Elohim Bijbel

1 Samuël 19

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Saul wil David doden

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jonatan pleit voor David

1Saul sprak tot zijn zoon Jonatan en tot al zijn dienaren over het doden van David. Maar Jonatan, de zoon van Saul, had zeer veel behagen in David.
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en hij sprak
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tot
יוֹנָתָ֤ן
(yonatan)
Jonatan
בְּנוֹ֙
(beno)
zijn zoon
וְאֶל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
alle
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
לְהָמִ֖ית
(lehamit)
om te doden
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֑ד
(david)
David
וִיהֽוֹנָתָן֙
(vihonatan)
en Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
חָפֵ֥ץ
(chafets)
had behagen
בְּדָוִ֖ד
(bedavid)
in David
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Jonatan vertelde het aan David: „Mijn vader Saul probeert je te doden. Wees daarom morgenochtend op je hoede. Blijf op een schuilplaats en verberg je.
וַיַּגֵּ֤ד
(vayaged)
en hij vertelde
יְהוֹנָתָן֙
(yehonatan)
Jonatan
לְדָוִ֣ד
(ledavid)
aan David
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
מְבַקֵּ֛שׁ
(mevaqesh)
zoekt
שָׁא֥וּל
(shaul)
Saul
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
לַהֲמִיתֶ֑ךָ
(lahamitekha)
je te doden
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
הִשָּֽׁמֶר
(hishamer)
wees op je hoede
נָ֣א
(na)
toch
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de morgen
וְיָשַׁבְתָּ֥
(veyashavta)
en blijf
בַסֵּ֖תֶר
(baseter)
in een schuilplaats
וְנַחְבֵּֽאתָ
(venachbeta)
en verberg je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Dan ga ik naar buiten en blijf naast mijn vader staan op het veld waar jij bent. Ik zal met mijn vader over jou spreken. Ik zal zien wat er is en het je vertellen.”
וַאֲנִ֨י
(vaani)
en ik
אֵצֵ֜א
(etse)
zal uitgaan
וְעָמַדְתִּ֣י
(veamadti)
en zal staan
לְיַד
(leyad)
naast
אָבִ֗י
(avi)
mijn vader
בַּשָּׂדֶה֙
(basade)
in het veld
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
שָׁ֔ם
(sham)
daar
וַאֲנִ֕י
(vaani)
en ik
אֲדַבֵּ֥ר
(adaber)
zal spreken
בְּךָ֖
(bekha)
over je
אֶל
(el)
tot
אָבִ֑י
(avi)
mijn vader
וְרָאִ֥יתִי
(veraiti)
en ik zal zien
מָ֖ה
(ma)
wat
וְהִגַּ֥דְתִּי
(vehigadti)
en ik zal vertellen
לָֽךְ
(lakh)
je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Jonatan sprak goed over David tegen zijn vader Saul. Hij zei: „Laat de koning niet zondigen tegen zijn dienaar David. Want hij heeft niet tegen u gezondigd, en wat hij deed, is zeer goed voor u.
וַיְדַבֵּ֨ר
(vaydaber)
en hij sprak
יְהוֹנָתָ֤ן
(yehonatan)
Jonatan
בְּדָוִד֙
(bedavid)
over David
ט֔וֹב
(tov)
goed
אֶל
(el)
tot
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵ֠לָיו
(elav)
tot hem
אַל
(al)
niet
יֶחֱטָ֨א
(yecheta)
laat zondigen
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּעַבְדּ֣וֹ
(beavdo)
tegen zijn dienaar
בְדָוִ֗ד
(bedavid)
tegen David
כִּ֣י
(ki)
want
ל֤וֹא
(lo)
niet
חָטָא֙
(chata)
hij heeft gezondigd
לָ֔ךְ
(lakh)
tegen u
וְכִ֥י
(vekhi)
en want
מַעֲשָׂ֖יו
(maasav)
zijn daden
טוֹב
(tov)
goed
לְךָ֥
(lekha)
voor u
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Jonatan spreekt zijn vader, de koning, aan met ‘u’.

Zo doet hij ook in vers 5.

5Hij nam zijn leven in zijn hand en versloeg de Filistijn. Yahweh bracht een grote redding voor heel Israël. U hebt het gezien en u was blij. Waarom zou u zondigen tegen onschuldig bloed door David zonder reden te doden?”
וַיָּשֶׂם֩
(vayasem)
en hij zette
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשׁ֨וֹ
(nafsho)
zijn leven
בְכַפּ֜וֹ
(bekhapo)
in zijn hand
וַיַּ֣ךְ
(vayakh)
en hij versloeg
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֗י
(hapelishti)
de Filistijn
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en hij bracht
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
תְּשׁוּעָ֤ה
(teshua)
redding
גְדוֹלָה֙
(gedola)
grote
לְכָל
(lekhal)
voor heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
רָאִ֖יתָ
(raita)
u hebt gezien
וַתִּשְׂמָ֑ח
(vatismach)
en u was blij
וְלָ֤מָּה
(velama)
en waarom
תֶֽחֱטָא֙
(techeta)
zou u zondigen
בְּדָ֣ם
(bedam)
tegen bloed
נָקִ֔י
(naqi)
onschuldig
לְהָמִ֥ית
(lehamit)
om te doden
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֖ד
(david)
David
חִנָּֽם
(chinam)
zonder reden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Zijn leven in zijn hand nemen’ betekent: een groot risico nemen.

Zie ook Richt. 12:3.

דָּם נָקִי (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: zie Deut. 19:10.

6Saul luisterde naar de stem van Jonatan. Saul zwoer: „Zo waar Yahweh leeft: hij zal niet gedood worden.”
וַיִּשְׁמַ֥ע
(vayishma)
en hij luisterde
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוֹנָתָ֑ן
(yehonatan)
Jonatan
וַיִּשָּׁבַ֣ע
(vayishava)
en hij zwoer
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
חַי
(chay)
zo waar leeft
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
יוּמָֽת
(yumat)
hij gedood wordt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Zo waar Yahweh leeft’ is een eedformule.

Saul houdt zijn eed niet lang vol, zie vers 9–10.

7Jonatan riep David en vertelde hem al deze woorden. Jonatan bracht David bij Saul. David was bij hem zoals eerder, gisteren en eergisteren.
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en hij riep
יְהוֹנָתָן֙
(yehonatan)
Jonatan
לְדָוִ֔ד
(ledavid)
David
וַיַּגֶּד
(vayaged)
en hij vertelde
לוֹ֙
(lo)
hem
יְה֣וֹנָתָ֔ן
(yehonatan)
Jonatan
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וַיָּבֵ֨א
(vayave)
en hij bracht
יְהוֹנָתָ֤ן
(yehonatan)
Jonatan
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִד֙
(david)
David
אֶל
(el)
naar
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en hij was
לְפָנָ֖יו
(lefanav)
voor hem
כְּאֶתְמ֥וֹל
(keetmol)
zoals gisteren
שִׁלְשֽׁוֹם
(shilshom)
eergisteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Saul werpt opnieuw de speer

8De oorlog ging weer door. David ging uit en streed tegen de Filistijnen. Hij versloeg hen met een grote slag, en zij vluchtten voor hem.
וַתּ֥וֹסֶף
(vatosef)
en ging door
הַמִּלְחָמָ֖ה
(hamilchama)
de oorlog
לִֽהְי֑וֹת
(lihyot)
om te zijn
וַיֵּצֵ֨א
(vayetse)
en hij ging uit
דָוִ֜ד
(david)
David
וַיִּלָּ֣חֶם
(vayilachem)
en hij streed
בַּפְּלִשְׁתִּ֗ים
(bapelishtim)
tegen de Filistijnen
וַיַּ֤ךְ
(vayakh)
en hij versloeg
בָּהֶם֙
(bahem)
onder hen
מַכָּ֣ה
(maka)
een slag
גְדוֹלָ֔ה
(gedola)
grote
וַיָּנֻ֖סוּ
(vayanusu)
en ze vluchtten
מִפָּנָֽיו
(mipanav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

9Een boze geest van Yahweh kwam over Saul. Hij zat in zijn huis, met zijn speer in zijn hand. David speelde met zijn hand.
וַתְּהִי֩
(vatehi)
en kwam
ר֨וּחַ
(ruach)
een geest van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
רָעָה֙
(raa)
boze
אֶל
(el)
over
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
בְּבֵית֣וֹ
(beveito)
in zijn huis
יוֹשֵׁ֔ב
(yoshev)
zittend
וַחֲנִית֖וֹ
(vachanito)
en zijn speer
בְּיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
וְדָוִ֖ד
(vedavid)
en David
מְנַגֵּ֥ן
(menagen)
spelend
בְּיָֽד
(beyad)
met de hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ־יהוה רָעָה (ruach Yahweh ra'ah), ‘een boze geest van Yahweh’: zie 1 Sam. 16:14.

In 1 Sam. 18:10 staat ‘een boze geest van Elohim’.

10Saul probeerde David en de muur met de speer te treffen. David glipte weg voor Saul, en Saul trof met de speer de muur. David vluchtte en ontkwam in die nacht.
וַיְבַקֵּ֨שׁ
(vayvaqesh)
en hij probeerde
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
לְהַכּ֤וֹת
(lehakot)
te treffen
בַּֽחֲנִית֙
(bachanit)
met de speer
בְּדָוִ֣ד
(bedavid)
David
וּבַקִּ֔יר
(uvaqir)
en de muur
וַיִּפְטַר֙
(vayiftar)
en hij glipte weg
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en hij trof
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַחֲנִ֖ית
(hachanit)
de speer
בַּקִּ֑יר
(baqir)
in de muur
וְדָוִ֛ד
(vedavid)
en David
נָ֥ס
(nas)
vluchtte
וַיִּמָּלֵ֖ט
(vayimalet)
en ontkwam
בַּלַּ֥יְלָה
(balayla)
in de nacht
הֽוּא
(hu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dezelfde aanval staat in 1 Sam. 18:11.

Michal redt David

11Saul stuurde boodschappers naar het huis van David om hem te bewaken en 's morgens te doden. Zijn vrouw Michal vertelde het aan David: „Als jij vannacht je leven niet in veiligheid brengt, word je morgen gedood.”
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en hij zond
שָׁא֨וּל
(shaul)
Saul
מַלְאָכִ֜ים
(malakhim)
boodschappers
אֶל
(el)
naar
בֵּ֤ית
(beit)
het huis van
דָּוִד֙
(david)
David
לְשָׁמְר֔וֹ
(leshamero)
om hem te bewaken
וְלַהֲמִית֖וֹ
(velahamito)
en om hem te doden
בַּבֹּ֑קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַתַּגֵּ֣ד
(vataged)
en ze vertelde
לְדָוִ֗ד
(ledavid)
aan David
מִיכַ֤ל
(mikhal)
Michal
אִשְׁתּוֹ֙
(ishto)
zijn vrouw
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אִם
(im)
als
אֵ֨ינְךָ֜
(einekha)
niet jij
מְמַלֵּ֤ט
(memalet)
in veiligheid brengt
אֶֽת
(et)
(obj.)
נַפְשְׁךָ֙
(nafshekha)
je leven
הַלַּ֔יְלָה
(halayla)
de nacht
מָחָ֖ר
(machar)
morgen
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
מוּמָֽת
(mumat)
word je gedood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Boodschappers sturen om iemands huis te bewaken: zie het opschrift van Psalm 59.

12Michal liet David door het raam naar beneden. Hij ging weg, vluchtte en ontkwam.
וַתֹּ֧רֶד
(vatored)
en ze liet neer
מִיכַ֛ל
(mikhal)
Michal
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֖ד
(david)
David
בְּעַ֣ד
(bead)
door
הַחַלּ֑וֹן
(hachalon)
het raam
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
וַיִּבְרַ֖ח
(vayivrach)
en hij vluchtte
וַיִּמָּלֵֽט
(vayimalet)
en hij ontkwam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Michal nam de terafim en legde ze op het bed. Bij het hoofdeind legde zij een geitenharen kleed en zij bedekte het met een gewaad.
וַתִּקַּ֨ח
(vatiqach)
en ze nam
מִיכַ֜ל
(mikhal)
Michal
אֶת
(et)
(obj.)
הַתְּרָפִ֗ים
(haterafim)
de terafim
וַתָּ֨שֶׂם֙
(vatasem)
en ze legde
אֶל
(el)
op
הַמִּטָּ֔ה
(hamita)
het bed
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כְּבִ֣יר
(kevir)
een kleed van
הָֽעִזִּ֔ים
(haizim)
de geit
שָׂ֖מָה
(sama)
daarheen
מְרַֽאֲשֹׁתָ֑יו
(meraashotav)
bij zijn hoofd
וַתְּכַ֖ס
(vatekhas)
en ze bedekte
בַּבָּֽגֶד
(babaged)
met een gewaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּרָפִים (terafim), ‘terafim’: huisbeelden, zoals Rachel er had meegenomen (Gen. 31:19).

Dit beeld was groot genoeg om voor een mens door te gaan.

כְּבִיר הָעִזִּים (kevir ha'izzim), ‘geitenharen kleed’: een weefsel van geitenhaar.

Lezing

De betekenis van כביר (kevir) is onzeker.

Het kan een kleed, een kussen of een net zijn.

Wij vertalen ‘geitenharen kleed’.

14Saul stuurde boodschappers om David te halen. Michal zei: „Hij is ziek.”
וַיִּשְׁלַ֥ח
(vayishlach)
en hij zond
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
מַלְאָכִ֖ים
(malakhim)
boodschappers
לָקַ֣חַת
(laqachat)
om te nemen
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַתֹּ֖אמֶר
(vatomer)
en ze zei
חֹלֶ֥ה
(chole)
ziek
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Saul stuurde de boodschappers terug om David te zien. Hij zei: „Breng hem met het bed naar mij, zodat ik hem kan doden.”
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en hij zond
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּלְאָכִ֔ים
(hamalakhim)
de boodschappers
לִרְא֥וֹת
(lirot)
om te zien
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֖ד
(david)
David
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הַעֲל֨וּ
(haalu)
breng
אֹת֧וֹ
(oto)
hem
בַמִּטָּ֛ה
(bamita)
op het bed
אֵלַ֖י
(elay)
naar mij
לַהֲמִתֽוֹ
(lahamito)
om hem te doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16De boodschappers kwamen. En zie, de terafim lagen op het bed, met het geitenharen kleed bij het hoofdeind.
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en ze kwamen
הַמַּלְאָכִ֔ים
(hamalakhim)
de boodschappers
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
הַתְּרָפִ֖ים
(haterafim)
de terafim
אֶל
(el)
op
הַמִּטָּ֑ה
(hamita)
het bed
וּכְבִ֥יר
(ukhevir)
en het kleed van
הָעִזִּ֖ים
(haizim)
de geit
מְרַאֲשֹׁתָֽיו
(meraashotav)
bij zijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Saul zei tegen Michal: „Waarom heb je mij zo bedrogen? Je hebt mijn vijand laten gaan, zodat hij is ontkomen.” Michal zei tegen Saul: „Hij zei tegen mij: ‘Laat mij gaan. Waarom zou ik je doden?’”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
אֶל
(el)
tot
מִיכַ֗ל
(mikhal)
Michal
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
כָּ֨כָה֙
(kakha)
zo
רִמִּיתִ֔נִי
(rimitini)
heb je mij bedrogen
וַתְּשַׁלְּחִ֥י
(vateshalechi)
en je hebt laten gaan
אֶת
(et)
(obj.)
אֹיְבִ֖י
(oyevi)
mijn vijand
וַיִּמָּלֵ֑ט
(vayimalet)
en hij is ontkomen
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en ze zei
מִיכַל֙
(mikhal)
Michal
אֶל
(el)
tot
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
הוּא
(hu)
hij
אָמַ֥ר
(amar)
zei
אֵלַ֛י
(elay)
tot mij
שַׁלְּחִ֖נִי
(shalechini)
laat mij gaan
לָמָ֥ה
(lama)
waarom
אֲמִיתֵֽךְ
(amitekh)
zou ik je doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Michal geeft Saul een andere reden dan in vers 11–12.

De tekst oordeelt er niet over.

David bij Samuël in Najot

18David vluchtte en ontkwam. Hij kwam bij Samuël in Rama en vertelde hem alles wat Saul hem had aangedaan. Hij en Samuël gingen en bleven in Najot.
וְדָוִ֨ד
(vedavid)
en David
בָּרַ֜ח
(barach)
vluchtte
וַיִּמָּלֵ֗ט
(vayimalet)
en ontkwam
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en hij kwam
אֶל
(el)
naar
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
הָרָמָ֔תָה
(haramata)
naar Rama
וַיַּ֨גֶּד
(vayaged)
en hij vertelde
ל֔וֹ
(lo)
hem
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עָֽשָׂה
(asa)
had gedaan
ל֖וֹ
(lo)
hem
שָׁא֑וּל
(shaul)
Saul
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
הוּא֙
(hu)
hij
וּשְׁמוּאֵ֔ל
(ushemuel)
en Samuël
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en ze bleven
בְּנָֽיוֹת
(benayot)
in Najot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Rama is de woonplaats van Samuël (1 Sam. 7:17).

De ligging is onzeker.

Zie Najot (in Rama, ligging onzeker): Najot was een plek of wijk in Rama.

De precieze plaats is niet bekend.

Najot (נָיוֹת, nayot) is een plek of wijk in Rama. De betekenis van de naam is onzeker; sommigen denken aan ‘woningen’ of ‘weidegrond’.

Lezing

In het geschreven Hebreeuws staat נוית (nawit).

De voorgelezen tekst heeft בְּנָיוֹת (benayot), ‘in Najot’.

Wij volgen de voorgelezen tekst (ook in vers 19, 22 en 23).

19Het werd aan Saul gemeld: „Zie, David is in Najot in Rama.”
וַיֻּגַּ֥ד
(vayugad)
en het werd gemeld
לְשָׁא֖וּל
(leshaul)
aan Saul
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
דָוִ֔ד
(david)
David
בְּנָי֖וֹת
(benayot)
in Najot
בָּרָמָֽה
(barama)
in Rama
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Najot (in Rama, ligging onzeker): Najot was een plek of wijk in Rama.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker.

In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden.

20Saul stuurde boodschappers om David te halen. Zij zagen de groep profeten die profeteerde. Samuël stond daar als hun leider. De geest van Elohim kwam over de boodschappers van Saul, en ook zij profeteerden.
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en hij zond
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
מַלְאָכִים֮
(malakhim)
boodschappers
לָקַ֣חַת
(laqachat)
om te nemen
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִד֒
(david)
David
וַיַּ֗רְא
(vayar)
en hij zag
אֶֽת
(et)
(obj.)
לַהֲקַ֤ת
(lahaqat)
de groep van
הַנְּבִיאִים֙
(haneviim)
de profeten
נִבְּאִ֔ים
(nibeim)
profeterend
וּשְׁמוּאֵ֕ל
(ushemuel)
en Samuël
עֹמֵ֥ד
(omed)
staand
נִצָּ֖ב
(nitsav)
leider
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
over hen
וַתְּהִ֞י
(vatehi)
en kwam
עַֽל
(al)
over
מַלְאֲכֵ֤י
(malakhei)
de boodschappers van
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
ר֣וּחַ
(ruach)
de geest van
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
וַיִּֽתְנַבְּא֖וּ
(vayitnabeu)
en ze profeteerden
גַּם
(gam)
ook
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לַהֲקַת הַנְּבִיאִים (lahakat hannevi'im), ‘de groep profeten’: een gemeenschap van profeten.

Zie ook 1 Sam. 10:5 en 10:10.

וַיִּתְנַבְּאוּ (vayitnabbe'u), ‘zij profeteerden’: zoals bij Saul in 1 Sam. 10:10. Het gaat om een bijzonder, door de geest gegeven spreken. De tekst vertelt de inhoud niet.

21Men vertelde het aan Saul. Hij stuurde andere boodschappers, en ook zij profeteerden. Saul stuurde voor de derde keer boodschappers, en ook zij profeteerden.
וַיַּגִּ֣דוּ
(vayagidu)
en ze vertelden
לְשָׁא֗וּל
(leshaul)
aan Saul
וַיִּשְׁלַח֙
(vayishlach)
en hij zond
מַלְאָכִ֣ים
(malakhim)
boodschappers
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
וַיִּֽתְנַבְּא֖וּ
(vayitnabeu)
en ze profeteerden
גַּם
(gam)
ook
הֵ֑מָּה
(hema)
zij
וַיֹּ֣סֶף
(vayosef)
en hij voegde toe
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
וַיִּשְׁלַח֙
(vayishlach)
en hij zond
מַלְאָכִ֣ים
(malakhim)
boodschappers
שְׁלִשִׁ֔ים
(shelishim)
derde
וַיִּֽתְנַבְּא֖וּ
(vayitnabeu)
en ze profeteerden
גַּם
(gam)
ook
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Toen ging hij zelf naar Rama. Hij kwam bij de grote put die in Seku is. Hij vroeg: „Waar zijn Samuël en David?” Men zei: „Zie, in Najot in Rama.”
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
גַּם
(gam)
ook
ה֜וּא
(hu)
hij
הָרָמָ֗תָה
(haramata)
naar Rama
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en hij kwam
עַד
(ad)
tot
בּ֤וֹר
(bor)
put
הַגָּדוֹל֙
(hagadol)
de grote
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּשֶּׂ֔כוּ
(basekhu)
in Seku
וַיִּשְׁאַ֣ל
(vayishal)
en hij vroeg
וַיֹּ֔אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵיפֹ֥ה
(eifo)
waar
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
וְדָוִ֑ד
(vedavid)
en David
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּ֖ה
(hine)
zie
בְּנָי֥וֹת
(benayot)
in Najot
בָּרָמָֽה
(barama)
in Rama
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Seku (שֵׂכוּ, sekhu) ligt bij Rama.

De ligging is onzeker.

Zie Najot (in Rama, ligging onzeker): Najot was een plek of wijk in Rama.

De precieze plaats is niet bekend.

23Hij ging daarheen, naar Najot in Rama. Ook over hem kwam de geest van Elohim. Hij liep verder en profeteerde, totdat hij bij Najot in Rama kwam.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
שָׁ֔ם
(sham)
daarheen
אֶל
(el)
naar
נָי֖וֹת
(nayot)
Najot
בָּרָמָ֑ה
(barama)
in Rama
וַתְּהִי֩
(vatehi)
en kwam
עָלָ֨יו
(alav)
over hem
גַּם
(gam)
ook
ה֜וּא
(hu)
hij
ר֣וּחַ
(ruach)
de geest van
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en hij liep
הָלוֹךְ֙
(halokh)
lopend
וַיִּתְנַבֵּ֔א
(vayitnabe)
en profeteerde
עַד
(ad)
tot
בֹּא֖וֹ
(boo)
hij kwam
בְּנָי֥וֹת
(benayot)
bij Najot
בָּרָמָֽה
(barama)
in Rama
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Najot (in Rama, ligging onzeker): Najot was een plek of wijk in Rama.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker.

In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden.

24Ook hij trok zijn kleren uit en profeteerde ook, voor Samuël. Hij lag naakt, de hele dag en de hele nacht. Daarom zegt men: „Is ook Saul onder de profeten?”
וַיִּפְשַׁ֨ט
(vayifshat)
en hij trok uit
גַּם
(gam)
ook
ה֜וּא
(hu)
hij
בְּגָדָ֗יו
(begadav)
zijn kleren
וַיִּתְנַבֵּ֤א
(vayitnabe)
en hij profeteerde
גַם
(gam)
ook
הוּא֙
(hu)
hij
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
וַיִּפֹּ֣ל
(vayipol)
en hij viel
עָרֹ֔ם
(arom)
naakt
כָּל
(kal)
alle
הַיּ֥וֹם
(hayom)
die dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַלָּ֑יְלָה
(halayela)
de nacht
עַל
(al)
om
כֵּן֙
(ken)
dit
יֹֽאמְר֔וּ
(yomru)
zegt men
הֲגַ֥ם
(hagam)
ook
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
בַּנְּבִיאִֽם
(baneviim)
onder de profeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרֹם (arom), ‘naakt’: ook ‘zonder bovenkleed’.

Saul trok zijn kleren uit.

Het gezegde ‘Is ook Saul onder de profeten?’ staat eerder in 1 Sam. 10:11–12. Daar krijgt het een andere uitleg.