Elohim Bijbel

Richteren 5

123456789101112131415161718192021

Het lied van Debora en Barak

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het lied van Debora en Barak

1Op die dag zongen Debora en Barak, de zoon van Abinoam, dit lied:
וַתָּ֣שַׁר
(vatashar)
en zong
דְּבוֹרָ֔ה
(devora)
Debora
וּבָרָ֖ק
(uvaraq)
en Barak
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲבִינֹ֑עַם
(avinoam)
Abinoam
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁיר (shir), ‘lied’: Debora en Barak zingen na de overwinning van Richt. 4.

Het lied is poëzie met korte, dichte regels.

Wij vertalen in heldere zinnen en zetten het lied niet tussen aanhalingstekens; aanhalingen binnen het lied staan tussen „ ”.

Lezing

Het lied is een van de oudste en moeilijkste teksten van het Oude Testament.

Waar het Hebreeuws onzeker is, zeggen wij dat in de voetnoot.

De woord-voor-woordweergave laat zien wat er letterlijk staat.

Lofprijs voor Yahweh

2Omdat in Israël de leiders het voortouw namen, omdat het volk zich vrijwillig aanbood: prijs Yahweh!
בִּפְרֹ֤עַ
(bifroa)
bij het leiden
פְּרָעוֹת֙
(peraot)
leiders
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
in Israël
בְּהִתְנַדֵּ֖ב
(behitnadev)
bij het zich vrijwillig aanbieden
עָ֑ם
(am)
het volk
בָּרֲכ֖וּ
(barakhu)
prijst
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פְּרֹעַ פְּרָעוֹת (pero pera’ot), ‘het voortouw nemen’: letterlijk ‘het losmaken van haren’.

Dat kan zijn: leiders laten hun haar los, als teken van wijding voor de strijd, of: leiders gaan voorop.

Wij kiezen ‘het voortouw nemen’.

הִתְנַדֵּב (hitnadev), ‘zich vrijwillig aanbieden’: het volk deed mee uit eigen wil.

3Hoor, koningen! Luister, vorsten! Ik, ja ik zal voor Yahweh zingen. Ik zal voor Yahweh spelen, de Elohim van Israël.
שִׁמְע֣וּ
(shimu)
hoort
מְלָכִ֔ים
(melakhim)
koningen
הַאֲזִ֖ינוּ
(haazinu)
luistert
רֹֽזְנִ֑ים
(rozenim)
vorsten
אָֽנֹכִ֗י
(anokhi)
ik
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
voor Yahweh
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
אָשִׁ֔ירָה
(ashira)
zal zingen
אֲזַמֵּ֕ר
(azamer)
zal spelen
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh komt van Seïr en Sinaï

4Yahweh, toen U uit Seïr uittrok, toen U voortschreed uit het veld van Edom, beefde de aarde. Ook de hemel droop. Ook de wolken lieten water druipen.
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּצֵאתְךָ֤
(betsetkha)
bij Uw uittocht
מִשֵּׂעִיר֙
(miseir)
uit Seïr
בְּצַעְדְּךָ֙
(betsadekha)
bij Uw schrijden
מִשְּׂדֵ֣ה
(misede)
uit het veld van
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
אֶ֣רֶץ
(erets)
de aarde
רָעָ֔שָׁה
(raasha)
beefde
גַּם
(gam)
ook
שָׁמַ֖יִם
(shamayim)
de hemel
נָטָ֑פוּ
(natafu)
droop
גַּם
(gam)
ook
עָבִ֖ים
(avim)
wolken
נָ֥טְפוּ
(natefu)
druipten
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Seïr is het bergland ten oosten van de Araba, het gebied van Edom (Jordanië).

Het veld van Edom ligt in hetzelfde gebied.

Uitleg

Yahweh komt hier uit het zuiden, zoals ook in Deut. 33:2 en Hab. 3:3.

De hemel en de aarde reageren op Zijn komst.

Vergelijk Ps. 68:8–9.

5De bergen stroomden weg voor het aangezicht van Yahweh, die van Sinaï, voor het aangezicht van Yahweh, de Elohim van Israël.
הָרִ֥ים
(harim)
bergen
נָזְל֖וּ
(nazelu)
stroomden weg
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
זֶ֣ה
(ze)
die van
סִינַ֔י
(sinay)
Sinaï
מִפְּנֵ֕י
(mipenei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sinaï is de berg waar Yahweh Zijn verbond sloot (Exod. 19–20).

De traditionele berg is de Jebel Musa op het zuiden van het Sinaïschiereiland (Egypte); zeker is dat niet.

Uitleg

נָזְלוּ (nazelu), ‘stroomden weg’: letterlijk ‘vloeiden’.

Dat kan ook ‘beefden’ of ‘smolten’ betekenen.

Vergelijk Ps. 68:9.

זֶה סִינַי (ze Sinai), ‘die van Sinaï’: letterlijk ‘deze Sinaï’. Het kan ook een bijnaam zijn van Yahweh: ‘Hij van Sinaï’.

Israël in nood

6In de dagen van Samgar, de zoon van Anat, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op. Wie over de paden reisde, ging over kronkelende omwegen.
בִּימֵ֞י
(bimei)
in de dagen van
שַׁמְגַּ֤ר
(shamgar)
Samgar
בֶּן
(ben)
zoon van
עֲנָת֙
(anat)
Anat
בִּימֵ֣י
(bimei)
in de dagen van
יָעֵ֔ל
(yael)
Jaël
חָדְל֖וּ
(chadelu)
hielden op
אֳרָח֑וֹת
(orachot)
wegen
וְהֹלְכֵ֣י
(veholekhei)
en reizigers van
נְתִיב֔וֹת
(netivot)
paden
יֵלְכ֕וּ
(yelekhu)
gingen
אֳרָח֖וֹת
(orachot)
wegen
עֲקַלְקַלּֽוֹת
(aqalqalot)
kronkelende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁמְגַּר (Shamgar) is de rechter die 600 Filistijnen versloeg (Richt. 3:31).

Jaël is de vrouw die Sisera doodde (Richt. 4:17–22; zie ook vers 24).

Anat is ook de naam van een godin, maar hier is het de naam van Samgars vader.

Lezing

Wij lezen de wegen als de grote handelswegen waarop niemand meer durfde te reizen.

Daarom gingen reizigers over kronkelende paden.

7De dorpsbewoners hielden op, in Israël hielden zij op, totdat ik opstond, Debora, totdat ik opstond, een moeder in Israël.
חָדְל֧וּ
(chadelu)
hielden op
פְרָז֛וֹן
(perazon)
dorpsbewoners
בְּיִשְׂרָאֵ֖ל
(beyisrael)
in Israël
חָדֵ֑לּוּ
(chadelu)
hielden op
עַ֤ד
(ad)
totdat
שַׁקַּ֨מְתִּי֙
(shaqamti)
ik opstond
דְּבוֹרָ֔ה
(devora)
Debora
שַׁקַּ֥מְתִּי
(shaqamti)
ik opstond
אֵ֖ם
(em)
moeder
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פְּרָזוֹן (pirzon), ‘dorpsbewoners’: het woord komt weinig voor en de betekenis is niet zeker.

Het kan gaan om mensen in open dorpen, zonder muren, of om ‘bestuur’ of ‘heerschappij’.

Wij kiezen ‘dorpsbewoners’.

Zie ook vers 11.

Debora noemt zichzelf ‘een moeder in Israël’: iemand die het volk beschermt en leidt.

8Men koos nieuwe goden. Toen was er oorlog in de poorten. Was er een schild of een speer te zien onder de 40.000 in Israël?
יִבְחַר֙
(yivchar)
men koos
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
חֲדָשִׁ֔ים
(chadashim)
nieuwe
אָ֖ז
(az)
toen
לָחֶ֣ם
(lachem)
oorlog
שְׁעָרִ֑ים
(shearim)
poorten
מָגֵ֤ן
(magen)
schild
אִם
(im)
of
יֵֽרָאֶה֙
(yerae)
wordt gezien
וָרֹ֔מַח
(varomach)
en speer
בְּאַרְבָּעִ֥ים
(bearbaim)
onder 40
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt: ‘men koos nieuwe elohim’.

Hier zijn het goden.

Het gaat om de afgoden die Israël volgde (Richt. 2:11–13; 3:7).

Het onderwerp van ‘koos’ staat niet in de tekst.

Lezing

לָחֶם (lachem) lezen wij als ‘oorlog’ (vergelijk het werkwoord ‘strijden’).

De klinkers kunnen ook ‘brood’ geven: ‘brood in de poorten’.

Wij kiezen ‘oorlog’, omdat dat bij het schild en de speer past.

Het getal 40.000 is vermoedelijk een groot rond getal.

Dank aan hen die zich aanboden

9Mijn hart is bij de bevelhebbers van Israël, bij hen die zich vrijwillig aanboden onder het volk. Prijs Yahweh!
לִבִּי֙
(libi)
mijn hart
לְחוֹקְקֵ֣י
(lechoqeqei)
bij de bevelhebbers van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הַמִּֽתְנַדְּבִ֖ים
(hamitnadevim)
die zich vrijwillig aanboden
בָּעָ֑ם
(baam)
onder het volk
בָּרֲכ֖וּ
(barakhu)
prijst
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חוֹקְקִים (choqeqim), ‘bevelhebbers’: letterlijk ‘wie een staf of een besluit vastlegt’.

Hetzelfde woord staat in vers 14.

Het kan ook ‘wetgevers’ of ‘aanvoerders’ betekenen.

10Jullie die op lichte ezelinnen rijden, jullie die op kleden zitten en jullie die over de weg gaan: spreek erover!
רֹכְבֵי֩
(rokhevei)
rijders van
אֲתֹנ֨וֹת
(atonot)
ezelinnen
צְחֹר֜וֹת
(tsechorot)
lichte
יֹשְׁבֵ֧י
(yoshevei)
zittenden op
עַל
(al)
op
מִדִּ֛ין
(midin)
kleden
וְהֹלְכֵ֥י
(veholekhei)
en gaande op
עַל
(al)
op
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
weg
שִֽׂיחוּ
(sichu)
spreekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צְחֹרוֹת (tsechorot), ‘lichte’: de kleur is niet zeker.

Het kan wit, rossig of lichtbruin zijn.

Het zijn dure rijdieren van rijke mensen.

מִדִּין (middin), ‘kleden’: dit kan ‘zadeldekens’ of ‘kleden om op te zitten’ zijn. Sommigen lezen het als ‘rechtbank’ (‘die rechtspreken’). De zin richt zich tot alle lagen van het volk: rijken, rechters en gewone reizigers.

שִׂיחוּ (sichu), ‘spreek erover’: ook ‘denk erover na’ of ‘zing erover’.

11Weg van het geluid van de boogschutters, bij de plaatsen waar men water put, daar herhalen zij de daden van gerechtigheid van Yahweh. Het zijn de daden van gerechtigheid voor Zijn dorpsbewoners in Israël. Toen daalde het volk van Yahweh af naar de poorten.
מִקּ֣וֹל
(miqol)
van geluid van
מְחַֽצְצִ֗ים
(mechatstsim)
boogschutters
בֵּ֚ין
(bein)
tussen
מַשְׁאַבִּ֔ים
(mashabim)
drinkplaatsen
שָׁ֤ם
(sham)
daar
יְתַנּוּ֙
(yetanu)
zij herhalen
צִדְק֣וֹת
(tsidqot)
daden van gerechtigheid van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
צִדְקֹ֥ת
(tsidqot)
daden van gerechtigheid van
פִּרְזֹנ֖וֹ
(pirzono)
Zijn dorpsbewoners
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
אָ֛ז
(az)
toen
יָרְד֥וּ
(yaredu)
daalden af
לַשְּׁעָרִ֖ים
(lashearim)
naar de poorten
עַם
(am)
volk van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְחַצְצִים (mechatsetsim), ‘boogschutters’: de betekenis is niet zeker.

Het woord kan ook ‘wie de buit verdeelt’ of ‘muzikanten’ betekenen.

Wij kiezen ‘boogschutters’.

צִדְקוֹת (tsidqot), ‘daden van gerechtigheid’: de reddende daden van Yahweh. Zie ook 1 Sam. 12:7 en Micha 6:5.

De ‘poorten’ zijn de stadspoorten, de plaats waar het volk bijeenkomt en recht spreekt.

Oproep tot de strijd

12Word wakker, word wakker, Debora! Word wakker, word wakker, spreek een lied! Sta op, Barak, en voer je gevangenen weg, zoon van Abinoam!
עוּרִ֤י
(uri)
word wakker
עוּרִי֙
(uri)
word wakker
דְּבוֹרָ֔ה
(devora)
Debora
ע֥וּרִי
(uri)
word wakker
ע֖וּרִי
(uri)
word wakker
דַּבְּרִי
(daberi)
spreek
שִׁ֑יר
(shir)
lied
ק֥וּם
(qum)
sta op
בָּרָ֛ק
(baraq)
Barak
וּֽשֲׁבֵ֥ה
(ushave)
en voer weg
שֶׁבְיְךָ֖
(shevyekha)
je gevangenen
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲבִינֹֽעַם
(avinoam)
Abinoam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Toen kwam een rest af naar de edelen. Het volk van Yahweh kwam voor mij af, onder de helden.
אָ֚ז
(az)
toen
יְרַ֣ד
(yerad)
daalde af
שָׂרִ֔יד
(sarid)
rest
לְאַדִּירִ֖ים
(leadirim)
naar de edelen
עָ֑ם
(am)
volk van
יְהוָ֕ה
(Yahweh)
Yahweh
יְרַד
(yerad)
daalde af
לִ֖י
(li)
voor mij
בַּגִּבּוֹרִֽים
(bagiborim)
onder de helden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De tekst van dit vers is moeilijk.

Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘Toen daalde een rest af naar de edelen; het volk van Yahweh daalde voor mij af onder de helden.’

De klinkers kunnen ook anders worden gelezen, zodat er staat: ‘Toen kwam de rest van de edelen en van het volk af’.

Wij houden de klinkers van de Masoretische tekst.

De stammen die kwamen

14Uit Efraïm kwamen zij die hun wortel in Amalek hebben. Achter jou aan kwam Benjamin met je volken. Uit Machir kwamen de bevelhebbers af. Uit Zebulon kwamen zij die de staf van de schrijver dragen.
מִנִּ֣י
(mini)
uit
אֶפְרַ֗יִם
(efrayim)
Efraïm
שָׁרְשָׁם֙
(sharesham)
hun wortel
בַּעֲמָלֵ֔ק
(baamaleq)
in Amalek
אַחֲרֶ֥יךָ
(achareikha)
achter jou
בִנְיָמִ֖ין
(binyamin)
Benjamin
בַּֽעֲמָמֶ֑יךָ
(baamameikha)
met je volken
מִנִּ֣י
(mini)
uit
מָכִ֗יר
(makhir)
Machir
יָֽרְדוּ֙
(yaredu)
daalden af
מְחֹ֣קְקִ֔ים
(mechoqeqim)
bevelhebbers
וּמִ֨זְּבוּלֻ֔ן
(umizevulun)
en uit Zebulon
מֹשְׁכִ֖ים
(moshekhim)
die dragen
בְּשֵׁ֥בֶט
(beshevet)
staf van
סֹפֵֽר
(sofer)
schrijver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt: ‘Uit Efraïm hun wortel in Amalek’.

Dat kan betekenen dat Efraïm zich vestigde in een gebied waar vroeger Amalekieten woonden (Richt. 12:15), of dat Amalek de plaats van de strijd was.

De betekenis is niet zeker.

מָכִיר (Machir) is de zoon van Manasse (Num. 26:29). Hier staat Machir voor de stam Manasse ten westen van de Jordaan.

שֵׁבֶט סֹפֵר (shevet sofer), ‘staf van de schrijver’: de mannen van Zebulon die het volk telden en indeelden. Het kan ook ‘staf van de legerschrijver’ zijn.

15De vorsten in Issachar waren met Debora. Issachar was net als Barak: de vallei in werd hij gestuurd, op zijn voeten. Bij de beken van Ruben waren grote besluiten van het hart.
וְשָׂרַ֤י
(vesaray)
en vorsten
בְּיִשָּׂשכָר֙
(beyisashkhar)
in Issachar
עִם
(im)
met
דְּבֹרָ֔ה
(devora)
Debora
וְיִשָּׂשכָר֙
(veyisashkhar)
en Issachar
כֵּ֣ן
(ken)
zo
בָּרָ֔ק
(baraq)
Barak
בָּעֵ֖מֶק
(baemeq)
in de vallei
שֻׁלַּ֣ח
(shulach)
gezonden
בְּרַגְלָ֑יו
(beraglav)
op zijn voeten
בִּפְלַגּ֣וֹת
(biflagot)
bij de beken van
רְאוּבֵ֔ן
(reuven)
Ruben
גְּדֹלִ֖ים
(gedolim)
grote
חִקְקֵי
(chiqqei)
besluiten van
לֵֽב
(lev)
hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פְּלַגּוֹת (pelaggot), ‘beken’: kanalen of stromen.

Het kan ook ‘afdelingen’ van Ruben betekenen.

Wij kiezen ‘beken’ vanwege de verwijzing naar de schaapskooien in vers 16.

Lezing

De zin ‘Issachar was net als Barak’ lezen wij als: Issachar volgde Barak zonder aarzelen de vallei in.

Het Hebreeuws gebruikt hier het kleine woordje ‘zo’ (כֵּן, ken).

De betekenis is niet helemaal zeker.

De stammen die bleven

16Waarom bleef je zitten tussen de schaapskooien, om het gefluit bij de kudden te horen? Bij de beken van Ruben waren grote overpeinzingen van het hart.
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
יָשַׁ֗בְתָּ
(yashavta)
bleef je zitten
בֵּ֚ין
(bein)
tussen
הַֽמִּשְׁפְּתַ֔יִם
(hamishpetayim)
de schaapskooien
לִשְׁמֹ֖עַ
(lishmoa)
om te horen
שְׁרִק֣וֹת
(sheriqot)
gefluit van
עֲדָרִ֑ים
(adarim)
kudden
לִפְלַגּ֣וֹת
(liflagot)
bij de beken van
רְאוּבֵ֔ן
(reuven)
Ruben
גְּדוֹלִ֖ים
(gedolim)
grote
חִקְרֵי
(chiqrei)
overpeinzingen van
לֵֽב
(lev)
hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁפְּתַיִם (mishpetayim), ‘schaapskooien’: het woord komt ook voor in Gen. 49:14.

Het kan ook ‘zadeltassen’ of ‘vuurplaatsen’ betekenen; wij kiezen ‘schaapskooien’.

In vers 15 staat ‘grote besluiten’ (חִקְקֵי, chiqqei), en hier ‘grote overpeinzingen’ (חִקְרֵי, chiqrei). Ruben nam wel grote besluiten, maar bleef daarna bij zijn kudden.

17Gilead bleef aan de overkant van de Jordaan. En Dan, waarom bleef hij bij de schepen? Aser zat aan de kust van de zeeën. Hij bleef bij zijn baaien.
גִּלְעָ֗ד
(gilad)
Gilead
בְּעֵ֤בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּן֙
(hayarden)
de Jordaan
שָׁכֵ֔ן
(shakhen)
bleef
וְדָ֕ן
(vedan)
en Dan
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
יָג֖וּר
(yagur)
verblijft hij
אֳנִיּ֑וֹת
(oniyot)
schepen
אָשֵׁ֗ר
(asher)
Aser
יָשַׁב֙
(yashav)
zat
לְח֣וֹף
(lechof)
aan de kust van
יַמִּ֔ים
(yamim)
zeeën
וְעַ֥ל
(veal)
en bij
מִפְרָצָ֖יו
(mifratsav)
zijn baaien
יִשְׁכּֽוֹן
(yishkon)
blijft hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gilead ligt ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië.

Dan woonde in het noorden van Israël, maar in de tijd van de rechters woonde de stam nog aan de kust (Richt. 18:1).

Aser woonde langs de kust van de Middellandse Zee, in het noorden van Israël.

Uitleg

Gilead staat hier voor Gad, de stam die daar woonde (Joz. 13:24–28).

18Zebulon was een volk dat zijn leven waagde, tot de dood toe. Ook Naftali, op de hoogten van het veld.
זְבֻל֗וּן
(zevulun)
Zebulon
עַ֣ם
(am)
volk
חֵרֵ֥ף
(cheref)
dat waagde
נַפְשׁ֛וֹ
(nafsho)
zijn leven
לָמ֖וּת
(lamut)
te sterven
וְנַפְתָּלִ֑י
(venaftali)
en Naftali
עַ֖ל
(al)
op
מְרוֹמֵ֥י
(meromei)
hoogten van
שָׂדֶֽה
(sade)
veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zebulon en Naftali hadden samen met Barak het leger gevormd (Richt. 4:6, 10).

Zij zetten hun leven op het spel.

De strijd bij Megiddo

19Koningen kwamen, zij streden. Toen streden de koningen van Kanaän bij Taänak, aan de wateren van Megiddo. Winst van zilver namen zij niet.
בָּ֤אוּ
(bau)
kwamen
מְלָכִים֙
(melakhim)
koningen
נִלְחָ֔מוּ
(nilchamu)
zij streden
אָ֤ז
(az)
toen
נִלְחֲמוּ֙
(nilchamu)
streden
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
כְנַ֔עַן
(kenaan)
Kanaän
בְּתַעְנַ֖ךְ
(betanakh)
bij Taänak
עַל
(al)
aan
מֵ֣י
(mei)
wateren van
מְגִדּ֑וֹ
(megido)
Megiddo
בֶּ֥צַע
(betsa)
winst van
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
לֹ֥א
(lo)
niet
לָקָֽחוּ
(laqachu)
namen zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Taänak ligt bij Tell Ta’annek, aan de zuidrand van de Jizreëlvlakte, in het noorden van Israël.

Megiddo ligt bij Tell el-Mutesellim, ongeveer 8 kilometer verder naar het noordwesten.

Beide plaatsen zijn zeker.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

בֶּצַע כֶּסֶף (betsa kesef), ‘winst van zilver’: de koningen kregen geen losgeld en geen buit.

20Vanuit de hemel streden de sterren. Vanuit hun banen streden zij met Sisera.
מִן
(min)
uit
שָׁמַ֖יִם
(shamayim)
hemel
נִלְחָ֑מוּ
(nilchamu)
streden
הַכּֽוֹכָבִים֙
(hakokhavim)
de sterren
מִמְּסִלּוֹתָ֔ם
(mimesilotam)
uit hun banen
נִלְחֲמ֖וּ
(nilchamu)
streden
עִם
(im)
met
סִיסְרָֽא
(sisera)
Sisera
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De sterren streden’: Yahweh gebruikte de hemelse machten in de strijd tegen Sisera.

Of dit een beeld is voor de regenbui die de beek deed zwellen (vers 21), laat het lied open.

Vergelijk Joz. 10:12–14.

21De beek Kison spoelde hen weg, de beek van oudsher, de beek Kison. Mijn ziel, trek vooruit met kracht!
נַ֤חַל
(nachal)
beek
קִישׁוֹן֙
(qishon)
Kison
גְּרָפָ֔ם
(gerafam)
spoelde hen weg
נַ֥חַל
(nachal)
beek
קְדוּמִ֖ים
(qedumim)
van oudsher
נַ֣חַל
(nachal)
beek
קִישׁ֑וֹן
(qishon)
Kison
תִּדְרְכִ֥י
(tidrekhi)
trek vooruit
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
mijn ziel
עֹֽז
(oz)
kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Kison is de beek (Nahal Kishon) die door de Jizreëlvlakte naar de Middellandse Zee stroomt, bij het huidige Haifa (Israël).

De beek zwol door de regen en maakte het slagveld voor de strijdwagens onbegaanbaar.

Uitleg

קְדוּמִים (qedumim), ‘van oudsher’: het woord komt maar één keer voor.

Het kan ook ‘beek die hen tegemoetkwam’ betekenen.

Wij kiezen ‘van oudsher’.

תִּדְרְכִי (tidreki), ‘trek vooruit’: letterlijk ‘treed’ of ‘betreed’. Debora spoort haar eigen ziel aan.

22Toen hamerden de hoeven van de paarden, door het galopperen, het galopperen van zijn sterke paarden.
אָ֥ז
(az)
toen
הָלְמ֖וּ
(halemu)
hamerden
עִקְּבֵי
(iqevei)
hoeven van
ס֑וּס
(sus)
paard
מִֽדַּהֲר֖וֹת
(midaharot)
door galopperen
דַּהֲר֥וֹת
(daharot)
galopperen
אַבִּירָֽיו
(abirav)
zijn sterke paarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws herhaalt het woord ‘galopperen’ (דַּהֲרוֹת, daharot).

Wij houden die herhaling zichtbaar.

De vloek over Meroz

23„Vervloek Meroz”, zei de engel van Yahweh, „vervloek, vervloek haar bewoners! Want zij kwamen niet Yahweh te hulp, Yahweh te hulp, onder de helden.”
א֣וֹרוּ
(oru)
vervloekt
מֵר֗וֹז
(meroz)
Meroz
אָמַר֙
(amar)
zei
מַלְאַ֣ךְ
(malakh)
engel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹ֥רוּ
(oru)
vervloekt
אָר֖וֹר
(aror)
vervloek
יֹשְׁבֶ֑יהָ
(yosheveiha)
haar bewoners
כִּ֤י
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
בָ֨אוּ֙
(bau)
kwamen
לְעֶזְרַ֣ת
(leezrat)
tot hulp van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְעֶזְרַ֥ת
(leezrat)
tot hulp van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּגִּבּוֹרִֽים
(bagiborim)
onder de helden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Meroz is een plaats waarvan wij de ligging niet kennen.

Het lag vermoedelijk in de buurt van het slagveld, in het noorden van Israël.

De naam komt verder nergens in de Bijbel voor.

Uitleg

מַלְאַךְ יְהוָה (mal’ak Yahweh), ‘engel van Yahweh’: hij spreekt de vloek uit.

Wij zetten deze woorden niet rood, omdat de tekst hier niet laat zien dat de engel als Yahweh zelf spreekt.

Vergelijk Richt. 2:1–3 en 6:11–24.

אָרַר (arar), ‘vervloeken’: de inwoners van Meroz waren verplicht mee te strijden.

Jaël en Sisera

24Gezegend zij Jaël boven alle vrouwen, de vrouw van Heber, de Keniet. Gezegend zij boven alle vrouwen in de tent.
תְּבֹרַךְ֙
(tevorakh)
gezegend zij
מִנָּשִׁ֔ים
(minashim)
boven vrouwen
יָעֵ֕ל
(yael)
Jaël
אֵ֖שֶׁת
(eshet)
vrouw van
חֶ֣בֶר
(chever)
Heber
הַקֵּינִ֑י
(haqeini)
de Keniet
מִנָּשִׁ֥ים
(minashim)
boven vrouwen
בָּאֹ֖הֶל
(baohel)
in tent
תְּבֹרָֽךְ
(tevorakh)
gezegend zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jaël was de vrouw van Heber, de Keniet (Richt. 4:17–21).

De Kenieten leefden in vrede met koning Jabin van Hazor.

Jaël koos de kant van Israël.

Zij wordt gezegend ‘boven alle vrouwen in de tent’, dus boven alle vrouwen die in tenten wonen.

25Water vroeg hij. Melk gaf zij. In een schaal voor edelen bracht zij room.
מַ֥יִם
(mayim)
water
שָׁאַ֖ל
(shaal)
vroeg hij
חָלָ֣ב
(chalav)
melk
נָתָ֑נָה
(natana)
gaf zij
בְּסֵ֥פֶל
(besefel)
in schaal van
אַדִּירִ֖ים
(adirim)
edelen
הִקְרִ֥יבָה
(hiqriva)
bracht zij
חֶמְאָֽה
(chema)
room
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶמְאָה (chem’ah), ‘room’: dikke, gestremde melk of boter.

Zie ook Gen. 18:8.

De schaal is die van een edele: Jaël ontving Sisera met eer.

Vergelijk Richt. 4:19, waar zij hem melk geeft.

26Haar hand strekte zij uit naar de tentpin, haar rechterhand naar de hamer van de arbeiders. Zij sloeg Sisera. Zij verbrijzelde zijn hoofd. Zij sloeg zijn slaap stuk en doorboorde die.
יָדָהּ֙
(yadah)
haar hand
לַיָּתֵ֣ד
(layated)
naar de tentpin
תִּשְׁלַ֔חְנָה
(tishlachna)
strekt zij uit
וִֽימִינָ֖הּ
(viminah)
en haar rechterhand
לְהַלְמ֣וּת
(lehalmut)
naar hamer van
עֲמֵלִ֑ים
(amelim)
arbeiders
וְהָלְמָ֤ה
(vehalema)
en zij sloeg
סִֽיסְרָא֙
(sisera)
Sisera
מָחֲקָ֣ה
(machaqa)
zij verbrijzelde
רֹאשׁ֔וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וּמָחֲצָ֥ה
(umachatsa)
en zij sloeg stuk
וְחָלְפָ֖ה
(vechalefa)
en doorboorde
רַקָּתֽוֹ
(raqato)
zijn slaap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָתֵד (yated), ‘tentpin’: zie Richt. 4:21.

De hamer is die van een arbeider, een gewone werkman, geen wapen van een soldaat.

Het lied noemt vier handelingen: slaan, verbrijzelen, stuk slaan, doorboren. Het Hebreeuws gebruikt vier werkwoorden voor één daad, om de kracht te laten voelen.

27Tussen haar voeten zakte hij ineen, hij viel, hij lag daar. Tussen haar voeten zakte hij ineen, hij viel. Waar hij ineenzakte, daar viel hij, verwoest.
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
רַגְלֶ֔יהָ
(ragleiha)
haar voeten
כָּרַ֥ע
(kara)
zakte ineen
נָפַ֖ל
(nafal)
viel
שָׁכָ֑ב
(shakhav)
lag
בֵּ֤ין
(bein)
tussen
רַגְלֶ֨יהָ֙
(ragleiha)
haar voeten
כָּרַ֣ע
(kara)
zakte ineen
נָפָ֔ל
(nafal)
viel
בַּאֲשֶׁ֣ר
(baasher)
waar
כָּרַ֔ע
(kara)
zakte ineen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
נָפַ֥ל
(nafal)
viel
שָׁדֽוּד
(shadud)
verwoest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws herhaalt ‘tussen haar voeten’ en ‘zakte ineen, viel’.

Elke herhaling brengt Sisera lager, tot hij ‘verwoest’ is: dood.

כָּרַע (kara), ‘ineenzakken’: letterlijk ‘knielen’. Hier zakt Sisera door zijn knieën, voor haar voeten.

De moeder van Sisera wacht

28Door het raam keek de moeder van Sisera uit. Zij riep door het traliewerk: „Waarom talmt zijn wagen met komen? Waarom vertragen de hoefslagen van zijn wagens?”
בְּעַד֩
(bead)
door
הַחַלּ֨וֹן
(hachalon)
het raam
נִשְׁקְפָ֧ה
(nishqefa)
keek uit
וַתְּיַבֵּ֛ב
(vateyabev)
en riep
אֵ֥ם
(em)
moeder van
סִֽיסְרָ֖א
(sisera)
Sisera
בְּעַ֣ד
(bead)
door
הָֽאֶשְׁנָ֑ב
(haeshnav)
het traliewerk
מַדּ֗וּעַ
(madua)
waarom
בֹּשֵׁ֤שׁ
(boshesh)
talmt
רִכְבּוֹ֙
(rikhbo)
zijn wagen
לָב֔וֹא
(lavo)
om te komen
מַדּ֣וּעַ
(madua)
waarom
אֶֽחֱר֔וּ
(echeru)
vertragen
פַּעֲמֵ֖י
(paamei)
hoefslagen van
מַרְכְּבוֹתָֽיו
(markevotav)
zijn wagens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De moeder van Sisera wacht op zijn thuiskomst.

Dit deel van het lied is een scène: wij horen eerst haar vraag, dan het antwoord van haar edelvrouwen en haar eigen antwoord aan zichzelf (vers 29–30).

בֹּשֵׁשׁ (boshesh), ‘talmen’: letterlijk ‘schaamte hebben’, dus ‘te laat zijn’. Vergelijk Exod. 32:1.

29De wijsten van haar edelvrouwen antwoorden haar. Ook zijzelf geeft haar woorden aan zichzelf terug:
חַכְמ֥וֹת
(chakhmot)
wijzen van
שָׂרוֹתֶ֖יהָ
(saroteiha)
haar edelvrouwen
תַּעֲנֶ֑ינָּה
(taaneina)
antwoorden
אַף
(af)
ook
הִ֕יא
(hi)
zij
תָּשִׁ֥יב
(tashiv)
geeft terug
אֲמָרֶ֖יהָ
(amareiha)
haar woorden
לָֽהּ
(lah)
aan haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30„Zijn zij niet bezig te vinden en de buit te verdelen? Een meisje, twee meisjes voor elke man. Buit van gekleurde stoffen voor Sisera, buit van gekleurde stoffen. Geborduurde stof, twee geborduurde doeken voor de nek, als buit.”
הֲלֹ֨א
(halo)
is het niet dat
יִמְצְא֜וּ
(yimtseu)
zij vinden
יְחַלְּק֣וּ
(yechalequ)
zij verdelen
שָׁלָ֗ל
(shalal)
buit
רַ֤חַם
(racham)
meisje
רַחֲמָתַ֨יִם֙
(rachamatayim)
twee meisjes
לְרֹ֣אשׁ
(lerosh)
voor het hoofd van
גֶּ֔בֶר
(gever)
man
שְׁלַ֤ל
(shelal)
buit van
צְבָעִים֙
(tsevaim)
gekleurde stoffen
לְסִ֣יסְרָ֔א
(lesisera)
voor Sisera
שְׁלַ֥ל
(shelal)
buit van
צְבָעִ֖ים
(tsevaim)
gekleurde stoffen
רִקְמָ֑ה
(riqma)
borduurwerk
צֶ֥בַע
(tseva)
gekleurde stof
רִקְמָתַ֖יִם
(riqmatayim)
twee borduurwerken
לְצַוְּארֵ֥י
(letsaverei)
voor nekken van
שָׁלָֽל
(shalal)
buit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רַחַם (racham), ‘meisje’: letterlijk ‘schoot’.

Het woord staat voor een vrouw die als buit wordt genomen.

De moeder van Sisera spreekt zonder medelijden over de overwonnen vrouwen.

צִבְעֵי (tsiv’ei), ‘gekleurde stoffen’ en רִקְמָה (riqmah), ‘geborduurd’: kostbare kleding. De laatste zin van het vers is moeilijk: letterlijk ‘voor de nekken van de buit’. Wij lezen: kleden voor de nek, als buit. De betekenis is niet zeker.

Slot van het lied

31Zo mogen al Uw vijanden omkomen, Yahweh! Wie Hem liefhebben zijn als de zon wanneer zij opgaat in haar kracht. Het land was rustig, veertig jaar.
כֵּ֠ן
(ken)
zo
יֹאבְד֤וּ
(yovdu)
omkomen
כָל
(kal)
alle
אוֹיְבֶ֨יךָ֙
(oyeveikha)
Uw vijanden
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֹ֣הֲבָ֔יו
(veohavav)
en Zijn liefhebbers
כְּצֵ֥את
(ketset)
als het opgaan van
הַשֶּׁ֖מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
בִּגְבֻרָת֑וֹ
(bigvurato)
in haar kracht
וַתִּשְׁקֹ֥ט
(vatishqot)
en was rustig
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws wisselt van ‘Uw vijanden’ (aanspreking) naar ‘Zijn liefhebbers’ (derde persoon).

Wij houden die wisseling.

וַתִּשְׁקֹט (vatishqot), ‘was rustig’: de vrede van veertig jaar duurde tot Gideon (Richt. 6:1). Dit laatste deel van het vers is geen deel van het lied maar van het verhaal.