Elohim Bijbel

1 Koningen 8

12345678910111213141516171819202122

De ark komt in het huis en Salomo bidt

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De ark wordt het huis binnengebracht

1Toen riep Salomo de oudsten van Israël bijeen: alle hoofden van de stammen en de leiders van de vaderhuizen van de zonen van Israël. Zij kwamen bij koning Salomo in Jeruzalem. Dat deed hij om de ark van het verbond van Yahweh omhoog te brengen uit de stad van David, dat is Sion.
אָ֣ז
(az)
toen
יַקְהֵ֣ל
(yaqhel)
riep bijeen
שְׁלֹמֹ֣ה
(shelomo)
Salomo
אֶת
(et)
(obj.)
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֡ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
הַמַּטּוֹת֩
(hamatot)
de stammen
נְשִׂיאֵ֨י
(nesiei)
leiders van
הָאָב֜וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
לִבְנֵ֧י
(livnei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
bij
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לְֽהַעֲל֞וֹת
(lehaalot)
om omhoog te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֧וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵעִ֥יר
(meir)
uit de stad van
דָּוִ֖ד
(david)
David
הִ֥יא
(hi)
die
צִיּֽוֹן
(tsiyon)
Sion
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sion (צִיּוֹן, Tsiyyon) is hier de stad van David, het oudste deel van Jeruzalem, op de zuidoostelijke heuvel (nu Oost-Jeruzalem, Israël).

Daar stond de ark sinds 2 Sam. 6:17.

Uitleg

אֲרוֹן בְּרִית יְהוָה (aron berit Yahweh), ‘ark van het verbond van Yahweh’: de ark met de tafelen van het verbond (vers 9; Exod. 25:10–22).

2Alle mannen van Israël kwamen bij koning Salomo bijeen, in de maand Etanim, op het feest. Dat is de zevende maand.
וַיִּקָּ֨הֲל֜וּ
(vayiqahalu)
en kwamen bijeen
אֶל
(el)
bij
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
כָּל
(kal)
alle
אִ֣ישׁ
(ish)
mannen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בְּיֶ֥רַח
(beyerach)
in de maand
הָאֵֽתָנִ֖ים
(haetanim)
Etanim
בֶּחָ֑ג
(bechag)
op het feest
ה֖וּא
(hu)
dat
הַחֹ֥דֶשׁ
(hachodesh)
de maand
הַשְּׁבִיעִֽי
(hashevii)
de zevende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵתָנִים (ethanim), ‘Etanim’: een oude naam voor de zevende maand, ongeveer september–oktober.

‘Het feest’ is het feest van de hutten, op de vijftiende dag van die maand (Lev. 23:34, 39).

3Alle oudsten van Israël kwamen, en de priesters droegen de ark.
וַיָּבֹ֕אוּ
(vayavou)
en kwamen
כֹּ֖ל
(kol)
alle
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
oudsten van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּשְׂא֥וּ
(vayisu)
en droegen
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָרֽוֹן
(haaron)
de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In dit vers dragen de priesters de ark.

In 2 Kron. 5:4 dragen de Levieten haar.

Wij volgen de Masoretische tekst.

4Zij brachten de ark van Yahweh omhoog, en de tent van samenkomst, en alle heilige voorwerpen die in de tent waren. De priesters en de Levieten brachten ze omhoog.
וַֽיַּעֲל֞וּ
(vayaalu)
en brachten omhoog
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֤וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
כְּלֵ֥י
(kelei)
voorwerpen van
הַקֹּ֖דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּאֹ֑הֶל
(baohel)
in de tent
וַיַּעֲל֣וּ
(vayaalu)
en brachten omhoog
אֹתָ֔ם
(otam)
ze
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּֽם
(vehalviyim)
en de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֹהֶל מוֹעֵד (ohel moed), ‘tent van samenkomst’: de tekst zegt niet waar deze tent tot nu toe stond.

Vergelijk 3:4, waar Salomo naar Gibeon gaat om te offeren.

5Koning Salomo en heel de gemeenschap van Israël, die bij hem was samengekomen, waren bij hem voor de ark. Zij brachten slachtoffers van kleinvee en runderen, zoveel dat ze niet geteld en niet nagerekend konden worden.
וְהַמֶּ֣לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
וְכָל
(vekhal)
en heel
עֲדַ֤ת
(adat)
de gemeenschap van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
הַנּוֹעָדִ֣ים
(hanoadim)
die samengekomen waren
עָלָ֔יו
(alav)
bij hem
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָֽאָר֑וֹן
(haaron)
de ark
מְזַבְּחִים֙
(mezabechim)
die slachtoffers brachten
צֹ֣אן
(tson)
kleinvee
וּבָקָ֔ר
(uvaqar)
en runderen
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יִסָּפְר֛וּ
(yisaferu)
geteld konden worden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִמָּנ֖וּ
(yimanu)
nagerekend konden worden
מֵרֹֽב
(merov)
vanwege de menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6De priesters brachten de ark van het verbond van Yahweh naar haar plaats. Zij brachten haar naar het binnenste vertrek van het huis, naar het hoogheilige, onder de vleugels van de cherubs.
וַיָּבִ֣אוּ
(vayaviu)
en brachten
הַ֠כֹּהֲנִים
(hakohanim)
de priesters
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֨וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
מְקוֹמ֛וֹ
(meqomo)
haar plaats
אֶל
(el)
naar
דְּבִ֥יר
(devir)
het binnenste vertrek van
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
אֶל
(el)
naar
קֹ֣דֶשׁ
(qodesh)
het heilige van
הַקֳּדָשִׁ֑ים
(haqodashim)
de heiligen
אֶל
(el)
naar
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
כַּנְפֵ֥י
(kanfei)
de vleugels van
הַכְּרוּבִֽים
(hakeruvim)
de cherubs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דְּבִיר (devir), ‘binnenste vertrek’: het achterste vertrek van het huis, waar de ark staat (6:16, 19).

קֹדֶשׁ הַקֳּדָשִׁים (qodesh haqqodashim), ‘het hoogheilige’: dezelfde uitdrukking staat in Exod. 26:33. Wij schrijven ‘het hoogheilige’, zoals in 6:16 en in 1 Kron. 6:34.

7Want de cherubs spreidden hun vleugels uit boven de plaats van de ark. Zo overdekten de cherubs de ark en haar draagstokken van boven.
כִּ֤י
(ki)
want
הַכְּרוּבִים֙
(hakeruvim)
de cherubs
פֹּרְשִׂ֣ים
(poresim)
spreidden uit
כְּנָפַ֔יִם
(kenafayim)
vleugels
אֶל
(el)
naar
מְק֖וֹם
(meqom)
de plaats van
הָֽאָר֑וֹן
(haaron)
de ark
וַיָּסֹ֧כּוּ
(vayasoku)
en overdekten
הַכְּרֻבִ֛ים
(hakeruvim)
de cherubs
עַל
(al)
boven
הָאָר֥וֹן
(haaron)
de ark
וְעַל
(veal)
en boven
בַּדָּ֖יו
(badav)
haar draagstokken
מִלְמָֽעְלָה
(milmaela)
van boven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het gaat hier om de grote cherubs van het huis (6:23–28).

Dat zijn andere cherubs dan die op het verzoendeksel (Exod. 25:18–20).

De ark staat onder hun vleugels.

8De draagstokken waren zo lang dat de uiteinden ervan te zien waren vanuit het heilige, voor het binnenste vertrek. Buiten waren ze niet te zien. Ze zijn daar tot op deze dag.
וַֽיַּאֲרִכוּ֮
(vayaarikhu)
en waren lang
הַבַּדִּים֒
(habadim)
de draagstokken
וַיֵּרָאוּ֩
(vayerau)
en werden gezien
רָאשֵׁ֨י
(rashei)
de uiteinden van
הַבַּדִּ֤ים
(habadim)
de draagstokken
מִן
(min)
uit
הַקֹּ֨דֶשׁ֙
(haqodesh)
het heilige
עַל
(al)
voor
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
הַדְּבִ֔יר
(hadevir)
het binnenste vertrek
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יֵרָא֖וּ
(yerau)
werden gezien
הַח֑וּצָה
(hachutsa)
buiten
וַיִּ֣הְיוּ
(vayihyu)
en ze waren
שָׁ֔ם
(sham)
daar
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַקֹּדֶשׁ (haqqodesh), ‘het heilige’: de hoofdzaal, de grote ruimte vóór het binnenste vertrek (6:17).

‘Tot op deze dag’ is de stem van de schrijver; hij spreekt vanuit een tijd waarin het huis nog stond.

9In de ark was niets, alleen de twee stenen tafelen. Mozes had ze er bij de Horeb in gelegd, toen Yahweh een verbond sloot met de zonen van Israël. Dat was bij hun uittocht uit het land Egypte.
אֵ֚ין
(ein)
niets
בָּֽאָר֔וֹן
(baaron)
in de ark
רַ֗ק
(raq)
alleen
שְׁנֵי֙
(shenei)
twee
לֻח֣וֹת
(luchot)
tafelen van
הָאֲבָנִ֔ים
(haavanim)
de stenen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הִנִּ֥חַ
(hiniach)
legde
שָׁ֛ם
(sham)
daar
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
בְּחֹרֵ֑ב
(bechorev)
bij de Horeb
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
toen
כָּרַ֤ת
(karat)
sloot
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עִם
(im)
met
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בְּצֵאתָ֖ם
(betsetam)
bij hun uittocht
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Horeb (traditioneel; ligging omstreden): De Horeb is de berg van Elohim, ook Sinaï genoemd.

Van oudsher wordt hij gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

Die ligging is omstreden.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Horeb en Sinaï zijn dezelfde berg (Deut. 5:2; Exod. 19:11).

De twee tafelen liggen in de ark volgens Exod. 25:21, 40:20 en Deut. 10:5.

De heerlijkheid van Yahweh vult het huis

10Het gebeurde dat de priesters uit het heilige naar buiten kwamen, terwijl de wolk het huis van Yahweh vulde.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het gebeurde
בְּצֵ֥את
(betset)
bij het uitgaan van
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
מִן
(min)
uit
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
וְהֶעָנָ֥ן
(veheanan)
en de wolk
מָלֵ֖א
(male)
vulde
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11De priesters konden vanwege de wolk niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van Yahweh vulde het huis van Yahweh.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָכְל֧וּ
(yakhelu)
konden
הַכֹּהֲנִ֛ים
(hakohanim)
de priesters
לַעֲמֹ֥ד
(laamod)
blijven staan
לְשָׁרֵ֖ת
(lesharet)
om te dienen
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
vanwege
הֶֽעָנָ֑ן
(heanan)
de wolk
כִּי
(ki)
want
מָלֵ֥א
(male)
vulde
כְבוֹד
(kevod)
de heerlijkheid van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: letterlijk ‘gewicht’; de zichtbare aanwezigheid van Yahweh.

Het gebeurt weer wat bij de tabernakel gebeurde: Exod. 40:34–35.

Salomo spreekt tot het volk

12Toen zei Salomo: „Yahweh heeft gezegd dat Hij in de donkere wolk zou wonen.
אָ֖ז
(az)
toen
אָמַ֣ר
(amar)
zei
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אָמַ֔ר
(amar)
heeft gezegd
לִשְׁכֹּ֖ן
(lishkon)
te wonen
בָּעֲרָפֶֽל
(baarafel)
in de donkere wolk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲרָפֶל (arafel), ‘donkere wolk’: zoals in Exod. 20:21 en Deut. 4:11.

Vers 12–13 zijn een kort lied van Salomo.

Lezing

Sommige oude vertalingen hebben dit lied op een andere plaats en in een iets andere vorm.

Wij volgen de Masoretische tekst.

13Ik heb voor U een verheven huis gebouwd, een vaste plaats voor U om voor altijd te wonen.”
בָּנֹ֥ה
(bano)
bouwen
בָנִ֛יתִי
(baniti)
heb ik gebouwd
בֵּ֥ית
(beit)
een huis van
זְבֻ֖ל
(zevul)
verheffing
לָ֑ךְ
(lakh)
voor U
מָכ֥וֹן
(makhon)
een vaste plaats
לְשִׁבְתְּךָ֖
(leshivtekha)
voor Uw woning
עוֹלָמִֽים
(olamim)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זְבֻל (zevul), ‘verheven woning’.

מָכוֹן (makon), ‘vaste plaats’: het woord komt ook voor in de verzen 39, 43 en 49, waar het de hemel is.

14De koning draaide zich om en zegende heel de vergadering van Israël. Heel de vergadering van Israël stond.
וַיַּסֵּ֤ב
(vayasev)
en draaide om
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
פָּנָ֔יו
(panav)
zijn gezicht
וַיְבָ֕רֶךְ
(vayvarekh)
en zegende
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
קְהַ֣ל
(qehal)
de vergadering van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְכָל
(vekhal)
en heel
קְהַ֥ל
(qehal)
de vergadering van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עֹמֵֽד
(omed)
staande
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Hij zei: „Gezegend is Yahweh, de Elohim van Israël. Hij heeft met Zijn mond gesproken tot mijn vader David, en met Zijn hand heeft Hij het vervuld. Hij zei:
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
בָּר֤וּךְ
(barukh)
gezegend is
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
דִּבֶּ֣ר
(diber)
heeft gesproken
בְּפִ֔יו
(befiv)
met Zijn mond
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֑י
(avi)
mijn vader
וּבְיָד֥וֹ
(uveyado)
en met Zijn hand
מִלֵּ֖א
(mile)
heeft vervuld
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Salomo haalt hier woorden van Yahweh aan (verzen 16, 18–19 en 25).

Wij zetten ze zwart, met enkele aanhalingstekens, omdat een mens ze citeert.

Zo ook bij Natan in 2 Sam. 7:5–16.

בָּרוּךְ (baruch), ‘gezegend’: Yahweh wordt geprezen. Het verhaal waarnaar Salomo verwijst staat in 2 Sam. 7:12–13 en 1 Kron. 22:7–10.

16‘Vanaf de dag dat Ik Mijn volk Israël uit Egypte heb geleid, heb Ik uit alle stammen van Israël geen stad gekozen om een huis te bouwen. Daar zou Mijn naam zijn. En Ik heb David gekozen om over Mijn volk Israël te zijn.’
מִן
(min)
vanaf
הַיּ֗וֹם
(hayom)
de dag
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
הוֹצֵ֜אתִי
(hotseti)
Ik uitleidde
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
מִמִּצְרַיִם֒
(mimitsrayim)
uit Egypte
לֹֽא
(lo)
niet
בָחַ֣רְתִּי
(bacharti)
heb Ik gekozen
בְעִ֗יר
(beir)
een stad
מִכֹּל֙
(mikol)
uit alle
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לִבְנ֣וֹת
(livnot)
om te bouwen
בַּ֔יִת
(bayit)
een huis
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
zodat zou zijn
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וָאֶבְחַ֣ר
(vaevchar)
en Ik koos
בְּדָוִ֔ד
(bedavid)
David
לִֽהְי֖וֹת
(lihyot)
om te zijn
עַל
(al)
over
עַמִּ֥י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Vergelijk Deut. 12:5 en 12:11: Yahweh zou een plaats kiezen om Zijn naam daar te laten wonen.

Lezing

In 2 Kron. 6:5–6 staat hier een uitbreiding: Yahweh koos Jeruzalem.

Wij volgen de Masoretische tekst.

17Mijn vader David had het in zijn hart om een huis te bouwen voor de naam van Yahweh, de Elohim van Israël.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
עִם
(im)
met
לְבַ֖ב
(levav)
het hart van
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֑י
(avi)
mijn vader
לִבְנ֣וֹת
(livnot)
om te bouwen
בַּ֔יִת
(bayit)
een huis
לְשֵׁ֥ם
(leshem)
voor de naam van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Yahweh zei tegen mijn vader David: ‘Omdat het in je hart was om een huis te bouwen voor Mijn naam, heb je goed gedaan. Het was immers in je hart.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
הָיָה֙
(haya)
het was
עִם
(im)
met
לְבָ֣בְךָ֔
(levavekha)
je hart
לִבְנ֥וֹת
(livnot)
om te bouwen
בַּ֖יִת
(bayit)
een huis
לִשְׁמִ֑י
(lishmi)
voor Mijn naam
הֱטִיבֹ֔תָ
(hetivota)
heb je goed gedaan
כִּ֥י
(ki)
dat
הָיָ֖ה
(haya)
het was
עִם
(im)
met
לְבָבֶֽךָ
(levavekha)
je hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze woorden van Yahweh aan David staan niet letterlijk in 2 Sam. 7.

Vergelijk 2 Sam. 7:5–13.

19Alleen, jij zult het huis niet bouwen. Maar je zoon, die uit je lendenen voortkomt, hij zal het huis bouwen voor Mijn naam.’
רַ֣ק
(raq)
alleen
אַתָּ֔ה
(ata)
jij
לֹ֥א
(lo)
niet
תִבְנֶ֖ה
(tivne)
zult bouwen
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
כִּ֤י
(ki)
maar
אִם
(im)
indien
בִּנְךָ֙
(binkha)
je zoon
הַיֹּצֵ֣א
(hayotse)
die voortkomt
מֵחֲלָצֶ֔יךָ
(mechalatseikha)
uit je lendenen
הֽוּא
(hu)
hij
יִבְנֶ֥ה
(yivne)
zal bouwen
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
לִשְׁמִֽי
(lishmi)
voor Mijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲלָצַיִם (chalatsayim), ‘lendenen’: ‘uit je lendenen voortkomen’ betekent ‘van jou afstammen’, zoals in Gen. 35:11.

20Yahweh heeft Zijn woord bevestigd dat Hij heeft gesproken. Ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David en zit op de troon van Israël, zoals Yahweh heeft gesproken. Ik heb het huis gebouwd voor de naam van Yahweh, de Elohim van Israël.
וַיָּ֣קֶם
(vayaqem)
en bevestigde
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָר֖וֹ
(devaro)
Zijn woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
דִּבֵּ֑ר
(diber)
Hij heeft gesproken
וָאָקֻ֡ם
(vaaqum)
en ik ben opgestaan
תַּחַת֩
(tachat)
in de plaats van
דָּוִ֨ד
(david)
David
אָבִ֜י
(avi)
mijn vader
וָאֵשֵׁ֣ב
(vaeshev)
en ik zit
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֣א
(kise)
de troon van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כַּֽאֲשֶׁר֙
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֣ר
(diber)
Hij heeft gesproken
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וָאֶבְנֶ֣ה
(vaevne)
en ik heb gebouwd
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
לְשֵׁ֥ם
(leshem)
voor de naam van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Daar heb ik een plaats aangewezen voor de ark. In de ark ligt het verbond van Yahweh, dat Hij sloot met onze vaders toen Hij hen uit het land Egypte leidde.”
וָאָשִׂ֨ם
(vaasim)
en ik heb aangewezen
שָׁ֤ם
(sham)
daar
מָקוֹם֙
(maqom)
een plaats
לָֽאָר֔וֹן
(laaron)
voor de ark
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בְּרִ֣ית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
כָּרַת֙
(karat)
Hij sloot
עִם
(im)
met
אֲבֹתֵ֔ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
בְּהוֹצִיא֥וֹ
(behotsio)
bij Zijn uitleiden
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Het gebed van Salomo

22Salomo ging staan voor het altaar van Yahweh, tegenover heel de vergadering van Israël. Hij spreidde zijn handen uit naar de hemel.
וַיַּעֲמֹ֣ד
(vayaamod)
en ging staan
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
het altaar van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
נֶ֖גֶד
(neged)
tegenover
כָּל
(kal)
heel
קְהַ֣ל
(qehal)
de vergadering van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּפְרֹ֥שׂ
(vayifros)
en spreidde uit
כַּפָּ֖יו
(kapav)
zijn handen
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
naar de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּרַשׂ כַּפַּיִם (paras kappayim), ‘de handen uitspreiden’: een gebedshouding, zoals bij Mozes (Exod. 9:29, 33).

In vers 54 blijkt dat Salomo ook geknield had.

23Hij zei: „Yahweh, Elohim van Israël, er is geen Elohim zoals U, boven in de hemel en beneden op de aarde. U houdt het verbond en de trouw voor Uw dienaars, die met heel hun hart voor Uw aangezicht gaan.
וַיֹּאמַ֗ר
(vayomar)
en zei
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֵין
(ein)
er is niet
כָּמ֣וֹךָ
(kamokha)
zoals U
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
בַּשָּׁמַ֣יִם
(bashamayim)
in de hemel
מִמַּ֔עַל
(mimaal)
boven
וְעַל
(veal)
en op
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
מִתָּ֑חַת
(mitachat)
beneden
שֹׁמֵ֤ר
(shomer)
die houdt
הַבְּרִית֙
(haberit)
het verbond
וְֽהַחֶ֔סֶד
(vehachesed)
en de trouw
לַעֲבָדֶ֕יךָ
(laavadeikha)
aan Uw dienaars
הַהֹלְכִ֥ים
(haholekhim)
die gaan
לְפָנֶ֖יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לִבָּֽם
(libam)
hun hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵין כָּמוֹךָ (ein kamokha), ‘er is niemand zoals U’: vergelijk Exod. 15:11 en Deut. 4:35, 39.

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’.

‘Het verbond en de trouw houden’ staat ook in Deut. 7:9.

24U hebt gehouden wat U tegen Uw dienaar, mijn vader David, hebt gesproken. Met Uw mond hebt U gesproken en met Uw hand hebt U het vervuld, zoals het vandaag is.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׁמַ֗רְתָּ
(shamarta)
U hebt gehouden
לְעַבְדְּךָ֙
(leavdekha)
aan Uw dienaar
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
דִּבַּ֖רְתָּ
(dibarta)
U hebt gesproken
ל֑וֹ
(lo)
tegen hem
וַתְּדַבֵּ֥ר
(vatedaber)
en U sprak
בְּפִ֛יךָ
(befikha)
met Uw mond
וּבְיָדְךָ֥
(uveyadekha)
en met Uw hand
מִלֵּ֖אתָ
(mileta)
hebt U vervuld
כַּיּ֥וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Nu dan, Yahweh, Elohim van Israël, houd ook wat U tegen Uw dienaar, mijn vader David, hebt gesproken. U zei: ‘Er zal voor jou niemand worden afgesneden die voor Mijn aangezicht op de troon van Israël zit. Alleen als je zonen op hun weg letten en voor Mijn aangezicht gaan, zoals jij voor Mijn aangezicht bent gegaan.’
וְעַתָּ֞ה
(veata)
en nu
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
שְׁ֠מֹר
(shemor)
houd
לְעַבְדְּךָ֨
(leavdekha)
aan Uw dienaar
דָוִ֤ד
(david)
David
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
דִּבַּ֤רְתָּ
(dibarta)
U hebt gesproken
לּוֹ֙
(lo)
tegen hem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹא
(lo)
niet
יִכָּרֵ֨ת
(yikaret)
zal afgesneden worden
לְךָ֥
(lekha)
voor jou
אִישׁ֙
(ish)
man
מִלְּפָנַ֔י
(milefanay)
van Mijn aangezicht
יֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
zittend
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֣א
(kise)
de troon van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
רַ֠ק
(raq)
alleen
אִם
(im)
als
יִשְׁמְר֨וּ
(yishmeru)
bewaken
בָנֶ֤יךָ
(baneikha)
je zonen
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכָּם֙
(darkam)
hun weg
לָלֶ֣כֶת
(lalekhet)
om te gaan
לְפָנַ֔י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
הָלַ֖כְתָּ
(halakhta)
je bent gegaan
לְפָנָֽי
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא יִכָּרֵת לְךָ אִישׁ (lo yikkaret lekha ish), ‘er zal voor jou niemand worden afgesneden’: David zal altijd een opvolger op de troon hebben.

Zo ook in 2:4 en 9:5.

Vergelijk 2 Sam. 7:12–16.

26Nu dan, Elohim van Israël, laat Uw woord toch bevestigd worden, dat U tegen Uw dienaar, mijn vader David, hebt gesproken.
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
יֵאָ֤מֶן
(yeamen)
laat bevestigd worden
נָא֙
(na)
toch
דְּבָ֣רְךָ֔
(devarekha)
Uw woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
דִּבַּ֔רְתָּ
(dibarta)
U hebt gesproken
לְעַבְדְּךָ֖
(leavdekha)
aan Uw dienaar
דָּוִ֥ד
(david)
David
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Er staat een ketiv (דברי/ך, ‘Uw woorden’) en een qere (דברך, ‘Uw woord’).

Wij nemen de qere.

27Maar zal Elohim werkelijk op de aarde wonen? Zie, de hemel en de hemel van de hemelen kunnen U niet bevatten. Hoeveel minder dit huis dat ik heb gebouwd!
כִּ֚י
(ki)
want
הַֽאֻמְנָ֔ם
(haumnam)
is het werkelijk dat
יֵשֵׁ֥ב
(yeshev)
zal wonen
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
עַל
(al)
op
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
הִ֠נֵּה
(hine)
zie
הַשָּׁמַ֜יִם
(hashamayim)
de hemel
וּשְׁמֵ֤י
(ushemei)
en de hemel van
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemelen
לֹ֣א
(lo)
niet
יְכַלְכְּל֔וּךָ
(yekhalkelukha)
kunnen U bevatten
אַ֕ף
(af)
hoeveel
כִּֽי
(ki)
minder
הַבַּ֥יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בָּנִֽיתִי
(baniti)
ik heb gebouwd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁמֵי הַשָּׁמַיִם (shemei hashamayim), ‘de hemel van de hemelen’: de hoogste hemel, zoals in Deut. 10:14.

28Wend U tot het gebed van Uw dienaar en tot zijn smeking, Yahweh, mijn Elohim. Luister naar de roep en naar het gebed dat Uw dienaar vandaag voor Uw aangezicht bidt.
וּפָנִ֜יתָ
(ufanita)
en wend U
אֶל
(el)
tot
תְּפִלַּ֧ת
(tefilat)
het gebed van
עַבְדְּךָ֛
(avdekha)
Uw dienaar
וְאֶל
(veel)
en tot
תְּחִנָּת֖וֹ
(techinato)
zijn smeking
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֑י
(elohay)
mijn Elohim
לִשְׁמֹ֤עַ
(lishmoa)
om te luisteren
אֶל
(el)
naar
הָֽרִנָּה֙
(harina)
de roep
וְאֶל
(veel)
en naar
הַתְּפִלָּ֔ה
(hatefila)
het gebed
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
עַבְדְּךָ֛
(avdekha)
Uw dienaar
מִתְפַּלֵּ֥ל
(mitpalel)
bidt
לְפָנֶ֖יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רִנָּה (rinnah), ‘roep’: een luide kreet, van vreugde of in nood.

29Laat Uw ogen dag en nacht geopend zijn over dit huis, over de plaats waarvan U hebt gezegd: ‘Mijn naam zal daar zijn.’ Luister naar het gebed dat Uw dienaar bidt in de richting van deze plaats.
לִהְיוֹת֩
(lihyot)
opdat zijn
עֵינֶ֨ךָ
(einekha)
Uw ogen
פְתֻח֜וֹת
(petuchot)
geopend
אֶל
(el)
naar
הַבַּ֤יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּה֙
(haze)
dit
לַ֣יְלָה
(layla)
nacht
וָי֔וֹם
(vayom)
en dag
אֶל
(el)
naar
הַ֨מָּק֔וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אָמַ֔רְתָּ
(amarta)
U hebt gezegd
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
שָׁ֑ם
(sham)
daar
לִשְׁמֹ֨עַ֙
(lishmoa)
om te luisteren
אֶל
(el)
naar
הַתְּפִלָּ֔ה
(hatefila)
het gebed
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יִתְפַּלֵּ֣ל
(yitpalel)
zal bidden
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
Uw dienaar
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Mijn naam zal daar zijn’: vergelijk Deut. 12:11.

30Luister naar de smeking van Uw dienaar en van Uw volk Israël, wanneer zij bidden in de richting van deze plaats. Luister, U, vanuit de plaats waar U woont, vanuit de hemel. Luister dan en vergeef.
וְשָׁ֨מַעְתָּ֜
(veshamata)
en luister
אֶל
(el)
naar
תְּחִנַּ֤ת
(techinat)
de smeking van
עַבְדְּךָ֙
(avdekha)
Uw dienaar
וְעַמְּךָ֣
(veamekha)
en Uw volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יִֽתְפַּֽלְל֖וּ
(yitpallu)
zullen bidden
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֣וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְ֠אַתָּה
(veata)
en U
תִּשְׁמַ֞ע
(tishma)
luister
אֶל
(el)
vanuit
מְק֤וֹם
(meqom)
de plaats van
שִׁבְתְּךָ֙
(shivtekha)
Uw woning
אֶל
(el)
vanuit
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְשָׁמַעְתָּ֖
(veshamata)
en luister
וְסָלָֽחְתָּ
(vesalachta)
en vergeef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁמַע (shama), ‘luisteren’: wij vertalen dit werkwoord in het hele gebed met ‘luisteren’.

In vers 42 gaat het om ‘horen van’ (wat men over Yahweh hoort).

De vormen met ‘en’ (וְשָׁמַעְתָּ, veshamata) zijn hier een bede.

Vanaf dit vers volgen zeven situaties (verzen 31–51). Elke situatie begint met ‘wanneer’ en eindigt met ‘luister dan vanuit de hemel’.

Bij een eed

31Wanneer iemand tegen zijn naaste zondigt en hem een eed wordt opgelegd om hem te laten zweren, en die eed komt voor Uw altaar in dit huis,
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
יֶחֱטָ֥א
(yecheta)
zondigt
אִישׁ֙
(ish)
een man
לְרֵעֵ֔הוּ
(lereehu)
tegen zijn naaste
וְנָֽשָׁא
(venasha)
en wordt opgelegd
ב֥וֹ
(bo)
hem
אָלָ֖ה
(ala)
een eed
לְהַֽאֲלֹת֑וֹ
(lehaaloto)
om hem te laten zweren
וּבָ֗א
(uva)
en komt
אָלָ֛ה
(ala)
de eed
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
מִֽזְבַּחֲךָ֖
(mizbachakha)
Uw altaar
בַּבַּ֥יִת
(babayit)
in het huis
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָלָה (alah), ‘eed’: een eed met een vloek erbij, bijvoorbeeld in een rechtszaak.

Vergelijk Exod. 22:6–10 en Num. 5:19–22.

32luister dan vanuit de hemel. Handel en spreek recht over Uw dienaars. Verklaar de goddeloze schuldig door zijn weg op zijn eigen hoofd te laten neerkomen. Verklaar de rechtvaardige rechtvaardig door hem te geven naar zijn gerechtigheid.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en U
תִּשְׁמַ֣ע
(tishma)
luister
הַשָּׁמַ֗יִם
(hashamayim)
de hemel
וְעָשִׂ֨יתָ֙
(veasita)
en handel
וְשָׁפַטְתָּ֣
(veshafatta)
en spreek recht
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבָדֶ֔יךָ
(avadeikha)
Uw dienaars
לְהַרְשִׁ֣יעַ
(leharshia)
om schuldig te verklaren
רָשָׁ֔ע
(rasha)
de goddeloze
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
דַּרְכּ֖וֹ
(darko)
zijn weg
בְּרֹאשׁ֑וֹ
(berosho)
op zijn hoofd
וּלְהַצְדִּ֣יק
(ulehatsdiq)
en om rechtvaardig te verklaren
צַדִּ֔יק
(tsadiq)
de rechtvaardige
לָ֥תֶת
(latet)
om te geven
ל֖וֹ
(lo)
hem
כְּצִדְקָתֽוֹ
(ketsidqato)
naar zijn gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְהַרְשִׁיעַ (leharshia), ‘schuldig verklaren’ en לְהַצְדִּיק (lehatsdiq), ‘rechtvaardig verklaren’: zoals in Deut. 25:1.

Bij een nederlaag

33Wanneer Uw volk Israël verslagen wordt door een vijand, omdat zij tegen U hebben gezondigd, en zij tot U terugkeren, Uw naam belijden, bidden en U smeken in dit huis,
בְּֽהִנָּגֵ֞ף
(behinagef)
bij het verslagen worden
עַמְּךָ֧
(amekha)
Uw volk
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אוֹיֵ֖ב
(oyev)
een vijand
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
omdat
יֶחֶטְאוּ
(yechetu)
zij zondigen
לָ֑ךְ
(lakh)
tegen U
וְשָׁ֤בוּ
(veshavu)
en terugkeren
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
tot U
וְהוֹד֣וּ
(vehodu)
en belijden
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמֶ֔ךָ
(shemekha)
Uw naam
וְהִֽתְפַּֽלְל֧וּ
(vehitpallu)
en bidden
וְהִֽתְחַנְּנ֛וּ
(vehitchanenu)
en smeken
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot U
בַּבַּ֥יִת
(babayit)
in het huis
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהוֹדוּ אֶת־שְׁמֶךָ (vehodu et shemekha), ‘Uw naam belijden’: het werkwoord (יָדָה, yadah) betekent ‘erkennen, belijden, loven’.

Hier gaat het om erkennen wie Yahweh is en om berouw.

Vergelijk Lev. 26:40.

34luister dan vanuit de hemel en vergeef de zonde van Uw volk Israël. Breng hen terug naar de grond die U aan hun vaders hebt gegeven.
וְאַתָּה֙
(veata)
en U
תִּשְׁמַ֣ע
(tishma)
luister
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְסָ֣לַחְתָּ֔
(vesalachta)
en vergeef
לְחַטַּ֖את
(lechatat)
de zonde van
עַמְּךָ֣
(amekha)
Uw volk
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַהֲשֵֽׁבֹתָם֙
(vahashevotam)
en breng hen terug
אֶל
(el)
naar
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָתַ֖תָּ
(natata)
U hebt gegeven
לַאֲבוֹתָֽם
(laavotam)
aan hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Bij droogte

35Wanneer de hemel is gesloten en er geen regen valt, omdat zij tegen U hebben gezondigd, en zij bidden in de richting van deze plaats, Uw naam belijden en van hun zonde terugkeren, omdat U hen laat lijden,
בְּהֵעָצֵ֥ר
(beheatser)
bij het sluiten van
שָׁמַ֛יִם
(shamayim)
de hemel
וְלֹא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
מָטָ֖ר
(matar)
regen
כִּ֣י
(ki)
omdat
יֶחֶטְאוּ
(yechetu)
zij zondigen
לָ֑ךְ
(lakh)
tegen U
וְהִֽתְפַּֽלְל֞וּ
(vehitpallu)
en bidden
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֤וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּה֙
(haze)
deze
וְהוֹד֣וּ
(vehodu)
en belijden
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמֶ֔ךָ
(shemekha)
Uw naam
וּמֵחַטָּאתָ֥ם
(umechatatam)
en van hun zonde
יְשׁוּב֖וּן
(yeshuvun)
terugkeren
כִּ֥י
(ki)
omdat
תַעֲנֵֽם
(taanem)
U laat lijden hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Deut. 11:16–17 en 28:23–24: zonder regen wordt de hemel als koper.

Lezing

תַעֲנֵם (taanem), ‘U laat hen lijden’: van עָנָה (anah), ‘verdrukken, klein maken’.

Sommige oude vertalingen lezen ‘U antwoordt hen’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

36luister dan vanuit de hemel en vergeef de zonde van Uw dienaars en van Uw volk Israël. Want U leert hun de goede weg waarop zij moeten gaan. Geef regen op Uw land, dat U aan Uw volk hebt gegeven als erfdeel.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en U
תִּשְׁמַ֣ע
(tishma)
luister
הַשָּׁמַ֗יִם
(hashamayim)
de hemel
וְסָ֨לַחְתָּ֜
(vesalachta)
en vergeef
לְחַטַּ֤את
(lechatat)
de zonde van
עֲבָדֶ֨יךָ֙
(avadeikha)
Uw dienaars
וְעַמְּךָ֣
(veamekha)
en Uw volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּ֥י
(ki)
omdat
תוֹרֵ֛ם
(torem)
U leert hen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדֶּ֥רֶךְ
(haderekh)
de weg
הַטּוֹבָ֖ה
(hatova)
de goede
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarop
יֵֽלְכוּ
(yelekhu)
zij gaan
בָ֑הּ
(bah)
erin
וְנָתַתָּ֤ה
(venatata)
en geef
מָטָר֙
(matar)
regen
עַל
(al)
op
אַרְצְךָ֔
(artsekha)
Uw land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֥תָּה
(natata)
U hebt gegeven
לְעַמְּךָ֖
(leamekha)
aan Uw volk
לְנַחֲלָֽה
(lenachala)
als erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרֵם (torem), ‘U leert hen’: van hetzelfde woord als תּוֹרָה (torah), ‘wet’.

Bij honger en ziekte

37Wanneer er honger is in het land, wanneer er pest is, wanneer er korenbrand, meeldauw, sprinkhanen of rupsen zijn, wanneer zijn vijand hem belegert in het land van zijn steden, bij elke plaag en elke ziekte,
רָעָ֞ב
(raav)
honger
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
er is
בָאָ֗רֶץ
(baarets)
in het land
דֶּ֣בֶר
(dever)
pest
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִ֠הְיֶה
(yihye)
er is
שִׁדָּפ֨וֹן
(shidafon)
korenbrand
יֵרָק֜וֹן
(yeraqon)
meeldauw
אַרְבֶּ֤ה
(arbe)
sprinkhaan
חָסִיל֙
(chasil)
rups
כִּ֣י
(ki)
wanneer
יִהְיֶ֔ה
(yihye)
er is
כִּ֧י
(ki)
wanneer
יָֽצַר
(yatsar)
belegert
ל֛וֹ
(lo)
hem
אֹיְב֖וֹ
(oyevo)
zijn vijand
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
שְׁעָרָ֑יו
(shearav)
zijn steden
כָּל
(kal)
elke
נֶ֖גַע
(nega)
plaag
כָּֽל
(kal)
elke
מַחֲלָֽה
(machala)
ziekte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Deut. 28:21–22 (pest, korenbrand, meeldauw).

חָסִיל (chasil), ‘rups’: een insectenlarve of een soort sprinkhaan; de betekenis is onzeker.

בְּאֶרֶץ שְׁעָרָיו (be’erets she’arav), ‘in het land van zijn steden’: letterlijk ‘in het land van zijn poorten’. De poorten staan voor de steden.

38elk gebed en elke smeking, van welke mens ook, van heel Uw volk Israël, wanneer ieder de plaag van zijn eigen hart kent en zijn handen uitspreidt naar dit huis:
כָּל
(kal)
elk
תְּפִלָּ֣ה
(tefila)
gebed
כָל
(kal)
elke
תְּחִנָּ֗ה
(techina)
smeking
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
תִֽהְיֶה֙
(tihye)
zal zijn
לְכָל
(lekhal)
van elke
הָ֣אָדָ֔ם
(haadam)
mens
לְכֹ֖ל
(lekhol)
van heel
עַמְּךָ֣
(amekha)
Uw volk
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יֵדְע֗וּן
(yedeun)
kennen
אִ֚ישׁ
(ish)
ieder
נֶ֣גַע
(nega)
de plaag van
לְבָב֔וֹ
(levavo)
zijn hart
וּפָרַ֥שׂ
(ufaras)
en uitspreidt
כַּפָּ֖יו
(kapav)
zijn handen
אֶל
(el)
naar
הַבַּ֥יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶגַע לְבָבוֹ (nega levavo), ‘de plaag van zijn hart’: de eigen pijn of nood die iemand voelt.

39luister dan vanuit de hemel, de vaste plaats waar U woont. Vergeef, handel en geef ieder mens naar al zijn wegen. U kent zijn hart, want U alleen kent het hart van alle mensenkinderen,
וְ֠אַתָּה
(veata)
en U
תִּשְׁמַ֨ע
(tishma)
luister
הַשָּׁמַ֜יִם
(hashamayim)
de hemel
מְכ֤וֹן
(mekhon)
de vaste plaats van
שִׁבְתֶּ֨ךָ֙
(shivtekha)
Uw woning
וְסָלַחְתָּ֣
(vesalachta)
en vergeef
וְעָשִׂ֔יתָ
(veasita)
en handel
וְנָתַתָּ֤
(venatata)
en geef
לָאִישׁ֙
(laish)
aan ieder
כְּכָל
(kekhal)
naar al
דְּרָכָ֔יו
(derakhav)
zijn wegen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
תֵּדַ֖ע
(teda)
U kent
אֶת
(et)
(obj.)
לְבָב֑וֹ
(levavo)
zijn hart
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֤ה
(ata)
U
יָדַ֨עְתָּ֙
(yadata)
kent
לְבַדְּךָ֔
(levadekha)
U alleen
אֶת
(et)
(obj.)
לְבַ֖ב
(levav)
het hart van
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֥י
(benei)
de kinderen van
הָאָדָֽם
(haadam)
de mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘U alleen kent het hart’: vergelijk 1 Sam. 16:7 en 1 Kron. 28:9.

40zodat zij U vrezen al de dagen dat zij leven op de grond die U aan onze vaders hebt gegeven.
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
יִֽרָא֔וּךָ
(yiraukha)
zij U vrezen
כָּל
(kal)
alle
הַ֨יָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֵ֥ם
(hem)
zij
חַיִּ֖ים
(chayim)
levend zijn
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
הָאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָתַ֖תָּה
(natata)
U hebt gegeven
לַאֲבֹתֵֽינוּ
(laavoteinu)
aan onze vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Voor de buitenlander

41En ook wanneer de buitenlander, die niet van Uw volk Israël is, uit een ver land komt omwille van Uw naam,
וְגַם֙
(vegam)
en ook
אֶל
(el)
naar
הַנָּכְרִ֔י
(hanakheri)
de buitenlander
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
מֵעַמְּךָ֥
(meamekha)
van Uw volk
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
ה֑וּא
(hu)
hij is
וּבָ֛א
(uva)
en komt
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land
רְחוֹקָ֖ה
(rechoqa)
ver
לְמַ֥עַן
(lemaan)
omwille van
שְׁמֶֽךָ
(shemekha)
Uw naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָכְרִי (nokhri), ‘buitenlander’: iemand van een ander volk, die niet in het land woont.

Dit is een ander woord dan גֵּר (ger), ‘vreemdeling’, die in het land woont (Exod. 22:20).

42want men zal horen van Uw grote naam, Uw sterke hand en Uw uitgestrekte arm. Wanneer hij komt en bidt in de richting van dit huis,
כִּ֤י
(ki)
want
יִשְׁמְעוּן֙
(yishmeun)
zij zullen horen
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁמְךָ֣
(shimkha)
Uw naam
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de grote
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יָֽדְךָ֙
(yadekha)
Uw hand
הַֽחֲזָקָ֔ה
(hachazaqa)
de sterke
וּֽזְרֹעֲךָ֖
(uzeroakha)
en Uw arm
הַנְּטוּיָ֑ה
(hanetuya)
de uitgestrekte
וּבָ֥א
(uva)
en komt
וְהִתְפַּלֵּ֖ל
(vehitpalel)
en bidt
אֶל
(el)
naar
הַבַּ֥יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43luister dan vanuit de hemel, de vaste plaats waar U woont. Doe alles waarom de buitenlander tot U roept, zodat alle volken van de aarde Uw naam kennen. Zo vrezen zij U zoals Uw volk Israël en weten zij dat Uw naam is uitgeroepen over dit huis dat ik heb gebouwd.
אַתָּ֞ה
(ata)
U
תִּשְׁמַ֤ע
(tishma)
luister
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
מְכ֣וֹן
(mekhon)
de vaste plaats van
שִׁבְתֶּ֔ךָ
(shivtekha)
Uw woning
וְעָשִׂ֕יתָ
(veasita)
en handel
כְּכֹ֛ל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יִקְרָ֥א
(yiqra)
roept
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot U
הַנָּכְרִ֑י
(hanakheri)
de buitenlander
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
יֵדְעוּן֩
(yedeun)
kennen
כָּל
(kal)
alle
עַמֵּ֨י
(amei)
volken van
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
de aarde
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמֶ֗ךָ
(shemekha)
Uw naam
לְיִרְאָ֤ה
(leyira)
om te vrezen
אֹֽתְךָ֙
(otekha)
U
כְּעַמְּךָ֣
(keamekha)
zoals Uw volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְלָדַ֕עַת
(veladaat)
en om te weten
כִּי
(ki)
dat
שִׁמְךָ֣
(shimkha)
Uw naam
נִקְרָ֔א
(niqra)
is uitgeroepen
עַל
(al)
over
הַבַּ֥יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בָּנִֽיתִי
(baniti)
ik heb gebouwd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁמְךָ נִקְרָא עַל (shimkha niqra al), ‘Uw naam is uitgeroepen over’: het huis hoort bij Yahweh en draagt Zijn naam.

Bij oorlog

44Wanneer Uw volk uittrekt om oorlog te voeren tegen zijn vijand, op de weg waarop U hen zendt, en zij bidden tot Yahweh in de richting van de stad die U hebt gekozen en van het huis dat ik voor Uw naam heb gebouwd,
כִּי
(ki)
wanneer
יֵצֵ֨א
(yetse)
uittrekt
עַמְּךָ֤
(amekha)
Uw volk
לַמִּלְחָמָה֙
(lamilchama)
naar de oorlog
עַל
(al)
tegen
אֹ֣יְב֔וֹ
(oyevo)
zijn vijand
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
op de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarop
תִּשְׁלָחֵ֑ם
(tishlachem)
U hen zendt
וְהִתְפַּֽלְל֣וּ
(vehitpallu)
en zij bidden
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
דֶּ֤רֶךְ
(derekh)
in de richting van
הָעִיר֙
(hair)
de stad
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּחַ֣רְתָּ
(bacharta)
U hebt gekozen
בָּ֔הּ
(bah)
in haar
וְהַבַּ֖יִת
(vehabayit)
en het huis
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּנִ֥תִי
(baniti)
ik heb gebouwd
לִשְׁמֶֽךָ
(lishmekha)
voor Uw naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Salomo noemt Yahweh hier bij Zijn naam, terwijl hij Hem aanspreekt.

Zo staat het in de tekst.

45luister dan vanuit de hemel naar hun gebed en hun smeking en handhaaf hun recht.
וְשָׁמַעְתָּ֙
(veshamata)
en luister
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
אֶת
(et)
(obj.)
תְּפִלָּתָ֖ם
(tefilatam)
hun gebed
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תְּחִנָּתָ֑ם
(techinatam)
hun smeking
וְעָשִׂ֖יתָ
(veasita)
en handhaaf
מִשְׁפָּטָֽם
(mishpatam)
hun recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Bij ballingschap

46Wanneer zij tegen U zondigen (want er is geen mens die niet zondigt) en U toornig op hen wordt en hen overgeeft aan een vijand, zodat hun gevangennemers hen wegvoeren naar het land van de vijand, ver weg of dichtbij,
כִּ֣י
(ki)
wanneer
יֶֽחֶטְאוּ
(yechetu)
zij zondigen
לָ֗ךְ
(lakh)
tegen U
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֤ין
(ein)
er is niet
אָדָם֙
(adam)
mens
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
יֶחֱטָ֔א
(yecheta)
zondigt
וְאָנַפְתָּ֣
(veanafta)
en U wordt toornig
בָ֔ם
(bam)
op hen
וּנְתַתָּ֖ם
(unetatam)
en geeft hen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אוֹיֵ֑ב
(oyev)
een vijand
וְשָׁב֤וּם
(veshavum)
en voeren hen weg
שֹֽׁבֵיהֶם֙
(shoveihem)
hun gevangennemers
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
הָאוֹיֵ֔ב
(haoyev)
de vijand
רְחוֹקָ֖ה
(rechoqa)
ver weg
א֥וֹ
(o)
of
קְרוֹבָֽה
(qerova)
dichtbij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָנַף (anaf), ‘toornig worden’.

Dit vers hoort bij de waarschuwingen over ballingschap: Lev. 26:33; Deut. 4:27; 28:36, 64.

‘Er is geen mens die niet zondigt’: vergelijk Pred. 7:20.

47en zij het ter harte nemen in het land waar zij gevangen zijn gevoerd, en terugkeren en U smeken in het land van hun gevangennemers: ‘Wij hebben gezondigd, wij hebben verkeerd gehandeld, wij zijn goddeloos geweest,’
וְהֵשִׁ֨יבוּ֙
(veheshivu)
en zij nemen ter harte
אֶל
(el)
naar
לִבָּ֔ם
(libam)
hun hart
בָּאָ֖רֶץ
(baarets)
in het land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
נִשְׁבּוּ
(nishbu)
zij gevangen zijn gevoerd
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וְשָׁ֣בוּ
(veshavu)
en keren terug
וְהִֽתְחַנְּנ֣וּ
(vehitchanenu)
en smeken
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tot U
בְּאֶ֤רֶץ
(beerets)
in het land van
שֹֽׁבֵיהֶם֙
(shoveihem)
hun gevangennemers
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
חָטָ֥אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
וְהֶעֱוִ֖ינוּ
(veheevinu)
en wij hebben verkeerd gehandeld
רָשָֽׁעְנוּ
(rashaenu)
wij zijn goddeloos geweest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהֵשִׁיבוּ אֶל־לְבָבָם (vehesheivu el levavam), ‘ter harte nemen’: letterlijk ‘terugbrengen naar hun hart’, zoals in Deut. 30:1.

הֶעֱוִינוּ (heevinu), ‘wij hebben verkeerd gehandeld’: van עָוָה (avah), zoals in 2 Sam. 7:14.

48en zij met heel hun hart en met heel hun ziel tot U terugkeren, in het land van hun vijanden die hen gevangen hebben genomen, en tot U bidden in de richting van hun land, dat U aan hun vaders hebt gegeven, van de stad die U hebt gekozen en van het huis dat ik voor Uw naam heb gebouwd,
וְשָׁ֣בוּ
(veshavu)
en keren terug
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tot U
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לְבָבָם֙
(levavam)
hun hart
וּבְכָל
(uvekhal)
en met heel
נַפְשָׁ֔ם
(nafsham)
hun ziel
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
אֹיְבֵיהֶ֖ם
(oyeveihem)
hun vijanden
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁב֣וּ
(shavu)
hebben gevangen genomen
אֹתָ֑ם
(otam)
hen
וְהִֽתְפַּֽלְל֣וּ
(vehitpallu)
en bidden
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tot U
דֶּ֤רֶךְ
(derekh)
in de richting van
אַרְצָם֙
(artsam)
hun land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
נָתַ֣תָּה
(natata)
U hebt gegeven
לַאֲבוֹתָ֔ם
(laavotam)
aan hun vaders
הָעִיר֙
(hair)
de stad
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּחַ֔רְתָּ
(bacharta)
U hebt gekozen
וְהַבַּ֖יִת
(vehabayit)
en het huis
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּנִ֥יתִי
(baniti)
ik heb gebouwd
לִשְׁמֶֽךָ
(lishmekha)
voor Uw naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
49luister dan vanuit de hemel, de vaste plaats waar U woont, naar hun gebed en hun smeking, en handhaaf hun recht,
וְשָׁמַעְתָּ֤
(veshamata)
en luister
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
מְכ֣וֹן
(mekhon)
de vaste plaats van
שִׁבְתְּךָ֔
(shivtekha)
Uw woning
אֶת
(et)
(obj.)
תְּפִלָּתָ֖ם
(tefilatam)
hun gebed
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תְּחִנָּתָ֑ם
(techinatam)
hun smeking
וְעָשִׂ֖יתָ
(veasita)
en handhaaf
מִשְׁפָּטָֽם
(mishpatam)
hun recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
50en vergeef Uw volk dat tegen U gezondigd heeft, en al hun overtredingen waarmee zij U hebben overtreden. Geef hen ontferming bij hun gevangennemers, zodat die zich over hen ontfermen.
וְסָלַחְתָּ֤
(vesalachta)
en vergeef
לְעַמְּךָ֙
(leamekha)
aan Uw volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חָֽטְאוּ
(chateu)
hebben gezondigd
לָ֔ךְ
(lakh)
tegen U
וּלְכָל
(ulekhal)
en aan alle
פִּשְׁעֵיהֶ֖ם
(pisheihem)
hun overtredingen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarmee
פָּשְׁעוּ
(pasheu)
zij hebben overtreden
בָ֑ךְ
(bakh)
tegen U
וּנְתַתָּ֧ם
(unetatam)
en geef hen
לְרַחֲמִ֛ים
(lerachamim)
tot ontferming
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
שֹׁבֵיהֶ֖ם
(shoveihem)
hun gevangennemers
וְרִֽחֲמֽוּם
(verichamum)
en zij zullen zich ontfermen over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’: diepe, warme genegenheid.

פֶּשַׁע (pesha), ‘overtreding’: opstand tegen een gezag.

51Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die U uit Egypte hebt geleid, uit de smeltoven van ijzer.
כִּֽי
(ki)
want
עַמְּךָ֥
(amekha)
Uw volk
וְנַחֲלָתְךָ֖
(venachalatekha)
en Uw erfdeel
הֵ֑ם
(hem)
zij
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הוֹצֵ֨אתָ֙
(hotseta)
U hebt uitgeleid
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
מִתּ֖וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
כּ֥וּר
(kur)
de smeltoven van
הַבַּרְזֶֽל
(habarzel)
het ijzer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

כּוּר הַבַּרְזֶל (kur habarzel), ‘smeltoven van ijzer’: zoals in Deut. 4:20.

Egypte wordt vergeleken met een smeltoven.

52Laat Uw ogen geopend zijn voor de smeking van Uw dienaar en voor de smeking van Uw volk Israël. Luister naar hen, telkens wanneer zij tot U roepen.
לִהְי֨וֹת
(lihyot)
om te zijn
עֵינֶ֤יךָ
(eineikha)
Uw ogen
פְתֻחוֹת֙
(petuchot)
geopend
אֶל
(el)
naar
תְּחִנַּ֣ת
(techinat)
de smeking van
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
Uw dienaar
וְאֶל
(veel)
en naar
תְּחִנַּ֖ת
(techinat)
de smeking van
עַמְּךָ֣
(amekha)
Uw volk
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לִשְׁמֹ֣עַ
(lishmoa)
om te luisteren
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
naar hen
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
bij al
קָרְאָ֥ם
(qaream)
hun roepen
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
tot U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
53Want U hebt hen uit alle volken van de aarde afgezonderd als Uw erfdeel. Zo hebt U gesproken door de hand van Mozes, Uw dienaar, toen U onze vaders uit Egypte leidde, mijn Heer Yahweh.”
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֞ה
(ata)
U
הִבְדַּלְתָּ֤ם
(hivdaltam)
hebt hen afgezonderd
לְךָ֙
(lekha)
voor U
לְֽנַחֲלָ֔ה
(lenachala)
als erfdeel
מִכֹּ֖ל
(mikol)
uit alle
עַמֵּ֣י
(amei)
volken van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
דִּבַּ֜רְתָּ
(dibarta)
U hebt gesproken
בְּיַ֣ד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
עַבְדֶּ֗ךָ
(avdekha)
Uw dienaar
בְּהוֹצִיאֲךָ֧
(behotsiakha)
bij Uw uitleiden
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבֹתֵ֛ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
מִמִּצְרַ֖יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
mijn Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘mijn Heer Yahweh’: Adonai betekent ‘mijn Heer’.

Israel is uit alle volken afgezonderd als erfdeel: vergelijk Exod. 19:5 en Deut. 9:26, 29.

Salomo zegent het volk

54Toen Salomo klaar was met het bidden van dit hele gebed en deze smeking tot Yahweh, stond hij op van voor het altaar van Yahweh. Hij had op zijn knieën gelegen, met zijn handen uitgespreid naar de hemel.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het gebeurde
כְּכַלּ֣וֹת
(kekhalot)
toen voltooid had
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
לְהִתְפַּלֵּל֙
(lehitpalel)
om te bidden
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַתְּפִלָּ֥ה
(hatefila)
het gebed
וְהַתְּחִנָּ֖ה
(vehatechina)
en de smeking
הַזֹּ֑את
(hazot)
deze
קָ֞ם
(qam)
stond op
מִלִּפְנֵ֨י
(milifnei)
van het aangezicht van
מִזְבַּ֤ח
(mizbach)
het altaar van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מִכְּרֹ֣עַ
(mikeroa)
van het knielen
עַל
(al)
op
בִּרְכָּ֔יו
(birkav)
zijn knieën
וְכַפָּ֖יו
(vekhapav)
en zijn handen
פְּרֻשׂ֥וֹת
(perusot)
uitgespreid
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
naar de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
55Hij ging staan en zegende heel de vergadering van Israël met luide stem. Hij zei:
וַֽיַּעְמֹ֕ד
(vayamod)
en ging staan
וַיְבָ֕רֶךְ
(vayvarekh)
en zegende
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
קְהַ֣ל
(qehal)
de vergadering van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
ק֥וֹל
(qol)
met stem
גָּד֖וֹל
(gadol)
luid
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
56„Gezegend is Yahweh, die rust heeft gegeven aan Zijn volk Israël, geheel zoals Hij heeft gesproken. Geen enkel woord is weggevallen van al Zijn goede woord dat Hij sprak door de hand van Mozes, Zijn dienaar.
בָּר֣וּךְ
(barukh)
gezegend is
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
נָתַ֤ן
(natan)
gaf
מְנוּחָה֙
(menucha)
rust
לְעַמּ֣וֹ
(leamo)
aan Zijn volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כְּכֹ֖ל
(kekhol)
overeenkomstig alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
דִּבֵּ֑ר
(diber)
Hij sprak
לֹֽא
(lo)
niet
נָפַ֞ל
(nafal)
is weggevallen
דָּבָ֣ר
(davar)
woord
אֶחָ֗ד
(echad)
één
מִכֹּל֙
(mikol)
van al
דְּבָר֣וֹ
(devaro)
Zijn woord
הַטּ֔וֹב
(hatov)
het goede
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֔ר
(diber)
Hij sprak
בְּיַ֖ד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
עַבְדּֽוֹ
(avdo)
Zijn dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְנוּחָה (menuchah), ‘rust’: Yahweh had rust beloofd (Deut. 12:9–10; 25:19) en gaf haar (Joz. 21:44–45; 23:14).

57Laat Yahweh, onze Elohim, met ons zijn, zoals Hij met onze vaders was. Laat Hij ons niet verlaten en niet loslaten.
יְהִ֨י
(yehi)
laat zijn
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
עִמָּ֔נוּ
(imanu)
met ons
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
הָיָ֖ה
(haya)
Hij was
עִם
(im)
met
אֲבֹתֵ֑ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
אַל
(al)
niet
יַעַזְבֵ֖נוּ
(yaazvenu)
laat Hij ons verlaten
וְאַֽל
(veal)
en niet
יִטְּשֵֽׁנוּ
(yiteshenu)
laat Hij ons loslaten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
58Laat Hij ons hart naar Zich toe neigen, zodat wij op al Zijn wegen gaan. Laat ons Zijn geboden, Zijn voorschriften en Zijn rechtsregels bewaren, die Hij onze vaders heeft opgedragen.
לְהַטּ֥וֹת
(lehatot)
om te neigen
לְבָבֵ֖נוּ
(levavenu)
ons hart
אֵלָ֑יו
(elav)
naar Hem
לָלֶ֣כֶת
(lalekhet)
om te gaan
בְּכָל
(bekhal)
op al
דְּרָכָ֗יו
(derakhav)
Zijn wegen
וְלִשְׁמֹ֨ר
(velishmor)
en om te bewaren
מִצְוֺתָ֤יו
(mitsvotav)
Zijn geboden
וְחֻקָּיו֙
(vechuqav)
en Zijn voorschriften
וּמִשְׁפָּטָ֔יו
(umishpatav)
en Zijn rechtsregels
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוָּ֖ה
(tsiva)
Hij heeft opgedragen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבֹתֵֽינוּ
(avoteinu)
onze vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
59Laat deze woorden van mij, waarmee ik voor het aangezicht van Yahweh heb gesmeekt, dag en nacht dicht bij Yahweh, onze Elohim, zijn. Zo zal Hij Zijn dienaar recht doen en Zijn volk Israël recht doen, naar wat elke dag vraagt,
וְיִֽהְי֨וּ
(veyihyu)
en laten zijn
דְבָרַ֜י
(devaray)
mijn woorden
אֵ֗לֶּה
(ele)
deze
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waarmee
הִתְחַנַּ֨נְתִּי֙
(hitchananti)
ik heb gesmeekt
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
קְרֹבִ֛ים
(qerovim)
nabij
אֶל
(el)
bij
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
יוֹמָ֣ם
(yomam)
overdag
וָלָ֑יְלָה
(valayela)
en 's nachts
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
מִשְׁפַּ֣ט
(mishpat)
recht aan
עַבְדּ֗וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
וּמִשְׁפַּ֛ט
(umishpat)
en recht aan
עַמּ֥וֹ
(amo)
Zijn volk
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
דְּבַר
(devar)
wat nodig is van
י֥וֹם
(yom)
een dag
בְּיוֹמֽוֹ
(beyomo)
op zijn dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
60zodat alle volken van de aarde weten dat Yahweh de Elohim is. Er is geen ander.
לְמַ֗עַן
(lemaan)
opdat
דַּ֚עַת
(daat)
weten
כָּל
(kal)
alle
עַמֵּ֣י
(amei)
volken van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
כִּ֥י
(ki)
dat
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
ה֣וּא
(hu)
Hij
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
אֵ֖ין
(ein)
er is niet
עֽוֹד
(od)
ander
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Yahweh is de Elohim’: vergelijk Deut. 4:35, 39.

61Laat jullie hart geheel bij Yahweh, onze Elohim, zijn, om te gaan in Zijn voorschriften en Zijn geboden te bewaren, zoals vandaag.”
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en laat zijn
לְבַבְכֶם֙
(levavkhem)
jullie hart
שָׁלֵ֔ם
(shalem)
geheel
עִ֖ם
(im)
bij
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לָלֶ֧כֶת
(lalekhet)
om te gaan
בְּחֻקָּ֛יו
(bechuqav)
in Zijn voorschriften
וְלִשְׁמֹ֥ר
(velishmor)
en om te bewaren
מִצְוֺתָ֖יו
(mitsvotav)
Zijn geboden
כַּיּ֥וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Salomo spreekt het volk nu aan met ‘jullie’.

De inwijding van het huis

62De koning en heel Israël met hem brachten slachtoffers voor het aangezicht van Yahweh.
וְֽהַמֶּ֔לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עִמּ֑וֹ
(imo)
met hem
זֹבְחִ֥ים
(zovechim)
brengend
זֶ֖בַח
(zevach)
slachtoffer
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
63Salomo bracht als vredeoffer, dat hij aan Yahweh offerde, 22.000 runderen en 120.000 stuks kleinvee. Zo wijdden de koning en alle zonen van Israël het huis van Yahweh in.
וַיִּזְבַּ֣ח
(vayizbach)
en bracht
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
זֶ֣בַח
(zevach)
het slachtoffer van
הַשְּׁלָמִים֮
(hashelamim)
de vredeoffers
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
זָבַ֣ח
(zavach)
hij offerde
לַיהוָה֒
(laYahweh)
aan Yahweh
בָּקָ֗ר
(baqar)
runderen
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
וּשְׁנַ֨יִם֙
(ushenayim)
en twee
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
וְצֹ֕אן
(vetson)
en kleinvee
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וְעֶשְׂרִ֖ים
(veesrim)
en twintig
אָ֑לֶף
(alef)
duizend
וַֽיַּחְנְכוּ֙
(vayachnekhu)
en zij wijdden in
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְכָל
(vekhal)
en alle
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De getallen (22.000 runderen en 120.000 stuks kleinvee) zijn heel groot.

Wij vertalen ze letterlijk.

Zij staan ook in 2 Kron. 7:5.

חָנַךְ (chanak), ‘inwijden’: zoals bij een nieuw huis in Deut. 20:5.

64Op die dag heiligde de koning het midden van de voorhof die vóór het huis van Yahweh lag. Want daar bracht hij het brandoffer, het graanoffer en het vet van de vredeoffers. Het koperen altaar voor het aangezicht van Yahweh was daarvoor te klein. Het kon het brandoffer, het graanoffer en het vet van de vredeoffers niet bevatten.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
קִדַּ֨שׁ
(qidash)
heiligde
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
תּ֣וֹךְ
(tokh)
het midden van
הֶחָצֵ֗ר
(hechatser)
de voorhof
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
בֵית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּי
(ki)
want
עָ֣שָׂה
(asa)
bracht hij
שָׁ֗ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽעֹלָה֙
(haola)
het brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּנְחָ֔ה
(hamincha)
het graanoffer
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
חֶלְבֵ֣י
(chelvei)
het vet van
הַשְּׁלָמִ֑ים
(hashelamim)
de vredeoffers
כִּֽי
(ki)
want
מִזְבַּ֤ח
(mizbach)
het altaar van
הַנְּחֹ֨שֶׁת֙
(hanechoshet)
koper
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
קָטֹ֗ן
(qaton)
klein
מֵֽהָכִיל֙
(mehakhil)
om te bevatten
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֹלָ֣ה
(haola)
het brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּנְחָ֔ה
(hamincha)
het graanoffer
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
חֶלְבֵ֥י
(chelvei)
het vet van
הַשְּׁלָמִֽים
(hashelamim)
de vredeoffers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het koperen altaar is het brandofferaltaar (Exod. 27:1–8).

De tekst zegt niet of dit het altaar van de tabernakel is of een nieuw altaar.

Het altaar was te klein voor al die offers; daarom heiligde de koning de voorhof zelf.

Het feest en het afscheid

65In die tijd hield Salomo het feest, en heel Israël met hem: een grote vergadering, van de ingang van Chamat tot de beek van Egypte. Het was voor het aangezicht van Yahweh, onze Elohim: zeven dagen en nog zeven dagen, 14 dagen.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en hield
שְׁלֹמֹ֣ה
(shelomo)
Salomo
בָֽעֵת
(baet)
in de tijd
הַהִ֣יא
(hahi)
die
אֶת
(et)
(obj.)
הֶחָ֡ג
(hechag)
het feest
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
עִמּוֹ֩
(imo)
met hem
קָהָ֨ל
(qahal)
vergadering
גָּד֜וֹל
(gadol)
grote
מִלְּב֥וֹא
(milevo)
van de ingang van
חֲמָ֣ת
(chamat)
Chamat
עַד
(ad)
tot
נַ֣חַל
(nachal)
de beek van
מִצְרַ֗יִם
(mitsrayim)
Egypte
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
וְשִׁבְעַ֣ת
(veshivat)
en zeven
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
אַרְבָּעָ֥ה
(arbaa)
vier
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
יֽוֹם
(yom)
dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chamat (חֲמָת) is het huidige Hama in Syrië.

‘De ingang van Chamat’ is de noordgrens van het land (Num. 34:8).

De ‘beek van Egypte’ (נַחַל מִצְרַיִם) is waarschijnlijk de Wadi el-Arish in het noorden van de Sinaï (Egypte); de ligging is niet zeker.

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Zie Beek van Egypte: De beek van Egypte wordt gezocht bij het Wadi el-Arisj, in het noorden van het schiereiland Sinaï.

Dit is de zuidwestgrens van het land.

Uitleg

De 14 dagen zijn 7 dagen voor de inwijding en 7 dagen voor het feest.

Zie ook 2 Kron. 7:8–10.

66Op de achtste dag stuurde hij het volk weg. Zij zegenden de koning en gingen naar hun tenten. Ze waren blij en hadden een goed hart om al het goede dat Yahweh aan Zijn dienaar David en aan Zijn volk Israël had gedaan.
בַּיּ֤וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁמִינִי֙
(hashemini)
de achtste
שִׁלַּ֣ח
(shilach)
stuurde weg
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַֽיְבָרֲכ֖וּ
(vayvarakhu)
en zegenden
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֵּלְכ֣וּ
(vayelekhu)
en gingen
לְאָהֳלֵיהֶ֗ם
(leaholeihem)
naar hun tenten
שְׂמֵחִים֙
(semechim)
blij
וְט֣וֹבֵי
(vetovei)
en goed van
לֵ֔ב
(lev)
hart
עַ֣ל
(al)
over
כָּל
(kal)
al
הַטּוֹבָ֗ה
(hatova)
het goede
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
עָשָׂ֤ה
(asa)
deed
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְדָוִ֣ד
(ledavid)
aan David
עַבְדּ֔וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
וּלְיִשְׂרָאֵ֖ל
(uleyisrael)
en aan Israël
עַמּֽוֹ
(amo)
Zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘achtste dag’ is de dag na de twee weken.

Volgens 2 Kron. 7:9–10 is dit de 23e dag van de zevende maand.