Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Mozes zegent Israël vóór zijn dood
1Dit is de zegen waarmee Mozes, de man van Elohim, de zonen van Israël zegende vóór zijn dood.
וְזֹ֣את
(vezot)
en dit
הַבְּרָכָ֗ה
(haberakha)
de zegen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarmee
בֵּרַ֥ךְ
(berakh)
zegende
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
de Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
מוֹתֽוֹ
(moto)
zijn dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’Elohim), ‘man van Elohim’: een eretitel voor Mozes.
In de Torah staat deze titel alleen hier; later ook in Joz. 14:6.
De stammen volgen hier in een andere volgorde dan in Gen. 49 en Num. 1: Ruben, Juda, Levi, Benjamin, Jozef, Zebulon, Issachar, Gad, Dan, Naftali, Aser. Simeon wordt niet genoemd; zie bij vers 6.
2Hij zei: Yahweh kwam van Sinaï, Hij ging voor hen op uit Seïr, Hij straalde uit het gebergte Paran. Hij kwam uit heilige tienduizenden, uit Zijn rechterhand een vurige wet voor hen.
וַיֹּאמַ֗ר
(vayomar)
en hij zei
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
מִסִּינַ֥י
(misinay)
van Sinaï
בָּא֙
(ba)
kwam
וְזָרַ֤ח
(vezarach)
en ging op
מִשֵּׂעִיר֙
(miseir)
uit Seïr
לָ֔מוֹ
(lamo)
voor hen
הוֹפִ֨יעַ֙
(hofia)
Hij straalde
מֵהַ֣ר
(mehar)
uit het gebergte van
פָּארָ֔ן
(paran)
Paran
וְאָתָ֖ה
(veata)
en Hij kwam
מֵרִבְבֹ֣ת
(merivvot)
uit tienduizenden van
קֹ֑דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
מִֽימִינ֕וֹ
(mimino)
uit Zijn rechterhand
אֵ֥שׁ
(esh)
vuur van
דָּ֖ת
(dat)
wet
לָֽמוֹ
(lamo)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Sinaï (dezelfde berg als Horeb; de ligging is onzeker, traditioneel Jebel Musa), Seïr (bergland ten oosten van de Araba, Jordanië) en Paran (woestijn en bergland in het noorden van het Sinaïschiereiland, Egypte).
Zij liggen als een lijn van zuid naar noord: Yahweh komt als de opkomende zon.
Uitleg
רִבְבֹת קֹדֶשׁ (rivevot qodesh), ‘heilige tienduizenden’: de hemelse schare, de engelen.
אֵשׁ דָּת (esh dat), letterlijk ‘vuur van wet’: een vurige wet.
Het woord דָּת (dat) komt in de Torah verder niet voor, dus de betekenis is niet helemaal zeker.
Lezing
Sommige lezers verstaan ‘Meribat-Kades’ in plaats van ‘uit tienduizenden’.
Wij volgen ‘tienduizenden’, zoals ook de heiligen in vers 3 genoemd worden.
Aanvullend
Henoch 1:9 bevestigt dit: Hij komt met tienduizendtallen heiligen.
7Dit zei hij over Juda: Hoor, Yahweh, de stem van Juda en breng hem naar zijn volk. Zijn handen strijden voor hem; wees een hulp tegen zijn tegenstanders.
וְזֹ֣את
(vezot)
en dit
לִֽיהוּדָה֮
(lihuda)
voor Juda
וַיֹּאמַר֒
(vayomar)
en hij zei
שְׁמַ֤ע
(shema)
hoor
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
ק֣וֹל
(qol)
stem van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְאֶל
(veel)
en naar
עַמּ֖וֹ
(amo)
zijn volk
תְּבִיאֶ֑נּוּ
(tevienu)
breng hem
יָדָיו֙
(yadav)
zijn handen
רָ֣ב
(rav)
strijden
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
וְעֵ֥זֶר
(veezer)
en hulp
מִצָּרָ֖יו
(mitsarav)
tegen zijn tegenstanders
תִּהְיֶֽה
(tihye)
wees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Juda trekt als eerste op (Num. 2:9).
‘Breng hem naar zijn volk’: laat hem na de strijd terugkeren.
8Over Levi zei hij: Uw Tummim en Uw Urim zijn voor de man die U trouw is. U hebt hem op de proef gesteld bij Massa. U hebt met hem getwist bij het water van Meriba.
וּלְלֵוִ֣י
(ulelevi)
en voor Levi
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
תֻּמֶּ֥יךָ
(tumeikha)
Uw Tummim
וְאוּרֶ֖יךָ
(veureikha)
en Uw Urim
לְאִ֣ישׁ
(leish)
voor de man
חֲסִידֶ֑ךָ
(chasidekha)
die U trouw is
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נִסִּיתוֹ֙
(nisito)
U op de proef stelde
בְּמַסָּ֔ה
(bemasa)
bij Massa
תְּרִיבֵ֖הוּ
(terivehu)
U twistte met hem
עַל
(al)
bij
מֵ֥י
(mei)
water van
מְרִיבָֽה
(meriva)
Meriba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Massa: Massa lag volgens de overlevering bij Refidim, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
תֻּמִּים (tummim) en אוּרִים (urim): de voorwerpen waarmee Yahwehs oordeel werd gevraagd (Exod. 28:30; Num. 27:21).
Hier staat Tummim vóór Urim.
חָסִיד (chasid), ‘trouw’: iemand die trouw is, afgeleid van חֶסֶד (chesed), ‘trouw’.
9Hij die van zijn vader en zijn moeder zei: „Ik heb hem niet gezien”; zijn broers heeft hij niet erkend en zijn zonen heeft hij niet gekend. Want zij hebben Uw woord gehouden en Uw verbond bewaren zij.
הָאֹמֵ֞ר
(haomer)
die zegt
לְאָבִ֤יו
(leaviv)
tot zijn vader
וּלְאִמּוֹ֙
(uleimo)
en tot zijn moeder
לֹ֣א
(lo)
niet
רְאִיתִ֔יו
(reitiv)
ik heb hem gezien
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
לֹ֣א
(lo)
niet
הִכִּ֔יר
(hikir)
hij erkende
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדָ֑ע
(yada)
hij kende
כִּ֤י
(ki)
want
שָֽׁמְרוּ֙
(shameru)
zij hebben gehouden
אִמְרָתֶ֔ךָ
(imratekha)
Uw woord
וּבְרִֽיתְךָ֖
(uveritekha)
en Uw verbond
יִנְצֹֽרוּ
(yintsoru)
zij bewaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De Levieten stonden aan de kant van Yahweh, ook tegen hun eigen familie (Exod. 32:26–29).
Lezing
De woorden ‘Ik heb hem niet gezien’ zijn de woorden van de Leviet over zijn familie.
Wij zetten ze tussen aanhalingstekens, zoals andere aanhalingen in de toespraak.
11Zegen zijn kracht, Yahweh, en wees tevreden met het werk van zijn handen. Verbrijzel de heupen van wie tegen hem opstaan en van zijn haters, zodat zij niet meer opstaan.
בָּרֵ֤ךְ
(barekh)
zegen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
חֵיל֔וֹ
(cheilo)
zijn kracht
וּפֹ֥עַל
(ufoal)
en het werk van
יָדָ֖יו
(yadav)
zijn handen
תִּרְצֶ֑ה
(tirtse)
wees tevreden
מְחַ֨ץ
(mechats)
verbrijzel
מָתְנַ֧יִם
(matenayim)
heupen van
קָמָ֛יו
(qamav)
die tegen hem opstaan
וּמְשַׂנְאָ֖יו
(umesanav)
en zijn haters
מִן
(min)
zodat niet
יְקוּמֽוּן
(yequmun)
zij opstaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָחַץ (machats), ‘verbrijzelen’.
De heupen zijn de plaats van kracht; wie ze verliest, kan niet meer opstaan.
16en met het kostbaarste van de aarde en wat haar vult, en met het welbehagen van Hem die in de braamstruik woonde. Moge het komen op het hoofd van Jozef, op de kruin van de uitverkorene onder zijn broers.
וּמִמֶּ֗גֶד
(umimeged)
en met kostbaarheid van
אֶ֚רֶץ
(erets)
aarde
וּמְלֹאָ֔הּ
(umeloah)
en haar volheid
וּרְצ֥וֹן
(uretson)
en het welbehagen van
שֹׁכְנִ֖י
(shokheni)
Hem die woont
סְנֶ֑ה
(sene)
braamstruik
תָּב֨וֹאתָה֙
(tavota)
moge het komen
לְרֹ֣אשׁ
(lerosh)
op het hoofd van
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
וּלְקָדְקֹ֖ד
(uleqadeqod)
en op de kruin van
נְזִ֥יר
(nezir)
uitverkorene
אֶחָֽיו
(echav)
zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סְנֶה (seneh), ‘braamstruik’: de struik waarin Yahweh Zich aan Mozes liet zien (Exod. 3:2–4).
נָזִיר (nazir), ‘uitverkorene’: letterlijk ‘afgezonderde’, wie apart gezet is.
Zo ook voor Jozef onder zijn broers in Gen. 49:26.
17De eerstgeborene van zijn stier: pracht is voor hem; en de hoorns van een wilde stier zijn zijn hoorns. Daarmee stoot hij de volken neer, allen samen, tot de uiteinden van de aarde. Dat zijn de tienduizenden van Efraïm, en dat zijn de duizenden van Manasse.
בְּכ֨וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
שׁוֹר֜וֹ
(shoro)
zijn stier
הָדָ֣ר
(hadar)
pracht
ל֗וֹ
(lo)
voor hem
וְקַרְנֵ֤י
(veqarnei)
en hoorns van
רְאֵם֙
(reem)
wilde stier
קַרְנָ֔יו
(qarnav)
zijn hoorns
בָּהֶ֗ם
(bahem)
met hen
עַמִּ֛ים
(amim)
volken
יְנַגַּ֥ח
(yenagach)
hij stoot neer
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
אַפְסֵי
(afsei)
uiteinden van
אָ֑רֶץ
(arets)
aarde
וְהֵם֙
(vehem)
en zij
רִבְב֣וֹת
(rivvot)
tienduizenden van
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
וְהֵ֖ם
(vehem)
en zij
אַלְפֵ֥י
(alfei)
duizenden van
מְנַשֶּֽׁה
(menashe)
Manasse
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Efraïm krijgt de grootste zegen, de ‘tienduizenden’, en Manasse de ‘duizenden’; vergelijk Gen. 48:19.
19Zij roepen volken naar de berg; daar brengen zij slachtoffers van gerechtigheid. Want zij zuigen de overvloed van de zeeën en de verborgen schatten van het zand.
עַמִּים֙
(amim)
volken
הַר
(har)
berg
יִקְרָ֔אוּ
(yiqrau)
zij roepen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
יִזְבְּח֣וּ
(yizbechu)
zij brengen als offer
זִבְחֵי
(zivchei)
slachtoffers van
צֶ֑דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
כִּ֣י
(ki)
want
שֶׁ֤פַע
(shefa)
overvloed van
יַמִּים֙
(yamim)
zeeën
יִינָ֔קוּ
(yinaqu)
zij zuigen
וּשְׂפוּנֵ֖י
(usefunei)
en verborgen dingen van
טְמ֥וּנֵי
(temunei)
verborgen
חֽוֹל
(chol)
zand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֶׁפַע יַמִּים (shefa yamim), ‘overvloed van de zeeën’: de rijkdom van de zee en de handel.
טְמוּנֵי חוֹל (temunei chol), ‘verborgen schatten van het zand’: wat in het zand verborgen ligt.
21Hij zag het eerste deel voor zich, want daar is het aandeel van de wetgever bewaard. Hij kwam met de hoofden van het volk; hij deed de gerechtigheid van Yahweh en Zijn rechtsregels met Israël.
וַיַּ֤רְא
(vayar)
en hij zag
רֵאשִׁית֙
(reshit)
eerste deel
ל֔וֹ
(lo)
voor zich
כִּי
(ki)
want
שָׁ֛ם
(sham)
daar
חֶלְקַ֥ת
(chelqat)
aandeel van
מְחֹקֵ֖ק
(mechoqeq)
wetgever
סָפ֑וּן
(safun)
bewaard
וַיֵּתֵא֙
(vayete)
en hij kwam
רָ֣אשֵׁי
(rashei)
hoofden van
עָ֔ם
(am)
volk
צִדְקַ֤ת
(tsidqat)
gerechtigheid van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עָשָׂ֔ה
(asa)
hij deed
וּמִשְׁפָּטָ֖יו
(umishpatav)
en Zijn rechtsregels
עִם
(im)
met
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Gad koos zijn deel als eerste (Num. 32:1–5, 32–33).
מְחֹקֵק (mechoqeq), ‘wetgever’: dat is Mozes, die in dat gebied begraven is (Deut. 34:6).
29Gelukkig ben je, Israël! Wie is als jij, een volk, gered door Yahweh, het schild van je hulp en het zwaard van je hoogheid? Je vijanden zullen voor je kruipen, en jij zult treden op hun hoogten.
אַשְׁרֶ֨יךָ
(ashreikha)
gelukkig ben je
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
מִ֣י
(mi)
wie
כָמ֗וֹךָ
(kamokha)
is als jij
עַ֚ם
(am)
volk
נוֹשַׁ֣ע
(nosha)
gered
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
door Yahweh
מָגֵ֣ן
(magen)
schild van
עֶזְרֶ֔ךָ
(ezrekha)
je hulp
וַאֲשֶׁר
(vaasher)
en dat
חֶ֖רֶב
(cherev)
zwaard van
גַּאֲוָתֶ֑ךָ
(gaavatekha)
je hoogheid
וְיִכָּֽחֲשׁ֤וּ
(veyikachashu)
en zullen kruipen
אֹיְבֶ֨יךָ֙
(oyeveikha)
je vijanden
לָ֔ךְ
(lakh)
voor je
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
עַל
(al)
op
בָּמוֹתֵ֥ימוֹ
(bamoteimo)
hun hoogten
תִדְרֹֽךְ
(tidrokh)
zult treden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִכָּחֲשׁוּ (yikkachashu), letterlijk ‘zullen liegen’: zich uit angst onderwerpen en mooi praten.
Wij vertalen ‘kruipen’.
בָּמוֹתֵימוֹ (bamotemo), ‘hun hoogten’: de offerhoogten van de vijanden.