Elohim Bijbel

Ezechiël 1

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

Ezechiël ziet de heerlijkheid van Yahweh bij de rivier de Kebar

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het visioen bij de Kebar

1Het was in het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde dag van de maand. Terwijl ik te midden van de ballingen was, bij de rivier de Kebar, gingen de hemelen open en zag ik visioenen van Elohim.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בִּשְׁלֹשִׁ֣ים
(bishloshim)
in dertig
שָׁנָ֗ה
(shana)
jaar
בָּֽרְבִיעִי֙
(barevii)
in de vierde
בַּחֲמִשָּׁ֣ה
(bachamisha)
op de vijfde
לַחֹ֔דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
וַאֲנִ֥י
(vaani)
en ik
בְתֽוֹךְ
(betokh)
te midden van
הַגּוֹלָ֖ה
(hagola)
de ballingen
עַל
(al)
bij
נְהַר
(nehar)
rivier
כְּבָ֑ר
(kevar)
Kebar
נִפְתְּחוּ֙
(niftechu)
werden geopend
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemelen
וָאֶרְאֶ֖ה
(vaere)
en ik zag
מַרְא֥וֹת
(marot)
visioenen van
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel.

Daar woonden de ballingen met Ezechiël.

Uitleg

בִּשְׁלֹשִׁים שָׁנָה (bishloshim shanah), ‘in het dertigste jaar’: waarop deze dertig jaar slaan, zegt de tekst niet.

Het kan om Ezechiëls leeftijd gaan, maar ook om een andere telling.

Dat is onzeker.

Vers 2 geeft de tijd op een tweede manier aan.

הַגּוֹלָה (haggolah), ‘de ballingen’: de mensen die uit Juda naar Babel waren weggevoerd.

מַרְאוֹת אֱלֹהִים (mar’ot Elohim), ‘visioenen van Elohim’: dezelfde woorden staan in 8:3 en 40:2.

2Het was de vijfde dag van de maand, in het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin.
בַּחֲמִשָּׁ֖ה
(bachamisha)
op de vijfde
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הִ֚יא
(hi)
dat
הַשָּׁנָ֣ה
(hashana)
het jaar
הַחֲמִישִׁ֔ית
(hachamishit)
het vijfde
לְגָל֖וּת
(legalut)
van de ballingschap van
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
koning
יוֹיָכִֽין
(yoyakhin)
Jojachin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹיָכִין (Yoyakhin), ‘Jojachin’: de koning van Juda die naar Babel werd weggevoerd (2 Kon. 24:12–15).

Het vijfde jaar van zijn ballingschap is ongeveer 593 voor Christus.

Ezechiël telt zijn jaren vanaf deze wegvoering; zie ook 33:21.

3Het woord van Yahweh kwam werkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier de Kebar. Daar kwam de hand van Yahweh op hem.
הָיֹ֣ה
(hayo)
het kwam
הָיָ֣ה
(haya)
werkelijk
דְבַר
(devar)
woord van
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
יְחֶזְקֵ֨אל
(yechezqel)
Ezechiël
בֶּן
(ben)
zoon van
בּוּזִ֧י
(buzi)
Buzi
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
כַּשְׂדִּ֖ים
(kasdim)
de Chaldeeën
עַל
(al)
bij
נְהַר
(nehar)
rivier
כְּבָ֑ר
(kevar)
Kebar
וַתְּהִ֥י
(vatehi)
en was
עָלָ֛יו
(alav)
op hem
שָׁ֖ם
(sham)
daar
יַד
(yad)
hand van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.

Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel.

Daar woonden de ballingen met Ezechiël.

Uitleg

הָיֹה הָיָה (hayoh hayah), ‘het kwam werkelijk’: het werkwoord ‘zijn’ staat twee keer.

De herhaling legt nadruk: het woord van Yahweh kwam echt en onmiskenbaar.

יְחֶזְקֵאל (Yechezqel), ‘Ezechiël’: de naam betekent ‘El maakt sterk’. Ezechiël is priester, de zoon van Buzi.

כַּשְׂדִּים (Kasdim), ‘Chaldeeën’: de bewoners van het zuiden van Babylonië.

נְהַר־כְּבָר (nehar Kevar), ‘de rivier de Kebar’: waarschijnlijk een kanaal in Babylonië, bij de stad Nippur. De ligging is niet zeker. Zie ook 3:15 en 3:23.

יַד־יְהוָה (yad Yahweh), ‘de hand van Yahweh’: zo beschrijft Ezechiël dat Yahweh hem met Zijn kracht grijpt. Zie ook 3:14, 3:22, 8:1, 37:1 en 40:1.

De stormwind, de wolk en het vuur

4Ik zag, en zie: een stormwind kwam uit het noorden, een grote wolk met een oplaaiend vuur. Er was een gloed omheen. En in het midden ervan, midden in het vuur, was iets te zien als de glans van glanzend metaal.
וָאֵ֡רֶא
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּה֩
(vehine)
en zie
ר֨וּחַ
(ruach)
wind van
סְעָרָ֜ה
(seara)
storm
בָּאָ֣ה
(baa)
komend
מִן
(min)
uit
הַצָּפ֗וֹן
(hatsafon)
het noorden
עָנָ֤ן
(anan)
wolk
גָּדוֹל֙
(gadol)
grote
וְאֵ֣שׁ
(veesh)
en vuur
מִתְלַקַּ֔חַת
(mitlaqachat)
zich ontstekend
וְנֹ֥גַֽהּ
(venogah)
en gloed
ל֖וֹ
(lo)
om hem
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וּמִ֨תּוֹכָ֔הּ
(umitokhah)
en uit het midden ervan
כְּעֵ֥ין
(keein)
als de glans van
הַחַשְׁמַ֖ל
(hachashmal)
het glanzende metaal
מִתּ֥וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
הָאֵֽשׁ
(haesh)
het vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ סְעָרָה (ruach se’arah), ‘stormwind’: het woord רוּחַ (ruach) betekent ‘wind’, ‘adem’ of ‘geest’.

מִתְלַקַּחַת (mitlaqqachat), ‘oplaaiend’: letterlijk ‘zich nemend’; het vuur bleef zichzelf aansteken. Hetzelfde woord staat bij het vuur in de hagel van Exod. 9:24.

חַשְׁמַל (chashmal), ‘glanzend metaal’: dit woord komt alleen in Ezechiël voor (1:4, 1:27 en 8:2). Wat het precies is, is onzeker. Wij vertalen ‘glanzend metaal’.

De vier levende wezens

5In het midden daarvan was de gedaante van vier levende wezens. Dit was hun uiterlijk: zij hadden de gedaante van een mens.
וּמִ֨תּוֹכָ֔הּ
(umitokhah)
en uit het midden ervan
דְּמ֖וּת
(demut)
gedaante van
אַרְבַּ֣ע
(arba)
vier
חַיּ֑וֹת
(chayot)
levende wezens
וְזֶה֙
(veze)
en dit
מַרְאֵֽיהֶ֔ן
(mareihen)
hun uiterlijk
דְּמ֥וּת
(demut)
gedaante van
אָדָ֖ם
(adam)
mens
לָהֵֽנָּה
(lahena)
zij hadden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַיּוֹת (chayyot), ‘levende wezens’: van חַי (chay), ‘levend’.

In 10:15 en 10:20 noemt Ezechiël deze wezens ‘cherubs’.

דְּמוּת (demut), ‘gedaante’: Ezechiël beschrijft voorzichtig wat hij zag, met woorden als ‘gedaante van’, ‘het uiterlijk van’ en ‘iets als’.

6Elk had vier gezichten en elk had vier vleugels.
וְאַרְבָּעָ֥ה
(vearbaa)
en vier
פָנִ֖ים
(panim)
gezichten
לְאֶחָ֑ת
(leechat)
voor één
וְאַרְבַּ֥ע
(vearba)
en vier
כְּנָפַ֖יִם
(kenafayim)
vleugels
לְאַחַ֥ת
(leachat)
voor één
לָהֶֽם
(lahem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Hun benen vormden één recht been. De zool van hun voeten was als de zool van de voet van een kalf. Zij glinsterden als de glans van gepolijst brons.
וְרַגְלֵיהֶ֖ם
(veragleihem)
en hun benen
רֶ֣גֶל
(regel)
been
יְשָׁרָ֑ה
(yeshara)
recht
וְכַ֣ף
(vekhaf)
en zool van
רַגְלֵיהֶ֗ם
(ragleihem)
hun voeten
כְּכַף֙
(kekhaf)
als zool van
רֶ֣גֶל
(regel)
voet van
עֵ֔גֶל
(egel)
kalf
וְנֹ֣צְצִ֔ים
(venotsetsim)
en glinsterend
כְּעֵ֖ין
(keein)
als de glans van
נְחֹ֥שֶׁת
(nechoshet)
brons
קָלָֽל
(qalal)
gepolijst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֶגֶל יְשָׁרָה (regel yesharah), ‘een recht been’: de benen staan bij elkaar en lijken één recht been.

קָלָל (qalal), ‘gepolijst’: een zeldzaam woord, hier bij brons. Wij vertalen ‘gepolijst’.

8Onder hun vleugels, aan hun vier zijden, waren mensenhanden. Alle vier hadden zij gezichten en vleugels.
וִידֵ֣י
(videi)
en handen van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
מִתַּ֨חַת֙
(mitachat)
onder
כַּנְפֵיהֶ֔ם
(kanfeihem)
hun vleugels
עַ֖ל
(al)
aan
אַרְבַּ֣עַת
(arbaat)
vier
רִבְעֵיהֶ֑ם
(riveihem)
hun zijden
וּפְנֵיהֶ֥ם
(ufeneihem)
en hun gezichten
וְכַנְפֵיהֶ֖ם
(vekhanfeihem)
en hun vleugels
לְאַרְבַּעְתָּֽם
(learbatam)
bij alle vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In de geschreven tekst staat וידו (vydv), ‘en zijn hand’; de overlevering leest וִידֵי (videi), ‘en handen van’.

Wij volgen de lezing.

9Hun vleugels waren aan elkaar verbonden, de ene aan de andere. Als zij gingen, draaiden zij zich niet om. Ieder ging rechtdoor, in de richting van zijn gezicht.
חֹֽבְרֹ֛ת
(choverot)
verbonden
אִשָּׁ֥ה
(isha)
de ene
אֶל
(el)
aan
אֲחוֹתָ֖הּ
(achotah)
de andere
כַּנְפֵיהֶ֑ם
(kanfeihem)
hun vleugels
לֹא
(lo)
niet
יִסַּ֣בּוּ
(yisabu)
zij draaiden zich om
בְלֶכְתָּ֔ן
(belekhtan)
bij hun gaan
אִ֛ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
naar
עֵ֥בֶר
(ever)
de voorkant van
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
יֵלֵֽכוּ
(yelekhu)
zij gingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De gedaante van hun gezichten: het gezicht van een mens. Alle vier hadden zij rechts het gezicht van een leeuw. Alle vier hadden zij links het gezicht van een stier. En alle vier hadden zij het gezicht van een arend.
וּדְמ֣וּת
(udemut)
en gedaante van
פְּנֵיהֶם֮
(peneihem)
hun gezichten
פְּנֵ֣י
(penei)
gezicht van
אָדָם֒
(adam)
mens
וּפְנֵ֨י
(ufenei)
en gezicht van
אַרְיֵ֤ה
(arye)
leeuw
אֶל
(el)
aan
הַיָּמִין֙
(hayamin)
de rechterkant
לְאַרְבַּעְתָּ֔ם
(learbatam)
bij alle vier
וּפְנֵי
(ufenei)
en gezicht van
שׁ֥וֹר
(shor)
stier
מֵֽהַשְּׂמֹ֖אול
(mehasemovl)
aan de linkerkant
לְאַרְבַּעְתָּ֑ן
(learbatan)
bij alle vier
וּפְנֵי
(ufenei)
en gezicht van
נֶ֖שֶׁר
(nesher)
arend
לְאַרְבַּעְתָּֽן
(learbatan)
bij alle vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוֹר (shor), ‘stier’: een mannelijk rund.

De vier gezichten zijn: een mens, een leeuw, een stier en een arend.

In 10:14 staan de vier gezichten in een andere volgorde, en het eerste is dat van een cherub.

11Hun gezichten en hun vleugels waren naar boven uitgespreid. Bij ieder waren twee vleugels met elkaar verbonden, en twee bedekten hun lichaam.
וּפְנֵיהֶ֕ם
(ufeneihem)
en hun gezichten
וְכַנְפֵיהֶ֥ם
(vekhanfeihem)
en hun vleugels
פְּרֻד֖וֹת
(perudot)
uitgespreid
מִלְמָ֑עְלָה
(milmaela)
naar boven
לְאִ֗ישׁ
(leish)
bij ieder
שְׁ֚תַּיִם
(shetayim)
twee
חֹבְר֣וֹת
(choverot)
verbonden
אִ֔ישׁ
(ish)
de een met de ander
וּשְׁתַּ֣יִם
(ushtayim)
en twee
מְכַסּ֔וֹת
(mekhasot)
bedekkend
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
גְּוִיֹתֵיהֶֽנָה
(geviyoteihena)
hun lichamen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Ieder ging rechtdoor, in de richting van zijn gezicht. Waar de geest heen wilde gaan, gingen zij. Als zij gingen, draaiden zij zich niet om.
וְאִ֛ישׁ
(veish)
en ieder
אֶל
(el)
naar
עֵ֥בֶר
(ever)
de voorkant van
פָּנָ֖יו
(panav)
zijn gezicht
יֵלֵ֑כוּ
(yelekhu)
zij gingen
אֶ֣ל
(el)
naar
אֲשֶׁר֩
(asher)
waar
יִֽהְיֶה
(yihye)
zou zijn
שָׁ֨מָּה
(shama)
daarheen
הָר֤וּחַ
(haruach)
de geest
לָלֶ֨כֶת֙
(lalekhet)
om te gaan
יֵלֵ֔כוּ
(yelekhu)
zij gingen
לֹ֥א
(lo)
niet
יִסַּ֖בּוּ
(yisabu)
zij draaiden zich om
בְּלֶכְתָּֽן
(belekhtan)
bij hun gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרוּחַ (haruach), ‘de geest’: hier de drijvende kracht die de levende wezens leidt; zie ook vers 20 en 21.

Wij schrijven ‘geest’ met een kleine letter.

Het woord kan ook ‘de wind’ betekenen.

13Wat de gedaante van de levende wezens betreft: hun uiterlijk was als gloeiende vuurkolen, als het uiterlijk van fakkels. Dat vuur ging heen en weer tussen de levende wezens. Het vuur had een gloed, en uit het vuur schoot bliksem.
וּדְמ֨וּת
(udemut)
en gedaante van
הַחַיּ֜וֹת
(hachayot)
de levende wezens
מַרְאֵיהֶ֣ם
(mareihem)
hun uiterlijk
כְּגַחֲלֵי
(kegachalei)
als kolen van
אֵ֗שׁ
(esh)
vuur
בֹּֽעֲרוֹת֙
(boarot)
brandend
כְּמַרְאֵ֣ה
(kemare)
als het uiterlijk van
הַלַּפִּדִ֔ים
(halapidim)
de fakkels
הִ֕יא
(hi)
zij
מִתְהַלֶּ֖כֶת
(mithalekhet)
rondgaand
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
הַחַיּ֑וֹת
(hachayot)
de levende wezens
וְנֹ֣גַהּ
(venogah)
en gloed
לָאֵ֔שׁ
(laesh)
voor het vuur
וּמִן
(umin)
en uit
הָאֵ֖שׁ
(haesh)
het vuur
יוֹצֵ֥א
(yotse)
uitgaand
בָרָֽק
(baraq)
bliksem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֹּעֲרוֹת (bo’arot), ‘brandend’, en הַלַּפִּדִים (hallappidim), ‘de fakkels’: een fakkel staat ook in Gen. 15:17.

14De levende wezens snelden heen en weer, als de aanblik van een bliksemflits.
וְהַחַיּ֖וֹת
(vehachayot)
en de levende wezens
רָצ֣וֹא
(ratso)
rennend
וָשׁ֑וֹב
(vashov)
en terugkerend
כְּמַרְאֵ֖ה
(kemare)
als het uiterlijk van
הַבָּזָֽק
(habazaq)
de bliksemflits
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַבָּזָק (habbazaq), ‘de bliksemflits’: dit woord komt alleen hier voor.

De betekenis volgt uit de samenhang.

De wielen

15Ik keek naar de levende wezens, en zie: er was één wiel op de aarde, naast de levende wezens, bij zijn vier gezichten.
וָאֵ֖רֶא
(vaere)
en ik zag
הַחַיּ֑וֹת
(hachayot)
de levende wezens
וְהִנֵּה֩
(vehine)
en zie
אוֹפַ֨ן
(ofan)
wiel
אֶחָ֥ד
(echad)
één
בָּאָ֛רֶץ
(baarets)
op de aarde
אֵ֥צֶל
(etsel)
naast
הַחַיּ֖וֹת
(hachayot)
de levende wezens
לְאַרְבַּ֥עַת
(learbaat)
bij vier van
פָּנָֽיו
(panav)
zijn gezichten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְאַרְבַּעַת פָּנָיו (le’arba’at panav), ‘bij zijn vier gezichten’: het Hebreeuws zegt ‘zijn’.

Het is niet zeker of dit op het wiel slaat (met vier kanten) of op het levende wezen.

Vers 16 spreekt van meer wielen: bij elk van de vier wezens staat er een.

Wij laten de tekst letterlijk staan.

16Het uiterlijk van de wielen en hun maaksel was als de glans van chrysoliet. Alle vier hadden dezelfde gedaante. Hun uiterlijk en hun maaksel waren alsof een wiel in een wiel zat.
מַרְאֵ֨ה
(mare)
het uiterlijk van
הָאוֹפַנִּ֤ים
(haofanim)
de wielen
וּמַעֲשֵׂיהֶם֙
(umaaseihem)
en hun maaksel
כְּעֵ֣ין
(keein)
als de glans van
תַּרְשִׁ֔ישׁ
(tarshish)
chrysoliet
וּדְמ֥וּת
(udemut)
en gedaante
אֶחָ֖ד
(echad)
één
לְאַרְבַּעְתָּ֑ן
(learbatan)
voor alle vier
וּמַרְאֵיהֶם֙
(umareihem)
en hun uiterlijk
וּמַ֣עֲשֵׂיהֶ֔ם
(umaaseihem)
en hun maaksel
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zou zijn
הָאוֹפַ֖ן
(haofan)
het wiel
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
midden in
הָאוֹפָֽן
(haofan)
het wiel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּרְשִׁישׁ (tarshish), ‘chrysoliet’: een edelsteen, ook genoemd in Exod. 28:20.

Welke steen het precies is, is onzeker.

Hoe een wiel ‘in’ een wiel staat, zegt de tekst niet. Vers 17 laat zien dat de wielen naar elke kant konden gaan.

17Als zij gingen, gingen zij in de richting van hun vier zijden. Zij draaiden zich niet om als zij gingen.
עַל
(al)
op
אַרְבַּ֥עַת
(arbaat)
vier van
רִבְעֵיהֶ֖ן
(riveihen)
hun zijden
בְּלֶכְתָּ֣ם
(belekhtam)
bij hun gaan
יֵלֵ֑כוּ
(yelekhu)
zij gingen
לֹ֥א
(lo)
niet
יִסַּ֖בּוּ
(yisabu)
zij draaiden zich om
בְּלֶכְתָּֽן
(belekhtan)
bij hun gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַל־אַרְבַּעַת רִבְעֵיהֶן יֵלֵכוּ (al arba’at riv’eihen yelekhu), ‘zij gingen in de richting van hun vier zijden’: de wielen konden naar elke kant gaan zonder te draaien.

18Hun velgen waren hoog en ontzagwekkend. De velgen van alle vier waren rondom vol ogen.
וְגַ֨בֵּיהֶ֔ן
(vegabeihen)
en hun velgen
וְגֹ֥בַהּ
(vegovah)
en hoogte
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
וְיִרְאָ֣ה
(veyira)
en ontzag
לָהֶ֑ם
(lahem)
aan hen
וְגַבֹּתָ֗ם
(vegabotam)
en hun velgen
מְלֵאֹ֥ת
(meleot)
vol van
עֵינַ֛יִם
(einayim)
ogen
סָבִ֖יב
(saviv)
rondom
לְאַרְבַּעְתָּֽן
(learbatan)
bij alle vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גַּבֵּיהֶן (gabbeihen), ‘hun velgen’: de buitenrand van een wiel.

De betekenis is niet helemaal zeker.

וְיִרְאָה (veyir’ah), ‘en ontzagwekkend’: letterlijk ‘en vrees’. Het Hebreeuws is hier kort en moeilijk. Wij vertalen ‘hoog en ontzagwekkend’.

19Als de levende wezens gingen, gingen de wielen naast hen. Als de levende wezens van de aarde omhoog werden getild, werden de wielen opgetild.
וּבְלֶ֨כֶת֙
(uvelekhet)
en bij het gaan van
הַֽחַיּ֔וֹת
(hachayot)
de levende wezens
יֵלְכ֥וּ
(yelekhu)
gingen
הָאוֹפַנִּ֖ים
(haofanim)
de wielen
אֶצְלָ֑ם
(etslam)
naast hen
וּבְהִנָּשֵׂ֤א
(uvehinase)
en bij het opgetild worden van
הַֽחַיּוֹת֙
(hachayot)
de levende wezens
מֵעַ֣ל
(meal)
van boven
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
יִנָּשְׂא֖וּ
(yinaseu)
werden opgetild
הָאוֹפַנִּֽים
(haofanim)
de wielen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Waar de geest heen wilde gaan, gingen zij: daarheen wilde de geest gaan. De wielen werden naast hen opgetild, want de geest van het levende wezen was in de wielen.
עַ֣ל
(al)
naar
אֲשֶׁר֩
(asher)
waar
יִֽהְיֶה
(yihye)
zou zijn
שָּׁ֨ם
(sham)
daar
הָר֤וּחַ
(haruach)
de geest
לָלֶ֨כֶת֙
(lalekhet)
om te gaan
יֵלֵ֔כוּ
(yelekhu)
zij gingen
שָׁ֥מָּה
(shama)
daarheen
הָר֖וּחַ
(haruach)
de geest
לָלֶ֑כֶת
(lalekhet)
om te gaan
וְהָאוֹפַנִּ֗ים
(vehaofanim)
en de wielen
יִנָּשְׂאוּ֙
(yinaseu)
werden opgetild
לְעֻמָּתָ֔ם
(leumatam)
naast hen
כִּ֛י
(ki)
want
ר֥וּחַ
(ruach)
geest van
הַחַיָּ֖ה
(hachaya)
het levende wezen
בָּאוֹפַנִּֽים
(baofanim)
in de wielen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Als de levende wezens gingen, gingen de wielen. Als zij stilstonden, stonden de wielen stil. Als zij van de aarde omhoog werden getild, werden de wielen naast hen opgetild, want de geest van het levende wezen was in de wielen.
בְּלֶכְתָּ֣ם
(belekhtam)
bij hun gaan
יֵלֵ֔כוּ
(yelekhu)
zij gingen
וּבְעָמְדָ֖ם
(uveamedam)
en bij hun stilstaan
יַֽעֲמֹ֑דוּ
(yaamodu)
zij stonden stil
וּֽבְהִנָּשְׂאָ֞ם
(uvehinaseam)
en bij hun opgetild worden
מֵעַ֣ל
(meal)
van boven
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
יִנָּשְׂא֤וּ
(yinaseu)
werden opgetild
הָאֽוֹפַנִּים֙
(haofanim)
de wielen
לְעֻמָּתָ֔ם
(leumatam)
naast hen
כִּ֛י
(ki)
want
ר֥וּחַ
(ruach)
geest van
הַחַיָּ֖ה
(hachaya)
het levende wezen
בָּאוֹפַנִּֽים
(baofanim)
in de wielen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt alleen ‘zij’: ‘Als zij gingen, gingen zij; als zij stilstonden, stonden zij stil’.

Uit vers 19 en 20 blijkt dat de wielen de levende wezens volgen.

Daarom vullen wij ‘de levende wezens’ en ‘de wielen’ in.

Het uitspansel en de troon

22Boven de hoofden van het levende wezen was de gedaante van een uitspansel, als de glans van ontzagwekkend kristal. Het was boven hun hoofden uitgespannen.
וּדְמ֞וּת
(udemut)
en gedaante
עַל
(al)
boven
רָאשֵׁ֤י
(rashei)
hoofden van
הַחַיָּה֙
(hachaya)
het levende wezen
רָקִ֔יעַ
(raqia)
uitspansel
כְּעֵ֖ין
(keein)
als de glans van
הַקֶּ֣רַח
(haqerach)
het kristal
הַנּוֹרָ֑א
(hanora)
het ontzagwekkende
נָט֥וּי
(natuy)
uitgespannen
עַל
(al)
boven
רָאשֵׁיהֶ֖ם
(rasheihem)
hun hoofden
מִלְמָֽעְלָה
(milmaela)
van boven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָקִיעַ (raqia), ‘uitspansel’: hetzelfde woord als in Gen. 1:6–8.

הַקֶּרַח (haqqerach), ‘het kristal’: het woord betekent letterlijk ‘ijs’. Het gaat hier om iets helders en glanzends. Vergelijk het plaveisel in Exod. 24:10.

23Onder het uitspansel waren hun vleugels recht gespreid, de ene naar de andere. Ieder had twee vleugels die hun lichaam bedekten, en ieder had er twee die hun lichaam bedekten.
וְתַ֨חַת֙
(vetachat)
en onder
הָרָקִ֔יעַ
(haraqia)
het uitspansel
כַּנְפֵיהֶ֣ם
(kanfeihem)
hun vleugels
יְשָׁר֔וֹת
(yesharot)
recht
אִשָּׁ֖ה
(isha)
de ene
אֶל
(el)
naar
אֲחוֹתָ֑הּ
(achotah)
de andere
לְאִ֗ישׁ
(leish)
bij ieder
שְׁתַּ֤יִם
(shetayim)
twee
מְכַסּוֹת֙
(mekhasot)
bedekkend
לָהֵ֔נָּה
(lahena)
voor hen
וּלְאִ֗ישׁ
(uleish)
en bij ieder
שְׁתַּ֤יִם
(shetayim)
twee
מְכַסּוֹת֙
(mekhasot)
bedekkend
לָהֵ֔נָּה
(lahena)
voor hen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
גְּוִיֹּתֵיהֶֽם
(geviyoteihem)
hun lichamen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws herhaalt de zin ‘ieder had er twee die bedekten’.

Wij laten de herhaling staan.

Zie ook vers 11.

24Ik hoorde het geluid van hun vleugels, als het geluid van grote wateren, als de stem van Sjaddai, wanneer zij gingen. Het was een geluid van tumult, als het geluid van een legerkamp. Wanneer zij stilstonden, lieten zij hun vleugels zakken.
וָאֶשְׁמַ֣ע
(vaeshma)
en ik hoorde
אֶת
(et)
(obj.)
ק֣וֹל
(qol)
geluid van
כַּנְפֵיהֶ֡ם
(kanfeihem)
hun vleugels
כְּקוֹל֩
(keqol)
als geluid van
מַ֨יִם
(mayim)
wateren
רַבִּ֤ים
(rabim)
grote
כְּקוֹל
(keqol)
als stem van
שַׁדַּי֙
(shaday)
Sjaddai
בְּלֶכְתָּ֔ם
(belekhtam)
bij hun gaan
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
הֲמֻלָּ֖ה
(hamula)
tumult
כְּק֣וֹל
(keqol)
als geluid van
מַחֲנֶ֑ה
(machane)
legerkamp
בְּעָמְדָ֖ם
(beamedam)
bij hun stilstaan
תְּרַפֶּ֥ינָה
(terapeina)
zij lieten zakken
כַנְפֵיהֶֽן
(kanfeihen)
hun vleugels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁדַּי (Shaddai), ‘Sjaddai’: een naam van El, zoals in Gen. 17:1 en Exod. 6:3.

הֲמֻלָּה (hamullah), ‘tumult’: een zeldzaam woord voor het lawaai van een grote menigte.

25Er kwam een stem boven het uitspansel dat boven hun hoofd was. Wanneer zij stilstonden, lieten zij hun vleugels zakken.
וַיְהִי
(vayhi)
en was
ק֕וֹל
(qol)
stem
מֵעַ֕ל
(meal)
van boven
לָרָקִ֖יעַ
(laraqia)
het uitspansel
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עַל
(al)
boven
רֹאשָׁ֑ם
(rosham)
hun hoofd
בְּעָמְדָ֖ם
(beamedam)
bij hun stilstaan
תְּרַפֶּ֥ינָה
(terapeina)
zij lieten zakken
כַנְפֵיהֶֽן
(kanfeihen)
hun vleugels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEzech 1:22

De heerlijkheid van Yahweh

26Boven het uitspansel dat boven hun hoofd was, was iets als de aanblik van een saffiersteen: de gedaante van een troon. En boven op de gedaante van de troon was een gedaante die eruitzag als een mens.
וּמִמַּ֗עַל
(umimaal)
en van boven
לָרָקִ֨יעַ֙
(laraqia)
het uitspansel
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עַל
(al)
boven
רֹאשָׁ֔ם
(rosham)
hun hoofd
כְּמַרְאֵ֥ה
(kemare)
als het uiterlijk van
אֶֽבֶן
(even)
steen van
סַפִּ֖יר
(sapir)
saffier
דְּמ֣וּת
(demut)
gedaante van
כִּסֵּ֑א
(kise)
troon
וְעַל֙
(veal)
en op
דְּמ֣וּת
(demut)
gedaante van
הַכִּסֵּ֔א
(hakise)
de troon
דְּמ֞וּת
(demut)
gedaante
כְּמַרְאֵ֥ה
(kemare)
als het uiterlijk van
אָדָ֛ם
(adam)
mens
עָלָ֖יו
(alav)
daarop
מִלְמָֽעְלָה
(milmaela)
van boven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סַפִּיר (sappir), ‘saffier’: een blauwe edelsteen, ook in Exod. 24:10.

כִּסֵּא (kisse), ‘troon’.

Het Hebreeuws zegt ‘een gedaante die eruitzag als een mens’. Ezechiël beschrijft de gedaante van boven op de troon zeer voorzichtig.

27Ik zag iets als de glans van glanzend metaal, als het uiterlijk van vuur dat rondom omsloten was, van Zijn heupen naar boven. En van Zijn heupen naar beneden zag ik iets als het uiterlijk van vuur. Er was een gloed rondom Hem.
וָאֵ֣רֶא
(vaere)
en ik zag
כְּעֵ֣ין
(keein)
als de glans van
חַשְׁמַ֗ל
(chashmal)
glanzend metaal
כְּמַרְאֵה
(kemare)
als het uiterlijk van
אֵ֤שׁ
(esh)
vuur
בֵּֽית
(beit)
omhulling
לָהּ֙
(lah)
voor het
סָבִ֔יב
(saviv)
rondom
מִמַּרְאֵ֥ה
(mimare)
van het uiterlijk van
מָתְנָ֖יו
(matenav)
Zijn heupen
וּלְמָ֑עְלָה
(ulemaela)
en naar boven
וּמִמַּרְאֵ֤ה
(umimare)
en van het uiterlijk van
מָתְנָיו֙
(matenav)
Zijn heupen
וּלְמַ֔טָּה
(ulemata)
en naar beneden
רָאִ֨יתִי֙
(raiti)
ik zag
כְּמַרְאֵה
(kemare)
als het uiterlijk van
אֵ֔שׁ
(esh)
vuur
וְנֹ֥גַֽהּ
(venogah)
en gloed
ל֖וֹ
(lo)
om Hem
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּית־לָהּ (bet lah), ‘rondom omsloten’: letterlijk ‘een huis voor het’; bedoeld is vuur dat rondom omhuld is.

De betekenis is niet helemaal zeker.

Wij schrijven ‘Zijn’ en ‘Hem’ met een hoofdletter, omdat vers 28 deze gedaante ‘de gedaante van de heerlijkheid van Yahweh’ noemt.

28Als het uiterlijk van de boog die in de wolk is op een regendag, zo was het uiterlijk van de gloed rondom. Dit was het uiterlijk van de gedaante van de heerlijkheid van Yahweh. Ik zag het en viel op mijn gezicht. En ik hoorde de stem van iemand die sprak.
כְּמַרְאֵ֣ה
(kemare)
als het uiterlijk van
הַקֶּ֡שֶׁת
(haqeshet)
de boog
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
יִֽהְיֶ֨ה
(yihye)
zou zijn
בֶעָנָ֜ן
(beanan)
in de wolk
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
הַגֶּ֗שֶׁם
(hageshem)
de regen
כֵּ֣ן
(ken)
zo
מַרְאֵ֤ה
(mare)
uiterlijk van
הַנֹּ֨גַהּ֙
(hanogah)
de gloed
סָבִ֔יב
(saviv)
rondom
ה֕וּא
(hu)
dit
מַרְאֵ֖ה
(mare)
uiterlijk van
דְּמ֣וּת
(demut)
gedaante van
כְּבוֹד
(kevod)
heerlijkheid van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וָֽאֶרְאֶה֙
(vaere)
en ik zag
וָאֶפֹּ֣ל
(vaepol)
en ik viel
עַל
(al)
op
פָּנַ֔י
(panay)
mijn gezicht
וָאֶשְׁמַ֖ע
(vaeshma)
en ik hoorde
ק֥וֹל
(qol)
stem van
מְדַבֵּֽר
(medaber)
iemand die sprak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֶשֶׁת (qeshet), ‘boog’: zoals in Gen. 9:13, waar Elohim Zijn boog in de wolk zet.

Het woord ‘regenboog’ staat er niet.

כְּבוֹד־יְהוָה (kevod Yahweh), ‘de heerlijkheid van Yahweh’: het woord כָּבוֹד (kavod) betekent letterlijk ‘gewicht’, en daarna ‘eer’ en ‘heerlijkheid’. Het is de zichtbare aanwezigheid van Yahweh, zoals in Exod. 40:34. Zie ook 3:23, 10:4 en 43:2.

וָאֶפֹּל עַל־פָּנַי (va’eppol al panai), ‘en ik viel op mijn gezicht’: de houding van eerbied en schrik; zie ook 3:23 en 43:3.