Elohim Bijbel

2 Samuël 22

123456789101112131415161718192021222324

Davids lied van dank voor Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Davids lied van dank

1David sprak de woorden van dit lied tot Yahweh. Dat was op de dag dat Yahweh hem redde uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul.
וַיְדַבֵּ֤ר
(vaydaber)
en sprak
דָּוִד֙
(david)
David
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
tot Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
de woorden van
הַשִּׁירָ֣ה
(hashira)
het lied
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
בְּיוֹם֩
(beyom)
op de dag
הִצִּ֨יל
(hitsil)
redde
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
מִכַּ֥ף
(mikaf)
uit de hand van
כָּל
(kal)
al
אֹיְבָ֖יו
(oyevav)
zijn vijanden
וּמִכַּ֥ף
(umikaf)
en uit de hand van
שָׁאֽוּל
(shaul)
Saul
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit lied staat ook in Psalm 18.

Het hoort bij de dag dat Yahweh David redde van Saul en van zijn andere vijanden.

שִׁירָה (shirah), ‘lied’: zoals het lied van Mozes in Exod. 15:1 en Deut. 31:30.

2Hij zei: „Yahweh is mijn rots en mijn burcht. Voor mij is Hij de bevrijder.
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en hij zei
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
סַֽלְעִ֥י
(sali)
mijn rots
וּמְצֻדָתִ֖י
(umetsudati)
en mijn burcht
וּמְפַלְטִי
(umefalti)
en mijn bevrijder
לִֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֶלַע (sela), ‘rots’, en מְצוּדָה (metsudah), ‘burcht’: plaatsen waar David zich verborg (1 Sam. 23:25; 24:23).

Het Hebreeuws zegt ‘een bevrijder voor mij’ (לי, li). Wij schrijven: ‘Voor mij is Hij de bevrijder’.

3Mijn Elohim is mijn rots; bij Hem schuil ik. Hij is mijn schild en de hoorn van mijn redding, mijn hoge schuilplaats en mijn toevlucht. Mijn redder, van geweld redt U mij.
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
mijn Elohim
צוּרִ֖י
(tsuri)
mijn rots
אֶחֱסֶה
(echese)
ik schuil
בּ֑וֹ
(bo)
bij Hem
מָגִנִּ֞י
(magini)
mijn schild
וְקֶ֣רֶן
(veqeren)
en de hoorn van
יִשְׁעִ֗י
(yishi)
mijn redding
מִשְׂגַּבִּי֙
(misgabi)
mijn hoge schuilplaats
וּמְנוּסִ֔י
(umenusi)
en mijn toevlucht
מֹשִׁעִ֕י
(moshii)
mijn redder
מֵחָמָ֖ס
(mechamas)
van geweld
תֹּשִׁעֵֽנִי
(toshieni)
U redt mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: het beeld van een stier, die met zijn hoorn kracht toont.

‘De hoorn van mijn redding’ is: mijn sterke redder.

מַשְׂגָּב (misgav), ‘hoge schuilplaats’: een plaats die zo hoog ligt dat vijanden er niet bij kunnen.

4Ik roep Yahweh aan, die lof waard is, en word gered van mijn vijanden.
מְהֻלָּ֖ל
(mehulal)
de lofwaardige
אֶקְרָ֣א
(eqra)
ik roep
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וּמֵאֹיְבַ֖י
(umeoyevay)
en van mijn vijanden
אִוָּשֵֽׁעַ
(ivashea)
ik word gered
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְהֻלָּל (mehullal), ‘lof waard’: Hij is het waard om geprezen te worden.

De nood en de hulpkreet

5Want de golven van de dood omringden mij. De stromen van Belial joegen mij schrik aan.
כִּ֥י
(ki)
want
אֲפָפֻ֖נִי
(afafuni)
omringden mij
מִשְׁבְּרֵי
(mishberei)
de golven van
מָ֑וֶת
(mavet)
de dood
נַחֲלֵ֥י
(nachalei)
de stromen van
בְלִיַּ֖עַל
(beliyaal)
Belial
יְבַעֲתֻֽנִי
(yevaatuni)
zij joegen mij schrik aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּלִיַּעַל (Belial), ‘Belial’: het woord betekent ‘waardeloosheid’ of ‘verderf’.

Wij laten de naam staan.

מִשְׁבְּרֵי (mishberei), ‘golven’: golven die over iemand heen breken.

6De touwen van het dodenrijk omringden mij. De strikken van de dood kwamen mij tegemoet.
חֶבְלֵ֥י
(chevlei)
de touwen van
שְׁא֖וֹל
(sheol)
het dodenrijk
סַבֻּ֑נִי
(sabuni)
zij omringden mij
קִדְּמֻ֖נִי
(qidemuni)
zij kwamen mij tegemoet
מֹֽקְשֵׁי
(moqeshei)
de strikken van
מָֽוֶת
(mavet)
de dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (Sjeool), ‘dodenrijk’: de plaats van de doden, zoals in Deut. 32:22.

7In mijn nood riep ik Yahweh aan. Ik riep tot mijn Elohim. Vanuit Zijn tempel hoorde Hij mijn stem. Mijn hulpgeroep kwam in Zijn oren.
בַּצַּר
(batsar)
in nood
לִי֙
(li)
voor mij
אֶקְרָ֣א
(eqra)
ik riep
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶל
(veel)
en tot
אֱלֹהַ֖י
(elohay)
mijn Elohim
אֶקְרָ֑א
(eqra)
ik riep
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en Hij hoorde
מֵהֵֽיכָלוֹ֙
(meheikhalo)
vanuit Zijn tempel
קוֹלִ֔י
(qoli)
mijn stem
וְשַׁוְעָתִ֖י
(veshavati)
en mijn hulpgeroep
בְּאָזְנָֽיו
(beazenav)
in Zijn oren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵיכָל (heikal), ‘tempel’: hier de woonplaats van Yahweh in de hemel.

In 1 Sam. 1:9 en 3:3 is het de tempel in Silo.

שַׁוְעָה (shav’ah), ‘hulpgeroep’, is een ander woord dan ‘noodkreet’ (זְעָקָה, za’aqah).

Yahweh komt in zijn toorn

8Toen schudde en beefde de aarde. De grondvesten van de hemel trilden en schudden, want Hij was ontbrand.
וַיִּתְגָּעַ֤שׁ
(vayitgaash)
en schudde
וַתִּרְעַשׁ֙
(vatirash)
en beefde
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
מוֹסְד֥וֹת
(mosedot)
de grondvesten van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
יִרְגָּ֑זוּ
(yirgazu)
zij trilden
וַיִּֽתְגָּעֲשׁ֖וּ
(vayitgaashu)
en zij schudden
כִּֽי
(ki)
want
חָ֥רָה
(chara)
was ontbrand
לֽוֹ
(lo)
voor Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk de beving bij de Sinaï (Exod. 19:18; Richt. 5:4–5).

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft een andere vorm van het eerste werkwoord (ותגעש).

Wij volgen het qere, ויתגעש.

9Rook steeg op uit Zijn neus. Vuur uit Zijn mond verteerde. Kolen brandden, van Hem uit.
עָלָ֤ה
(ala)
opsteeg
עָשָׁן֙
(ashan)
rook
בְּאַפּ֔וֹ
(beapo)
in Zijn neus
וְאֵ֥שׁ
(veesh)
en vuur
מִפִּ֖יו
(mipiv)
uit Zijn mond
תֹּאכֵ֑ל
(tokhel)
verteerde
גֶּחָלִ֖ים
(gechalim)
kolen
בָּעֲר֥וּ
(baaru)
zij brandden
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
van Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַף (af), ‘neus’: het woord betekent ook ‘toorn’, want de neus snuift bij woede.

Wij vertalen ‘neus’.

10Hij boog de hemel en daalde neer. Donkere wolken waren onder Zijn voeten.
וַיֵּ֥ט
(vayet)
en Hij boog
שָׁמַ֖יִם
(shamayim)
hemel
וַיֵּרַ֑ד
(vayerad)
en daalde neer
וַעֲרָפֶ֖ל
(vaarafel)
en donkere wolken
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
רַגְלָֽיו
(raglav)
Zijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Hij reed op een cherub en vloog. Hij werd gezien op de vleugels van de wind.
וַיִּרְכַּ֥ב
(vayirkav)
en Hij reed
עַל
(al)
op
כְּר֖וּב
(keruv)
een cherub
וַיָּעֹ֑ף
(vayaof)
en vloog
וַיֵּרָ֖א
(vayera)
en werd gezien
עַל
(al)
op
כַּנְפֵי
(kanfei)
de vleugels van
רֽוּחַ
(ruach)
wind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּרוּב (keruv), ‘cherub’: Yahweh troont boven de cherubs (Exod. 25:22; 1 Sam. 4:4).

רוּחַ (ruach), ‘wind’: hier gaat het om de wind en niet om de Geest.

Wij lezen וַיֵּרָא (wayyera), ‘en Hij werd gezien’.

12Hij maakte van duisternis hutten rondom Zich: een massa water, dikke wolken aan de hemel.
וַיָּ֥שֶׁת
(vayashet)
en Hij maakte
חֹ֛שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
סְבִיבֹתָ֖יו
(sevivotav)
rondom Hem
סֻכּ֑וֹת
(sukot)
hutten
חַֽשְׁרַת
(chashrat)
massa van
מַ֖יִם
(mayim)
water
עָבֵ֥י
(avei)
dikke wolken van
שְׁחָקִֽים
(shechaqim)
de wolkenhemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁחָקִים (shechaqim), ‘wolkenhemel’: de hemel waarin de wolken staan.

חַשְׁרַת (chashrat), ‘massa’: een samengepakte hoeveelheid water.

Het woord komt maar één keer voor; de betekenis is onzeker.

13Uit de glans voor Hem brandden kolen van vuur.
מִנֹּ֖גַהּ
(minogah)
uit de glans
נֶגְדּ֑וֹ
(negdo)
voor Hem
בָּעֲר֖וּ
(baaru)
zij brandden
גַּחֲלֵי
(gachalei)
kolen van
אֵֽשׁ
(esh)
vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ook2 Sam 22:9
14Yahweh donderde vanuit de hemel. De Allerhoogste liet Zijn stem klinken.
יַרְעֵ֥ם
(yarem)
donderde
מִן
(min)
vanuit
שָׁמַ֖יִם
(shamayim)
de hemel
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְעֶלְי֖וֹן
(veelyon)
en de Allerhoogste
יִתֵּ֥ן
(yiten)
liet horen
קוֹלֽוֹ
(qolo)
Zijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Hij zond pijlen en verstrooide hen, bliksem, en bracht hen in verwarring.
וַיִּשְׁלַ֥ח
(vayishlach)
en Hij zond
חִצִּ֖ים
(chitsim)
pijlen
וַיְפִיצֵ֑ם
(vayfitsem)
en verstrooide hen
בָּרָ֖ק
(baraq)
bliksem
וַיָּהֹֽם
(vayahom)
en bracht in verwarring
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Pijlen en bliksem staan hier naast elkaar: de bliksem is als de pijl van Yahweh.

Het woord ‘bliksem’ (בָּרָק, baraq) heeft in het Hebreeuws geen eigen werkwoord.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft een andere vorm van het laatste werkwoord (ויהמם).

Wij volgen het qere, ויהם.

16De beddingen van de zee werden zichtbaar. De fundamenten van de wereld werden blootgelegd, door de bestraffing van Yahweh, door het blazen van de adem van Zijn neus.
וַיֵּֽרָאוּ֙
(vayerau)
en werden gezien
אֲפִ֣קֵי
(afiqei)
de beddingen van
יָ֔ם
(yam)
zee
יִגָּל֖וּ
(yigalu)
werden blootgelegd
מֹסְד֣וֹת
(mosedot)
de fundamenten van
תֵּבֵ֑ל
(tevel)
de wereld
בְּגַעֲרַ֣ת
(begaarat)
door de bestraffing van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִנִּשְׁמַ֖ת
(minishmat)
door het blazen van
ר֥וּחַ
(ruach)
de adem van
אַפּֽוֹ
(apo)
Zijn neus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲפִיקִים (afiqim), ‘beddingen’: de kanalen waar water in stroomt.

גְּעָרָה (ge’arah), ‘bestraffing’: een dreigend woord van Yahweh. Vergelijk Exod. 14:21–22, waar de zee openging door de wind van Yahweh.

Yahweh trekt David uit de wateren

17Hij reikte neer uit de hoogte. Hij nam mij. Hij trok mij uit grote wateren.
יִשְׁלַ֥ח
(yishlach)
Hij zond
מִמָּר֖וֹם
(mimarom)
uit de hoogte
יִקָּחֵ֑נִי
(yiqacheni)
Hij nam mij
יַֽמְשֵׁ֖נִי
(yamsheni)
Hij trok mij
מִמַּ֥יִם
(mimayim)
uit wateren
רַבִּֽים
(rabim)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָשָׁה (masha), ‘trekken’: hetzelfde werkwoord als in Exod. 2:10, waar Mozes zijn naam van heeft.

18Hij redde mij van mijn sterke vijand en van wie mij haatten, want zij waren te sterk voor mij.
יַצִּילֵ֕נִי
(yatsileni)
Hij redt mij
מֵאֹיְבִ֖י
(meoyevi)
van mijn vijand
עָ֑ז
(az)
sterke
מִשֹּׂ֣נְאַ֔י
(misoneay)
van wie mij haten
כִּ֥י
(ki)
want
אָמְצ֖וּ
(ametsu)
zij waren te sterk
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Zij kwamen mij tegemoet op de dag van mijn ramp. Maar Yahweh werd mijn steun.
יְקַדְּמֻ֖נִי
(yeqademuni)
zij kwamen mij tegemoet
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
אֵידִ֑י
(eidi)
mijn ramp
וַיְהִ֧י
(vayhi)
maar was
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מִשְׁעָ֖ן
(mishan)
steun
לִֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Hij bracht mij naar de ruimte. Hij bevrijdde mij, want Hij had behagen in mij.
וַיֹּצֵ֥א
(vayotse)
en Hij bracht uit
לַמֶּרְחָ֖ב
(lamerchav)
naar de ruimte
אֹתִ֑י
(oti)
mij
יְחַלְּצֵ֖נִי
(yechaletseni)
Hij bevrijdde mij
כִּי
(ki)
want
חָ֥פֵֽץ
(chafets)
Hij had behagen
בִּֽי
(bi)
in mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֶרְחָב (merchav), ‘ruimte’: het tegenovergestelde van ‘nood’ (vers 7).

Yahweh beloont David

21Yahweh beloonde mij naar mijn gerechtigheid. Naar de reinheid van mijn handen gaf Hij mij terug.
יִגְמְלֵ֥נִי
(yigmeleni)
Hij beloonde mij
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּצִדְקָתִ֑י
(ketsidqati)
volgens mijn gerechtigheid
כְּבֹ֥ר
(kevor)
volgens de reinheid van
יָדַ֖י
(yaday)
mijn handen
יָשִׁ֥יב
(yashiv)
Hij gaf terug
לִֽי
(li)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Want ik heb de wegen van Yahweh bewaard. Ik ben niet goddeloos van mijn Elohim afgeweken.
כִּ֥י
(ki)
want
שָׁמַ֖רְתִּי
(shamarti)
ik heb bewaard
דַּרְכֵ֣י
(darkhei)
de wegen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
רָשַׁ֖עְתִּי
(rashati)
ik was goddeloos
מֵאֱלֹהָֽי
(meelohay)
van mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָשַׁע (rasha), ‘goddeloos zijn’: David zegt niet dat hij nooit zondigde.

Hij zegt dat hij niet met opzet van Elohim is weggegaan.

Vergelijk 2 Sam. 12:13, waar hij zijn zonde belijdt.

23Want al Zijn rechten staan voor mij. Van Zijn voorschriften wijk ik niet af.
כִּ֥י
(ki)
want
כָל
(kal)
alle
מִשְׁפָּטָ֖יו
(mishpatav)
Zijn rechten
לְנֶגְדִּ֑י
(lenegdi)
voor mij
וְחֻקֹּתָ֖יו
(vechuqotav)
en Zijn voorschriften
לֹא
(lo)
niet
אָס֥וּר
(asur)
ik wijk af
מִמֶּֽנָּה
(mimena)
ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De ‘rechten’ en ‘voorschriften’ zijn de wetten van Yahweh.

Zie Deut. 4:1, 5:1.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘Zijn recht’ in het enkelvoud.

Wij volgen het qere, ‘Zijn rechten’.

24Ik was onberispelijk voor Hem. Ik hoedde mij voor mijn schuld.
וָאֶהְיֶ֥ה
(vaehye)
en ik was
תָמִ֖ים
(tamim)
onberispelijk
ל֑וֹ
(lo)
voor Hem
וָאֶשְׁתַּמְּרָ֖ה
(vaeshtamera)
en ik hoedde mij
מֵעֲוֺנִֽי
(meavoni)
voor mijn schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָוֹן (avon), ‘schuld’: wat krom is gemaakt.

Zie ook Exod. 34:7.

25Yahweh gaf mij terug naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinheid voor Zijn ogen.
וַיָּ֧שֶׁב
(vayashev)
en gaf terug
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לִ֖י
(li)
aan mij
כְּצִדְקָתִ֑י
(ketsidqati)
volgens mijn gerechtigheid
כְּבֹרִ֖י
(kevori)
volgens mijn reinheid
לְנֶ֥גֶד
(leneged)
voor
עֵינָֽיו
(einav)
Zijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh tegenover mensen

26Tegenover een trouwe toont U Zich trouw. Tegenover een onberispelijke held toont U Zich onberispelijk.
עִם
(im)
met
חָסִ֖יד
(chasid)
de trouwe
תִּתְחַסָּ֑ד
(titchasad)
U toont Zich trouw
עִם
(im)
met
גִּבּ֥וֹר
(gibor)
de held
תָּמִ֖ים
(tamim)
onberispelijke
תִּתַּמָּֽם
(titamam)
U toont Zich onberispelijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָסִיד (chasid), ‘trouwe’: iemand die zelf trouw (chesed) toont.

27Tegenover een reine toont U Zich rein. Tegenover een kromme toont U Zich gekronkeld.
עִם
(im)
met
נָבָ֖ר
(navar)
de reine
תִּתָּבָ֑ר
(titavar)
U toont Zich rein
וְעִם
(veim)
en met
עִקֵּ֖שׁ
(iqesh)
de kromme
תִּתַּפָּֽל
(titapal)
U toont Zich gekronkeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּתְפַּתָּל (titpattal), ‘U toont Zich gekronkeld’: Yahweh handelt met een bedrieger op zijn eigen kromme wijze.

Vergelijk Lev. 26:23–24.

28U redt het arme volk. Uw ogen zijn op de hoogmoedigen gericht: U vernedert hen.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַ֥ם
(am)
volk van
עָנִ֖י
(ani)
arm
תּוֹשִׁ֑יעַ
(toshia)
U redt
וְעֵינֶ֖יךָ
(veeineikha)
en Uw ogen
עַל
(al)
op
רָמִ֥ים
(ramim)
hoogmoedigen
תַּשְׁפִּֽיל
(tashpil)
U vernedert
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft ‘ogen op de hoogmoedigen’ zonder werkwoord.

Wij vullen aan: ‘gericht’.

Yahweh geeft kracht in de oorlog

29Want U bent mijn lamp, Yahweh. Yahweh maakt mijn duisternis licht.
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֥ה
(ata)
U
נֵירִ֖י
(neiri)
mijn lamp
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
יַגִּ֥יהַּ
(yagiha)
Hij maakt licht
חָשְׁכִּֽי
(chashki)
mijn duisternis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Lamp’ (נֵר, ner): zie 2 Sam. 21:17.

Hier is Yahweh de lamp van David.

30Want met U ren ik tegen een bende aan. Met mijn Elohim spring ik over een muur.
כִּ֥י
(ki)
want
בְכָ֖ה
(bekha)
met U
אָר֣וּץ
(aruts)
ik ren
גְּד֑וּד
(gedud)
een bende
בֵּאלֹהַ֖י
(belohay)
met mijn Elohim
אֲדַלֶּג
(adaleg)
ik spring
שֽׁוּר
(shur)
muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Wat El betreft: Zijn weg is onberispelijk. Het woord van Yahweh is gelouterd. Hij is een schild voor allen die bij Hem schuilen.
הָאֵ֖ל
(hael)
de El
תָּמִ֣ים
(tamim)
onberispelijk
דַּרְכּ֑וֹ
(darko)
Zijn weg
אִמְרַ֤ת
(imrat)
het woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
צְרוּפָ֔ה
(tserufa)
gelouterd
מָגֵ֣ן
(magen)
schild
ה֔וּא
(hu)
Hij
לְכֹ֖ל
(lekhol)
voor allen
הַחֹסִ֥ים
(hachosim)
die schuilen
בּֽוֹ
(bo)
bij Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִמְרַת (imrat), ‘woord’: een gesproken woord.

צְרוּפָה (tseruphah), ‘gelouterd’: zoals zilver dat in het vuur is gezuiverd.

Zie ook Ps. 12:7.

32Want wie is El, behalve Yahweh? En wie is een rots, behalve onze Elohim?
כִּ֥י
(ki)
want
מִי
(mi)
wie
אֵ֖ל
(el)
El
מִבַּלְעֲדֵ֣י
(mibaladei)
behalve
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וּמִ֥י
(umi)
en wie
צ֖וּר
(tsur)
rots
מִֽבַּלְעֲדֵ֥י
(mibaladei)
behalve
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33El is mijn sterke vesting. Hij maakt mijn weg vrij en onberispelijk.
הָאֵ֥ל
(hael)
de El
מָעוּזִּ֖י
(mauzi)
mijn vesting
חָ֑יִל
(chayil)
van kracht
וַיַּתֵּ֥ר
(vayater)
en Hij maakt vrij
תָּמִ֖ים
(tamim)
onberispelijk
דַּרְכִּֽי
(darki)
mijn weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het eerste deel van het vers is moeilijk Hebreeuws.

Het werkwoord וַיַּתֵּר (wayyatter) is onzeker.

Wij vertalen: ‘Hij maakt mijn weg vrij’.

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘zijn weg’. Wij volgen het qere, ‘mijn weg’.

34Hij maakt mijn voeten als die van hinden. Hij laat mij staan op mijn hoogten.
מְשַׁוֶּ֥ה
(meshave)
Hij maakt gelijk
רַגְלַ֖י
(raglay)
mijn voeten
כָּאַיָּל֑וֹת
(kaayalot)
als hinden
וְעַ֥ל
(veal)
en op
בָּמוֹתַ֖י
(bamotay)
mijn hoogten
יַעֲמִדֵֽנִי
(yaamideni)
Hij laat mij staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hinden zijn snel en zeker op bergpaden.

Vergelijk Hab. 3:19.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘zijn voeten’.

Wij volgen het qere, ‘mijn voeten’.

35Hij leert mijn handen de oorlog. Mijn armen spannen een koperen boog.
מְלַמֵּ֥ד
(melamed)
Hij leert
יָדַ֖י
(yaday)
mijn handen
לַמִּלְחָמָ֑ה
(lamilchama)
de oorlog
וְנִחַ֥ת
(venichat)
en spant
קֶֽשֶׁת
(qeshet)
boog
נְחוּשָׁ֖ה
(nechusha)
van koper
זְרֹעֹתָֽי
(zerootay)
mijn armen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36U geeft mij het schild van Uw redding. Uw zachtmoedigheid maakt mij groot.
וַתִּתֶּן
(vatiten)
en U geeft
לִ֖י
(li)
aan mij
מָגֵ֣ן
(magen)
schild van
יִשְׁעֶ֑ךָ
(yishekha)
Uw redding
וַעֲנֹתְךָ֖
(vaanotekha)
en Uw zachtmoedigheid
תַּרְבֵּֽנִי
(tarbeni)
maakt mij groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַעֲנֹתְךָ (wa’anotecha), ‘en Uw zachtmoedigheid’: het woord is zeldzaam.

Het kan ook ‘Uw antwoord’ of ‘Uw nederbuigen’ betekenen.

Wij kiezen ‘zachtmoedigheid’.

37U maakt mijn stappen ruim onder mij. Mijn enkels wankelden niet.
תַּרְחִ֥יב
(tarchiv)
U maakt ruim
צַעֲדִ֖י
(tsaadi)
mijn stappen
תַּחְתֵּ֑נִי
(tachteni)
onder mij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מָעֲד֖וּ
(maadu)
wankelden
קַרְסֻלָּֽי
(qarsulay)
mijn enkels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De overwinning op de vijanden

38Ik achtervolg mijn vijanden en vernietig hen. Ik keer niet terug voordat zij zijn vernietigd.
אֶרְדְּפָ֥ה
(erdefa)
ik achtervolg
אֹיְבַ֖י
(oyevay)
mijn vijanden
וָאַשְׁמִידֵ֑ם
(vaashmidem)
en ik vernietig hen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָשׁ֖וּב
(ashuv)
ik keer terug
עַד
(ad)
totdat
כַּלּוֹתָֽם
(kalotam)
zij zijn vernietigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Ik verteer hen en verbrijzel hen. Zij staan niet meer op. Zij vallen onder mijn voeten.
וָאֲכַלֵּ֥ם
(vaakhalem)
en ik verteer hen
וָאֶמְחָצֵ֖ם
(vaemchatsem)
en ik verbrijzel hen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יְקוּמ֑וּן
(yequmun)
zij staan op
וַֽיִּפְּל֖וּ
(vayipelu)
en zij vallen
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
רַגְלָֽי
(raglay)
mijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40U omgordt mij met kracht voor de oorlog. U laat mijn tegenstanders onder mij knielen.
וַתַּזְרֵ֥נִי
(vatazreni)
en U omgordt mij
חַ֖יִל
(chayil)
kracht
לַמִּלְחָמָ֑ה
(lamilchama)
voor de oorlog
תַּכְרִ֥יעַ
(takhria)
U doet knielen
קָמַ֖י
(qamay)
mijn tegenstanders
תַּחְתֵּֽנִי
(tachteni)
onder mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41U laat mijn vijanden mij de rug toekeren. Wie mij haten, roei ik uit.
וְאֹ֣יְבַ֔י
(veoyevay)
en mijn vijanden
תַּ֥תָּה
(tata)
U gaf
לִּ֖י
(li)
aan mij
עֹ֑רֶף
(oref)
de nek
מְשַׂנְאַ֖י
(mesanay)
wie mij haten
וָאַצְמִיתֵֽם
(vaatsmitem)
en ik roei hen uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲצְמִיתֵם (atsmitem), ‘ik roei hen uit’: het werkwoord betekent ‘tot zwijgen brengen’ of ‘vernietigen’.

42Zij kijken uit, maar er is geen redder. Zij kijken naar Yahweh, maar Hij antwoordt hen niet.
יִשְׁע֖וּ
(yishu)
zij kijken uit
וְאֵ֣ין
(veein)
en er is niet
מֹשִׁ֑יעַ
(moshia)
een redder
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עָנָֽם
(anam)
Hij antwoordt hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het werkwoord ‘kijken’ staat één keer in het Hebreeuws, voor beide delen van het vers.

43Ik vermaal hen als het stof van de aarde. Als modder van de straten trap ik hen fijn, stamp ik hen plat.
וְאֶשְׁחָקֵ֖ם
(veeshchaqem)
en ik vermaal hen
כַּעֲפַר
(kaafar)
als stof van
אָ֑רֶץ
(arets)
de aarde
כְּטִיט
(ketit)
als modder van
חוּצ֥וֹת
(chutsot)
de straten
אֲדִקֵּ֖ם
(adiqem)
ik trap hen fijn
אֶרְקָעֵֽם
(erqaem)
ik stamp hen plat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44U laat mij ontkomen aan de twisten van mijn volk. U bewaart mij als hoofd van de volken. Een volk dat ik niet kende, dient mij.
וַֽתְּפַלְּטֵ֔נִי
(vatefaleteni)
en U laat mij ontkomen
מֵרִיבֵ֖י
(merivei)
aan de twisten van
עַמִּ֑י
(ami)
mijn volk
תִּשְׁמְרֵ֨נִי֙
(tishmereni)
U bewaart mij
לְרֹ֣אשׁ
(lerosh)
als hoofd van
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
עַ֥ם
(am)
een volk
לֹא
(lo)
dat niet
יָדַ֖עְתִּי
(yadati)
ik kende
יַעַבְדֻֽנִי
(yaavduni)
het dient mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְרִיבֵי (meribei), ‘twisten’: de strijd tussen Israëlieten, zoals in de burgeroorlog tegen Absalom (2 Sam. 15–19).

45Vreemden veinzen onderworpenheid aan mij. Zodra het oor het hoort, gehoorzamen zij mij.
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
נֵכָ֖ר
(nekhar)
de vreemde
יִתְכַּֽחֲשׁוּ
(yitkachashu)
zij veinzen onderworpenheid
לִ֑י
(li)
aan mij
לִשְׁמ֥וֹעַ
(lishmoa)
bij het horen van
אֹ֖זֶן
(ozen)
het oor
יִשָּׁ֥מְעוּ
(yishameu)
zij gehoorzamen
לִֽי
(li)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי נֵכָר (benei nekhar), ‘vreemden’: letterlijk ‘zonen van de vreemde’.

יִתְכַּחֲשׁוּ (yitkachashu), ‘zij veinzen onderworpenheid’: zij liegen om David te vleien.

46Vreemden verwelken. Sidderend komen zij uit hun burchten.
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
נֵכָ֖ר
(nekhar)
de vreemde
יִבֹּ֑לוּ
(yibolu)
zij verwelken
וְיַחְגְּר֖וּ
(veyachgeru)
en zij komen sidderend
מִמִּסְגְּרוֹתָֽם
(mimisgerotam)
uit hun burchten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Lofprijs voor Yahweh

47Yahweh leeft! Gezegend is mijn rots. Verheven is mijn Elohim, de rots van mijn redding.
חַי
(chay)
levend
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבָר֣וּךְ
(uvarukh)
en gezegend
צוּרִ֑י
(tsuri)
mijn rots
וְיָרֻ֕ם
(veyarum)
en verheven
אֱלֹהֵ֖י
(elohei)
mijn Elohim
צ֥וּר
(tsur)
de rots van
יִשְׁעִֽי
(yishi)
mijn redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַי יְהוָה (chai Yahweh), ‘Yahweh leeft’: een uitroep, ook in de eed (1 Sam. 14:39).

48Het is El die mij wraak geeft en volken onder mij neerbrengt.
הָאֵ֕ל
(hael)
de El
הַנֹּתֵ֥ן
(hanoten)
die geeft
נְקָמֹ֖ת
(neqamot)
wraak
לִ֑י
(li)
aan mij
וּמוֹרִ֥יד
(umorid)
en die neerbrengt
עַמִּ֖ים
(amim)
volken
תַּחְתֵּֽנִי
(tachteni)
onder mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְקָמָה (neqamah), ‘wraak’: gerechte vergelding die Elohim geeft.

49Hij leidt mij weg van mijn vijanden. Boven mijn tegenstanders verheft U mij. Van de man van geweld redt U mij.
וּמוֹצִיאִ֖י
(umotsii)
en die mij uitleidt
מֵאֹֽיְבָ֑י
(meoyevay)
van mijn vijanden
וּמִקָּמַי֙
(umiqamay)
en boven mijn tegenstanders
תְּר֣וֹמְמֵ֔נִי
(teromemeni)
U verheft mij
מֵאִ֥ישׁ
(meish)
van de man van
חֲמָסִ֖ים
(chamasim)
geweld
תַּצִּילֵֽנִי
(tatsileni)
U redt mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
50Daarom loof ik U, Yahweh, onder de volken. Voor Uw naam zal ik spelen.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֛ן
(ken)
(zo)
אוֹדְךָ֥
(odekha)
ik zal loven U
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּגּוֹיִ֑ם
(bagoyim)
onder de volken
וּלְשִׁמְךָ֖
(uleshimkha)
en voor Uw naam
אֲזַמֵּֽר
(azamer)
ik zal spelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Paulus haalt dit vers aan in Rom. 15:9.

51Hij is een toren van reddingen voor Zijn koning. Hij bewijst trouw aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.”
מִגְדּ֖וֹל
(migdol)
een toren van
יְשׁוּע֣וֹת
(yeshuot)
reddingen van
מַלְכּ֑וֹ
(malko)
Zijn koning
וְעֹֽשֶׂה
(veose)
en die doet
חֶ֧סֶד
(chesed)
trouw
לִמְשִׁיח֛וֹ
(limshicho)
aan Zijn gezalfde
לְדָוִ֥ד
(ledavid)
aan David
וּלְזַרְע֖וֹ
(ulezaro)
en aan zijn nageslacht
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִגְדּוֹל (migdol), ‘toren’: een sterke toren (vergelijk Spr. 18:10).

‘Zijn gezalfde’ is David (מְשִׁיחוֹ, meshicho).

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) heeft מַגְדִּיל (magdil), ‘Hij maakt groot’.

Wij volgen het qere, מִגְדּוֹל, ‘toren’.

David en zijn nageslacht: zie 2 Sam. 7:12–16.