Elohim Bijbel

2 Korintiërs 12

12345678910111213

Visioenen en de derde hemel, een doorn in het vlees, ‘Mijn genade is voldoende’ en de zorg om Korinte

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Visioenen en onthullingen

1Ik moet roemen. Het is wel niet nuttig, maar ik zal komen tot visioenen en onthullingen van de Heer.
Καυχᾶσθαι
(Kauchasthai)
roemen
δεῖ
(dei)
het moet
οὐ
(ou)
niet
συμφέρον
(sympheron)
nuttig
μέν
(men)
wel
ἐλεύσομαι
(eleusomai)
zal ik komen
δὲ
(de)
maar
εἰς
(eis)
tot
ὀπτασίας
(optasias)
visioenen
καὶ
(kai)
en
ἀποκαλύψεις
(apokalypseis)
onthullingen
κυρίου
(kyriou)
van de Heer
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὀπτασία (optasia), ‘visioen’; ἀποκάλυψις (apokalypsis), ‘onthulling’.

‘Onthullingen van de Heer’: onthullingen die de Heer geeft, of onthullingen over de Heer; wij vertalen letterlijk.

‘De Heer’ is hier Yeshua.

Het Grieks heeft ‘roemen moet…’; vergelijk 11:30.

2Ik ken een mens in de Messias, 14 jaar geleden. Of hij in het lichaam was, weet ik niet; of buiten het lichaam, weet ik niet; Elohim weet het. Zo iemand werd weggerukt tot in de derde hemel.
οἶδα
(oida)
ik weet
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
ἐν
(en)
in
Χριστῷ
(Christo)
Messias
πρὸ
(pro)
vóór
ἐτῶν
(eton)
jaren
δεκατεσσάρων
(dekatessaron)
14
εἴτε
(eite)
of
ἐν
(en)
in
σώματι
(somati)
lichaam
οὐκ
(ouk)
niet
οἶδα
(oida)
weet ik
εἴτε
(eite)
of
ἐκτὸς
(ektos)
buiten
τοῦ
(tou)
het
σώματος
(somatos)
lichaam
οὐκ
(ouk)
niet
οἶδα
(oida)
weet ik
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
οἶδεν
(oiden)
weet
ἁρπαγέντα
(harpagenta)
weggerukt
τὸν
(ton)
de
τοιοῦτον
(toiouton)
zodanige
ἕως
(heos)
tot
τρίτου
(tritou)
derde
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
Bron: SBLGNT
Uitleg

Paulus noemt geen naam.

In vers 5 maakt hij onderscheid tussen ‘zo iemand’ en ‘mijzelf’; vers 7 gaat over de onthullingen die hem geschonken zijn.

Of hij over zichzelf spreekt, zegt hij niet uitdrukkelijk.

‘14 jaar geleden’ rekent terug vanaf het schrijven van de brief. ἁρπάζω (harpazo), ‘wegrukken’: plotseling en met kracht meenemen. τρίτος οὐρανός (tritos ouranos), ‘derde hemel’: de tekst legt dit niet uit.

Ons Deuteronomium spreekt van ‘de hemel en de hemel van de hemelen’.

Zie ook Deut. 10:14.

3En ik weet van zo iemand: of hij in het lichaam was of zonder het lichaam, ik weet het niet, Elohim weet het,
καὶ
(kai)
en
οἶδα
(oida)
ik weet
τὸν
(ton)
de
τοιοῦτον
(toiouton)
zodanige
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
εἴτε
(eite)
of
ἐν
(en)
in
σώματι
(somati)
lichaam
εἴτε
(eite)
of
χωρὶς
(choris)
zonder
τοῦ
(tou)
het
σώματος
(somatos)
lichaam
οὐκ
(ouk)
niet
οἶδα
(oida)
weet ik
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
οἶδεν
(oiden)
weet
Bron: SBLGNT
Uitleg

De onzekerheid ‘in het lichaam of zonder het lichaam’ komt uit vers 2 terug.

Het Grieks verbindt ‘ik weet’ in dit vers met ‘dat’ in vers 4.

4dat hij naar het paradijs werd weggerukt en onuitsprekelijke woorden hoorde, die een mens niet mag uitspreken.
ὅτι
(hoti)
dat
ἡρπάγη
(herpage)
werd weggerukt
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
het
παράδεισον
(paradeison)
paradijs
καὶ
(kai)
en
ἤκουσεν
(ekousen)
hoorde
ἄρρητα
(arreta)
onuitsprekelijke
ῥήματα
(rhemata)
woorden
ἃ
(ha)
die
οὐκ
(ouk)
niet
ἐξὸν
(exon)
geoorloofd
ἀνθρώπῳ
(anthropo)
aan een mens
λαλῆσαι
(lalesai)
te spreken
Bron: SBLGNT
Uitleg

παράδεισος (paradeisos), ‘paradijs’: een tuin of park. ἄρρητος (arretos), ‘onuitsprekelijk’: niet te zeggen. ἐξόν (exon), ‘geoorloofd’: het is niet toegestaan of niet mogelijk om de woorden uit te spreken.

Zie ook Luc. 23:43.

Zie ookLuc 23:43
5Over zo iemand zal ik roemen. Over mijzelf zal ik niet roemen, tenzij in de zwakheden.
ὑπὲρ
(hyper)
over
τοῦ
(tou)
de
τοιούτου
(toioutou)
zodanige
καυχήσομαι
(kauchesomai)
zal ik roemen
ὑπὲρ
(hyper)
over
δὲ
(de)
maar
ἐμαυτοῦ
(emautou)
mijzelf
οὐ
(ou)
niet
καυχήσομαι
(kauchesomai)
zal ik roemen
εἰ
(ei)
indien
μὴ
(me)
niet
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
ἀσθενείαις
(astheneiais)
zwakheden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀσθένεια (astheneia), ‘zwakheid’, hier meervoud: zwakheden.

Vergelijk 11:30 en 12:9–10.

Zie ook 2 Kor. 11:30.

6Want als ik zou willen roemen, zou ik geen dwaas zijn, want ik zal de waarheid zeggen. Maar ik houd mij in, opdat niemand mij hoger rekent dan wat hij in mij ziet of van mij hoort,
ἐὰν
(ean)
als
γὰρ
(gar)
want
θελήσω
(theleso)
ik wil
καυχήσασθαι
(kauchesasthai)
roemen
οὐκ
(ouk)
niet
ἔσομαι
(esomai)
zal ik zijn
ἄφρων
(aphron)
dwaas
ἀλήθειαν
(aletheian)
waarheid
γὰρ
(gar)
want
ἐρῶ
(ero)
zal ik zeggen
φείδομαι
(pheidomai)
ik houd mij in
δέ
(de)
maar
μή
(me)
opdat niet
τις
(tis)
iemand
εἰς
(eis)
omtrent
ἐμὲ
(eme)
mij
λογίσηται
(logisetai)
rekent
ὑπὲρ
(hyper)
boven
ὃ
(ho)
wat
βλέπει
(blepei)
hij ziet
με
(me)
mij
ἢ
(e)
of
ἀκούει
(akouei)
hij hoort
τι
(ti)
iets
ἐξ
(ex)
uit
ἐμοῦ
(emou)
mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

φείδομαι (feidomai), ‘zich inhouden’. λογίζομαι (logizomai), ‘rekenen, beoordelen’.

Een doorn in het vlees

7en door de overmaat van de onthullingen. Daarom is mij, opdat ik mij niet zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel van Satan, om mij te mishandelen, opdat ik mij niet zou verheffen.
καὶ
(kai)
en
τῇ
(te)
door de
ὑπερβολῇ
(hyperbole)
overmaat
τῶν
(ton)
van de
ἀποκαλύψεων
(apokalypseon)
onthullingen
διὸ
(dio)
daarom
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
ὑπεραίρωμαι
(hyperairomai)
ik mij verhef
ἐδόθη
(edothe)
werd gegeven
μοι
(moi)
mij
σκόλοψ
(skolops)
doorn
τῇ
(te)
in het
σαρκί
(sarki)
vlees
ἄγγελος
(angelos)
engel
Σατανᾶ
(Satana)
van Satan
ἵνα
(hina)
opdat
με
(me)
mij
κολαφίζῃ
(kolaphize)
hij mishandelt
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
ὑπεραίρωμαι
(hyperairomai)
ik mij verhef
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het eerste deel (‘en door de overmaat van de onthullingen’) sluit in het Grieks aan op vers 6. σκόλοψ (skolops), ‘doorn’: eigenlijk een scherpe paal of pin. τῇ σαρκί (te sarki), ‘in het vlees’ of ‘voor het vlees’: wat de doorn was, zegt de tekst niet. ἄγγελος Σατανᾶ (angelos Satana), ‘engel van Satan’: een gezant van de tegenstander. κολαφίζω (kolafizo), ‘met vuisten slaan, mishandelen’. ὑπεραίρομαι (hyperairomai), ‘zich verheffen’.

De zin ‘opdat ik mij niet zou verheffen’ staat twee keer in het Grieks; bij de tweede keer geeft de SBLGNT een variant aan.

Zie ook Gal. 4:13–14.

8Hierover heb ik de Heer drie keer gesmeekt dat deze van mij zou weggaan.
ὑπὲρ
(hyper)
over
τούτου
(toutou)
dit
τρὶς
(tris)
driemaal
τὸν
(ton)
de
κύριον
(kyrion)
Heer
παρεκάλεσα
(parekalesa)
smeekte ik
ἵνα
(hina)
opdat
ἀποστῇ
(aposte)
hij zou weggaan
ἀπ’
(ap’)
van
ἐμοῦ
(emou)
mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘De Heer’ is hier Yeshua; vergelijk ‘de kracht van de Messias’ in vers 9. παρακαλέω (parakaleo), hier ‘smeken’.

‘Deze’ in ‘dat deze van mij zou weggaan’ is de doorn, de engel van Satan.

Zie ook2 Kor 12:9
9En Hij heeft tegen mij gezegd: „Mijn genade is voldoende voor je, want de kracht wordt in zwakheid voltooid.” Zeer graag zal ik dus liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van de Messias over mij komt wonen.
καὶ
(kai)
en
εἴρηκέν
(eireken)
Hij heeft gezegd
μοι
(moi)
tot mij
Ἀρκεῖ
(Arkei)
is voldoende
σοι
(soi)
voor je
ἡ
(he)
de
χάρις
(charis)
genade
μου
(mou)
Mijn
ἡ
(he)
de
γὰρ
(gar)
want
δύναμις
(dynamis)
kracht
ἐν
(en)
in
ἀσθενείᾳ
(astheneia)
zwakheid
τελεῖται
(teleitai)
wordt voltooid
ἥδιστα
(hedista)
zeer graag
οὖν
(oun)
dus
μᾶλλον
(mallon)
liever
καυχήσομαι
(kauchesomai)
zal ik roemen
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
ἀσθενείαις
(astheneiais)
zwakheden
μου
(mou)
mijn
ἵνα
(hina)
opdat
ἐπισκηνώσῃ
(episkenose)
als in een tent zal wonen
ἐπ’
(ep’)
over
ἐμὲ
(eme)
mij
ἡ
(he)
de
δύναμις
(dynamis)
kracht
τοῦ
(tou)
van de
Χριστοῦ
(Christou)
Messias
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het antwoord is van de Heer, Yeshua; daarom staat het in rood. ἀρκέω (arkeo), ‘voldoende zijn’. τελέω (teleo), ‘voltooien’: tot volle werking brengen. ἐπισκηνόω (episkenoo), ‘als in een tent wonen over’; het woord is verwant aan σκηνόω (skenoo), ‘wonen’, in Joh. 1:14. δύναμις (dynamis), ‘kracht’.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ‘de kracht’ een tekstvariant.

Sommige handschriften hebben ‘Mijn kracht’ (μου).

Zie ook Joh. 1:14.

Zie ookJoh 1:14
10Daarom schep ik behagen in zwakheden, in smaad, in noden, in vervolgingen en benauwdheden, voor de Messias. Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk.
διὸ
(dio)
daarom
εὐδοκῶ
(eudoko)
schep ik behagen
ἐν
(en)
in
ἀσθενείαις
(astheneiais)
zwakheden
ἐν
(en)
in
ὕβρεσιν
(hybresin)
smaad
ἐν
(en)
in
ἀνάγκαις
(anankais)
noden
ἐν
(en)
in
διωγμοῖς
(diogmois)
vervolgingen
καὶ
(kai)
en
στενοχωρίαις
(stenochoriais)
benauwdheden
ὑπὲρ
(hyper)
voor
Χριστοῦ
(Christou)
de Messias
ὅταν
(hotan)
wanneer
γὰρ
(gar)
want
ἀσθενῶ
(astheno)
ik zwak ben
τότε
(tote)
dan
δυνατός
(dynatos)
sterk
εἰμι
(eimi)
ben ik
Bron: SBLGNT
Uitleg

εὐδοκέω (eudokeo), ‘behagen scheppen’: tevreden zijn met. ὕβρις (hybris), ‘smaad’: hoon, mishandeling. ἀνάγκη (anagke), ‘nood’. διωγμός (diogmos), ‘vervolging’. στενοχωρία (stenochoria), ‘benauwdheid’: letterlijk ‘nauwe ruimte’. δυνατός (dynatos), ‘sterk’.

Vergelijk de opsomming in 6:4–5.

Zie ook 2 Kor. 6:4–5.

De tekenen van een apostel

11Ik ben een dwaas geworden. Jullie hebben mij gedwongen. Ik had immers door jullie aanbevolen moeten worden. Want ik ben in niets tekortgeschoten bij de hoogverheven apostelen, ook al ben ik niets.
Γέγονα
(Gegona)
ik ben geworden
ἄφρων
(aphron)
dwaas
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
με
(me)
mij
ἠναγκάσατε
(enankasate)
dwongen
ἐγὼ
(ego)
ik
γὰρ
(gar)
want
ὤφειλον
(opheilon)
moest
ὑφ’
(hyph’)
door
ὑμῶν
(hymon)
jullie
συνίστασθαι
(synistasthai)
aanbevolen te worden
οὐδὲν
(ouden)
niets
γὰρ
(gar)
want
ὑστέρησα
(hysteresa)
schoot ik tekort
τῶν
(ton)
van de
ὑπερλίαν
(hyperlian)
hoogverheven
ἀποστόλων
(apostolon)
apostelen
εἰ
(ei)
als
καὶ
(kai)
ook
οὐδέν
(ouden)
niets
εἰμι
(eimi)
ben ik
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄφρων (afron), ‘dwaas’: zie 11:1. συνίστημι (synistemi), ‘aanbevelen’: zie 10:12. ὑπερλίαν ἀπόστολοι: zie 11:5.

Zie ook 2 Kor. 11:5.

Zie ook2 Kor 11:5
12De tekenen van de apostel zijn onder jullie gewerkt in alle volharding, met tekenen en wonderen en krachten.
τὰ
(ta)
de
μὲν
(men)
wel
σημεῖα
(semeia)
tekenen
τοῦ
(tou)
van de
ἀποστόλου
(apostolou)
apostel
κατειργάσθη
(kateirgasthe)
zijn gewerkt
ἐν
(en)
onder
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἐν
(en)
in
πάσῃ
(pase)
alle
ὑπομονῇ
(hypomone)
volharding
σημείοις
(semeiois)
met tekenen
τε
(te)
zowel
καὶ
(kai)
en
τέρασιν
(terasin)
wonderen
καὶ
(kai)
en
δυνάμεσιν
(dynamesin)
krachten
Bron: SBLGNT
Uitleg

σημεῖον (semeion), ‘teken’; τέρας (teras), ‘wonder’; δύναμις (dynamis), hier ‘kracht’: een daad van kracht.

Drie woorden voor wat Elohim door de apostel deed. ὑπομονή (hypomone), ‘volharding’.

Zie ook Hand. 14:3.

Zie ookHand 14:3
13Want waarin zijn jullie achtergesteld bij de overige gemeenten, behalve dat ikzelf jullie niet tot last was? Vergeef mij dit onrecht.
τί
(ti)
wat
γάρ
(gar)
want
ἐστιν
(estin)
is het
ὃ
(ho)
waarin
ἡσσώθητε
(hessothete)
jullie werden achtergesteld
ὑπὲρ
(hyper)
boven
τὰς
(tas)
de
λοιπὰς
(loipas)
overige
ἐκκλησίας
(ekklesias)
gemeenten
εἰ
(ei)
indien
μὴ
(me)
niet
ὅτι
(hoti)
dat
αὐτὸς
(autos)
zelf
ἐγὼ
(ego)
ik
οὐ
(ou)
niet
κατενάρκησα
(katenarkesa)
was tot last
ὑμῶν
(hymon)
van jullie
χαρίσασθέ
(charisasthe)
vergeef
μοι
(moi)
mij
τὴν
(ten)
het
ἀδικίαν
(adikian)
onrecht
ταύτην
(tauten)
dit
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἡσσάομαι (hessaomai), ‘achtergesteld worden’: er bekaaid afkomen. καταναρκάω (katanarkao), ‘tot last zijn’: zie 11:9. ἀδικία (adikia), ‘onrecht’. χαρίζομαι (charizomai), ‘vergeven’: eigenlijk ‘uit genade schenken’.

Vergelijk 11:8–9, waar Paulus steun van andere gemeenten aannam.

Zie ook 2 Kor. 11:8–9.

Paulus staat klaar om te komen

14Zie, dit is de derde keer dat ik klaarsta om naar jullie te komen, en ik zal geen last zijn. Want ik zoek niet wat van jullie is, maar jullie. De kinderen horen immers niet voor hun ouders te sparen, maar de ouders voor hun kinderen.
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
τρίτον
(triton)
derde
τοῦτο
(touto)
dit
ἑτοίμως
(hetoimos)
bereid
ἔχω
(echo)
heb ik
ἐλθεῖν
(elthein)
te komen
πρὸς
(pros)
naar
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
καταναρκήσω
(katanarkeso)
zal ik tot last zijn
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
ζητῶ
(zeto)
zoek ik
τὰ
(ta)
de dingen
ὑμῶν
(hymon)
van jullie
ἀλλὰ
(alla)
maar
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
ὀφείλει
(opheilei)
behoort
τὰ
(ta)
de
τέκνα
(tekna)
kinderen
τοῖς
(tois)
aan de
γονεῦσιν
(goneusin)
ouders
θησαυρίζειν
(thesaurizein)
schatten te sparen
ἀλλὰ
(alla)
maar
οἱ
(hoi)
de
γονεῖς
(goneis)
ouders
τοῖς
(tois)
aan de
τέκνοις
(teknois)
kinderen
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Voor de derde keer’: het Grieks kan betekenen dat Paulus nu voor de derde keer klaarstaat om te komen, of dat dit zijn derde bezoek zal zijn.

Vergelijk 13:1–2. θησαυρίζω (thesaurizo), ‘schatten opsparen’.

Zie ook 2 Kor. 13:1–2.

15Ik echter zal zeer graag uitgeven en mijzelf geheel uitgeven voor jullie zielen. Word ik minder liefgehad als ik jullie meer liefheb?
ἐγὼ
(ego)
ik
δὲ
(de)
maar
ἥδιστα
(hedista)
zeer graag
δαπανήσω
(dapaneso)
zal besteden
καὶ
(kai)
en
ἐκδαπανηθήσομαι
(ekdapanethesomai)
zal mijzelf geheel besteden
ὑπὲρ
(hyper)
voor
τῶν
(ton)
de
ψυχῶν
(psychon)
zielen
ὑμῶν
(hymon)
van jullie
εἰ
(ei)
als
περισσοτέρως
(perissoteros)
overvloediger
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἀγαπῶν
(agapon)
liefhebbend
ἧσσον
(hesson)
minder
ἀγαπῶμαι
(agapomai)
word ik liefgehad
Bron: SBLGNT
Uitleg

δαπανάω (dapanao), ‘uitgeven’; ἐκδαπανάω (ekdapanao), ‘geheel uitgeven, uitputten’. ψυχή (psyche), ‘ziel’: ook ‘leven’, de mens zelf.

16Laat het zo zijn: ik heb jullie niet tot last gezwaard. Maar, sluw als ik ben, heb ik jullie met list gevangen.
ἔστω
(esto)
laat het zijn
δέ
(de)
maar
ἐγὼ
(ego)
ik
οὐ
(ou)
niet
κατεβάρησα
(katebaresa)
zwaarde tot last
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἀλλὰ
(alla)
maar
ὑπάρχων
(hyparchon)
zijnde
πανοῦργος
(panourgos)
sluw
δόλῳ
(dolo)
met list
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἔλαβον
(elabon)
nam ik
Bron: SBLGNT
Uitleg

καταβαρέω (katabareo), ‘tot last zijn’: zwaar maken. πανοῦργος (panourgos), ‘sluw’; δόλος (dolos), ‘list’.

Dit klinkt als een verwijt dat Paulus aanhaalt; het Grieks zegt niet wie het maakt.

Vergelijk 10:10.

Zie ook 2 Kor. 10:10.

17Heb ik jullie soms uitgebuit door iemand van hen die ik naar jullie gezonden heb?
μή
(me)
toch niet
τινα
(tina)
iemand
ὧν
(hon)
van wie
ἀπέσταλκα
(apestalka)
heb ik gezonden
πρὸς
(pros)
naar
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
δι’
(di’)
door
αὐτοῦ
(autou)
hem
ἐπλεονέκτησα
(epleonektesa)
buitte ik uit
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

πλεονεκτέω (pleonekteo), ‘uitbuiten’: zie 7:2. ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’.

Zie ook 2 Kor. 7:2.

Zie ook2 Kor 7:2
18Ik heb Titus verzocht te gaan en ik heb de broer met hem meegezonden. Heeft Titus jullie soms uitgebuit? Hebben wij niet in dezelfde geest gewandeld? Niet in dezelfde voetsporen?
παρεκάλεσα
(parekalesa)
verzocht ik
Τίτον
(Titon)
Titus
καὶ
(kai)
en
συναπέστειλα
(synapesteila)
zond mee
τὸν
(ton)
de
ἀδελφόν
(adelphon)
broer
μήτι
(meti)
toch niet
ἐπλεονέκτησεν
(epleonektesen)
buitte uit
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
Τίτος
(Titos)
Titus
οὐ
(ou)
niet
τῷ
(to)
in de
αὐτῷ
(auto)
dezelfde
πνεύματι
(pneumati)
geest
περιεπατήσαμεν
(periepatesamen)
wandelden wij
οὐ
(ou)
niet
τοῖς
(tois)
in de
αὐτοῖς
(autois)
dezelfde
ἴχνεσιν
(ichnesin)
voetsporen
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘De broer’ wordt niet bij naam genoemd; vergelijk 8:18 en 8:22. πνεύματι (pneumati), ‘geest’: dezelfde houding; het Grieks kan ook ‘dezelfde Geest’ bedoelen. ἴχνος (ichnos), ‘voetspoor’. περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: zich gedragen.

Zie ook 2 Kor. 8:16–23.

Zorg om de gemeente

19Denken jullie al lang dat wij ons tegenover jullie verdedigen? Tegenover Elohim spreken wij, in de Messias. Alles, geliefden, is voor jullie opbouw.
Πάλαι
(Palai)
allang
δοκεῖτε
(dokeite)
denken jullie
ὅτι
(hoti)
dat
ὑμῖν
(hymin)
aan jullie
ἀπολογούμεθα
(apologoumetha)
verdedigen wij ons
κατέναντι
(katenanti)
tegenover
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐν
(en)
in
Χριστῷ
(Christo)
de Messias
λαλοῦμεν
(laloumen)
spreken wij
τὰ
(ta)
de dingen
δὲ
(de)
maar
πάντα
(panta)
alles
ἀγαπητοί
(agapetoi)
geliefden
ὑπὲρ
(hyper)
voor
τῆς
(tes)
de
ὑμῶν
(hymon)
van jullie
οἰκοδομῆς
(oikodomes)
opbouw
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπολογέομαι (apologeomai), ‘zich verdedigen’. κατέναντι θεοῦ (katenanti theou), ‘tegenover Elohim’: voor Zijn aangezicht. οἰκοδομή (oikodome), ‘opbouw’: zie 10:8.

Zie ook 2 Kor. 10:8.

Zie ook2 Kor 10:8
20Want ik vrees dat ik jullie bij mijn komst misschien niet vind zoals ik wil, en dat jullie mij vinden zoals jullie niet willen. Misschien is er twist, naijver, driftbuien, zelfzucht, kwaadsprekerij, fluisterpraat, opgeblazenheid, onrust.
φοβοῦμαι
(phoboumai)
ik vrees
γὰρ
(gar)
want
μή
(me)
dat niet
πως
(pos)
misschien
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
οὐχ
(ouch)
niet
οἵους
(hoious)
zodanig
θέλω
(thelo)
ik wil
εὕρω
(heuro)
vind
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
κἀγὼ
(kago)
en ik
εὑρεθῶ
(heuretho)
gevonden word
ὑμῖν
(hymin)
door jullie
οἷον
(hoion)
zodanig
οὐ
(ou)
niet
θέλετε
(thelete)
jullie willen
μή
(me)
dat niet
πως
(pos)
misschien
ἔρις
(eris)
twist
ζῆλος
(zelos)
naijver
θυμοί
(thymoi)
driftbuien
ἐριθεῖαι
(eritheiai)
zelfzucht
καταλαλιαί
(katalaliai)
kwaadsprekerij
ψιθυρισμοί
(psithyrismoi)
fluisterpraat
φυσιώσεις
(physioseis)
opgeblazenheid
ἀκαταστασίαι
(akatastasiai)
onrust
Bron: SBLGNT
Uitleg

Een lijst van gebreken. ἔρις (eris), ‘twist’; ζῆλος (zelos), hier ‘naijver’; θυμός (thymos), ‘driftbui’; ἐριθεία (eritheia), ‘zelfzucht’; καταλαλιά (katalalia), ‘kwaadsprekerij’; ψιθυρισμός (psithyrismos), ‘fluisterpraat’: heimelijk kwaadspreken; φυσίωσις (fysiosis), ‘opgeblazenheid’; ἀκαταστασία (akatastasia), ‘onrust’, zoals in 6:5.

Vergelijk de lijst in Gal. 5:19–21.

Zie ook Gal. 5:19–21.

21Misschien zal mijn Elohim mij weer vernederen bij jullie, als ik kom. En misschien moet ik rouwen over velen die eerder gezondigd hebben. Zij hebben zich niet bekeerd van de onreinheid, de ontucht en de losbandigheid die zij bedreven hebben.
μὴ
(me)
dat niet
πάλιν
(palin)
opnieuw
ἐλθόντος
(elthontos)
gekomen zijnde
μου
(mou)
ik
ταπεινώσῃ
(tapeinose)
zal vernederen
με
(me)
mij
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
μου
(mou)
mijn
πρὸς
(pros)
bij
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
καὶ
(kai)
en
πενθήσω
(pentheso)
zal rouwen over
πολλοὺς
(pollous)
velen
τῶν
(ton)
van degenen
προημαρτηκότων
(proemartekoton)
die eerder gezondigd hebben
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
μετανοησάντων
(metanoesanton)
zich bekeerd hebbend
ἐπὶ
(epi)
over
τῇ
(te)
de
ἀκαθαρσίᾳ
(akatharsia)
onreinheid
καὶ
(kai)
en
πορνείᾳ
(porneia)
ontucht
καὶ
(kai)
en
ἀσελγείᾳ
(aselgeia)
losbandigheid
ᾗ
(he)
die
ἔπραξαν
(epraxan)
zij bedreven
Bron: SBLGNT
Uitleg

ταπεινόω (tapeinoo), ‘vernederen’: zie 11:7. ἀκαθαρσία (akatharsia), ‘onreinheid’; πορνεία (porneia), ‘ontucht’: seksuele immoraliteit in het algemeen; ἀσέλγεια (aselgeia), ‘losbandigheid’. προαμαρτάνω (proamartano), ‘eerder zondigen’. μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’.

De zin hangt in het Grieks af van ‘ik vrees’ in vers 20; wij splitsen hem en vullen ‘misschien’ aan.

Zie ook Gal. 5:19.