Elohim Bijbel

Jeremia 18

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

De pottenbakker en de klei; een plan tegen Jeremia en zijn gebed

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Bij de pottenbakker

1Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam:
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָיָ֣ה
(haya)
was
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Sta op en daal af naar het huis van de pottenbakker. Daar zal Ik je Mijn woorden laten horen.”
ק֥וּם
(qum)
sta op
וְיָרַדְתָּ֖
(veyaradta)
en daal af
בֵּ֣ית
(beit)
naar het huis van
הַיּוֹצֵ֑ר
(hayotser)
de pottenbakker
וְשָׁ֖מָּה
(veshama)
en daar
אַשְׁמִֽיעֲךָ֥
(ashmiakha)
Ik zal je laten horen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרָֽי
(devaray)
Mijn woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹצֵר (yotser), ‘pottenbakker’: letterlijk ‘vormer’.

Het woord hoort bij het werkwoord יָצַר (yatsar), ‘vormen’, dat ook staat in Gen. 2:7.

Zie ook Jes. 64:7: ‘U bent onze Vormer’.

3Ik daalde af naar het huis van de pottenbakker, en zie, hij was aan het werk op de draaischijf.
וָאֵרֵ֖ד
(vaered)
en ik daalde af
בֵּ֣ית
(beit)
naar het huis van
הַיּוֹצֵ֑ר
(hayotser)
de pottenbakker
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
ה֛וּא
(hu)
hij
עֹשֶׂ֥ה
(ose)
was bezig met
מְלָאכָ֖ה
(melakha)
werk
עַל
(al)
op
הָאָבְנָֽיִם
(haavenayim)
de twee stenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאָבְנָיִם (ha’ovnayim), ‘de twee stenen’: de draaischijf van de pottenbakker bestond uit twee ronde stenen.

Wij zeggen ‘draaischijf’.

4Het vat dat hij van klei maakte, werd bedorven in de hand van de pottenbakker. Toen maakte hij er opnieuw een ander vat van, zoals de pottenbakker het goed vond om te maken.
וְנִשְׁחַ֣ת
(venishchat)
en werd bedorven
הַכְּלִ֗י
(hakeli)
het vat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
ה֥וּא
(hu)
hij
עֹשֶׂ֛ה
(ose)
maakte
בַּחֹ֖מֶר
(bachomer)
van klei
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
הַיּוֹצֵ֑ר
(hayotser)
de pottenbakker
וְשָׁ֗ב
(veshav)
en hij keerde terug
וַֽיַּעֲשֵׂ֨הוּ֙
(vayaasehu)
en maakte het
כְּלִ֣י
(keli)
een vat
אַחֵ֔ר
(acher)
ander
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
יָשַׁ֛ר
(yashar)
goed was
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
הַיּוֹצֵ֖ר
(hayotser)
de pottenbakker
לַעֲשֽׂוֹת
(laasot)
om te maken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִשְׁחַת (nishchat), ‘werd bedorven’: het vat mislukte.

De klei bleef in zijn hand.

Hij maakte er opnieuw een ander vat van, zoals hij goed vond.

5Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֽוֹר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6„Kan Ik met jullie niet doen zoals deze pottenbakker, huis van Israël? Godsspraak van Yahweh. Zie, zoals klei in de hand van de pottenbakker, zo zijn jullie in Mijn hand, huis van Israël.
הֲכַיּוֹצֵ֨ר
(hakhayotser)
is het zoals de pottenbakker
הַזֶּ֜ה
(haze)
deze
לֹא
(lo)
niet
אוּכַ֨ל
(ukhal)
kan Ik
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
doen
לָכֶ֛ם
(lakhem)
met jullie
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
כַחֹ֨מֶר֙
(kachomer)
als klei
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
הַיּוֹצֵ֔ר
(hayotser)
de pottenbakker
כֵּן
(ken)
zo
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
בְּיָדִ֖י
(beyadi)
in Mijn hand
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲכַיּוֹצֵר הַזֶּה (hakayyotser hazzeh), ‘zoals deze pottenbakker’: Yahweh vraagt of Hij niet met Israël kan doen wat deze pottenbakker met de klei deed.

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8. De formule staat midden in Zijn woorden en is daarom rood.

Het ene ogenblik, het andere ogenblik

7Het ene ogenblik kan Ik over een volk en over een koninkrijk spreken om het uit te rukken, af te breken en te vernietigen.
רֶ֣גַע
(rega)
een ogenblik
אֲדַבֵּ֔ר
(adaber)
spreek Ik
עַל
(al)
over
גּ֖וֹי
(goy)
een volk
וְעַל
(veal)
en over
מַמְלָכָ֑ה
(mamlakha)
een koninkrijk
לִנְת֥וֹשׁ
(lintosh)
om uit te rukken
וְלִנְת֖וֹץ
(velintots)
en af te breken
וּֽלְהַאֲבִֽיד
(ulehaavid)
en te vernietigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִנְתוֹשׁ וְלִנְתוֹץ וּלְהַאֲבִיד (lintosh velintots uleha’avid), ‘uit te rukken, af te breken en te vernietigen’: dezelfde woorden staan in Jer. 1:10.

Vers 7–10 laten zien dat Yahweh’s woord over een volk afhangt van hoe dat volk antwoordt.

8Maar als dat volk zich afkeert van zijn kwaad, waarover Ik gesproken heb, dan laat Ik Mij het onheil rouwen dat Ik van plan was hem aan te doen.
וְשָׁב֙
(veshav)
en keert terug
הַגּ֣וֹי
(hagoy)
het volk
הַה֔וּא
(hahu)
dat
מֵרָ֣עָת֔וֹ
(meraato)
van zijn kwaad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarover
דִּבַּ֖רְתִּי
(dibarti)
Ik heb gesproken
עָלָ֑יו
(alav)
tegen het
וְנִֽחַמְתִּי֙
(venichamti)
en Ik laat Mij rouwen
עַל
(al)
over
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
חָשַׁ֖בְתִּי
(chashavti)
Ik had gepland
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
te doen
לֽוֹ
(lo)
aan het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנִחַמְתִּי (venichamti), ‘dan laat Ik Mij rouwen’: het werkwoord נִחַם (nicham) betekent bij Yahweh ‘Zich laten rouwen’.

Hij laat het aangekondigde onheil achterwege.

Zie ook Jona 3:10 en Joël 2:13.

9Het andere ogenblik kan Ik over een volk en over een koninkrijk spreken om het te bouwen en te planten.
וְרֶ֣גַע
(verega)
en een ogenblik
אֲדַבֵּ֔ר
(adaber)
spreek Ik
עַל
(al)
over
גּ֖וֹי
(goy)
een volk
וְעַל
(veal)
en over
מַמְלָכָ֑ה
(mamlakha)
een koninkrijk
לִבְנֹ֖ת
(livnot)
om te bouwen
וְלִנְטֹֽעַ
(velintoa)
en te planten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Maar als het doet wat kwaad is in Mijn ogen, door niet naar Mijn stem te luisteren, dan laat Ik Mij het goede rouwen dat Ik had gezegd hem te doen.
וְעָשָׂ֤ה
(veasa)
en het doet
הָרַע֙
(hara)
het kwaad
בְּעֵינַ֔י
(beeinay)
in Mijn ogen
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
door niet
שְׁמֹ֣עַ
(shemoa)
te luisteren
בְּקוֹלִ֑י
(beqoli)
naar Mijn stem
וְנִֽחַמְתִּי֙
(venichamti)
en Ik laat Mij rouwen
עַל
(al)
over
הַטּוֹבָ֔ה
(hatova)
het goede
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אָמַ֖רְתִּי
(amarti)
Ik had gezegd
לְהֵיטִ֥יב
(leheitiv)
om goed te doen
אוֹתֽוֹ
(oto)
aan het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ook het goede kan Yahweh intrekken, als een volk Zijn stem niet hoort.

Het ‘goede’ is wat Hij had beloofd.

Keer terug van je boze weg

11Zeg nu tegen de mannen van Juda en tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Zo zegt Yahweh: Zie, Ik vorm onheil tegen jullie en bedenk een plan tegen jullie. Keer toch terug, ieder van zijn boze weg, en maak jullie wegen en jullie daden goed.’
וְעַתָּ֡ה
(veata)
en nu
אֱמָר
(emar)
zeg
נָ֣א
(na)
toch
אֶל
(el)
tegen
אִישׁ
(ish)
de man van
יְהוּדָה֩
(yehuda)
Juda
וְעַל
(veal)
en tegen
יוֹשְׁבֵ֨י
(yoshevei)
de inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֜ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֜י
(anokhi)
Ik
יוֹצֵ֤ר
(yotser)
vorm
עֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
tegen jullie
רָעָ֔ה
(raa)
onheil
וְחֹשֵׁ֥ב
(vechoshev)
en bedenk
עֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
tegen jullie
מַֽחֲשָׁבָ֑ה
(machashava)
een plan
שׁ֣וּבוּ
(shuvu)
keert terug
נָ֗א
(na)
toch
אִ֚ישׁ
(ish)
ieder
מִדַּרְכּ֣וֹ
(midarko)
van zijn weg
הָֽרָעָ֔ה
(haraa)
de boze
וְהֵיטִ֥יבוּ
(veheitivu)
en maakt goed
דַרְכֵיכֶ֖ם
(darkheikhem)
jullie wegen
וּמַעַלְלֵיכֶֽם
(umaalleikhem)
en jullie daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

יוֹצֵר (yotser), ‘Ik vorm’: dit is hetzelfde woord als ‘pottenbakker’ in vers 2–6, nu als werkwoord.

Yahweh ‘vormt’ onheil zoals de pottenbakker klei vormt.

מַחֲשָׁבָה (machashavah), ‘plan’: hetzelfde woord als in vers 12 en 18, waar het volk en de tegenstanders hun eigen plannen maken.

12Maar zij zeggen: ‘Het is hopeloos! Wij gaan achter onze eigen plannen aan, en ieder van ons doet wat zijn boze hart in zijn hardnekkigheid wil.’
וְאָמְר֖וּ
(veameru)
en zij zeggen
נוֹאָ֑שׁ
(noash)
het is hopeloos
כִּֽי
(ki)
want
אַחֲרֵ֤י
(acharei)
achter
מַחְשְׁבוֹתֵ֨ינוּ֙
(machshevoteinu)
onze plannen
נֵלֵ֔ךְ
(nelekh)
wij zullen gaan
וְאִ֛ישׁ
(veish)
en ieder
שְׁרִר֥וּת
(sherirut)
de hardnekkigheid van
לִבּֽוֹ
(libo)
zijn hart
הָרָ֖ע
(hara)
het boze
נַעֲשֶֽׂה
(naase)
wij zullen doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נוֹאָשׁ (no’ash), ‘het is hopeloos’: het volk wijst de oproep tot terugkeer af.

שְׁרִרוּת (sherirut), ‘hardnekkigheid’: zoals in Jer. 13:10 en 16:12.

Vraag het aan de volken

13Daarom, zo zegt Yahweh: Vraag toch onder de volken: wie heeft zoiets gehoord? Iets verschrikkelijks heeft de maagd Israël gedaan.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שַֽׁאֲלוּ
(shaalu)
vraagt
נָא֙
(na)
toch
בַּגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
מִ֥י
(mi)
wie
שָׁמַ֖ע
(shama)
heeft gehoord
כָּאֵ֑לֶּה
(kaele)
zoals deze dingen
שַֽׁעֲרֻרִת֙
(shaarurit)
iets verschrikkelijks
עָשְׂתָ֣ה
(aseta)
heeft gedaan
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
בְּתוּלַ֖ת
(betulat)
de maagd
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּתוּלַת יִשְׂרָאֵל (betulat Yisra’el), ‘maagd Israël’: een beeld voor het volk, zoals in Amos 5:2.

שַׁעֲרֻרִת (sha’arurit), ‘iets verschrikkelijks’: verwant met het woord שַׁעֲרוּרָה (sha’arurah) in Jer. 5:30 en 23:14.

14Verlaat de sneeuw van de Libanon de rots in het veld? Of worden de vreemde wateren, koud en stromend, uitgerukt?
הֲיַעֲזֹ֥ב
(hayaazov)
laat de sneeuw verlaten
מִצּ֛וּר
(mitsur)
de rots
שָׂדַ֖י
(saday)
van het veld
שֶׁ֣לֶג
(sheleg)
sneeuw van
לְבָנ֑וֹן
(levanon)
de Libanon
אִם
(im)
of
יִנָּתְשׁ֗וּ
(yinateshu)
worden uitgerukt
מַ֛יִם
(mayim)
wateren
זָרִ֥ים
(zarim)
vreemde
קָרִ֖ים
(qarim)
koude
נוֹזְלִֽים
(nozelim)
stromende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws van dit vers is moeilijk.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Wij houden het kort.

Het beeld is: de natuur blijft vast, het volk niet.

שָׂדַי (sadai), ‘veld’: de rots in het open veld.

זָרִים (zarim), ‘vreemd’: water dat van elders komt, zoals bergwater.

Zie ookJoh 6:68
15Maar Mijn volk is Mij vergeten. Voor het niets laten zij offerrook opgaan. Zo laat men hen struikelen op hun wegen, de paden van eeuwen, zodat zij op zijpaden lopen, op een weg die niet is aangelegd.
כִּֽי
(ki)
want
שְׁכֵחֻ֥נִי
(shekhechuni)
Mijn volk is Mij vergeten
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
לַשָּׁ֣וְא
(lashave)
voor het niets
יְקַטֵּ֑רוּ
(yeqateru)
zij laten offerrook opgaan
וַיַּכְשִׁל֤וּם
(vayakhshilum)
en men laat hen struikelen
בְּדַרְכֵיהֶם֙
(bedarkheihem)
op hun wegen
שְׁבִילֵ֣י
(shevilei)
paden van
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwen
לָלֶ֣כֶת
(lalekhet)
om te lopen
נְתִיב֔וֹת
(netivot)
op zijpaden
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
een weg
לֹ֥א
(lo)
niet
סְלוּלָֽה
(selula)
aangelegde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְקַטֵּרוּ (yeqatteru), ‘zij laten offerrook opgaan’: offers en wierook voor afgoden.

Dat is ‘voor het niets’.

שְׁבִילֵי עוֹלָם (shevilei olam), ‘paden van eeuwen’: de oude, beproefde wegen.

סְלוּלָה (selulah), ‘aangelegd’: een gebaande en opgehoogde weg, zoals in Jes. 57:14.

16Zo wordt hun land een verwoesting, voor eeuwig een voorwerp van gesis. Ieder die erlangs gaat, staat verbijsterd en schudt zijn hoofd.
לָשׂ֥וּם
(lasum)
om te maken
אַרְצָ֛ם
(artsam)
hun land
לְשַׁמָּ֖ה
(leshama)
tot een verwoesting
שְׁרִיק֣וֹת
(sheriqot)
gesis van
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwigheid
כֹּ֚ל
(kol)
ieder
עוֹבֵ֣ר
(over)
die voorbijgaat
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
erlangs
יִשֹּׁ֖ם
(yishom)
staat verbijsterd
וְיָנִ֥יד
(veyanid)
en schudt
בְּרֹאשֽׁוֹ
(berosho)
zijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁרִיקוֹת (shrikot), ‘gesis’: spot door te sissen.

Wie langskomt, schrikt en schudt het hoofd.

17Als met een oostenwind verstrooi Ik hen voor de vijand uit. Mijn rug en niet Mijn gezicht laat Ik hen zien op de dag van hun ondergang.”
כְּרֽוּחַ
(keruach)
als een wind van
קָדִ֥ים
(qadim)
het oosten
אֲפִיצֵ֖ם
(afitsem)
Ik zal hen verstrooien
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
אוֹיֵ֑ב
(oyev)
de vijand
עֹ֧רֶף
(oref)
de rug
וְלֹֽא
(velo)
en niet
פָנִ֛ים
(panim)
het gezicht
אֶרְאֵ֖ם
(erem)
Ik zal hen laten zien
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
אֵידָֽם
(eidam)
hun ondergang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ קָדִים (ruach qadim), ‘oostenwind’: een hete wind uit de woestijn die alles doet verdorren (Hos. 13:15).

עֹרֶף (oref), ‘rug’: letterlijk ‘nek’. Yahweh keert hun de rug toe en laat hun Zijn gezicht niet zien.

Een plan tegen Jeremia

18Zij zeiden: ‘Kom, laten wij plannen tegen Jeremia bedenken. De wet gaat niet verloren bij de priester, raad niet bij de wijze en het woord niet bij de profeet. Kom, laten wij hem met de tong slaan, en laten wij geen acht slaan op al zijn woorden.’
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zij zeiden
לְכ֨וּ
(lekhu)
komt
וְנַחְשְׁבָ֣ה
(venachsheva)
en laten wij bedenken
עַֽל
(al)
tegen
יִרְמְיָהוּ֮
(yirmeyahu)
Jeremia
מַחֲשָׁבוֹת֒
(machashavot)
plannen
כִּי֩
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
תֹאבַ֨ד
(tovad)
gaat verloren
תּוֹרָ֜ה
(tora)
wet
מִכֹּהֵ֗ן
(mikohen)
van een priester
וְעֵצָה֙
(veetsa)
en raad
מֵֽחָכָ֔ם
(mechakham)
van een wijze
וְדָבָ֖ר
(vedavar)
en woord
מִנָּבִ֑יא
(minavi)
van een profeet
לְכוּ֙
(lekhu)
komt
וְנַכֵּ֣הוּ
(venakehu)
en laten wij hem slaan
בַלָּשׁ֔וֹן
(balashon)
met de tong
וְאַל
(veal)
en niet
נַקְשִׁ֖יבָה
(naqshiva)
laten wij letten
אֶל
(el)
op
כָּל
(kal)
al
דְּבָרָֽיו
(devarav)
zijn woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier spreken Jeremia’s tegenstanders.

Zij menen dat het onderwijs, de raad en het woord altijd bij hun eigen leiders blijven.

Daarom kunnen zij Jeremia gerust aanpakken.

נַכֵּהוּ בַלָּשׁוֹן (nakkehu balashon), ‘laten wij hem met de tong slaan’: met woorden, bijvoorbeeld met beschuldigingen. Het kan ook betekenen: ‘laten wij hem op zijn woord pakken’.

Jeremia's gebed

19Let op mij, Yahweh, en luister naar de stem van mijn tegenstanders.
הַקְשִׁ֥יבָה
(haqshiva)
let op
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֑י
(elay)
mij
וּשְׁמַ֖ע
(ushema)
en luister
לְק֥וֹל
(leqol)
naar de stem van
יְרִיבָֽי
(yerivay)
mijn tegenstanders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier bidt Jeremia tot Yahweh.

De verzen 19–23 staan zwart.

יְרִיבָי (yeribai), ‘mijn tegenstanders’: wie met hem een rechtszaak voert. Het hoort bij רִיב (riv), ‘rechtszaak’.

20Wordt goed met kwaad vergolden? Want zij hebben een kuil voor mij gegraven. Denk eraan dat ik voor Uw aangezicht stond om goed over hen te spreken, om Uw woede van hen af te wenden.
הַיְשֻׁלַּ֤ם
(hayshulam)
wordt vergolden
תַּֽחַת
(tachat)
in plaats van
טוֹבָה֙
(tova)
goed
רָעָ֔ה
(raa)
kwaad
כִּֽי
(ki)
want
כָר֥וּ
(karu)
zij hebben gegraven
שׁוּחָ֖ה
(shucha)
een kuil
לְנַפְשִׁ֑י
(lenafshi)
voor mij
זְכֹ֣ר
(zekhor)
denk eraan
עָמְדִ֣י
(amedi)
mijn staan
לְפָנֶ֗יךָ
(lefaneikha)
voor U
לְדַבֵּ֤ר
(ledaber)
om te spreken
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
over hen
טוֹבָ֔ה
(tova)
goed
לְהָשִׁ֥יב
(lehashiv)
om af te wenden
אֶת
(et)
(obj.)
חֲמָתְךָ֖
(chamatekha)
Uw woede
מֵהֶֽם
(mehem)
van hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁוּחָה (shuchah), ‘kuil’: een valkuil voor wild, hier voor Jeremia.

Jeremia herinnert Yahweh eraan dat hij voor hen is opgekomen. Hij heeft goed over hen gesproken.

21Geef daarom hun zonen aan de honger prijs en lever hen uit aan de macht van het zwaard. Laat hun vrouwen kinderloos en weduwen worden. Laat hun mannen gedood worden door de dood, hun jonge mannen geslagen door het zwaard in de strijd.
לָכֵן֩
(lakhen)
daarom
תֵּ֨ן
(ten)
geef
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיהֶ֜ם
(beneihem)
hun zonen
לָרָעָ֗ב
(laraav)
aan de honger
וְהַגִּרֵם֮
(vehagirem)
en lever hen uit
עַל
(al)
aan
יְדֵי
(yedei)
de macht van
חֶרֶב֒
(cherev)
het zwaard
וְתִֽהְיֶ֨נָה
(vetihyena)
en laten worden
נְשֵׁיהֶ֤ם
(nesheihem)
hun vrouwen
שַׁכֻּלוֹת֙
(shakulot)
kinderloos
וְאַלְמָנ֔וֹת
(vealmanot)
en weduwen
וְאַ֨נְשֵׁיהֶ֔ם
(veansheihem)
en hun mannen
יִֽהְי֖וּ
(yihyu)
laten zijn
הֲרֻ֣גֵי
(harugei)
gedood door
מָ֑וֶת
(mavet)
de dood
בַּח֣וּרֵיהֶ֔ם
(bachureihem)
hun jonge mannen
מֻכֵּי
(mukei)
geslagen door
חֶ֖רֶב
(cherev)
het zwaard
בַּמִּלְחָמָֽה
(bamilchama)
in de strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit gebed is hard.

Wij laten het zoals het er staat.

Jeremia vraagt dat Yahweh de oordelen laat komen die de profeet zelf heeft aangekondigd.

הֲרֻגֵי מָוֶת (harugei mavet), ‘gedood door de dood’: de dood treft hen direct. De uitdrukking is kort en het Hebreeuws zegt niet hoe.

22Laat een noodkreet uit hun huizen gehoord worden, wanneer U plotseling een bende over hen brengt. Want zij hebben een kuil gegraven om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten.
תִּשָּׁמַ֤ע
(tishama)
laat gehoord worden
זְעָקָה֙
(zeaqa)
een noodkreet
מִבָּ֣תֵּיהֶ֔ם
(mibateihem)
uit hun huizen
כִּֽי
(ki)
want
תָבִ֧יא
(tavi)
U brengt
עֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
over hen
גְּד֖וּד
(gedud)
een bende
פִּתְאֹ֑ם
(pitom)
plotseling
כִּֽי
(ki)
want
כָר֤וּ
(karu)
zij hebben gegraven
שׁוּחָה֙
(shucha)
een kuil
לְלָכְדֵ֔נִי
(lelakhedeni)
om mij te vangen
וּפַחִ֖ים
(ufachim)
en strikken
טָמְנ֥וּ
(tamenu)
zij hebben verborgen
לְרַגְלָֽי
(leraglay)
voor mijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זְעָקָה (zeaqah), ‘noodkreet’; גְּדוּד (gedud), ‘bende’: een groep rovers of krijgers.

23Maar U, Yahweh, U kent al hun raad tegen mij om mij te doden. Doe geen verzoening over hun schuld en wis hun zonde niet uit voor Uw aangezicht. Laat hen struikelend voor U zijn. Handel tegen hen in de tijd van Uw toorn.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en U
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
יָדַ֜עְתָּ
(yadata)
U kent
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
עֲצָתָ֤ם
(atsatam)
hun raad
עָלַי֙
(alay)
tegen mij
לַמָּ֔וֶת
(lamavet)
om te doden
אַל
(al)
niet
תְּכַפֵּר֙
(tekhaper)
doe verzoening
עַל
(al)
over
עֲוֺנָ֔ם
(avonam)
hun schuld
וְחַטָּאתָ֖ם
(vechatatam)
en hun zonde
מִלְּפָנֶ֣יךָ
(milefaneikha)
van voor Uw aangezicht
אַל
(al)
niet
תֶּ֑מְחִי
(temchi)
wis uit
וְיִהְי֤וּ
(veyihyu)
en laten zijn
מֻכְשָׁלִים֙
(mukhshalim)
struikelend
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor U
בְּעֵ֥ת
(beet)
in de tijd van
אַפְּךָ֖
(apekha)
Uw toorn
עֲשֵׂ֥ה
(ase)
handel
בָהֶֽם
(bahem)
tegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּכַפֵּר (tekapper), ‘doe verzoening’: het werkwoord כִּפֶּר (kipper) betekent ‘verzoenen, bedekken’.

Jeremia vraagt dat Yahweh hun schuld niet bedekt.

עֵצָה (etsah), ‘raad’: het plan van mensen. Zo heet het in dit boek, anders dan het ‘besluit’ van Yahweh.