Open in de app Alle boeken Job ← 28 30 → Job 29 Job herinnert zich zijn vroegere geluk
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Zoals het vroeger was 1 Job vervolgde zijn gedicht en zei:
וַיֹּ֣סֶף
(vayosef)
en voegde toe
שְׂאֵ֥ת
(seet)
om op te heffen
מְשָׁל֗וֹ
(meshalo)
zijn gedicht
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De hoofdstukken 29–31 vormen Jobs slotrede: hij blikt terug op zijn vroegere leven (29), beschrijft zijn ellende nu (30) en legt een eed van onschuld af (31).
2 „Wie geeft mij de maanden van vroeger terug, de dagen toen Eloah over mij waakte,
יִתְּנֵ֥נִי
(yiteneni)
geeft mij
כְיַרְחֵי
(keyarchei)
als de maanden van
כִּ֝ימֵ֗י
(kimei)
als de dagen dat
יִשְׁמְרֵֽנִי
(yishmereni)
mij bewaarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3 toen Zijn lamp boven mijn hoofd scheen en ik door Zijn licht de duisternis doorliep,
בְּהִלּ֣וֹ
(behilo)
toen scheen
רֹאשִׁ֑י
(roshi)
mijn hoofd
לְ֝אוֹרוֹ
(leoro)
bij Zijn licht
חֹֽשֶׁךְ
(choshekh)
door duisternis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4 zoals ik was in de dagen van mijn herfst, toen de vertrouwelijke omgang met Eloah over mijn tent lag,
בִּימֵ֣י
(bimei)
in de dagen van
חָרְפִּ֑י
(charpi)
mijn herfst
בְּס֥וֹד
(besod)
in vertrouwelijkheid van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
חָרְפִּי (chorpi), ‘mijn herfst’: het woord betekent ‘herfst’ (de rijpe tijd van het jaar).
Anderen lezen ‘mijn jeugd’ of ‘mijn winter’.
Wij kiezen ‘herfst’, de tijd waarin alles rijp is.
5 toen Shaddai nog bij mij was en mijn jongens rondom mij,
בְּע֣וֹד
(beod)
terwijl nog
סְבִ֖יבוֹתַ֣י
(sevivotay)
rondom mij
נְעָרָֽי
(nearay)
mijn jongens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6 toen mijn voeten in room baadden en de rots voor mij stromen olie goot!
בִּרְחֹ֣ץ
(birchots)
toen baadden
הֲלִיכַ֣י
(halikhay)
mijn schreden
בְּחֵמָ֑ה
(bechema)
in room
וְצ֥וּר
(vetsur)
en de rots
פַּלְגֵי
(palgei)
stromen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Room en olie zijn beelden van overvloed.
Dat zelfs de rots olie voor Job liet stromen, doelt op de olijfpersen die in rotsen waren uitgehouwen.
Job in de poort van de stad 7 Als ik naar de poort van de stad ging en mijn zetel op het plein neerzette,
בְּצֵ֣אתִי
(betseti)
toen ik uitging
שַׁ֣עַר
(shaar)
naar de poort
בָּ֝רְח֗וֹב
(barechov)
op het plein
מוֹשָׁבִֽי
(moshavi)
mijn zetel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De poort van de stad was de plaats van recht en bestuur (Rut 4:1; Spr. 31:23).
Job zat daar als eerbiedwaardig rechter.
8 zagen de jongens mij en verborgen zich, en de bejaarden stonden op en bleven staan.
רָא֣וּנִי
(rauni)
zagen mij
וְנֶחְבָּ֑אוּ
(venechbau)
en verborgen zich
וִֽ֝ישִׁישִׁים
(vishishim)
en bejaarden
עָמָֽדוּ
(amadu)
bleven staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9 Vorsten hielden op met spreken en legden de hand op hun mond.
עָצְר֣וּ
(atseru)
hielden in
בְמִלִּ֑ים
(bemilim)
met woorden
לְפִיהֶֽם
(lefihem)
op hun mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 De stem van de edelen verstomde, hun tong kleefde aan hun gehemelte.
נְגִידִ֥ים
(negidim)
edelen
נֶחְבָּ֑אוּ
(nechbau)
verborg zich
וּ֝לְשׁוֹנָ֗ם
(uleshonam)
en hun tong
לְחִכָּ֥ם
(lechikam)
aan hun gehemelte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11 Want als een oor mij hoorde, prees het mij gelukkig. Als een oog mij zag, getuigde het van mij.
וַֽתְּאַשְּׁרֵ֑נִי
(vateashereni)
en prees mij gelukkig
וְעַ֥יִן
(veayin)
en een oog
וַתְּעִידֵֽנִי
(vateideni)
en getuigde van mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12 Want ik redde de arme die om hulp riep, en de wees die niemand hielp.
אֲ֭מַלֵּט
(amalet)
ik redde
מְשַׁוֵּ֑עַ
(meshavea)
die om hulp riep
וְ֝יָת֗וֹם
(veyatom)
en de wees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 De zegen van wie op het punt stond te vergaan, kwam over mij, en het hart van de weduwe liet ik jubelen.
בִּרְכַּ֣ת
(birkat)
zegen van
אַלְמָנָ֣ה
(almana)
een weduwe
אַרְנִֽן
(arnin)
liet ik jubelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Wie op het punt stond te vergaan (אֹבֵד , over), de in nood verkerende, zegende Job omdat hij hem redde.
14 Gerechtigheid trok ik aan en zij kleedde mij. Mijn recht was als mantel en tulband.
צֶ֣דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
לָ֭בַשְׁתִּי
(lavashti)
trok ik aan
וַיִּלְבָּשֵׁ֑נִי
(vayilbasheni)
en zij kleedde mij
כִּֽמְעִ֥יל
(kimil)
als een mantel
וְ֝צָנִ֗יף
(vetsanif)
en tulband
מִשְׁפָּטִֽי
(mishpati)
mijn recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Gerechtigheid als kleed: Job beschrijft zijn recht als een mantel en tulband, die bij hem horen als een officieel ambtsgewaad.
Vergelijk Jes. 59:17 en Ps. 132:9.
15 Ogen was ik voor de blinde, voeten voor de lamme.
לַֽעִוֵּ֑ר
(laiver)
voor de blinde
וְרַגְלַ֖יִם
(veraglayim)
en voeten
לַפִּסֵּ֣חַ
(lapiseach)
voor de lamme
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 Een vader was ik voor de armen, en de zaak van een onbekende onderzocht ik.
לָֽאֶבְיוֹנִ֑ים
(laevyonim)
voor de behoeftigen
וְרִ֖ב
(veriv)
en de zaak van
יָדַ֣עְתִּי
(yadati)
ik kende
אֶחְקְרֵֽהוּ
(echqerehu)
onderzocht ik haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17 Ik brak de kiezen van de onrechtvaardige en rukte de prooi uit zijn tanden.
וָֽ֭אֲשַׁבְּרָה
(vaashabera)
en ik brak
מְתַלְּע֣וֹת
(metaleot)
kiezen van
עַוָּ֑ל
(aval)
de onrechtvaardige
וּ֝מִשִּׁנָּ֗יו
(umishinav)
en uit zijn tanden
אַשְׁלִ֥יךְ
(ashlikh)
wierp ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Mijn raad werd gezocht 18 Ik dacht: ‘Met mijn nest sterf ik, en als zand maak ik mijn dagen talrijk.
וָ֭אֹמַר
(vaomar)
en ik zei
וְ֝כַח֗וֹל
(vekhachol)
en als zand
אַרְבֶּ֥ה
(arbe)
maak ik talrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Met mijn nest sterf ik’ is: in vrede, bij mijn huis en kinderen.
Het woord חוֹל (chol) betekent ‘zand’, maar in de oude Joodse overlevering ook ‘feniks’, een vogel die lang leeft: ‘en als een feniks maak ik mijn dagen talrijk’.
Wij vertalen ‘als zand’.
19 Mijn wortel ligt open voor het water, en de dauw overnacht op mijn tak.
שָׁרְשִׁ֣י
(shareshi)
mijn wortel
בִּקְצִירִֽי
(biqtsiri)
op mijn tak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20 Mijn eer blijft bij mij nieuw, en mijn boog wordt in mijn hand vernieuwd.’
כְּ֭בוֹדִי
(kevodi)
mijn eer
וְ֝קַשְׁתִּ֗י
(veqashti)
en mijn boog
בְּיָדִ֥י
(beyadi)
in mijn hand
תַחֲלִֽיף
(tachalif)
wordt vernieuwd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21 Naar mij luisterden ze en wachtten, en zwegen voor mijn raad.
שָׁמְע֥וּ
(shameu)
luisterden ze
וְיִחֵ֑לּוּ
(veyichelu)
en wachtten
וְ֝יִדְּמ֗וּ
(veyidemu)
en zwegen
עֲצָתִֽי
(atsati)
mijn raad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22 Na mijn woorden spraken ze niet opnieuw, en mijn woord druppelde op hen.
דְ֭בָרִי
(devari)
mijn woorden
יִשְׁנ֑וּ
(yishnu)
spraken ze opnieuw
וְ֝עָלֵ֗ימוֹ
(vealeimo)
en op hen
מִלָּתִֽי
(milati)
mijn woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23 Ze wachtten op mij als op regen, en hun mond sperden ze open als voor de late regen.
וְיִֽחֲל֣וּ
(veyichalu)
en ze wachtten
כַמָּטָ֣ר
(kamatar)
als op regen
וּ֝פִיהֶ֗ם
(ufihem)
en hun mond
פָּעֲר֥וּ
(paaru)
sperden ze open
לְמַלְקֽוֹשׁ
(lemalqosh)
als voor late regen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24 Als ik naar hen lachte, geloofden ze het niet, en het licht van mijn gezicht lieten ze niet vallen.
אֶשְׂחַ֣ק
(eschaq)
ik lachte
יַאֲמִ֑ינוּ
(yaaminu)
geloofden ze
וְא֥וֹר
(veor)
en het licht van
פָּ֝נַ֗י
(panay)
mijn gezicht
יַפִּילֽוּן
(yapilun)
lieten ze vallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25 Ik koos hun weg en zat als hoofd, en ik woonde als een koning bij zijn troepen, als iemand die rouwenden troost.”
אֶֽבֲחַ֣ר
(evachar)
ik koos
דַּרְכָּם֮
(darkam)
hun weg
וְ֭אֶשְׁכּוֹן
(veeshkon)
en woonde
כְּמֶ֣לֶךְ
(kemelekh)
als een koning
בַּגְּד֑וּד
(bagedud)
bij zijn troepen
אֲבֵלִ֣ים
(avelim)
rouwenden
יְנַחֵֽם
(yenachem)
hij troost
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Job was als een koning en tegelijk als een trooster: de vorst die rouwenden troost.
Dat staat in schril contrast met de vrienden, die hem niet kunnen troosten.