Open in de app Alle boeken Job ← 35 37 → Job 36 Elihu: de leiding en grootheid van El
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Nog een weinig woorden voor Eloah 1 Elihu ging verder en zei:
וַיֹּ֥סֶף
(vayosef)
en ging voort
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Elihu zet zijn betoog voort (de laatste en langste rede).
Hij zegt de woorden niet van zichzelf te hebben, maar ‘voor Eloah’ te spreken (vers 2).
2 „Wacht een weinig voor mij, dan zal ik u onderrichten, want er zijn nog woorden voor Eloah.
וַאֲחַוֶּ֑ךָּ
(vaachaveka)
en ik zal u onderrichten
לֶאֱל֣וֹהַּ
(leeloha)
voor Eloah
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3 Ik zal mijn kennis van ver halen, en aan mijn Maker zal ik gerechtigheid geven.
אֶשָּׂ֣א
(esa)
ik zal dragen
לְמֵרָח֑וֹק
(lemerachoq)
van ver
וּ֝לְפֹעֲלִ֗י
(ulefoali)
en aan mijn Maker
אֶֽתֵּֽן
(eten)
zal ik geven
צֶֽדֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4 Want voorwaar, mijn woorden zijn geen leugen; een die volmaakt is in kennis staat bij u.
מִלָּ֑י
(milay)
mijn woorden
תְּמִ֖ים
(temim)
volmaakte van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Hij veracht niemand 5 Zie, El is machtig en veracht niemand; machtig in kracht van verstand.
יִמְאָ֑ס
(yimas)
veracht Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6 Hij laat de goddeloze niet leven, maar het recht van de armen geeft Hij.
יְחַיֶּ֥ה
(yechaye)
laat Hij leven
רָשָׁ֑ע
(rasha)
een goddeloze
וּמִשְׁפַּ֖ט
(umishpat)
en recht
עֲנִיִּ֣ים
(aniyim)
voor de armen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7 Van de rechtvaardige onttrekt Hij Zijn ogen niet, en met koningen op de troon doet Hij hen voor altijd zetelen, zodat zij verheven worden.
יִגְרַ֥ע
(yigra)
onttrekt Hij
מִצַּדִּ֗יק
(mitsadiq)
aan de rechtvaardige
עֵ֫ינָ֥יו
(einav)
Zijn ogen
מְלָכִ֥ים
(melakhim)
koningen
לַכִּסֵּ֑א
(lakise)
op de troon
וַיֹּשִׁיבֵ֥ם
(vayoshivem)
en Hij doet hen zetelen
לָ֝נֶ֗צַח
(lanetsach)
voor altijd
וַיִּגְבָּֽהוּ
(vayigbahu)
en zij worden verheven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws van vers 7b is beknopt: ‘en met koningen op de troon, en Hij doet hen zetelen voor altijd, en zij worden verheven’.
Wij volgen de Masoretische lezing en verstaan de rechtvaardige als de koning die door Elohim wordt verhoogd.
8 Maar als zij gebonden zijn met boeien en gevangen worden in koorden van ellende,
אֲסוּרִ֥ים
(asurim)
gebondenen
בַּזִּקִּ֑ים
(baziqim)
met boeien
יִ֝לָּכְד֗וּן
(yilakhedun)
zij gevangen worden
בְּחַבְלֵי
(bechavlei)
in koorden van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9 dan maakt Hij hun daad bekend, en hun overtredingen, dat zij zich hebben verheven.
וַיַּגֵּ֣ד
(vayaged)
en Hij maakt bekend
פָּעֳלָ֑ם
(paolam)
hun daad
וּ֝פִשְׁעֵיהֶ֗ם
(ufisheihem)
en hun overtredingen
יִתְגַּבָּֽרוּ
(yitgabaru)
zij zich verheffen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 Hij opent hun oor voor tucht en zegt dat zij zich van onrecht moeten bekeren.
וַיִּ֣גֶל
(vayigel)
en Hij opent
לַמּוּסָ֑ר
(lamusar)
voor tucht
וַ֝יֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zegt
יְשֻׁב֥וּן
(yeshuvun)
zij terugkeren
מֵאָֽוֶן
(meaven)
van onrecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11 Als zij horen en dienen, voltooien zij hun dagen in het goede en hun jaren in lieflijkheid.
יִשְׁמְע֗וּ
(yishmeu)
zij horen
וְֽיַ֫עֲבֹ֥דוּ
(veyaavodu)
en dienen
יְכַלּ֣וּ
(yekhalu)
voltooien zij
יְמֵיהֶ֣ם
(yemeihem)
hun dagen
בַּטּ֑וֹב
(batov)
in het goede
וּ֝שְׁנֵיהֶ֗ם
(usheneihem)
en hun jaren
בַּנְּעִימִֽים
(baneimim)
in lieflijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12 Maar als zij niet horen, gaan zij door het wapen heen en sterven zij zonder kennis.
יִ֭שְׁמְעוּ
(yishmeu)
zij horen
בְּשֶׁ֣לַח
(beshelach)
door het wapen
יַעֲבֹ֑רוּ
(yaavoru)
gaan zij over
וְ֝יִגְוְע֗וּ
(veyigveu)
en sterven zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 De goddelozen van hart leggen toorn op zich; zij roepen niet om hulp wanneer Hij hen bindt.
וְֽחַנְפֵי
(vechanfei)
en goddelozen van
יְ֝שַׁוְּע֗וּ
(yeshaveu)
roepen zij om hulp
אֲסָרָֽם
(asaram)
Hij hen bindt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14 Hun ziel sterft in de jeugd en hun leven onder de tempelhoeren.
בַּנֹּ֣עַר
(banoar)
in de jeugd
נַפְשָׁ֑ם
(nafsham)
hun ziel
וְ֝חַיָּתָ֗ם
(vechayatam)
en hun leven
בַּקְּדֵשִֽׁים
(baqedeshim)
onder de tempelhoeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קְדֵשִׁים (kedesjim) zijn tempelhoeren of -prostituees (Deut. 23:18; 1 Kon. 14:24).
De jonge dood van wie in zonde leeft, wordt gelijkgesteld met die van een afgodendienaar.
15 Hij redt de arme door zijn ellende en opent hun oor in de druk.
יְחַלֵּ֣ץ
(yechalets)
Hij redt
בְעָנְי֑וֹ
(beaneyo)
door zijn ellende
וְיִ֖גֶל
(veyigel)
en opent
בַּלַּ֣חַץ
(balachats)
in de druk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Hij lokt u uit de nood 16 Ook u lokt Hij uit de muil van benauwdheid naar de ruimte, waar geen beperking onder is, en wat op uw tafel komt te rusten, is vol vet.
הֲסִיתְךָ֨
(hasitekha)
Hij lokt u
מִפִּי
(mipi)
uit de muil van
תַּחְתֶּ֑יהָ
(tachteiha)
daaronder
וְנַ֥חַת
(venachat)
en de rust van
שֻׁ֝לְחָנְךָ֗
(shulchanekha)
uw tafel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De lezing van vers 16 is onzeker.
Wij vertalen: Hij lokt u uit de benauwdheid naar de ruimte waar geen beperking is, en uw tafel is vol van vet.
Er is dus hoop voor Job als hij zich laat onderrichten.
17 Maar u bent vol van het oordeel over de goddeloze; oordeel en recht houden u vast.
וְדִין
(vedin)
en het oordeel van
רָשָׁ֥ע
(rasha)
een goddeloze
מָלֵ֑אתָ
(maleta)
hebt u vervuld
וּמִשְׁפָּ֣ט
(umishpat)
en recht
יִתְמֹֽכוּ
(yitmokhu)
houden vast
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18 Want pas op dat de woede u niet verleidt tot spot, en dat de grootte van het losgeld u niet doet afwijken.
יְסִֽיתְךָ֣
(yesitekha)
zij u verleidt
בְסָ֑פֶק
(besafeq)
tot spot
וְרָב
(verav)
en de grootte van
יַטֶּֽךָּ
(yateka)
laat u afwijken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het Hebreeuws van vers 18 is moeilijk.
‘Woede’ (chemah) wordt door sommigen als ‘rijkdom’ of ‘overvloed’ gelezen, en ‘spot’ (sefek) kan ook ‘klap’ betekenen.
Wij houden de gangbare weergave aan: laat de woede u niet verleiden tot spot en laat de omvang van het losgeld u niet doen afwijken.
19 Zal uw rijkdom u toerusten zodat u niet in nood bent, of al uw krachtsinspanningen?
הֲיַעֲרֹ֣ךְ
(hayaarokh)
zal toerusten
שׁ֭וּעֲךָ
(shuakha)
uw rijkdom
מַאֲמַצֵּי
(maamatsei)
inspanningen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
שׁוּעֲךָ (sjoeacha) kan ‘uw rijkdom’ of ‘uw geschreeuw om hulp’ betekenen.
Wij kiezen ‘uw rijkdom’, naar de rijkdom die in 36:16 wordt genoemd en waartegen Elihu waarschuwt.
20 Verlang niet naar de nacht, waarin volken uit hun plaats opgaan.
תִּשְׁאַ֥ף
(tishaf)
verlang
הַלָּ֑יְלָה
(halayela)
naar de nacht
לַעֲל֖וֹת
(laalot)
om op te doen gaan
תַּחְתָּֽם
(tachtam)
uit hun plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Vers 20 is moeilijk.
Letterlijk: ‘Verlang niet naar de nacht, waarin volken uit hun plaats worden weggenomen.’
Elihu waarschuwt Job niet te verlangen naar de nacht van het oordeel, waarin volken plotseling verdwijnen.
Vergelijk Job 34:20.
21 Wacht u ervoor u tot onrecht te wenden, want dat hebt u verkozen boven ellende.
הִ֭שָּׁמֶר
(hishamer)
wacht u
בָּחַ֥רְתָּ
(bacharta)
boven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
El is verheven; wie is een leraar zoals Hij? 22 Zie, El is verheven in Zijn kracht; wie is een leraar zoals Hij?
יַשְׂגִּ֣יב
(yasgiv)
is verheven
בְּכֹח֑וֹ
(bekhocho)
in Zijn kracht
כָמֹ֣הוּ
(kamohu)
is zoals Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23 Wie heeft Hem Zijn weg opgedragen, en wie heeft gezegd: ‘U hebt onrecht gedaan’?
דַּרְכּ֑וֹ
(darko)
Zijn weg
פָּעַ֥לְתָּ
(paalta)
u hebt gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24 Denk eraan Zijn werk te verheffen, dat mensen hebben bezongen.
תַשְׂגִּ֣יא
(tasgi)
u verheft
שֹׁרְר֣וּ
(shoreru)
zij bezongen
אֲנָשִֽׁים
(anashim)
mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25 Alle mensen hebben het aanschouwd, de sterveling ziet het van verre.
חָֽזוּ
(chazu)
hebben het aanschouwd
אֱ֝נ֗וֹשׁ
(enosh)
de sterveling
מֵרָחֽוֹק
(merachoq)
van verre
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Zie, El is verheven, en wij kennen Hem niet; het aantal van Zijn jaren is niet te onderzoeken.
שַׂ֭גִּיא
(sagi)
is verheven
מִסְפַּ֖ר
(mispar)
het aantal van
שָׁנָ֣יו
(shanav)
Zijn jaren
חֵֽקֶר
(cheqer)
is er onderzoek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Wij kennen Hem niet’: Elihu verklaart dat Elohim onbereikbaar is.
Dit loopt vooruit op de rede van Yahweh zelf (hoofdstukken 38–41).
Vergelijk Job 11:7 en Jes. 40:28.
De waterdruppels en het licht 27 Want Hij trekt de druppels water omhoog, zij zuiveren de regen uit zijn damp,
יְגָרַ֣ע
(yegara)
Hij trekt omhoog
נִטְפֵי
(nitfei)
druppels van
יָזֹ֖קּוּ
(yazoqu)
zij zuiveren
לְאֵדֽוֹ
(leedo)
uit zijn damp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Elihu beschrijft de kringloop van het water: druppels worden omhooggetrokken, vormen wolken en vallen als regen.
Vergelijk Job 38:25–38; Pred. 1:7 en Amos 5:8.
28 die de wolken laten stromen; zij druipen overvloedig op mensen.
יִזְּל֥וּ
(yizelu)
laten stromen
שְׁחָקִ֑ים
(shechaqim)
wolken
יִ֝רְעֲפ֗וּ
(yirafu)
zij druipen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29 Ja, wie begrijpt de uitspreidingen van de wolken, het gedonder van Zijn hut?
מִפְרְשֵׂי
(mifresei)
de uitspreidingen van
תְּ֝שֻׁא֗וֹת
(teshuot)
het gedonder van
סֻכָּתֽוֹ
(sukato)
Zijn hut
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30 Zie, Hij spreidt Zijn licht over Zich uit en bedekt de wortels van de zee.
פָּרַ֣שׂ
(paras)
Hij spreidt
וְשָׁרְשֵׁ֖י
(veshareshei)
en de wortels van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘De wortels van de zee’ zijn de diepten van de oceaan; vergelijk Job 38:16.
Het licht van de bliksem werpt licht op de zee.
31 Want hierdoor richt Hij volken, Hij geeft voedsel in overvloed.
לְמַכְבִּֽיר
(lemakhbir)
in overvloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32 Met beide handen bedekt Hij het licht en gebiedt het te treffen.
כַּפַּ֥יִם
(kapayim)
handen
וַיְצַ֖ו
(vaytsav)
en gebiedt
בְמַפְגִּֽיעַ
(bemafgia)
te treffen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33 Zijn donder kondigt het aan; ook het vee voelt de opkomende storm.”
יַגִּ֣יד
(yagid)
kondigt aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)