gedenk ontferming in de beroering’: rachem, ‘ontferming’, komt van het woord voor ‘baarmoeder’. De profeet vraagt dat Yahweh, ook in Zijn toorn, ontferming niet vergeet.
Eloah komt uit Teman
Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië).
Zie Paran: De woestijn van Paran ligt in het midden van het schiereiland Sinaï en in de Negev.
אֱלוֹהַ (Eloah), ‘Eloah’: een oude, enkelvoudige vorm van Elohim, vooral in poëzie (Deut. 32:15; Job).
Wij laten het woord staan.
מִתֵּימָן (miTeman), ‘uit Teman’ en פָּארָן (Paran), ‘Paran’: streken in het zuiden, bij Edom en de Sinaï. Vergelijk Deut. 33:2 en Richt. 5:4. Yahweh trekt uit het zuiden op.
סֶלָה (sela), ‘Sela’: de betekenis is onzeker; waarschijnlijk een muzikaal teken of een pauze. Het staat in dit hoofdstuk drie keer (vers 3, 9 en 13), net als in de Psalmen.
הוֹדוֹ (hodo), ‘Zijn majesteit’: hod is glans en luister.
וְנֹגַהּ (nogah), ‘glans’: het licht dat Yahweh uitstraalt.
קַרְנַיִם (qarnayim), ‘stralen’: letterlijk ‘hoorns’ (van qeren).
Stralen komen als hoorns uit Zijn hand; vergelijk Exod. 34:29, waar het gezicht van Mozes ‘straalt’ (qaran).
חֶבְיוֹן (chevyon), ‘verberging’: een zeldzaam woord. Zijn kracht blijft verborgen, ondanks Zijn glans.
דָּבֶר (davar), ‘pest’: ziekte die volken treft.
רֶשֶׁף (reshef), ‘gloed’: letterlijk ‘vlam’ of ‘koorts’, zoals in Deut. 32:24.
Pest en gloed zijn Yahweh’s gevolg.
Zij volgen Hem als een gevolg.
וַיְמֹדֶד (vayemodd), ‘en mat’: van madad, ‘meten’.
De betekenis is niet zeker; het kan ook ‘schudde’ zijn (van mud).
וַיַּתֵּר (vayyatter), ‘deed opschrikken’: het werkwoord nathar betekent ‘doen opspringen’ of ‘doen beven’.
הַרְרֵי עַד (harerei ad), ‘de bergen die voor altijd stonden’: letterlijk ‘bergen van altijd’ (ad vertalen wij met ‘voor altijd’). גִּבְעוֹת עוֹלָם (gib'ot olam), ‘de eeuwige heuvels’: zoals in Deut. 33:15. Zelfs de oudste bergen buigen voor Yahweh.
הֲלִיכוֹת עוֹלָם לוֹ (halikhot olam lo), ‘Zijn wegen zijn eeuwig’: letterlijk ‘gangen van eeuwigheid zijn Hem’. Het kan ook een uitroep zijn: ‘eeuwige gangen zijn van Hem’.
Zie Midian: Midian wordt gezocht in het noordwesten van het Arabisch schiereiland, ten oosten van de Golf van Akaba.
אָוֶן (aven), ‘onheil’: hetzelfde woord als ‘onrecht’ in 1:3.
Hier gaat het om de ellende die de tegenstanders van Yahweh treft.
כוּשָׁן (Kushan), ‘Kusan’: een zeldzame naam. Hij lijkt op Kusan-Risataïm, een koning uit Richt. 3:8, en op Kush. De betekenis is hier onzeker.
מִדְיָן (Midyan), ‘Midian’: het volk uit het zuiden, dat Gideon versloeg (Richt. 6–8).
Yahweh in de strijd
הֲבִנְהָרִים (habinharim), ‘was het tegen de rivieren’: rivieren en zee zijn hier de krachten van chaos, zoals in de overlevering van de uittocht (Exod. 14–15; Joz. 3).
יְשׁוּעָה (yeshuah), ‘redding’: zie 1:2.
Dit vers is moeilijk.
עֶרְיָה תֵעוֹר (eryah te'or), ‘geheel ontbloot’: de boog wordt uit zijn omhulsel gehaald.
De woorden שְׁבֻעוֹת מַטּוֹת אֹמֶר (shevu'ot mattot omer), ‘de eden aan de stammen zijn een woord’, zijn onzeker.
De eden kunnen de beloften van Yahweh aan de stammen van Israël zijn.
Een andere lezing is mogelijk.
נְהָרוֹת תְּבַקַּע אָרֶץ (naharot tevaqqa arets), ‘U splijt de aarde met rivieren’: ook ‘U splijt rivieren van de aarde’.
זֶרֶם מַיִם (zerem mayim), ‘een stortvloed van water’: een plotselinge, stromende regenvloed.
תְּהוֹם (tehom), ‘de diepte’: de oerdiepte (Gen. 1:2), hier met stem en handen.
De diepte reageert op Yahweh als een mens die zijn handen opheft in ontzag.
שֶׁמֶשׁ יָרֵחַ (shemesh yareach amad zevulah), ‘zon en maan bleven staan in hun woning’: Yahweh grijpt in in de loop van de hemellichamen.
Vergelijk Joz. 10:12–13, waar de zon stilstaat.
Het Hebreeuws kan ook zijn dat zon en maan zich terugtrekken in hun verblijf.
חִצֶּיךָ (chitsekha), ‘Uw pijlen’ en חֲנִיתֶךָ (chanitekha), ‘Uw speer’: het licht van de bliksem wordt voorgesteld als wapen van Yahweh (Ps. 18:15, NL 18:14).
תָּדוּשׁ (tadush), ‘dorst U’: van dush, ‘dorsen’.
Het beeld is dat Yahweh de volken vertrapt als graan op de dorsvloer (Jes. 41:15; Amos 1:3).
יָצָאתָ לְיֵשַׁע (yatsata leyesha), ‘U bent uitgegaan ter redding’: Yahweh trekt uit om te redden.
אֶת מְשִׁיחֶךָ (et meshichekha), ‘Uw gezalfde’: het kan de koning van Juda zijn, maar ook het volk. Het woord et kan ook ‘met’ betekenen (‘ter redding met Uw gezalfde’). Wij laten beide open.
עָרוֹת יְסוֹד עַד צַוָּאר (arot yesod ad tsavvar), ‘door het fundament bloot te leggen tot aan de hals’: het huis van de goddeloze wordt gesloopt van dak tot fundament. Het beeld is dat van een lichaam: van het hoofd tot de hals.
De betekenis van perazim is niet zeker.
Het kan ‘krijgers’, ‘leiders’ of ‘dorpelingen’ zijn (zoals in Richt. 5:7).
נָקַבְתָּ (niqavta), ‘U doorboorde’: van naqav, ‘doorboren’. לַהֲפִיצֵנִי (lehafitsheni), ‘om mij te verstrooien’: de profeet spreekt voor het volk. Een vijand valt aan en wil het volk uiteenjagen.
עָנִי בַּמִּסְתָּר (ani bamistar), ‘de arme in het verborgene’: de vijand overvalt de weerloze in het geheim.
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) פְּרָזָיו (perazav), ‘zijn krijgers’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft פרזו (parzo), dat ook als enkelvoud gelezen kan worden: ‘zijn krijger’.
Rustig wachten
בִּטְנִי (bitni), ‘mijn binnenste’: letterlijk ‘mijn buik’.
צָלֲלוּ (tsalelu), ‘sidderen’: het werkwoord tsalal betekent ‘tintelen’ of ‘klinken’.
רָקָב (raqav), ‘verrotting’: de beenderen worden zwak (zoals in Spr. 12:4).
אָנוּחַ (anuach), ‘ik wil rustig wachten’: letterlijk ‘ik zal rusten’. De profeet kiest voor kalm afwachten.
לְיוֹם צָרָה (leyom tsarah), ‘op de dag van de benauwdheid’: zoals in Obad. 12 en 14.
יְגוּדֶנּוּ (yeguddenu), ‘dat ons aanvalt’: van gud, ‘aanvallen’. Het is de vijand uit hoofdstuk 1.
Toch zal ik juichen in Yahweh
De profeet noemt het verlies van alle voedsel: vijg, druif, olijf, graan, kleinvee en rundvee.
Dat is de volledige ramp van een belegerd land (Deut. 28:38–42).
כִּחֵשׁ (kichesh), ‘valt tegen’: letterlijk ‘liegt’. De olijfboom geeft niet wat hij belooft.
מִמִּכְלָה (mimmikhlah), ‘uit de kraal’ en בָּרְפָתִים (birfatim), ‘in de stallen’: twee zeldzame woorden voor dierenverblijven.
יְהוִהּ אֲדֹנָי (Yahweh Adonai), ‘Heer Yahweh’: Adonai betekent ‘mijn Heer’.
Als aanspreking en naam van Yahweh vertalen wij ‘Heer Yahweh’.
Hier staat het in omgekeerde volgorde: Yahweh Adonai.
כָּאַיָּלוֹת (ka'ayyalot), ‘als hinden’: snel en veilig op steile hellingen. Dezelfde zin staat in Ps. 18:34 (NL 18:33) en 2 Sam. 22:34.
בָּמוֹתַי (bamotai), ‘mijn hoogten’: de hoge plaatsen van het land, bergen. Zie ook Deut. 32:13.
לַמְנַצֵּחַ בִּנְגִינוֹתָי (lamnatseach binginotai), ‘voor de koorleider, bij mijn snarenspel’: een liturgische aanwijzing, zoals boven veel Psalmen (Ps. 4:1). Het gebed werd dus in de tempel gezongen, met snaarinstrumenten.