Elohim Bijbel

Job 36

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Elihu: de leiding en grootheid van El

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Nog een weinig woorden voor Eloah

1Elihu ging verder en zei:
וַיֹּ֥סֶף
(vayosef)
en ging voort
אֱלִיה֗וּא
(elihu)
Elihu
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elihu zet zijn betoog voort (de laatste en langste rede).

Hij zegt de woorden niet van zichzelf te hebben, maar ‘voor Eloah’ te spreken (vers 2).

2„Wacht een weinig voor mij, dan zal ik u onderrichten, want er zijn nog woorden voor Eloah.
כַּתַּר
(katar)
wacht
לִ֣י
(li)
voor mij
זְ֭עֵיר
(zeeir)
een weinig
וַאֲחַוֶּ֑ךָּ
(vaachaveka)
en ik zal u onderrichten
כִּ֤י
(ki)
want
ע֖וֹד
(od)
nog
לֶאֱל֣וֹהַּ
(leeloha)
voor Eloah
מִלִּֽים
(milim)
woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Ik zal mijn kennis van ver halen, en aan mijn Maker zal ik gerechtigheid geven.
אֶשָּׂ֣א
(esa)
ik zal dragen
דֵ֭עִי
(dei)
mijn kennis
לְמֵרָח֑וֹק
(lemerachoq)
van ver
וּ֝לְפֹעֲלִ֗י
(ulefoali)
en aan mijn Maker
אֶֽתֵּֽן
(eten)
zal ik geven
צֶֽדֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Want voorwaar, mijn woorden zijn geen leugen; een die volmaakt is in kennis staat bij u.
כִּֽי
(ki)
want
אָ֭מְנָם
(amenam)
voorwaar
לֹא
(lo)
niet
שֶׁ֣קֶר
(sheqer)
leugen
מִלָּ֑י
(milay)
mijn woorden
תְּמִ֖ים
(temim)
volmaakte van
דֵּע֣וֹת
(deot)
kennis
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Hij veracht niemand

5Zie, El is machtig en veracht niemand; machtig in kracht van verstand.
הֶן
(hen)
zie
אֵ֣ל
(el)
El
כַּ֭בִּיר
(kabir)
machtig
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִמְאָ֑ס
(yimas)
veracht Hij
כַּ֝בִּ֗יר
(kabir)
machtig
כֹּ֣חַֽ
(koach)
kracht van
לֵֽב
(lev)
verstand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Hij laat de goddeloze niet leven, maar het recht van de armen geeft Hij.
לֹא
(lo)
niet
יְחַיֶּ֥ה
(yechaye)
laat Hij leven
רָשָׁ֑ע
(rasha)
een goddeloze
וּמִשְׁפַּ֖ט
(umishpat)
en recht
עֲנִיִּ֣ים
(aniyim)
voor de armen
יִתֵּֽן
(yiten)
geeft Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Van de rechtvaardige onttrekt Hij Zijn ogen niet, en met koningen op de troon doet Hij hen voor altijd zetelen, zodat zij verheven worden.
לֹֽא
(lo)
niet
יִגְרַ֥ע
(yigra)
onttrekt Hij
מִצַּדִּ֗יק
(mitsadiq)
aan de rechtvaardige
עֵ֫ינָ֥יו
(einav)
Zijn ogen
וְאֶת
(veet)
en met
מְלָכִ֥ים
(melakhim)
koningen
לַכִּסֵּ֑א
(lakise)
op de troon
וַיֹּשִׁיבֵ֥ם
(vayoshivem)
en Hij doet hen zetelen
לָ֝נֶ֗צַח
(lanetsach)
voor altijd
וַיִּגְבָּֽהוּ
(vayigbahu)
en zij worden verheven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws van vers 7b is beknopt: ‘en met koningen op de troon, en Hij doet hen zetelen voor altijd, en zij worden verheven’.

Wij volgen de Masoretische lezing en verstaan de rechtvaardige als de koning die door Elohim wordt verhoogd.

8Maar als zij gebonden zijn met boeien en gevangen worden in koorden van ellende,
וְאִם
(veim)
en indien
אֲסוּרִ֥ים
(asurim)
gebondenen
בַּזִּקִּ֑ים
(baziqim)
met boeien
יִ֝לָּכְד֗וּן
(yilakhedun)
zij gevangen worden
בְּחַבְלֵי
(bechavlei)
in koorden van
עֹֽנִי
(oni)
ellende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9dan maakt Hij hun daad bekend, en hun overtredingen, dat zij zich hebben verheven.
וַיַּגֵּ֣ד
(vayaged)
en Hij maakt bekend
לָהֶ֣ם
(lahem)
hun
פָּעֳלָ֑ם
(paolam)
hun daad
וּ֝פִשְׁעֵיהֶ֗ם
(ufisheihem)
en hun overtredingen
כִּ֣י
(ki)
dat
יִתְגַּבָּֽרוּ
(yitgabaru)
zij zich verheffen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Hij opent hun oor voor tucht en zegt dat zij zich van onrecht moeten bekeren.
וַיִּ֣גֶל
(vayigel)
en Hij opent
אָ֭זְנָם
(azenam)
hun oor
לַמּוּסָ֑ר
(lamusar)
voor tucht
וַ֝יֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zegt
כִּֽי
(ki)
dat
יְשֻׁב֥וּן
(yeshuvun)
zij terugkeren
מֵאָֽוֶן
(meaven)
van onrecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Als zij horen en dienen, voltooien zij hun dagen in het goede en hun jaren in lieflijkheid.
אִֽם
(im)
indien
יִשְׁמְע֗וּ
(yishmeu)
zij horen
וְֽיַ֫עֲבֹ֥דוּ
(veyaavodu)
en dienen
יְכַלּ֣וּ
(yekhalu)
voltooien zij
יְמֵיהֶ֣ם
(yemeihem)
hun dagen
בַּטּ֑וֹב
(batov)
in het goede
וּ֝שְׁנֵיהֶ֗ם
(usheneihem)
en hun jaren
בַּנְּעִימִֽים
(baneimim)
in lieflijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Maar als zij niet horen, gaan zij door het wapen heen en sterven zij zonder kennis.
וְאִם
(veim)
en indien
לֹ֣א
(lo)
niet
יִ֭שְׁמְעוּ
(yishmeu)
zij horen
בְּשֶׁ֣לַח
(beshelach)
door het wapen
יַעֲבֹ֑רוּ
(yaavoru)
gaan zij over
וְ֝יִגְוְע֗וּ
(veyigveu)
en sterven zij
כִּבְלִי
(kivli)
zonder
דָֽעַת
(daat)
kennis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13De goddelozen van hart leggen toorn op zich; zij roepen niet om hulp wanneer Hij hen bindt.
וְֽחַנְפֵי
(vechanfei)
en goddelozen van
לֵ֭ב
(lev)
hart
יָשִׂ֣ימוּ
(yasimu)
leggen
אָ֑ף
(af)
toorn
לֹ֥א
(lo)
niet
יְ֝שַׁוְּע֗וּ
(yeshaveu)
roepen zij om hulp
כִּ֣י
(ki)
wanneer
אֲסָרָֽם
(asaram)
Hij hen bindt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Hun ziel sterft in de jeugd en hun leven onder de tempelhoeren.
תָּמֹ֣ת
(tamot)
sterft
בַּנֹּ֣עַר
(banoar)
in de jeugd
נַפְשָׁ֑ם
(nafsham)
hun ziel
וְ֝חַיָּתָ֗ם
(vechayatam)
en hun leven
בַּקְּדֵשִֽׁים
(baqedeshim)
onder de tempelhoeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְדֵשִׁים (kedesjim) zijn tempelhoeren of -prostituees (Deut. 23:18; 1 Kon. 14:24).

De jonge dood van wie in zonde leeft, wordt gelijkgesteld met die van een afgodendienaar.

15Hij redt de arme door zijn ellende en opent hun oor in de druk.
יְחַלֵּ֣ץ
(yechalets)
Hij redt
עָנִ֣י
(ani)
de arme
בְעָנְי֑וֹ
(beaneyo)
door zijn ellende
וְיִ֖גֶל
(veyigel)
en opent
בַּלַּ֣חַץ
(balachats)
in de druk
אָזְנָֽם
(azenam)
hun oor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Hij lokt u uit de nood

16Ook u lokt Hij uit de muil van benauwdheid naar de ruimte, waar geen beperking onder is, en wat op uw tafel komt te rusten, is vol vet.
וְאַ֤ף
(veaf)
en ook
הֲסִיתְךָ֨
(hasitekha)
Hij lokt u
מִפִּי
(mipi)
uit de muil van
צָ֗ר
(tsar)
benauwdheid
רַ֭חַב
(rachav)
ruimte
לֹא
(lo)
niet
מוּצָ֣ק
(mutsaq)
beperking
תַּחְתֶּ֑יהָ
(tachteiha)
daaronder
וְנַ֥חַת
(venachat)
en de rust van
שֻׁ֝לְחָנְךָ֗
(shulchanekha)
uw tafel
מָ֣לֵא
(male)
vol
דָֽשֶׁן
(dashen)
vet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De lezing van vers 16 is onzeker.

Wij vertalen: Hij lokt u uit de benauwdheid naar de ruimte waar geen beperking is, en uw tafel is vol van vet.

Er is dus hoop voor Job als hij zich laat onderrichten.

17Maar u bent vol van het oordeel over de goddeloze; oordeel en recht houden u vast.
וְדִין
(vedin)
en het oordeel van
רָשָׁ֥ע
(rasha)
een goddeloze
מָלֵ֑אתָ
(maleta)
hebt u vervuld
דִּ֖ין
(din)
oordeel
וּמִשְׁפָּ֣ט
(umishpat)
en recht
יִתְמֹֽכוּ
(yitmokhu)
houden vast
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Want pas op dat de woede u niet verleidt tot spot, en dat de grootte van het losgeld u niet doet afwijken.
כִּֽי
(ki)
want
חֵ֭מָה
(chema)
woede
פֶּן
(pen)
opdat niet
יְסִֽיתְךָ֣
(yesitekha)
zij u verleidt
בְסָ֑פֶק
(besafeq)
tot spot
וְרָב
(verav)
en de grootte van
כֹּ֝֗פֶר
(kofer)
losgeld
אַל
(al)
niet
יַטֶּֽךָּ
(yateka)
laat u afwijken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws van vers 18 is moeilijk.

‘Woede’ (chemah) wordt door sommigen als ‘rijkdom’ of ‘overvloed’ gelezen, en ‘spot’ (sefek) kan ook ‘klap’ betekenen.

Wij houden de gangbare weergave aan: laat de woede u niet verleiden tot spot en laat de omvang van het losgeld u niet doen afwijken.

19Zal uw rijkdom u toerusten zodat u niet in nood bent, of al uw krachtsinspanningen?
הֲיַעֲרֹ֣ךְ
(hayaarokh)
zal toerusten
שׁ֭וּעֲךָ
(shuakha)
uw rijkdom
לֹ֣א
(lo)
niet
בְצָ֑ר
(betsar)
in nood
וְ֝כֹ֗ל
(vekhol)
en alle
מַאֲמַצֵּי
(maamatsei)
inspanningen van
כֹֽחַ
(koach)
kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

שׁוּעֲךָ (sjoeacha) kan ‘uw rijkdom’ of ‘uw geschreeuw om hulp’ betekenen.

Wij kiezen ‘uw rijkdom’, naar de rijkdom die in 36:16 wordt genoemd en waartegen Elihu waarschuwt.

20Verlang niet naar de nacht, waarin volken uit hun plaats opgaan.
אַל
(al)
niet
תִּשְׁאַ֥ף
(tishaf)
verlang
הַלָּ֑יְלָה
(halayela)
naar de nacht
לַעֲל֖וֹת
(laalot)
om op te doen gaan
עַמִּ֣ים
(amim)
volken
תַּחְתָּֽם
(tachtam)
uit hun plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Vers 20 is moeilijk.

Letterlijk: ‘Verlang niet naar de nacht, waarin volken uit hun plaats worden weggenomen.’

Elihu waarschuwt Job niet te verlangen naar de nacht van het oordeel, waarin volken plotseling verdwijnen.

Vergelijk Job 34:20.

21Wacht u ervoor u tot onrecht te wenden, want dat hebt u verkozen boven ellende.
הִ֭שָּׁמֶר
(hishamer)
wacht u
אַל
(al)
niet
תֵּ֣פֶן
(tefen)
wend u
אֶל
(el)
tot
אָ֑וֶן
(aven)
onrecht
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
hierop
זֶ֝֗ה
(ze)
koos u
בָּחַ֥רְתָּ
(bacharta)
boven
מֵעֹֽנִי
(meoni)
ellende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

El is verheven; wie is een leraar zoals Hij?

22Zie, El is verheven in Zijn kracht; wie is een leraar zoals Hij?
הֶן
(hen)
zie
אֵ֭ל
(el)
El
יַשְׂגִּ֣יב
(yasgiv)
is verheven
בְּכֹח֑וֹ
(bekhocho)
in Zijn kracht
מִ֖י
(mi)
wie
כָמֹ֣הוּ
(kamohu)
is zoals Hij
מוֹרֶֽה
(more)
een leraar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Wie heeft Hem Zijn weg opgedragen, en wie heeft gezegd: ‘U hebt onrecht gedaan’?
מִֽי
(mi)
wie
פָקַ֣ד
(paqad)
droeg op
עָלָ֣יו
(alav)
aan Hem
דַּרְכּ֑וֹ
(darko)
Zijn weg
וּמִֽי
(umi)
en wie
אָ֝מַ֗ר
(amar)
zei
פָּעַ֥לְתָּ
(paalta)
u hebt gedaan
עַוְלָֽה
(avla)
onrecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Denk eraan Zijn werk te verheffen, dat mensen hebben bezongen.
זְ֭כֹר
(zekhor)
denk eraan
כִּֽי
(ki)
dat
תַשְׂגִּ֣יא
(tasgi)
u verheft
פָעֳל֑וֹ
(paolo)
Zijn werk
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
שֹׁרְר֣וּ
(shoreru)
zij bezongen
אֲנָשִֽׁים
(anashim)
mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Alle mensen hebben het aanschouwd, de sterveling ziet het van verre.
כָּל
(kal)
alle
אָדָ֥ם
(adam)
mensen
חָֽזוּ
(chazu)
hebben het aanschouwd
ב֑וֹ
(bo)
erin
אֱ֝נ֗וֹשׁ
(enosh)
de sterveling
יַבִּ֥יט
(yabit)
ziet
מֵרָחֽוֹק
(merachoq)
van verre
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Zie, El is verheven, en wij kennen Hem niet; het aantal van Zijn jaren is niet te onderzoeken.
הֶן
(hen)
zie
אֵ֣ל
(el)
El
שַׂ֭גִּיא
(sagi)
is verheven
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
נֵדָ֑ע
(neda)
wij kennen
מִסְפַּ֖ר
(mispar)
het aantal van
שָׁנָ֣יו
(shanav)
Zijn jaren
וְלֹא
(velo)
en niet
חֵֽקֶר
(cheqer)
is er onderzoek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Wij kennen Hem niet’: Elihu verklaart dat Elohim onbereikbaar is.

Dit loopt vooruit op de rede van Yahweh zelf (hoofdstukken 38–41).

Vergelijk Job 11:7 en Jes. 40:28.

De waterdruppels en het licht

27Want Hij trekt de druppels water omhoog, zij zuiveren de regen uit zijn damp,
כִּ֭י
(ki)
want
יְגָרַ֣ע
(yegara)
Hij trekt omhoog
נִטְפֵי
(nitfei)
druppels van
מָ֑יִם
(mayim)
water
יָזֹ֖קּוּ
(yazoqu)
zij zuiveren
מָטָ֣ר
(matar)
regen
לְאֵדֽוֹ
(leedo)
uit zijn damp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elihu beschrijft de kringloop van het water: druppels worden omhooggetrokken, vormen wolken en vallen als regen.

Vergelijk Job 38:25–38; Pred. 1:7 en Amos 5:8.

28die de wolken laten stromen; zij druipen overvloedig op mensen.
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
יִזְּל֥וּ
(yizelu)
laten stromen
שְׁחָקִ֑ים
(shechaqim)
wolken
יִ֝רְעֲפ֗וּ
(yirafu)
zij druipen
עֲלֵ֤י
(alei)
op
אָדָ֬ם
(adam)
mensen
רָֽב
(rav)
overvloedig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Ja, wie begrijpt de uitspreidingen van de wolken, het gedonder van Zijn hut?
אַ֣ף
(af)
ja
אִם
(im)
indien
יָ֭בִין
(yavin)
begrijpt
מִפְרְשֵׂי
(mifresei)
de uitspreidingen van
עָ֑ב
(av)
wolken
תְּ֝שֻׁא֗וֹת
(teshuot)
het gedonder van
סֻכָּתֽוֹ
(sukato)
Zijn hut
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Zie, Hij spreidt Zijn licht over Zich uit en bedekt de wortels van de zee.
הֵן
(hen)
zie
פָּרַ֣שׂ
(paras)
Hij spreidt
עָלָ֣יו
(alav)
over Zich
אוֹר֑וֹ
(oro)
Zijn licht
וְשָׁרְשֵׁ֖י
(veshareshei)
en de wortels van
הַיָּ֣ם
(hayam)
de zee
כִּסָּֽה
(kisa)
bedekt Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De wortels van de zee’ zijn de diepten van de oceaan; vergelijk Job 38:16.

Het licht van de bliksem werpt licht op de zee.

31Want hierdoor richt Hij volken, Hij geeft voedsel in overvloed.
כִּי
(ki)
want
בָ֭ם
(bam)
hierdoor
יָדִ֣ין
(yadin)
richt Hij
עַמִּ֑ים
(amim)
volken
יִֽתֶּן
(yiten)
Hij geeft
אֹ֥כֶל
(okhel)
voedsel
לְמַכְבִּֽיר
(lemakhbir)
in overvloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Met beide handen bedekt Hij het licht en gebiedt het te treffen.
עַל
(al)
op
כַּפַּ֥יִם
(kapayim)
handen
כִּסָּה
(kisa)
bedekt Hij
א֑וֹר
(or)
licht
וַיְצַ֖ו
(vaytsav)
en gebiedt
עָלֶ֣יהָ
(aleiha)
het
בְמַפְגִּֽיעַ
(bemafgia)
te treffen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Zijn donder kondigt het aan; ook het vee voelt de opkomende storm.”
יַגִּ֣יד
(yagid)
kondigt aan
עָלָ֣יו
(alav)
erover
רֵע֑וֹ
(reo)
Zijn donder
מִ֝קְנֶ֗ה
(miqne)
vee
אַ֣ף
(af)
ook
עַל
(al)
over
עוֹלֶֽה
(ole)
wat opkomt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)