Welk huis? Sion baart; Yahweh komt met vuur; alle volken zien Zijn heerlijkheid
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Welk huis bouwen jullie voor Mij?
1Zo zegt Yahweh: „De hemel is Mijn troon en de aarde de voetbank van Mijn voeten. Welk huis zouden jullie voor Mij bouwen, en welke plaats is Mijn rustplaats?
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הַשָּׁמַ֣יִם
(hashamayim)
de hemel
כִּסְאִ֔י
(kisi)
Mijn troon
וְהָאָ֖רֶץ
(vehaarets)
en de aarde
הֲדֹ֣ם
(hadom)
de voetbank van
רַגְלָ֑י
(raglay)
Mijn voeten
אֵי
(ei)
welk
זֶ֥ה
(ze)
dit
בַ֨יִת֙
(bayit)
huis
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תִּבְנוּ
(tivnu)
jullie zouden bouwen
לִ֔י
(li)
voor Mij
וְאֵי
(veei)
en welke
זֶ֥ה
(ze)
dit
מָק֖וֹם
(maqom)
plaats
מְנוּחָתִֽי
(menuchati)
van Mijn rust
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier spreekt Yahweh zelf; Zijn woorden staan rood.
Hand. 7:49–50 haalt dit vers aan.
הֲדֹם רַגְלָי (hadom ragli), ‘de voetbank van Mijn voeten’: zie Ps. 99:5 en 110:1.
מְנוּחָתִי (menuchati), ‘Mijn rustplaats’: vergelijk Ps. 132:14.
2Mijn hand heeft dit alles gemaakt, en zo is dit alles ontstaan, godsspraak van Yahweh. Maar naar deze zie Ik: naar de ellendige, gebroken van geest, die beeft voor Mijn woord.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
אֵ֨לֶּה֙
(ele)
deze dingen
יָדִ֣י
(yadi)
Mijn hand
עָשָׂ֔תָה
(asata)
heeft gemaakt
וַיִּהְי֥וּ
(vayihyu)
en zijn geworden
כָל
(kal)
al
אֵ֖לֶּה
(ele)
deze dingen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶל
(veel)
en naar
זֶ֣ה
(ze)
deze
אַבִּ֔יט
(abit)
zie Ik
אֶל
(el)
naar
עָנִי֙
(ani)
de ellendige
וּנְכֵה
(unekhe)
en gebroken van
ר֔וּחַ
(ruach)
geest
וְחָרֵ֖ד
(vechared)
en die beeft
עַל
(al)
voor
דְּבָרִֽי
(devari)
Mijn woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (neum Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24.
Midden in Zijn woorden staat de formule rood.
נְכֵה רוּחַ (nekheh ruach), ‘gebroken van geest’: letterlijk ‘geslagen van geest’. Vergelijk Ps. 34:19.
3Wie een stier slacht, is als wie een mens neerslaat. Wie een lam offert, is als wie een hond de nek breekt. Wie een graanoffer brengt, is als wie varkensbloed brengt. Wie wierook als gedenkdeel brengt, is als wie onheil zegent. Ook zij hebben hun eigen wegen gekozen, en hun ziel heeft behagen in hun gruwelen.
שׁוֹחֵ֨ט
(shochet)
wie slacht
הַשּׁ֜וֹר
(hashor)
de stier
מַכֵּה
(make)
slaat neer
אִ֗ישׁ
(ish)
een mens
זוֹבֵ֤חַ
(zoveach)
wie offert
הַשֶּׂה֙
(hase)
het lam
עֹ֣רֵֽף
(oref)
breekt de nek van
כֶּ֔לֶב
(kelev)
een hond
מַעֲלֵ֤ה
(maale)
wie brengt
מִנְחָה֙
(mincha)
graanoffer
דַּם
(dam)
bloed van
חֲזִ֔יר
(chazir)
varken
מַזְכִּ֥יר
(mazkir)
wie laat gedenken
לְבֹנָ֖ה
(levona)
wierook
מְבָ֣רֵֽךְ
(mevarekh)
wie zegent
אָ֑וֶן
(aven)
onheil
גַּם
(gam)
ook
הֵ֗מָּה
(hema)
zij
בָּֽחֲרוּ֙
(bacharu)
hebben gekozen
בְּדַרְכֵיהֶ֔ם
(bedarkheihem)
hun wegen
וּבְשִׁקּוּצֵיהֶ֖ם
(uveshiqutseihem)
en in hun gruwelen
נַפְשָׁ֥ם
(nafsham)
hun ziel
חָפֵֽצָה
(chafetsa)
heeft behagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws heeft hier geen woord voor ‘is als’; het zijn korte uitdrukkingen: ‘slachter van de stier, doodslager van een mens’.
Wij vullen ‘is als wie’ aan.
מַזְכִּיר לְבֹנָה (mazkir levonah), ‘wie wierook als gedenkdeel brengt’: zie Lev. 2:2 en 24:7.
שִׁקּוּצֵיהֶם (shiqqutseihem), ‘hun gruwelen’: dingen die Yahweh verafschuwt.
Lezing
Het vers kan ook zo gelezen worden, dat dezelfde mensen het offer brengen en de gruweldaad doen: zij slachten een stier en slaan een mens.
4Ook Ik zal hun mishandeling kiezen, en wat zij vrezen breng Ik over hen. Omdat Ik riep en niemand antwoordde, Ik sprak en zij niet luisterden, deden zij wat kwaad is in Mijn ogen en kozen zij waar Ik geen behagen in had.”
גַּם
(gam)
ook
אֲנִ֞י
(ani)
Ik
אֶבְחַ֣ר
(evchar)
zal kiezen
בְּתַעֲלֻלֵיהֶ֗ם
(betaaluleihem)
hun mishandeling
וּמְגֽוּרֹתָם֙
(umegurotam)
en wat zij vrezen
אָבִ֣יא
(avi)
zal Ik brengen
לָהֶ֔ם
(lahem)
over hen
יַ֤עַן
(yaan)
omdat
קָרָ֨אתִי֙
(qarati)
Ik riep
וְאֵ֣ין
(veein)
en niemand is er
עוֹנֶ֔ה
(one)
die antwoordde
דִּבַּ֖רְתִּי
(dibarti)
Ik sprak
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שָׁמֵ֑עוּ
(shameu)
zij luisterden
וַיַּעֲשׂ֤וּ
(vayaasu)
en zij deden
הָרַע֙
(hara)
wat kwaad is
בְּעֵינַ֔י
(beeinay)
in Mijn ogen
וּבַאֲשֶׁ֥ר
(uvaasher)
en waar
לֹֽא
(lo)
niet
חָפַ֖צְתִּי
(chafatsti)
Ik behagen had in
בָּחָֽרוּ
(bacharu)
kozen zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּעֲלֻלֵיהֶם (taalulehem), ‘hun mishandeling’: het woord is onzeker.
Het hoort bij een werkwoord dat ‘iemand hard behandelen’ betekent.
Het kan gaan om wat zij doen of wat hun wordt aangedaan.
מְגוּרֹתָם (megurotam), ‘wat zij vrezen’: hun angsten.
De tweede helft is gelijk aan Jes. 65:12, maar daar staat de tweede persoon.
5Hoor het woord van Yahweh, jullie die beven voor Zijn woord. Jullie broeders, die jullie haten en jullie buitensluiten omwille van Mijn naam, hebben gezegd: „Laat Yahweh Zich verheerlijken, zodat wij jullie vreugde zien.” Maar zij zullen beschaamd worden.
שִׁמְעוּ֙
(shimu)
hoort
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הַחֲרֵדִ֖ים
(hacharedim)
die beven
אֶל
(el)
voor
דְּבָר֑וֹ
(devaro)
Zijn woord
אָמְרוּ֩
(ameru)
hebben gezegd
אֲחֵיכֶ֨ם
(acheikhem)
jullie broeders
שֹׂנְאֵיכֶ֜ם
(soneeikhem)
die jullie haten
מְנַדֵּיכֶ֗ם
(menadeikhem)
die jullie buitensluiten
לְמַ֤עַן
(lemaan)
omwille van
שְׁמִי֙
(shemi)
Mijn naam
יִכְבַּ֣ד
(yikhbad)
laat Zich verheerlijken
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנִרְאֶ֥ה
(venire)
zodat wij zien
בְשִׂמְחַתְכֶ֖ם
(besimchatkhem)
jullie vreugde
וְהֵ֥ם
(vehem)
maar zij
יֵבֹֽשׁוּ
(yevoshu)
zullen beschaamd worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De woorden ‘omwille van Mijn naam’ spreekt Yahweh zelf; daarom staan ze rood, midden in de zin van de profeet.
מְנַדֵּיכֶם (menaddeikhem), ‘die jullie buitensluiten’: zij sluiten jullie uit van de gemeenschap.
וְנִרְאֶה (venir’eh), ‘zodat wij zien’: de vorm is onzeker. Hij kan ook betekenen: ‘en Hij zal verschijnen’.
8Wie heeft zoiets gehoord? Wie heeft zulke dingen gezien? Wordt een land in één dag voortgebracht? Of wordt een volk in één keer geboren? Want zodra Sion barensnood kreeg, beviel zij ook van haar zonen.
מִֽי
(mi)
wie
שָׁמַ֣ע
(shama)
heeft gehoord
כָּזֹ֗את
(kazot)
zoiets
מִ֤י
(mi)
wie
רָאָה֙
(raa)
heeft gezien
כָּאֵ֔לֶּה
(kaele)
zulke dingen
הֲי֤וּחַל
(hayuchal)
wordt voortgebracht
אֶ֨רֶץ֙
(erets)
een land
בְּי֣וֹם
(beyom)
op een dag
אֶחָ֔ד
(echad)
één
אִם
(im)
of
יִוָּ֥לֵֽד
(yivaled)
wordt geboren
גּ֖וֹי
(goy)
een volk
פַּ֣עַם
(paam)
keer
אֶחָ֑ת
(echat)
één
כִּֽי
(ki)
want
חָ֛לָה
(chala)
kreeg barensnood
גַּם
(gam)
zodra
יָלְדָ֥ה
(yaleda)
beviel
צִיּ֖וֹן
(tsiyon)
Sion
אֶת
(et)
(obj.)
בָּנֶֽיהָ
(baneiha)
van haar zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
הֲיוּחַל (hayuchal), ‘wordt voortgebracht’: een lijdende vorm van חוּל (chul), ‘barensnood hebben’, ‘voortbrengen’.
גַם (gam), ‘ook’: het woord geeft aan dat Sion al baarde terwijl zij nog maar barensnood kreeg.
9„Zou Ik de geboorte laten doorbreken en niet laten baren?” zegt Yahweh. „Of zou Ik, die laat baren, het afsluiten?” zegt je Elohim.
הַאֲנִ֥י
(haani)
zou Ik
אַשְׁבִּ֛יר
(ashbir)
laten doorbreken
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אוֹלִ֖יד
(olid)
laten baren
יֹאמַ֣ר
(yomar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
of
אֲנִ֧י
(ani)
Ik
הַמּוֹלִ֛יד
(hamolid)
die laat baren
וְעָצַ֖רְתִּי
(veatsarti)
zou Ik afsluiten
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
אֱלֹהָֽיִךְ
(elohayikh)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַאֲנִי אַשְׁבִּיר (ha’ani ashbir), ‘Zou Ik de geboorte laten doorbreken’: letterlijk ‘Zou Ik doen breken’; de geboorte breekt door, zoals in Jes. 37:3.
וְעָצַרְתִּי (ve’atsarti), ‘en zou Ik afsluiten’: er staat geen voorwerp; vergelijk Gen. 20:18, waar de schoot wordt gesloten.
אָמַר אֱלֹהָיִךְ (amar Elohayikh), ‘zegt je Elohim’: ‘je’ is vrouwelijk enkelvoud; Sion wordt aangesproken.
11Zo zullen jullie zuigen en verzadigd worden aan de borst van haar troost. Zo zullen jullie diep drinken en genieten van de overvloed van haar heerlijkheid.
לְמַ֤עַן
(lemaan)
opdat
תִּֽינְקוּ֙
(tinequ)
jullie zuigen
וּשְׂבַעְתֶּ֔ם
(usevatem)
en verzadigd worden
מִשֹּׁ֖ד
(mishod)
aan de borst van
תַּנְחֻמֶ֑יהָ
(tanchumeiha)
haar troost
לְמַ֧עַן
(lemaan)
opdat
תָּמֹ֛צּוּ
(tamotsu)
jullie diep drinken
וְהִתְעַנַּגְתֶּ֖ם
(vehitanagtem)
en genieten
מִזִּ֥יז
(miziz)
van de overvloed van
כְּבוֹדָֽהּ
(kevodah)
haar heerlijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִזִּיז (mizziz), ‘van de overvloed’: het woord is zeldzaam; de betekenis ‘overvloed’ of ‘glans’ is onzeker.
Sion wordt hier voorgesteld als een moeder die haar kinderen voedt.
12Want zo zegt Yahweh: „Zie, Ik leid de vrede naar haar toe als een rivier, en de heerlijkheid van de volken als een overstromende beek. Jullie zullen zuigen. Op de heup worden jullie gedragen, en op de knieën worden jullie gekoesterd.
כִּֽי
(ki)
want
כֹ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Mij
נֹטֶֽה
(note)
die leidt
אֵ֠לֶיהָ
(eleiha)
naar haar toe
כְּנָהָ֨ר
(kenahar)
als een rivier
שָׁל֜וֹם
(shalom)
de vrede
וּכְנַ֧חַל
(ukhenachal)
en als een beek
שׁוֹטֵ֛ף
(shotef)
overstromende
כְּב֥וֹד
(kevod)
heerlijkheid van
גּוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
וִֽינַקְתֶּ֑ם
(vinaqtem)
en jullie zullen zuigen
עַל
(al)
op
צַד֙
(tsad)
de heup
תִּנָּשֵׂ֔אוּ
(tinaseu)
worden jullie gedragen
וְעַל
(veal)
en op
בִּרְכַּ֖יִם
(birkayim)
de knieën
תְּשָׁעֳשָֽׁעוּ
(teshaoshau)
worden jullie gekoesterd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֹטֶה אֵלֶיהָ (noteh eleiha), ‘Ik leid naar haar toe’: letterlijk ‘Ik strek uit naar haar’; Yahweh richt de vrede op haar, als een rivier die zijn bedding vindt.
שָׁלוֹם (shalom), ‘de vrede’: heelheid, welzijn.
תְּשָׁעֳשָׁעוּ (tesha’oshe’u), ‘worden jullie gekoesterd’: liefkozend op de knieën gewiegd.
14Jullie zullen het zien, en jullie hart zal zich verheugen. Jullie beenderen zullen bloeien als jong gras. De hand van Yahweh zal bekend worden bij Zijn knechten, maar Hij zal Zijn vijanden verwensen.
וּרְאִיתֶם֙
(ureitem)
en jullie zullen zien
וְשָׂ֣שׂ
(vesas)
en zal zich verheugen
לִבְּכֶ֔ם
(libekhem)
jullie hart
וְעַצְמוֹתֵיכֶ֖ם
(veatsmoteikhem)
en jullie beenderen
כַּדֶּ֣שֶׁא
(kadeshe)
als jong gras
תִפְרַ֑חְנָה
(tifrachna)
zullen bloeien
וְנוֹדְעָ֤ה
(venodea)
en zal bekend worden
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
bij
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
Zijn knechten
וְזָעַ֖ם
(vezaam)
en Hij zal verwensen
אֶת
(et)
(obj.)
אֹיְבָֽיו
(oyevav)
Zijn vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְזָעַם (vezaam), ‘en Hij zal verwensen’: het werkwoord betekent ‘vervloeken’ of ‘toornig zijn op’; zie Num. 23:8.
עַצְמוֹתֵיכֶם (atsmoteikhem), ‘jullie beenderen’: het lichaam van wie getroost wordt, leeft weer op.
15Want zie, Yahweh komt met vuur, en Zijn wagens zijn als een stormwind. Hij komt om Zijn toorn met grimmigheid neer te laten komen en Zijn bestraffing met vlammen van vuur.
כִּֽי
(ki)
want
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בָּאֵ֣שׁ
(baesh)
met vuur
יָב֔וֹא
(yavo)
komt
וְכַסּוּפָ֖ה
(vekhasufa)
en als een stormwind
מַרְכְּבֹתָ֑יו
(markevotav)
Zijn wagens
לְהָשִׁ֤יב
(lehashiv)
om neer te laten komen
בְּחֵמָה֙
(bechema)
in grimmigheid
אַפּ֔וֹ
(apo)
Zijn toorn
וְגַעֲרָת֖וֹ
(vegaarato)
en Zijn bestraffing
בְּלַהֲבֵי
(belahavei)
met vlammen van
אֵֽשׁ
(esh)
vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְהָשִׁיב (lehashiv), ‘neer te laten komen’: letterlijk ‘terug te laten keren’, ook ‘te vergelden’.
17Zij die zich heiligen en zich reinigen voor de tuinen, achter de ene aan, in het midden, die varkensvlees eten, en het afschuwelijke en de muis: samen komen zij om, godsspraak van Yahweh.
הַמִּתְקַדְּשִׁ֨ים
(hamitqadeshim)
die zich heiligen
וְהַמִּֽטַּהֲרִ֜ים
(vehamitaharim)
en die zich reinigen
אֶל
(el)
voor
הַגַּנּ֗וֹת
(haganot)
de tuinen
אַחַ֤ר
(achar)
achter
אַחַת֙
(achat)
de ene
בַּתָּ֔וֶךְ
(batavekh)
in het midden
אֹֽכְלֵי֙
(okhelei)
die eten
בְּשַׂ֣ר
(besar)
vlees van
הַחֲזִ֔יר
(hachazir)
het varken
וְהַשֶּׁ֖קֶץ
(vehasheqets)
en het afschuwelijke
וְהָעַכְבָּ֑ר
(vehaakhbar)
en de muis
יַחְדָּ֥ו
(yachdav)
samen
יָסֻ֖פוּ
(yasufu)
komen zij om
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (neum Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24.
Hier staat de formule alleen rood, midden in de zin van de profeet.
אַחַר אַחַת בַּתָּוֶךְ (achar achat battavekh), ‘achter de ene aan, in het midden’: de betekenis is onzeker. Het kan gaan om een voorganger bij een heidens ritueel. Zie Jes. 65:3 en 65:4.
19Ik zal onder hen een teken stellen. Ik zal van hen ontkomenen zenden naar de volken: naar Tarsis, Pul en Lud, die de boog spannen, naar Tubal en Javan, naar de verre eilanden die Mijn faam niet hebben gehoord en Mijn heerlijkheid niet hebben gezien. Zij zullen Mijn heerlijkheid onder de volken bekendmaken.
וְשַׂמְתִּ֨י
(vesamti)
en Ik zal stellen
בָהֶ֜ם
(bahem)
onder hen
א֗וֹת
(ot)
een teken
וְשִׁלַּחְתִּ֣י
(veshilachti)
en Ik zal zenden
מֵהֶ֣ם
(mehem)
van hen
פְּ֠לֵיטִים
(peleitim)
ontkomenen
אֶֽל
(el)
naar
הַגּוֹיִ֞ם
(hagoyim)
de volken
תַּרְשִׁ֨ישׁ
(tarshish)
Tarsis
פּ֥וּל
(pul)
Pul
וְל֛וּד
(velud)
en Lud
מֹ֥שְׁכֵי
(moshekhei)
die spannen
קֶ֖שֶׁת
(qeshet)
de boog
תֻּבַ֣ל
(tuval)
Tubal
וְיָוָ֑ן
(veyavan)
en Javan
הָאִיִּ֣ים
(haiyim)
de eilanden
הָרְחֹקִ֗ים
(harechoqim)
de verre
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
שָׁמְע֤וּ
(shameu)
hebben gehoord
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁמְעִי֙
(shimi)
Mijn faam
וְלֹא
(velo)
en niet
רָא֣וּ
(rau)
hebben gezien
אֶת
(et)
(obj.)
כְּבוֹדִ֔י
(kevodi)
Mijn heerlijkheid
וְהִגִּ֥ידוּ
(vehigidu)
en zij zullen bekendmaken
אֶת
(et)
(obj.)
כְּבוֹדִ֖י
(kevodi)
Mijn heerlijkheid
בַּגּוֹיִֽם
(bagoyim)
onder de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker.
Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië.
Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld.
Zie Tubal (Anatolië; ligging onzeker): Tubal wordt gezocht in het oosten van Anatolië, in het huidige Turkije.
De precieze ligging is niet zeker.
Zie Javan (Griekenland, Ionië?; ligging onzeker): Javan is Griekenland of Ionië, aan de westkust van het huidige Turkije.
De precieze begrenzing is niet zeker.
Uitleg
אוֹת (ot), ‘teken’: waarschijnlijk een teken van Yahweh’s macht, waarmee de gezondenen worden herkend.
פְּלֵיטִים (peletim), ‘ontkomenen’: wie aan het oordeel ontsnapt is.
תַּרְשִׁישׁ (Tarshish), ‘Tarsis’: een ver land in het westen, zie 1 Kon. 10:22. פּוּל (Pul), ‘Pul’: onbekend; sommige oude vertalingen lezen hier Put. לוּד (Lud) en תֻּבַל (Tubal): zie Gen. 10:22 en 10:2. יָוָן (Yavan), ‘Javan’: Griekenland, zie Gen. 10:2.
מֹשְׁכֵי קֶשֶׁת (moshkhei qeshet), ‘die de boog spannen’: een kenmerk van Lud.
הָאִיִּים (ha’iyyim), ‘de eilanden’: verre kustlanden over de zee.
20Zij zullen al jullie broeders uit alle volken als graanoffer voor Yahweh brengen: op paarden, op wagens, op overdekte wagens, op muildieren en op dromedarissen, naar Mijn heilige berg, Jeruzalem, zegt Yahweh. Zo brengen de zonen van Israël het graanoffer in een rein vat naar het huis van Yahweh.
וְהֵבִ֣יאוּ
(veheviu)
en zij zullen brengen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
אֲחֵיכֶ֣ם
(acheikhem)
jullie broeders
מִכָּל
(mikal)
uit alle
הַגּוֹיִ֣ם
(hagoyim)
de volken
מִנְחָ֣ה
(mincha)
als graanoffer
לַֽיהוָ֡ה
(laYahweh)
voor Yahweh
בַּסּוּסִ֡ים
(basusim)
op paarden
וּ֠בָרֶכֶב
(uvarekhev)
en op wagens
וּבַצַּבִּ֨ים
(uvatsabim)
en op overdekte wagens
וּבַפְּרָדִ֜ים
(uvaperadim)
en op muildieren
וּבַכִּרְכָּר֗וֹת
(uvakirkarot)
en op dromedarissen
עַ֣ל
(al)
naar
הַ֥ר
(har)
berg
קָדְשִׁ֛י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
יָבִיאוּ֩
(yaviu)
brengen
בְנֵ֨י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֧ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּנְחָ֛ה
(hamincha)
het graanoffer
בִּכְלִ֥י
(bikhli)
in een vat
טָה֖וֹר
(tahor)
rein
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: wij gebruiken hetzelfde woord als in Lev. 2.
Volken brengen de broeders van Israël, de verstrooiden, als gave aan Yahweh.
צַבִּים (tsabbim), ‘overdekte wagens’: zoals in Num. 7:3.
כִּרְכָּרוֹת (kirkarot), ‘dromedarissen’: het woord komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker.
בְּנֵי יִשְׂרָאֵל (benei Yisra’el), ‘de zonen van Israël’: het volk.
22Want zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik maak, voor Mijn aangezicht blijven staan, godsspraak van Yahweh, zo zullen jullie nageslacht en jullie naam blijven staan.
כִּ֣י
(ki)
want
כַאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
הַשָּׁמַ֣יִם
(hashamayim)
de hemel
הַ֠חֳדָשִׁים
(hachodashim)
de nieuwe
וְהָאָ֨רֶץ
(vehaarets)
en de aarde
הַחֲדָשָׁ֜ה
(hachadasha)
de nieuwe
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
עֹשֶׂ֛ה
(ose)
maak
עֹמְדִ֥ים
(omedim)
blijven staan
לְפָנַ֖י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כֵּ֛ן
(ken)
zo
יַעֲמֹ֥ד
(yaamod)
zal blijven staan
זַרְעֲכֶ֖ם
(zarakhem)
jullie nageslacht
וְשִׁמְכֶֽם
(veshimkhem)
en jullie naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַשָּׁמַיִם הַחֲדָשִׁים (hashamayim hachadashim), ‘de nieuwe hemel’: zie Jes. 65:17.
24Zij zullen naar buiten gaan en de lijken zien van de mensen die tegen Mij in opstand zijn gekomen. Want hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet gedoofd worden. Zij zullen een afschuw zijn voor alle vlees.”
וְיָצְא֣וּ
(veyatseu)
en zij zullen uitgaan
וְרָא֔וּ
(verau)
en zien
בְּפִגְרֵי֙
(befigrei)
de lijken van
הָאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mensen
הַפֹּשְׁעִ֖ים
(haposheim)
die in opstand zijn gekomen
בִּ֑י
(bi)
tegen Mij
כִּ֣י
(ki)
want
תוֹלַעְתָּ֞ם
(tolatam)
hun worm
לֹ֣א
(lo)
niet
תָמ֗וּת
(tamut)
zal sterven
וְאִשָּׁם֙
(veisham)
en hun vuur
לֹ֣א
(lo)
niet
תִכְבֶּ֔ה
(tikhbe)
zal gedoofd worden
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
דֵרָא֖וֹן
(deraon)
een afschuw
לְכָל
(lekhal)
voor alle
בָּשָֽׂר
(basar)
vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פִּגְרֵי (pigrei), ‘lijken’: dode lichamen.
הַפֹּשְׁעִים בִּי (happoshim bi), ‘die tegen Mij in opstand zijn gekomen’: zie Hos. 7:13.
דֵּרָאוֹן (deraon), ‘afschuw’: het woord komt ook voor in Dan. 12:2. Mark. 9:48 haalt dit vers aan.