Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Joachaz, koning van Israël
1In het drieëntwintigste jaar van Joas, de zoon van Achazia, de koning van Juda, werd Joachaz, de zoon van Jehu, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde 17 jaar.
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
וְשָׁלֹשׁ֙
(veshalosh)
en drie
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לְיוֹאָ֥שׁ
(leyoash)
van Joas
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחַזְיָ֖הוּ
(achazyahu)
Achazia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
מָ֠לַךְ
(malakh)
werd koning
יְהוֹאָחָ֨ז
(yehoachaz)
Joachaz
בֶּן
(ben)
zoon van
יֵה֤וּא
(yehu)
Jehu
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בְּשֹׁ֣מְר֔וֹן
(beshomeron)
in Samaria
שְׁבַ֥ע
(sheva)
zeven
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Samaria: zie 1 Kon. 16:24.
Uitleg
Joachaz (יְהוֹאָחָז, jehoachaz) is hier een koning van Israël, de zoon van Jehu.
Er is ook een koning van Juda met deze naam (2 Kon. 23:30).
2Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Hij liep achter de zonde van Jerobeam, de zoon van Nebat, aan, waarmee die Israël had laten zondigen. Hij week er niet van af.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַ֠יֵּלֶךְ
(vayelekh)
en liep
אַחַ֨ר
(achar)
achter
חַטֹּ֜את
(chatot)
de zonde van
יָרָבְעָ֧ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֛ט
(nevat)
Nebat
אֲשֶׁר
(asher)
waarmee
הֶחֱטִ֥יא
(hecheti)
hij liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֹא
(lo)
niet
סָ֥ר
(sar)
week hij af
מִמֶּֽנָּה
(mimena)
daarvan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Wat de ‘zonde van Jerobeam’ is, staat in 1 Kon. 12:28–30: de twee gouden kalveren in Betel en Dan.
3Toen ontbrandde de toorn van Yahweh tegen Israël. Hij gaf hen al die dagen in de hand van Hazaël, de koning van Aram, en in de hand van Ben-Hadad, de zoon van Hazaël.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֥ף
(af)
de toorn van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַֽיִּתְּנֵ֞ם
(vayitenem)
en gaf hen
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
חֲזָאֵ֣ל
(chazael)
Hazaël
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֗ם
(aram)
Aram
וּבְיַ֛ד
(uveyad)
en in de hand van
בֶּן
(ben)
Ben
הֲדַ֥ד
(hadad)
Hadad
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲזָאֵ֖ל
(chazael)
Hazaël
כָּל
(kal)
al
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
Hazaël is de koning van Aram aan wie 1 Kon. 19:15–17 het zwaard tegen Israël aankondigde.
Deze Ben-Hadad, de zoon van Hazaël, is een andere man dan de Ben-Hadad in 1 Kon. 15:18 en 20:1.
4Joachaz smeekte het aangezicht van Yahweh en Yahweh luisterde naar hem. Want Hij zag de onderdrukking van Israël, omdat de koning van Aram hen onderdrukte.
וַיְחַ֥ל
(vaychal)
en smeekte
יְהוֹאָחָ֖ז
(yehoachaz)
Joachaz
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en luisterde
אֵלָיו֙
(elav)
naar hem
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֤י
(ki)
want
רָאָה֙
(raa)
Hij zag
אֶת
(et)
(obj.)
לַ֣חַץ
(lachats)
de onderdrukking van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּֽי
(ki)
omdat
לָחַ֥ץ
(lachats)
onderdrukte
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אֲרָֽם
(aram)
Aram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
וַיְחַל (wayechal) אֶת־פְּנֵי יְהוָה (et penei Yahweh), ‘hij smeekte het aangezicht van Yahweh’: een vaste uitdrukking voor het vragen van gunst en hulp.
6Toch weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, waarmee die Israël had laten zondigen. Daarin liep hij. Ook de heilige paal bleef staan in Samaria.
אַ֠ךְ
(akh)
toch
לֹֽא
(lo)
niet
סָ֜רוּ
(saru)
weken zij af
מֵחַטֹּ֧אות
(mechatovt)
van de zonden van
בֵּית
(beit)
het huis van
יָרָבְעָ֛ם
(yaraveam)
Jerobeam
אֲשֶׁר
(asher)
waarmee
הֶחֱטִ֥יא
(hecheti)
hij liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בָּ֣הּ
(bah)
daarin
הָלָ֑ךְ
(halakh)
liep hij
וְגַם֙
(vegam)
en ook
הָאֲשֵׁרָ֔ה
(haashera)
de heilige paal
עָמְדָ֖ה
(ameda)
bleef staan
בְּשֹׁמְרֽוֹן
(beshomeron)
in Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Uitleg
הָאֲשֵׁרָה (ha’asherah), ‘de heilige paal’: een houten paal bij een heiligdom, gewijd aan de godin Asjera.
Zie Deut. 16:21 en 1 Kon. 16:33.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft החטי en de voorgelezen tekst (qere) הֶחֱטִיא, ‘liet zondigen’.
Het is hetzelfde werkwoord; in de geschreven tekst ontbreekt de laatste letter (alef).
Wij volgen de qere.
Het Hebreeuws heeft ‘daarin liep hij’ (enkelvoud). Wie ‘hij’ is, staat er niet bij. Het kan Joachaz zijn, of Jerobeam. Wij laten het open.
7Want aan Joachaz was geen volk overgelaten, behalve 50 ruiters, 10 strijdwagens en 10.000 man voetvolk. De koning van Aram had hen laten omkomen. Hij had hen gemaakt tot als stof bij het dorsen.
כִּ֣י
(ki)
want
לֹא֩
(lo)
niet
הִשְׁאִ֨יר
(hishir)
was overgelaten
לִיהוֹאָחָ֜ז
(lihoachaz)
aan Joachaz
עָ֗ם
(am)
volk
כִּ֣י
(ki)
behalve
אִם
(im)
als
חֲמִשִּׁ֤ים
(chamishim)
vijftig
פָּֽרָשִׁים֙
(parashim)
ruiters
וַעֲשָׂ֣רָה
(vaasara)
en tien
רֶ֔כֶב
(rekhev)
strijdwagens
וַעֲשֶׂ֥רֶת
(vaaseret)
en tien
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
רַגְלִ֑י
(ragli)
voetvolk
כִּ֤י
(ki)
want
אִבְּדָם֙
(ibedam)
had hen laten omkomen
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
וַיְשִׂמֵ֥ם
(vaysimem)
en maakte hen
כֶּֽעָפָ֖ר
(keafar)
als stof
לָדֻֽשׁ
(ladush)
bij het dorsen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
כֶּעָפָר לָדוּשׁ (ke’afar ladush), ‘als stof bij het dorsen’: een beeld van volledige vernietiging.
Lezing
Het Hebreeuws zegt niet wie het volk van Joachaz ‘niet overliet’.
Wij vertalen met een lijdende vorm: ‘was geen volk overgelaten’.
10In het zevenendertigste jaar van Joas, de koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joachaz, koning over Israël in Samaria. Hij regeerde 16 jaar.
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
שְׁלֹשִׁ֤ים
(sheloshim)
dertig
וָשֶׁ֨בַע֙
(vasheva)
en zeven
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
לְיוֹאָ֖שׁ
(leyoash)
van Joas
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
מָ֠לַךְ
(malakh)
werd koning
יְהוֹאָ֨שׁ
(yehoash)
Joas
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹאָחָ֤ז
(yehoachaz)
Joachaz
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בְּשֹׁ֣מְר֔וֹן
(beshomeron)
in Samaria
שֵׁ֥שׁ
(shesh)
zes
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.
Uitleg
Joas, de zoon van Joachaz, heet in het Hebreeuws יְהוֹאָשׁ (jehoash), net als de koning van Juda in hoofdstuk 12.
Wij schrijven beiden ‘Joas’.
11Hij deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Hij week niet af van alle zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, waarmee die Israël had laten zondigen. Daarin liep hij.
וַיַּֽעֲשֶׂ֥ה
(vayaase)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
סָ֗ר
(sar)
week hij af
מִכָּל
(mikal)
van alle
חַטֹּ֞אות
(chatovt)
zonden van
יָרָבְעָ֧ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֛ט
(nevat)
Nebat
אֲשֶׁר
(asher)
waarmee
הֶחֱטִ֥יא
(hecheti)
hij liet zondigen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בָּ֥הּ
(bah)
daarin
הָלָֽךְ
(halakh)
liep hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12De rest van de geschiedenis van Joas, alles wat hij deed en zijn macht, waarmee hij streed tegen Amazia, de koning van Juda: staat dat niet geschreven in het dagboek van de koningen van Israël?
וְיֶ֨תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֤י
(divrei)
de geschiedenis van
יוֹאָשׁ֙
(yoash)
Joas
וְכָל
(vekhal)
en al
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֔ה
(asa)
hij deed
וּגְב֣וּרָת֔וֹ
(ugevurato)
en zijn macht
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarmee
נִלְחַ֔ם
(nilcham)
hij streed
עִ֖ם
(im)
tegen
אֲמַצְיָ֣ה
(amatsya)
Amazia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
הֲלֽוֹא
(halo)
is het niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
op
סֵ֛פֶר
(sefer)
het boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de geschiedenis van
הַיָּמִ֖ים
(hayamim)
de dagen
לְמַלְכֵ֥י
(lemalkhei)
van de koningen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Elisa was ziek geworden met de ziekte waaraan hij zou sterven. Joas, de koning van Israël, kwam naar hem toe en huilde over zijn gezicht. Hij zei: „Mijn vader, mijn vader! Wagen van Israël en zijn ruiters!”
וֶֽאֱלִישָׁע֙
(veelisha)
en Elisa
חָלָ֣ה
(chala)
was ziek geworden
אֶת
(et)
(obj.)
חָלְי֔וֹ
(chaleyo)
zijn ziekte
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waaraan
יָמ֖וּת
(yamut)
hij zou sterven
בּ֑וֹ
(bo)
daaraan
וַיֵּ֨רֶד
(vayered)
en daalde af
אֵלָ֜יו
(elav)
naar hem
יוֹאָ֣שׁ
(yoash)
Joas
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וַיֵּ֤בְךְּ
(vayevek)
en huilde
עַל
(al)
over
פָּנָיו֙
(panav)
zijn gezicht
וַיֹּאמַ֔ר
(vayomar)
en zei
אָבִ֣י
(avi)
mijn vader
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
רֶ֥כֶב
(rekhev)
wagen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וּפָרָשָֽׁיו
(ufarashav)
en zijn ruiters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָבִי אָבִי רֶכֶב יִשְׂרָאֵל וּפָרָשָׁיו (avi avi rekhev Yisra’el ufarashav), ‘mijn vader, mijn vader, wagen van Israël en zijn ruiters’: dezelfde woorden riep Elisa toen Elia werd weggenomen (2 Kon. 2:12).
De koning noemt Elisa zo ‘vader’.
וַיֵּבְךְּ עַל־פָּנָיו (wayevk al panav), ‘hij huilde over zijn gezicht’: het gezicht is dat van Elisa.
17Hij zei: „Open het raam naar het oosten.” Hij opende het. Elisa zei: „Schiet!” Hij schoot. Toen zei hij: „Een pijl van redding van Yahweh, een pijl van redding tegen Aram! Je zult Aram verslaan bij Afek, tot ze vernietigd zijn.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
פְּתַ֧ח
(petach)
open
הַחַלּ֛וֹן
(hachalon)
het raam
קֵ֖דְמָה
(qedema)
naar het oosten
וַיִּפְתָּ֑ח
(vayiftach)
en hij opende
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלִישָׁ֤ע
(elisha)
Elisa
יְרֵה֙
(yere)
schiet
וַיּ֔וֹר
(vayor)
en hij schoot
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
חֵץ
(chets)
pijl van
תְּשׁוּעָ֤ה
(teshua)
redding
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
van Yahweh
וְחֵ֣ץ
(vechets)
en pijl van
תְּשׁוּעָ֣ה
(teshua)
redding
בַֽאֲרָ֔ם
(baaram)
tegen Aram
וְהִכִּיתָ֧
(vehikita)
en je zult verslaan
אֶת
(et)
(obj.)
אֲרָ֛ם
(aram)
Aram
בַּאֲפֵ֖ק
(baafeq)
bij Afek
עַד
(ad)
tot
כַּלֵּֽה
(kale)
vernietiging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Afek ligt waarschijnlijk op de hoogte ten oosten van het meer van Galilea, bij het huidige Afiq (Fiq) op de Golan (Israël).
Dat is hier niet zeker.
Zie 1 Kon. 20:26.
Uitleg
קֵדְמָה (qedmah), ‘naar het oosten’: de kant van Aram en van het land over de Jordaan.
חֵץ־תְּשׁוּעָה לַיהוָה (chets teshuah laYahweh), ‘pijl van redding van Yahweh’: de pijl is een teken van de redding die van Yahweh komt. Hij is ook een ‘pijl van redding tegen Aram’.
עַד כַּלֵּה (ad kalleh), ‘tot de vernietiging’: tot Aram geen macht meer heeft.
19De man van Elohim werd woedend op hem en zei: „Je had vijf of zes keer moeten slaan. Dan had je Aram verslagen tot ze vernietigd waren. Nu zul je Aram drie keer verslaan.”
וַיִּקְצֹ֨ף
(vayiqtsof)
en werd woedend
עָלָ֜יו
(alav)
op hem
אִ֣ישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
לְהַכּ֨וֹת
(lehakot)
om te slaan
חָמֵ֤שׁ
(chamesh)
vijf
אוֹ
(o)
of
שֵׁשׁ֙
(shesh)
zes
פְּעָמִ֔ים
(peamim)
keer
אָ֛ז
(az)
dan
הִכִּ֥יתָ
(hikita)
had je verslagen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲרָ֖ם
(aram)
Aram
עַד
(ad)
tot
כַּלֵּ֑ה
(kale)
vernietiging
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
שָׁלֹ֥שׁ
(shalosh)
drie
פְּעָמִ֖ים
(peamim)
keer
תַּכֶּ֥ה
(take)
zul je verslaan
אֶת
(et)
(obj.)
אֲרָֽם
(aram)
Aram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’elohim), ‘man van Elohim’: een titel voor een profeet.
Elisa heet zo ook in 2 Kon. 4:7.
De drie slagen komen overeen met de drie overwinningen in vers 25.
20Elisa stierf en zij begroeven hem. Bij het begin van het jaar kwamen de plunderbenden van Moab het land binnen.
וַיָּ֥מָת
(vayamat)
en stierf
אֱלִישָׁ֖ע
(elisha)
Elisa
וַֽיִּקְבְּרֻ֑הוּ
(vayiqberuhu)
en zij begroeven hem
וּגְדוּדֵ֥י
(ugedudei)
en de benden van
מוֹאָ֛ב
(moav)
Moab
יָבֹ֥אוּ
(yavou)
kwamen binnen
בָאָ֖רֶץ
(baarets)
in het land
בָּ֥א
(ba)
bij het komen van
שָׁנָֽה
(shana)
het jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Moab ligt ten oosten van de Zoutzee, in het huidige Jordanië.
Dat is zeker.
Uitleg
גְּדוּדֵי (gedudei), ‘benden’: groepen krijgers die plunderden.
בֹּא שָׁנָה (bo shanah), letterlijk ‘bij het komen van het jaar’: dat kan ‘in het nieuwe jaar’ zijn of ‘elk jaar’. Wij vertalen ‘bij het begin van het jaar’.
21Terwijl zij een man begroeven, zagen zij ineens de bende. Zij wierpen de man in het graf van Elisa. Toen de man daar kwam en de beenderen van Elisa raakte, werd hij levend en stond hij op zijn voeten.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
הֵ֣ם
(hem)
zij
קֹבְרִ֣ים
(qoverim)
begravend
אִ֗ישׁ
(ish)
een man
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
רָא֣וּ
(rau)
zagen zij
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַגְּד֔וּד
(hagedud)
de bende
וַיַּשְׁלִ֥יכוּ
(vayashlikhu)
en wierpen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֖ישׁ
(haish)
de man
בְּקֶ֣בֶר
(beqever)
in het graf van
אֱלִישָׁ֑ע
(elisha)
Elisa
וַיֵּ֜לֶךְ
(vayelekh)
en ging
וַיִּגַּ֤ע
(vayiga)
en raakte
הָאִישׁ֙
(haish)
de man
בְּעַצְמ֣וֹת
(beatsmot)
de beenderen van
אֱלִישָׁ֔ע
(elisha)
Elisa
וַיְחִ֖י
(vaychi)
en werd levend
וַיָּ֥קָם
(vayaqam)
en stond op
עַל
(al)
op
רַגְלָֽיו
(raglav)
zijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיֵּלֶךְ (wayelekh), letterlijk ‘en hij ging’: de man ‘ging’ en raakte de beenderen aan.
Wij vertalen ‘daar kwam’.
Het Hebreeuws zegt niet hoe lang na Elisa’s dood dit gebeurde.
23Maar Yahweh was hen genadig en ontfermde Zich over hen. Hij wendde Zich naar hen toe vanwege Zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob. Hij wilde hen niet verderven en wierp hen tot nu toe niet weg van Zijn aangezicht.
וַיָּחָן֩
(vayachan)
en was genadig
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹתָ֤ם
(otam)
hen
וַֽיְרַחֲמֵם֙
(vayrachamem)
en ontfermde Zich over hen
וַיִּ֣פֶן
(vayifen)
en wendde Zich
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
naar hen
לְמַ֣עַן
(lemaan)
vanwege
בְּרִית֔וֹ
(berito)
Zijn verbond
אֶת
(et)
met
אַבְרָהָ֖ם
(avraham)
Abraham
יִצְחָ֣ק
(yitschaq)
Isaak
וְיַֽעֲקֹ֑ב
(veyaaqov)
en Jakob
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
אָבָה֙
(ava)
wilde Hij
הַשְׁחִיתָ֔ם
(hashchitam)
hen verderven
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הִשְׁלִיכָ֥ם
(hishlikham)
wierp Hij hen weg
מֵֽעַל
(meal)
van
פָּנָ֖יו
(panav)
Zijn aangezicht
עַד
(ad)
tot
עָֽתָּה
(ata)
nu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיָּחָן (wayyachon), ‘Hij was genadig’: van het werkwoord חָנַן (chanan), dat Exod. 34:6 ‘genadig’ noemt.
וַיְרַחֲמֵם (wayerachamem), ‘Hij ontfermde Zich over hen’: van dezelfde stam als ‘barmhartig’ in Exod. 34:6.
Het verbond met Abraham, Isaak en Jakob: zie Exod. 2:24.
עַד־עַתָּה (ad attah), ‘tot nu toe’: tot dit moment in het verhaal, of tot de tijd van de schrijver. Het Hebreeuws zegt dat niet.
25Joas, de zoon van Joachaz, nam de steden weer uit de hand van Ben-Hadad, de zoon van Hazaël. Die steden had Ben-Hadad in de oorlog uit de hand van Joachaz, de vader van Joas, genomen. Drie keer versloeg Joas hem en hij bracht de steden van Israël terug.
וַיָּ֜שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
יְהוֹאָ֣שׁ
(yehoash)
Joas
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹאָחָ֗ז
(yehoachaz)
Joachaz
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
הֶֽעָרִים֙
(hearim)
de steden
מִיַּד֙
(miyad)
uit de hand van
בֶּן
(ben)
Ben
הֲדַ֣ד
(hadad)
Hadad
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲזָאֵ֔ל
(chazael)
Hazaël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לָקַ֗ח
(laqach)
hij had genomen
מִיַּ֛ד
(miyad)
uit de hand van
יְהוֹאָחָ֥ז
(yehoachaz)
Joachaz
אָבִ֖יו
(aviv)
zijn vader
בַּמִּלְחָמָ֑ה
(bamilchama)
in de oorlog
שָׁלֹ֤שׁ
(shalosh)
drie
פְּעָמִים֙
(peamim)
keer
הִכָּ֣הוּ
(hikahu)
sloeg hem
יוֹאָ֔שׁ
(yoash)
Joas
וַיָּ֖שֶׁב
(vayashev)
en bracht terug
אֶת
(et)
(obj.)
עָרֵ֥י
(arei)
de steden van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Joas ‘keerde terug en nam’ (וַיָּשָׁב … וַיִּקַּח): wij vertalen ‘nam weer’.
Zo komen de woorden van Elisa uit (vers 19): drie keer versloeg Joas Aram.