Elohim Bijbel

Deuteronomium 33

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

De zegen van Mozes over de stammen van Israël

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Mozes zegent Israël vóór zijn dood

1Dit is de zegen waarmee Mozes, de man van Elohim, de zonen van Israël zegende vóór zijn dood.
וְזֹ֣את
(vezot)
en dit
הַבְּרָכָ֗ה
(haberakha)
de zegen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarmee
בֵּרַ֥ךְ
(berakh)
zegende
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
de Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
מוֹתֽוֹ
(moto)
zijn dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’Elohim), ‘man van Elohim’: een eretitel voor Mozes.

In de Torah staat deze titel alleen hier; later ook in Joz. 14:6.

De stammen volgen hier in een andere volgorde dan in Gen. 49 en Num. 1: Ruben, Juda, Levi, Benjamin, Jozef, Zebulon, Issachar, Gad, Dan, Naftali, Aser. Simeon wordt niet genoemd; zie bij vers 6.

Yahweh komt van Sinaï

2Hij zei: Yahweh kwam van Sinaï, Hij ging voor hen op uit Seïr, Hij straalde uit het gebergte Paran. Hij kwam uit heilige tienduizenden, uit Zijn rechterhand een vurige wet voor hen.
וַיֹּאמַ֗ר
(vayomar)
en hij zei
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
מִסִּינַ֥י
(misinay)
van Sinaï
בָּא֙
(ba)
kwam
וְזָרַ֤ח
(vezarach)
en ging op
מִשֵּׂעִיר֙
(miseir)
uit Seïr
לָ֔מוֹ
(lamo)
voor hen
הוֹפִ֨יעַ֙
(hofia)
Hij straalde
מֵהַ֣ר
(mehar)
uit het gebergte van
פָּארָ֔ן
(paran)
Paran
וְאָתָ֖ה
(veata)
en Hij kwam
מֵרִבְבֹ֣ת
(merivvot)
uit tienduizenden van
קֹ֑דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
מִֽימִינ֕וֹ
(mimino)
uit Zijn rechterhand
אֵ֥שׁ
(esh)
vuur van
דָּ֖ת
(dat)
wet
לָֽמוֹ
(lamo)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sinaï (dezelfde berg als Horeb; de ligging is onzeker, traditioneel Jebel Musa), Seïr (bergland ten oosten van de Araba, Jordanië) en Paran (woestijn en bergland in het noorden van het Sinaïschiereiland, Egypte).

Zij liggen als een lijn van zuid naar noord: Yahweh komt als de opkomende zon.

Uitleg

רִבְבֹת קֹדֶשׁ (rivevot qodesh), ‘heilige tienduizenden’: de hemelse schare, de engelen.

אֵשׁ דָּת (esh dat), letterlijk ‘vuur van wet’: een vurige wet.

Het woord דָּת (dat) komt in de Torah verder niet voor, dus de betekenis is niet helemaal zeker.

Lezing

Sommige lezers verstaan ‘Meribat-Kades’ in plaats van ‘uit tienduizenden’.

Wij volgen ‘tienduizenden’, zoals ook de heiligen in vers 3 genoemd worden.

Aanvullend

Henoch 1:9 bevestigt dit: Hij komt met tienduizendtallen heiligen.

3Ja, Hij heeft de volken lief. Al Zijn heiligen zijn in Uw hand. Zij hebben zich neergelegd aan Uw voeten, ieder ontvangt van Uw woorden.
אַ֚ף
(af)
ja
חֹבֵ֣ב
(chovev)
liefhebber van
עַמִּ֔ים
(amim)
volken
כָּל
(kal)
al
קְדֹשָׁ֖יו
(qedoshav)
Zijn heiligen
בְּיָדֶ֑ךָ
(beyadekha)
in Uw hand
וְהֵם֙
(vehem)
en zij
תֻּכּ֣וּ
(tuku)
hebben zich neergelegd
לְרַגְלֶ֔ךָ
(leraglekha)
aan Uw voeten
יִשָּׂ֖א
(yisa)
hij ontvangt
מִדַּבְּרֹתֶֽיךָ
(midaberoteikha)
van Uw woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Dit vers is moeilijk.

Het woord תֻּכּוּ (tukku) komt maar één keer voor; wij vertalen ‘zij hebben zich neergelegd’.

Het woord עַמִּים (amim) kan ‘volken’ of ‘stammen’ betekenen.

Wij volgen ‘volken’.

Het voornaamwoord wisselt hier van ‘Hij’ naar ‘U’: de tekst spreekt eerst over Yahweh en dan tot Hem.

4Mozes heeft ons een wet geboden, een bezit voor de vergadering van Jakob.
תּוֹרָ֥ה
(tora)
wet
צִוָּה
(tsiva)
gebood
לָ֖נוּ
(lanu)
aan ons
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
מוֹרָשָׁ֖ה
(morasha)
bezit
קְהִלַּ֥ת
(qehilat)
vergadering van
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’.

מוֹרָשָׁה (morashah), ‘bezit’: wat wordt overgenomen als erfdeel.

5Er was een koning in Jesurun, toen de hoofden van het volk bijeenkwamen, samen met de stammen van Israël.
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en er was
בִישֻׁר֖וּן
(bishurun)
in Jesurun
מֶ֑לֶךְ
(melekh)
koning
בְּהִתְאַסֵּף֙
(behitasef)
bij het bijeenkomen van
רָ֣אשֵׁי
(rashei)
hoofden van
עָ֔ם
(am)
volk
יַ֖חַד
(yachad)
samen
שִׁבְטֵ֥י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt niet wie de koning is.

Wij lezen Yahweh (Exod. 15:18); anderen lezen Mozes.

Wij laten het open.

יְשֻׁרוּן (Jesurun), een naam voor Israël, zoals in Deut. 32:15.

Ruben

6Moge Ruben leven en niet sterven, en mogen zijn mannen te tellen zijn.
יְחִ֥י
(yechi)
moge leven
רְאוּבֵ֖ן
(reuven)
Ruben
וְאַל
(veal)
en niet
יָמֹ֑ת
(yamot)
moge sterven
וִיהִ֥י
(vihi)
en mogen zijn
מְתָ֖יו
(metav)
zijn mannen
מִסְפָּֽר
(mispar)
te tellen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Simeon wordt in dit hoofdstuk niet genoemd.

In Gen. 49:5–7 zegt Jakob over Simeon en Levi dat hij hen zal verdelen in Jakob en verspreiden in Israël.

Lezing

מְתָיו מִסְפָּר (metav mispar), ‘zijn mannen te tellen’: in Gen. 34:30 en Deut. 4:27 betekent dezelfde uitdrukking ‘weinig mannen’.

Het is dus een zegen voor een stam die klein is geworden.

De Septuaginta heeft hier ‘en laat hij talrijk zijn’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Juda

7Dit zei hij over Juda: Hoor, Yahweh, de stem van Juda en breng hem naar zijn volk. Zijn handen strijden voor hem; wees een hulp tegen zijn tegenstanders.
וְזֹ֣את
(vezot)
en dit
לִֽיהוּדָה֮
(lihuda)
voor Juda
וַיֹּאמַר֒
(vayomar)
en hij zei
שְׁמַ֤ע
(shema)
hoor
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
ק֣וֹל
(qol)
stem van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְאֶל
(veel)
en naar
עַמּ֖וֹ
(amo)
zijn volk
תְּבִיאֶ֑נּוּ
(tevienu)
breng hem
יָדָיו֙
(yadav)
zijn handen
רָ֣ב
(rav)
strijden
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
וְעֵ֥זֶר
(veezer)
en hulp
מִצָּרָ֖יו
(mitsarav)
tegen zijn tegenstanders
תִּהְיֶֽה
(tihye)
wees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Juda trekt als eerste op (Num. 2:9).

‘Breng hem naar zijn volk’: laat hem na de strijd terugkeren.

Levi

8Over Levi zei hij: Uw Tummim en Uw Urim zijn voor de man die U trouw is. U hebt hem op de proef gesteld bij Massa. U hebt met hem getwist bij het water van Meriba.
וּלְלֵוִ֣י
(ulelevi)
en voor Levi
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
תֻּמֶּ֥יךָ
(tumeikha)
Uw Tummim
וְאוּרֶ֖יךָ
(veureikha)
en Uw Urim
לְאִ֣ישׁ
(leish)
voor de man
חֲסִידֶ֑ךָ
(chasidekha)
die U trouw is
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
נִסִּיתוֹ֙
(nisito)
U op de proef stelde
בְּמַסָּ֔ה
(bemasa)
bij Massa
תְּרִיבֵ֖הוּ
(terivehu)
U twistte met hem
עַל
(al)
bij
מֵ֥י
(mei)
water van
מְרִיבָֽה
(meriva)
Meriba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Massa: Massa lag volgens de overlevering bij Refidim, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

תֻּמִּים (tummim) en אוּרִים (urim): de voorwerpen waarmee Yahwehs oordeel werd gevraagd (Exod. 28:30; Num. 27:21).

Hier staat Tummim vóór Urim.

חָסִיד (chasid), ‘trouw’: iemand die trouw is, afgeleid van חֶסֶד (chesed), ‘trouw’.

Massa en Meriba: Exod. 17:7 en Num. 20:13.

9Hij die van zijn vader en zijn moeder zei: „Ik heb hem niet gezien”; zijn broers heeft hij niet erkend en zijn zonen heeft hij niet gekend. Want zij hebben Uw woord gehouden en Uw verbond bewaren zij.
הָאֹמֵ֞ר
(haomer)
die zegt
לְאָבִ֤יו
(leaviv)
tot zijn vader
וּלְאִמּוֹ֙
(uleimo)
en tot zijn moeder
לֹ֣א
(lo)
niet
רְאִיתִ֔יו
(reitiv)
ik heb hem gezien
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶחָיו֙
(echav)
zijn broers
לֹ֣א
(lo)
niet
הִכִּ֔יר
(hikir)
hij erkende
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדָ֑ע
(yada)
hij kende
כִּ֤י
(ki)
want
שָֽׁמְרוּ֙
(shameru)
zij hebben gehouden
אִמְרָתֶ֔ךָ
(imratekha)
Uw woord
וּבְרִֽיתְךָ֖
(uveritekha)
en Uw verbond
יִנְצֹֽרוּ
(yintsoru)
zij bewaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Levieten stonden aan de kant van Yahweh, ook tegen hun eigen familie (Exod. 32:26–29).

Lezing

De woorden ‘Ik heb hem niet gezien’ zijn de woorden van de Leviet over zijn familie.

Wij zetten ze tussen aanhalingstekens, zoals andere aanhalingen in de toespraak.

10Zij onderwijzen Jakob in Uw rechtsregels en Israël in Uw wet. Zij leggen wierook voor Uw neus en een geheel offer op Uw altaar.
יוֹר֤וּ
(yoru)
zij onderwijzen
מִשְׁפָּטֶ֨יךָ֙
(mishpateikha)
Uw rechtsregels
לְיַעֲקֹ֔ב
(leyaaqov)
aan Jakob
וְתוֹרָתְךָ֖
(vetoratekha)
en Uw wet
לְיִשְׂרָאֵ֑ל
(leyisrael)
aan Israël
יָשִׂ֤ימוּ
(yasimu)
zij leggen
קְטוֹרָה֙
(qetora)
wierook
בְּאַפֶּ֔ךָ
(beapekha)
voor Uw neus
וְכָלִ֖יל
(vekhalil)
en een geheel offer
עַֽל
(al)
op
מִזְבְּחֶֽךָ
(mizbechekha)
Uw altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְטוֹרָה (qetorah), ‘wierook’.

כָּלִיל (kalil), ‘geheel offer’: het hele offer gaat op in het vuur; zie Lev. 6:15–16.

בְּאַפֶּךָ (be’appekha), letterlijk ‘in Uw neus’: voor Uw aangezicht, zodat Hij de geur ruikt.

11Zegen zijn kracht, Yahweh, en wees tevreden met het werk van zijn handen. Verbrijzel de heupen van wie tegen hem opstaan en van zijn haters, zodat zij niet meer opstaan.
בָּרֵ֤ךְ
(barekh)
zegen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
חֵיל֔וֹ
(cheilo)
zijn kracht
וּפֹ֥עַל
(ufoal)
en het werk van
יָדָ֖יו
(yadav)
zijn handen
תִּרְצֶ֑ה
(tirtse)
wees tevreden
מְחַ֨ץ
(mechats)
verbrijzel
מָתְנַ֧יִם
(matenayim)
heupen van
קָמָ֛יו
(qamav)
die tegen hem opstaan
וּמְשַׂנְאָ֖יו
(umesanav)
en zijn haters
מִן
(min)
zodat niet
יְקוּמֽוּן
(yequmun)
zij opstaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָחַץ (machats), ‘verbrijzelen’.

De heupen zijn de plaats van kracht; wie ze verliest, kan niet meer opstaan.

Benjamin

12Over Benjamin zei hij: De geliefde van Yahweh woont veilig bij Hem. Hij beschermt hem de hele dag en Hij woont tussen zijn schouders.
לְבִנְיָמִ֣ן
(levinyamin)
voor Benjamin
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
יְדִ֣יד
(yedid)
geliefde van
יְהֹוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יִשְׁכֹּ֥ן
(yishkon)
hij zal wonen
לָבֶ֖טַח
(lavetach)
veilig
עָלָ֑יו
(alav)
bij Hem
חֹפֵ֤ף
(chofef)
Hij beschermt
עָלָיו֙
(alav)
hem
כָּל
(kal)
heel
הַיּ֔וֹם
(hayom)
de dag
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
כְּתֵיפָ֖יו
(keteifav)
zijn schouders
שָׁכֵֽן
(shakhen)
Hij woont
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

עָלָיו (alav) heeft twee mogelijkheden: ‘bij Hem’ of ‘bij hem’.

Wij lezen ‘bij Hem’: de geliefde van Yahweh woont veilig bij zijn Beschermer.

Het slot, ‘tussen zijn schouders’, spreekt over Yahweh die tussen de schouders van Benjamin woont.

Jozef

13Over Jozef zei hij: Gezegend door Yahweh zij zijn land, met het kostbaarste van de hemel, met de dauw, en van de watermassa die onderaan ligt,
וּלְיוֹסֵ֣ף
(uleyosef)
en voor Jozef
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
מְבֹרֶ֥כֶת
(mevorekhet)
gezegend van
יְהֹוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אַרְצ֑וֹ
(artso)
zijn land
מִמֶּ֤גֶד
(mimeged)
met kostbaarheid van
שָׁמַ֨יִם֙
(shamayim)
hemel
מִטָּ֔ל
(mital)
met dauw
וּמִתְּה֖וֹם
(umitehom)
en met watermassa
רֹבֶ֥צֶת
(rovetset)
liggend
תָּֽחַת
(tachat)
onderaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jozef staat hier voor Efraïm en Manasse (vers 17); zie ook Gen. 49:22–26.

תְּהוֹם (tehom), ‘watermassa’: het water onder de aarde, zoals in Gen. 1:2.

14en met het kostbaarste van de opbrengst van de zon, en met het kostbaarste van wat de maanden voortbrengen,
וּמִמֶּ֖גֶד
(umimeged)
en met kostbaarheid van
תְּבוּאֹ֣ת
(tevuot)
opbrengst van
שָׁ֑מֶשׁ
(shamesh)
zon
וּמִמֶּ֖גֶד
(umimeged)
en met kostbaarheid van
גֶּ֥רֶשׁ
(geresh)
voortbrengsel van
יְרָחִֽים
(yerachim)
maanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְרָחִים (yerachim), ‘maanden’: letterlijk ‘manen’.

Zon en maanden samen geven de opbrengst van het jaar.

15en met het beste van de oeroude bergen, en met het kostbaarste van de eeuwige heuvels,
וּמֵרֹ֖אשׁ
(umerosh)
en met het beste van
הַרְרֵי
(harrei)
bergen van
קֶ֑דֶם
(qedem)
oudheid
וּמִמֶּ֖גֶד
(umimeged)
en met kostbaarheid van
גִּבְע֥וֹת
(givot)
heuvels van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16en met het kostbaarste van de aarde en wat haar vult, en met het welbehagen van Hem die in de braamstruik woonde. Moge het komen op het hoofd van Jozef, op de kruin van de uitverkorene onder zijn broers.
וּמִמֶּ֗גֶד
(umimeged)
en met kostbaarheid van
אֶ֚רֶץ
(erets)
aarde
וּמְלֹאָ֔הּ
(umeloah)
en haar volheid
וּרְצ֥וֹן
(uretson)
en het welbehagen van
שֹׁכְנִ֖י
(shokheni)
Hem die woont
סְנֶ֑ה
(sene)
braamstruik
תָּב֨וֹאתָה֙
(tavota)
moge het komen
לְרֹ֣אשׁ
(lerosh)
op het hoofd van
יוֹסֵ֔ף
(yosef)
Jozef
וּלְקָדְקֹ֖ד
(uleqadeqod)
en op de kruin van
נְזִ֥יר
(nezir)
uitverkorene
אֶחָֽיו
(echav)
zijn broers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְנֶה (seneh), ‘braamstruik’: de struik waarin Yahweh Zich aan Mozes liet zien (Exod. 3:2–4).

נָזִיר (nazir), ‘uitverkorene’: letterlijk ‘afgezonderde’, wie apart gezet is.

Zo ook voor Jozef onder zijn broers in Gen. 49:26.

17De eerstgeborene van zijn stier: pracht is voor hem; en de hoorns van een wilde stier zijn zijn hoorns. Daarmee stoot hij de volken neer, allen samen, tot de uiteinden van de aarde. Dat zijn de tienduizenden van Efraïm, en dat zijn de duizenden van Manasse.
בְּכ֨וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
שׁוֹר֜וֹ
(shoro)
zijn stier
הָדָ֣ר
(hadar)
pracht
ל֗וֹ
(lo)
voor hem
וְקַרְנֵ֤י
(veqarnei)
en hoorns van
רְאֵם֙
(reem)
wilde stier
קַרְנָ֔יו
(qarnav)
zijn hoorns
בָּהֶ֗ם
(bahem)
met hen
עַמִּ֛ים
(amim)
volken
יְנַגַּ֥ח
(yenagach)
hij stoot neer
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
אַפְסֵי
(afsei)
uiteinden van
אָ֑רֶץ
(arets)
aarde
וְהֵם֙
(vehem)
en zij
רִבְב֣וֹת
(rivvot)
tienduizenden van
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
וְהֵ֖ם
(vehem)
en zij
אַלְפֵ֥י
(alfei)
duizenden van
מְנַשֶּֽׁה
(menashe)
Manasse
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Efraïm krijgt de grootste zegen, de ‘tienduizenden’, en Manasse de ‘duizenden’; vergelijk Gen. 48:19.

Zebulon en Issachar

18Over Zebulon zei hij: Verheug je, Zebulon, wanneer je uittrekt, en Issachar, in je tenten.
וְלִזְבוּלֻ֣ן
(velizvulun)
en voor Zebulon
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
שְׂמַ֥ח
(semach)
verheug je
זְבוּלֻ֖ן
(zevulun)
Zebulon
בְּצֵאתֶ֑ךָ
(betsetekha)
bij je uittrekken
וְיִשָּׂשכָ֖ר
(veyisashkhar)
en Issachar
בְּאֹהָלֶֽיךָ
(beohaleikha)
in je tenten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zebulon is de stam van ‘uittrekken’ (handel en scheepvaart), Issachar die van ‘tenten’; vergelijk Gen. 49:13–15.

19Zij roepen volken naar de berg; daar brengen zij slachtoffers van gerechtigheid. Want zij zuigen de overvloed van de zeeën en de verborgen schatten van het zand.
עַמִּים֙
(amim)
volken
הַר
(har)
berg
יִקְרָ֔אוּ
(yiqrau)
zij roepen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
יִזְבְּח֣וּ
(yizbechu)
zij brengen als offer
זִבְחֵי
(zivchei)
slachtoffers van
צֶ֑דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
כִּ֣י
(ki)
want
שֶׁ֤פַע
(shefa)
overvloed van
יַמִּים֙
(yamim)
zeeën
יִינָ֔קוּ
(yinaqu)
zij zuigen
וּשְׂפוּנֵ֖י
(usefunei)
en verborgen dingen van
טְמ֥וּנֵי
(temunei)
verborgen
חֽוֹל
(chol)
zand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁפַע יַמִּים (shefa yamim), ‘overvloed van de zeeën’: de rijkdom van de zee en de handel.

טְמוּנֵי חוֹל (temunei chol), ‘verborgen schatten van het zand’: wat in het zand verborgen ligt.

Gad

20Over Gad zei hij: Gezegend is Hij die Gad ruimte geeft. Als een leeuwin woont hij, en hij scheurt een arm, ja, een kruin.
וּלְגָ֣ד
(ulegad)
en voor Gad
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
בָּר֖וּךְ
(barukh)
gezegend
מַרְחִ֣יב
(marchiv)
Hij die ruimte geeft aan
גָּ֑ד
(gad)
Gad
כְּלָבִ֣יא
(kelavi)
als een leeuwin
שָׁכֵ֔ן
(shakhen)
hij woont
וְטָרַ֥ף
(vetaraf)
en hij scheurt
זְר֖וֹעַ
(zeroa)
arm
אַף
(af)
ja
קָדְקֹֽד
(qadeqod)
kruin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gad kreeg zijn gebied ten oosten van de Jordaan, in Gilead (Num. 32).

Zie ook Gen. 49:19.

21Hij zag het eerste deel voor zich, want daar is het aandeel van de wetgever bewaard. Hij kwam met de hoofden van het volk; hij deed de gerechtigheid van Yahweh en Zijn rechtsregels met Israël.
וַיַּ֤רְא
(vayar)
en hij zag
רֵאשִׁית֙
(reshit)
eerste deel
ל֔וֹ
(lo)
voor zich
כִּי
(ki)
want
שָׁ֛ם
(sham)
daar
חֶלְקַ֥ת
(chelqat)
aandeel van
מְחֹקֵ֖ק
(mechoqeq)
wetgever
סָפ֑וּן
(safun)
bewaard
וַיֵּתֵא֙
(vayete)
en hij kwam
רָ֣אשֵׁי
(rashei)
hoofden van
עָ֔ם
(am)
volk
צִדְקַ֤ת
(tsidqat)
gerechtigheid van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עָשָׂ֔ה
(asa)
hij deed
וּמִשְׁפָּטָ֖יו
(umishpatav)
en Zijn rechtsregels
עִם
(im)
met
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Gad koos zijn deel als eerste (Num. 32:1–5, 32–33).

מְחֹקֵק (mechoqeq), ‘wetgever’: dat is Mozes, die in dat gebied begraven is (Deut. 34:6).

Dan

22Over Dan zei hij: Dan is een leeuwenwelp, hij springt uit de Basan.
וּלְדָ֣ן
(uledan)
en voor Dan
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
דָּ֖ן
(dan)
Dan
גּ֣וּר
(gur)
welp van
אַרְיֵ֑ה
(arye)
leeuw
יְזַנֵּ֖ק
(yezaneq)
hij springt
מִן
(min)
uit
הַבָּשָֽׁן
(habashan)
de Basan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.

Uitleg

De Basan ligt ten noorden van Gad.

Een deel van Dan trok later naar het noorden van het land.

Het Hebreeuws heeft bij Basan het lidwoord (הַבָּשָׁן, habbashan).

Naftali

23Over Naftali zei hij: Naftali, verzadigd van welbehagen en vol van de zegen van Yahweh, neem het meer en het zuiden in bezit.
וּלְנַפְתָּלִ֣י
(ulenaftali)
en voor Naftali
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
נַפְתָּלִי֙
(naftali)
Naftali
שְׂבַ֣ע
(seva)
verzadigd van
רָצ֔וֹן
(ratson)
welbehagen
וּמָלֵ֖א
(umale)
en vol van
בִּרְכַּ֣ת
(birkat)
zegen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
יָ֥ם
(yam)
meer
וְדָר֖וֹם
(vedarom)
en zuiden
יְרָֽשָׁה
(yerasha)
neem in bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָם (yam), ‘zee’: bij Naftali ligt het Meer van Galilea; wij vertalen ‘het meer’.

דָּרוֹם (darom), ‘zuiden’.

רָצוֹן (ratson), ‘welbehagen’: wat Yahweh behaagt; hetzelfde woord als in vers 16.

Aser

24Over Aser zei hij: Aser is meer gezegend dan de zonen; moge hij geliefd zijn bij zijn broers, en hij doopt zijn voet in olie.
וּלְאָשֵׁ֣ר
(uleasher)
en voor Aser
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
בָּר֥וּךְ
(barukh)
gezegend
מִבָּנִ֖ים
(mibanim)
boven de zonen
אָשֵׁ֑ר
(asher)
Aser
יְהִ֤י
(yehi)
moge zijn
רְצוּי֙
(retsuy)
geliefd bij
אֶחָ֔יו
(echav)
zijn broers
וְטֹבֵ֥ל
(vetovel)
en hij dompelt
בַּשֶּׁ֖מֶן
(bashemen)
in olie
רַגְלֽוֹ
(raglo)
zijn voet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טֹבֵל בַּשֶּׁמֶן רַגְלוֹ (tovel bashemen raglo), ‘zijn voet in olie dopen’: een beeld van de rijke olijfgaarden van Aser; vergelijk Gen. 49:20.

25Ijzer en koper zijn je sloten, en zoals je dagen, zo is je kracht.
בַּרְזֶ֥ל
(barzel)
ijzer
וּנְחֹ֖שֶׁת
(unechoshet)
en koper
מִנְעָלֶ֑יךָ
(minaleikha)
je sloten
וּכְיָמֶ֖יךָ
(ukheyameikha)
en zoals je dagen
דָּבְאֶֽךָ
(daveekha)
je kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

מִנְעָל (minal), ‘slot’ of ‘sandaal’: het woord komt maar één keer voor en de betekenis is niet zeker.

Ook דֹּבְאֶךָ (dove’kha), ‘je kracht’, komt maar één keer voor.

Wij kiezen ‘sloten’ en ‘kracht’.

Er is niemand als de El van Jesurun

26Niemand is als de El, Jesurun: Hij rijdt op de hemel om je te helpen, in Zijn hoogheid op de wolken.
אֵ֥ין
(ein)
niet is
כָּאֵ֖ל
(kael)
als El
יְשֻׁר֑וּן
(yeshurun)
Jesurun
רֹכֵ֤ב
(rokhev)
rijder op
שָׁמַ֨יִם֙
(shamayim)
hemel
בְעֶזְרֶ֔ךָ
(beezrekha)
tot je hulp
וּבְגַאֲוָת֖וֹ
(uvegaavato)
en in Zijn hoogheid
שְׁחָקִֽים
(shechaqim)
wolken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jesurun is hier een aanspreekvorm: ‘Niemand is als de El, Jesurun’.

Zie Deut. 32:15 en 33:5.

אֵין כָּאֵל (ein ka’El), ‘niemand is als El’, lijkt op Exod. 15:11.

27Een woonplaats is de Elohim van vroeger, en onder je zijn eeuwige armen. Hij verdreef de vijand voor je uit en zei: „Vernietig!”
מְעֹנָה֙
(meona)
woonplaats
אֱלֹ֣הֵי
(elohei)
Elohim van
קֶ֔דֶם
(qedem)
oudheid
וּמִתַּ֖חַת
(umitachat)
en onder
זְרֹעֹ֣ת
(zeroot)
armen van
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwigheid
וַיְגָ֧רֶשׁ
(vaygaresh)
en Hij verdreef
מִפָּנֶ֛יךָ
(mipaneikha)
voor je
אוֹיֵ֖ב
(oyev)
vijand
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
הַשְׁמֵֽד
(hashmed)
vernietig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְעֹנָה (me’onah), ‘woonplaats’: een plek om thuis te zijn.

Wij vertalen ‘woonplaats’ en niet ‘schuilplaats’.

Lezing

Het Hebreeuws zegt niet uitdrukkelijk wie ‘Vernietig!’ zegt.

Wij lezen het als het bevel van Elohim en zetten het rood.

28Zo woont Israël veilig, alleen; de bron van Jakob is in een land van graan en nieuwe wijn. Ook zijn hemel laat dauw druipen.
וַיִּשְׁכֹּן֩
(vayishkon)
en woont
יִשְׂרָאֵ֨ל
(yisrael)
Israël
בֶּ֤טַח
(betach)
veilig
בָּדָד֙
(badad)
alleen
עֵ֣ין
(ein)
bron van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
in
אֶ֖רֶץ
(erets)
land van
דָּגָ֣ן
(dagan)
graan
וְתִיר֑וֹשׁ
(vetirosh)
en nieuwe wijn
אַף
(af)
ook
שָׁמָ֖יו
(shamav)
zijn hemel
יַֽעַרְפוּ
(yaarfu)
laat druipen
טָֽל
(tal)
dauw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵין יַעֲקֹב (ein Ya’akov), ‘bron van Jakob’: de bron van Jakobs nageslacht, het volk.

De dauw sluit aan op vers 13.

29Gelukkig ben je, Israël! Wie is als jij, een volk, gered door Yahweh, het schild van je hulp en het zwaard van je hoogheid? Je vijanden zullen voor je kruipen, en jij zult treden op hun hoogten.
אַשְׁרֶ֨יךָ
(ashreikha)
gelukkig ben je
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
מִ֣י
(mi)
wie
כָמ֗וֹךָ
(kamokha)
is als jij
עַ֚ם
(am)
volk
נוֹשַׁ֣ע
(nosha)
gered
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
door Yahweh
מָגֵ֣ן
(magen)
schild van
עֶזְרֶ֔ךָ
(ezrekha)
je hulp
וַאֲשֶׁר
(vaasher)
en dat
חֶ֖רֶב
(cherev)
zwaard van
גַּאֲוָתֶ֑ךָ
(gaavatekha)
je hoogheid
וְיִכָּֽחֲשׁ֤וּ
(veyikachashu)
en zullen kruipen
אֹיְבֶ֨יךָ֙
(oyeveikha)
je vijanden
לָ֔ךְ
(lakh)
voor je
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
עַל
(al)
op
בָּמוֹתֵ֥ימוֹ
(bamoteimo)
hun hoogten
תִדְרֹֽךְ
(tidrokh)
zult treden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִכָּחֲשׁוּ (yikkachashu), letterlijk ‘zullen liegen’: zich uit angst onderwerpen en mooi praten.

Wij vertalen ‘kruipen’.

בָּמוֹתֵימוֹ (bamotemo), ‘hun hoogten’: de offerhoogten van de vijanden.