Elohim Bijbel

Jakobus 3

12345

De tong en de twee soorten wijsheid

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Leraars en de tong

1Laat niet velen van jullie leraar worden, mijn broers. Wij weten dat wij een zwaarder oordeel zullen ontvangen.
Μὴ
(Me)
niet
πολλοὶ
(polloi)
velen
διδάσκαλοι
(didaskaloi)
leraren
γίνεσθε
(ginesthe)
word
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
μου
(mou)
mijn
εἰδότες
(eidotes)
wetend
ὅτι
(hoti)
dat
μεῖζον
(meizon)
zwaarder
κρίμα
(krima)
oordeel
λημψόμεθα
(lempsometha)
zullen ontvangen
Bron: SBLGNT
Uitleg

διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’: wij vertalen zo ook in de evangeliën.

Jakobus rekent zichzelf erbij: ‘wij’ zullen een zwaarder oordeel ontvangen. κρίμα (krima), ‘oordeel’.

2Want wij struikelen allemaal in veel dingen. Als iemand in wat hij zegt niet struikelt, is hij een volmaakt man, in staat ook het hele lichaam te beteugelen.
πολλὰ
(polla)
in veel
γὰρ
(gar)
want
πταίομεν
(ptaiomen)
struikelen wij
ἅπαντες
(hapantes)
allen
εἴ
(ei)
als
τις
(tis)
iemand
ἐν
(en)
in
λόγῳ
(logo)
woord
οὐ
(ou)
niet
πταίει
(ptaiei)
struikelt
οὗτος
(houtos)
deze
τέλειος
(teleios)
volmaakt
ἀνήρ
(aner)
man
δυνατὸς
(dynatos)
in staat
χαλιναγωγῆσαι
(chalinagogesai)
te beteugelen
καὶ
(kai)
ook
ὅλον
(holon)
heel
τὸ
(to)
het
σῶμα
(soma)
lichaam
Bron: SBLGNT
Uitleg

πταίω (ptaio), ‘struikelen’: zie 2:10. τέλειος (teleios), ‘volmaakt’: zie 1:4. χαλιναγωγέω (chalinagogeo), ‘beteugelen’: zie 1:26. λόγῳ (logo), letterlijk ‘in woord’: in wat iemand zegt.

3Als wij paarden het bit in de mond leggen, zodat zij ons gehoorzamen, dan sturen wij ook hun hele lichaam.
εἰ
(ei)
als
δὲ
(de)
maar
τῶν
(ton)
van de
ἵππων
(hippon)
paarden
τοὺς
(tous)
de
χαλινοὺς
(chalinous)
bitten
εἰς
(eis)
in
τὰ
(ta)
de
στόματα
(stomata)
monden
βάλλομεν
(ballomen)
leggen wij
εἰς
(eis)
tot
τὸ
(to)
het
πείθεσθαι
(peithesthai)
gehoorzamen
αὐτοὺς
(autous)
zij
ἡμῖν
(hemin)
ons
καὶ
(kai)
en
ὅλον
(holon)
heel
τὸ
(to)
het
σῶμα
(soma)
lichaam
αὐτῶν
(auton)
hun
μετάγομεν
(metagomen)
sturen wij
Bron: SBLGNT
Uitleg

χαλινός (chalinos), ‘bit’: het ijzeren stuk in de mond van het paard, waaraan de teugels vastzitten.

4Zie ook de schepen. Ze zijn zo groot en worden door harde winden voortgedreven. Maar ze worden door een heel klein roer gestuurd, waarheen de drang van de stuurman maar wil.
ἰδοὺ
(idou)
zie
καὶ
(kai)
ook
τὰ
(ta)
de
πλοῖα
(ploia)
schepen
τηλικαῦτα
(telikauta)
zo groot
ὄντα
(onta)
zijnde
καὶ
(kai)
en
ὑπὸ
(hypo)
door
ἀνέμων
(anemon)
winden
σκληρῶν
(skleron)
harde
ἐλαυνόμενα
(elaunomena)
voortgedreven
μετάγεται
(metagetai)
worden gestuurd
ὑπὸ
(hypo)
door
ἐλαχίστου
(elachistou)
kleinste
πηδαλίου
(pedaliou)
roer
ὅπου
(hopou)
waarheen
ἡ
(he)
de
ὁρμὴ
(horme)
drang
τοῦ
(tou)
van de
εὐθύνοντος
(euthynontos)
stuurman
βούλεται
(bouletai)
wil
Bron: SBLGNT
Uitleg

πηδάλιον (pedalion), ‘roer’. ὁρμή (horme), ‘drang’: wat iemand beweegt. ὁ εὐθύνων (ho euthynon) is letterlijk ‘degene die recht richt’: de stuurman.

De tong is een vuur

5Zo is ook de tong een klein lid, en zij pocht op grote dingen. Zie, een klein vuur steekt een groot bos in brand.
οὕτως
(houtos)
zo
καὶ
(kai)
ook
ἡ
(he)
de
γλῶσσα
(glossa)
tong
μικρὸν
(mikron)
klein
μέλος
(melos)
lid
ἐστὶν
(estin)
is
καὶ
(kai)
en
μεγάλα
(megala)
grote dingen
αὐχεῖ
(auchei)
pocht
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ἡλίκον
(helikon)
hoe klein
πῦρ
(pyr)
vuur
ἡλίκην
(heliken)
hoe groot
ὕλην
(hylen)
bos
ἀνάπτει
(anaptei)
steekt in brand
Bron: SBLGNT
Uitleg

μέλος (melos), ‘lid’: een deel van het lichaam. ἡλίκος (helikos) kan zowel ‘hoe groot’ als ‘hoe klein’ betekenen.

Het contrast wordt zo vertaald: een klein vuur, een groot bos. ὕλη (hyle), ‘bos’: ook ‘hout’.

Op deze plaats verschillen sommige oude handschriften; wij volgen de SBLGNT.

6Ook de tong is een vuur, de wereld van het onrecht. De tong staat onder onze leden. Zij bevlekt het hele lichaam, steekt het wiel van de geboorte in brand en wordt zelf door de Gehenna in brand gestoken.
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
de
γλῶσσα
(glossa)
tong
πῦρ
(pyr)
vuur
ὁ
(ho)
de
κόσμος
(kosmos)
wereld
τῆς
(tes)
van het
ἀδικίας
(adikias)
onrecht
ἡ
(he)
de
γλῶσσα
(glossa)
tong
καθίσταται
(kathistatai)
staat
ἐν
(en)
onder
τοῖς
(tois)
de
μέλεσιν
(melesin)
leden
ἡμῶν
(hemon)
onze
ἡ
(he)
die
σπιλοῦσα
(spilousa)
bevlekt
ὅλον
(holon)
heel
τὸ
(to)
het
σῶμα
(soma)
lichaam
καὶ
(kai)
en
φλογίζουσα
(phlogizousa)
in brand stekend
τὸν
(ton)
het
τροχὸν
(trochon)
wiel
τῆς
(tes)
van de
γενέσεως
(geneseos)
geboorte
καὶ
(kai)
en
φλογιζομένη
(phlogizomene)
in brand gestoken wordend
ὑπὸ
(hypo)
door
τῆς
(tes)
de
γεέννης
(geennes)
Gehenna
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Gehenna (dal van Hinnom): Gehenna is de Griekse naam voor het dal van Hinnom, ten zuiden en westen van Jeruzalem.

In Jakobus 3:6 is het een beeld van het oordeel; het punt wijst alleen de plek aan waar de naam vandaan komt.

Uitleg

κόσμος τῆς ἀδικίας (kosmos tes adikias), ‘de wereld van het onrecht’: het woord κόσμος kan ook ‘versiering’ of ‘het geheel’ betekenen.

Wij houden ‘wereld’.

τροχὸς τῆς γενέσεως (trochos tes geneseos), ‘het wiel van de geboorte’: een moeilijke uitdrukking. Vaak wordt zij opgevat als de levensloop van geboorte tot dood. γένεσις is hetzelfde woord als in 1:23 (‘geboorte’).

γέεννα (geenna), ‘Gehenna’: het dal van Hinnom (Hebreeuws ge-hinnom) bij Jeruzalem. In de Schrift is het een beeld van het oordeel door vuur. Wij houden ‘Gehenna’, zoals in de evangeliën.

Zie ook Matt. 5:22; Matt. 10:28.

7Want elke soort wilde dieren en vogels, kruipende dieren en zeedieren wordt getemd en is getemd door de menselijke aard.
πᾶσα
(pasa)
elke
γὰρ
(gar)
want
φύσις
(physis)
soort
θηρίων
(therion)
van wilde dieren
τε
(te)
zowel
καὶ
(kai)
en
πετεινῶν
(peteinon)
van vogels
ἑρπετῶν
(herpeton)
van kruipende dieren
τε
(te)
zowel
καὶ
(kai)
en
ἐναλίων
(enalion)
van zeedieren
δαμάζεται
(damazetai)
wordt getemd
καὶ
(kai)
en
δεδάμασται
(dedamastai)
is getemd
τῇ
(te)
door de
φύσει
(physei)
aard
τῇ
(te)
de
ἀνθρωπίνῃ
(anthropine)
menselijke
Bron: SBLGNT
Uitleg

θηρία (theria), ‘wilde dieren’, πετεινά (peteina), ‘vogels’, ἑρπετά (herpeta), ‘kruipende dieren’, ἐνάλια (enalia), ‘zeedieren’: vergelijk de indeling van de dieren in Gen. 1:26. φύσις (fysis) staat twee keer: eerst ‘soort’, daarna ‘aard’ van de mens.

Zie ook Gen. 1:26.

Zie ookGen 1:26
8Maar de tong kan niemand van de mensen temmen. Zij is een onstandvastig kwaad, vol dodelijk gif.
τὴν
(ten)
de
δὲ
(de)
maar
γλῶσσαν
(glossan)
tong
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
δαμάσαι
(damasai)
temmen
δύναται
(dynatai)
kan
ἀνθρώπων
(anthropon)
van de mensen
ἀκατάστατον
(akatastaton)
onstandvastig
κακόν
(kakon)
kwaad
μεστὴ
(meste)
vol
ἰοῦ
(iou)
van gif
θανατηφόρου
(thanatephorou)
dodelijk
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀκατάστατος (akatastatos), ‘onstandvastig’: zie 1:8. ἰός (ios), ‘gif’: hetzelfde woord betekent in 5:3 ‘roest’.

Vergelijk Ps. 140:4, waar het gif van de adder onder de lippen is.

Zie ook Ps. 140:4.

Zie ookPs 140:4

Zegen en vloek uit dezelfde mond

9Met haar zegenen wij de Heer en Vader, en met haar vervloeken wij de mensen die naar de gelijkenis van Elohim zijn gemaakt.
ἐν
(en)
met
αὐτῇ
(aute)
haar
εὐλογοῦμεν
(eulogoumen)
zegenen wij
τὸν
(ton)
de
κύριον
(kyrion)
Heer
καὶ
(kai)
en
πατέρα
(patera)
Vader
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
met
αὐτῇ
(aute)
haar
καταρώμεθα
(katarometha)
vervloeken wij
τοὺς
(tous)
de
ἀνθρώπους
(anthropous)
mensen
τοὺς
(tous)
die
καθ’
(kath’)
naar
ὁμοίωσιν
(homoiosin)
gelijkenis
θεοῦ
(theou)
van Elohim
γεγονότας
(gegonotas)
gemaakt zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριος καὶ πατήρ (kyrios kai pater), ‘Heer en Vader’: hier is Elohim bedoeld.

Sommige oude handschriften hebben hier een ander woord voor ‘Heer’; wij volgen de SBLGNT. ὁμοίωσις (homoiosis), ‘gelijkenis’: het woord uit Gen. 1:26, ‘als Onze gelijkenis’.

Vergelijk Gen. 1:26–27.

Zie ook Gen. 1:26–27.

Zie ookGen 1:26
10Uit dezelfde mond komen zegen en vloek. Dit moet niet zo gebeuren, mijn broers.
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
αὐτοῦ
(autou)
dezelfde
στόματος
(stomatos)
mond
ἐξέρχεται
(exerchetai)
komt
εὐλογία
(eulogia)
zegen
καὶ
(kai)
en
κατάρα
(katara)
vloek
οὐ
(ou)
niet
χρή
(chre)
het hoort
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
μου
(mou)
mijn
ταῦτα
(tauta)
dit
οὕτως
(houtos)
zo
γίνεσθαι
(ginesthai)
te gebeuren
Bron: SBLGNT
Uitleg

χρή (chre), ‘het hoort’: wat betaamt.

11Welt een bron soms uit dezelfde opening het zoete en het bittere op?
μήτι
(meti)
soms
ἡ
(he)
de
πηγὴ
(pege)
bron
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
αὐτῆς
(autes)
dezelfde
ὀπῆς
(opes)
opening
βρύει
(bryei)
welt op
τὸ
(to)
het
γλυκὺ
(glyky)
zoete
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
het
πικρόν
(pikron)
bittere
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὀπή (ope), ‘opening’: een spleet in de rots waaruit een bron komt. μήτι (meti): de vraag verwacht het antwoord ‘nee’; daarom ‘soms’.

12Kan een vijgenboom soms olijven voortbrengen, mijn broers, of een wijnstok vijgen? Evenmin kan zout water zoet water voortbrengen.
μὴ
(me)
niet
δύναται
(dynatai)
kan
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
μου
(mou)
mijn
συκῆ
(syke)
vijgenboom
ἐλαίας
(elaias)
olijven
ποιῆσαι
(poiesai)
voortbrengen
ἢ
(e)
of
ἄμπελος
(ampelos)
wijnstok
σῦκα
(syka)
vijgen
οὔτε
(oute)
evenmin
ἁλυκὸν
(halykon)
zout
γλυκὺ
(glyky)
zoet
ποιῆσαι
(poiesai)
voortbrengen
ὕδωρ
(hydor)
water
Bron: SBLGNT
Uitleg

Voor de tweede helft van dit vers (‘Evenmin kan zout water zoet water voortbrengen’) verschillen sommige oude handschriften.

Wij volgen de SBLGNT; ‘water’ moeten wij in het Nederlands erbij zetten.

συκῆ (syke), ‘vijgenboom’, ἐλαία (elaia), ‘olijf’, ἄμπελος (ampelos), ‘wijnstok’.

Wijsheid van boven en wijsheid van beneden

13Wie is wijs en verstandig onder jullie? Laat hij zijn werken tonen door zijn goede levenswandel, in de zachtmoedigheid van de wijsheid.
Τίς
(Tis)
wie
σοφὸς
(sophos)
wijs
καὶ
(kai)
en
ἐπιστήμων
(epistemon)
verstandig
ἐν
(en)
onder
ὑμῖν
(hymin)
jullie
δειξάτω
(deixato)
laat hij tonen
ἐκ
(ek)
door
τῆς
(tes)
de
καλῆς
(kales)
goede
ἀναστροφῆς
(anastrophes)
levenswandel
τὰ
(ta)
de
ἔργα
(erga)
werken
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἐν
(en)
in
πραΰτητι
(prauteti)
zachtmoedigheid
σοφίας
(sophias)
van wijsheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀναστροφή (anastrophe), ‘levenswandel’: hoe iemand leeft. πραΰτης (prautes), ‘zachtmoedigheid’: zie 1:21.

14Maar als jullie bittere jaloezie en eigenbelang in jullie hart hebben, roem dan niet en lieg niet tegen de waarheid.
εἰ
(ei)
als
δὲ
(de)
maar
ζῆλον
(zelon)
jaloezie
πικρὸν
(pikron)
bittere
ἔχετε
(echete)
hebben jullie
καὶ
(kai)
en
ἐριθείαν
(eritheian)
eigenbelang
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
καρδίᾳ
(kardia)
hart
ὑμῶν
(hymon)
jullie
μὴ
(me)
niet
κατακαυχᾶσθε
(katakauchasthe)
roem
καὶ
(kai)
en
ψεύδεσθε
(pseudesthe)
lieg
κατὰ
(kata)
tegen
τῆς
(tes)
de
ἀληθείας
(aletheias)
waarheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

ζῆλος (zelos), ‘jaloezie’: het woord kan ook ‘ijver’ betekenen; hier is het bitter. ἐριθεία (eritheia), ‘eigenbelang’: zelfzuchtig streven, ook ‘partijzucht’. κατακαυχάομαι (katakauchaomai), ‘roemen tegen’: zie 2:13.

15Dit is niet de wijsheid die van boven neerdaalt, maar een aardse, zielsmatige en demonische wijsheid.
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
αὕτη
(haute)
deze
ἡ
(he)
de
σοφία
(sophia)
wijsheid
ἄνωθεν
(anothen)
van boven
κατερχομένη
(katerchomene)
neerdalend
ἀλλὰ
(alla)
maar
ἐπίγειος
(epigeios)
aards
ψυχική
(psychike)
zielsmatig
δαιμονιώδης
(daimoniodes)
demonisch
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψυχική (psychike), ‘zielsmatig’: van de ψυχή, de gewone menselijke ziel, in tegenstelling tot wat ‘van boven’ komt. δαιμονιώδης (daimoniodes), ‘demonisch’. ἐπίγειος (epigeios), ‘aards’: wat van de aarde is.

16Want waar jaloezie en eigenbelang zijn, daar zijn wanorde en elke slechte zaak.
ὅπου
(hopou)
waar
γὰρ
(gar)
want
ζῆλος
(zelos)
jaloezie
καὶ
(kai)
en
ἐριθεία
(eritheia)
eigenbelang
ἐκεῖ
(ekei)
daar
ἀκαταστασία
(akatastasia)
wanorde
καὶ
(kai)
en
πᾶν
(pan)
elk
φαῦλον
(phaulon)
slecht
πρᾶγμα
(pragma)
ding
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀκαταστασία (akatastasia), ‘wanorde’: hoort bij ἀκατάστατος in 1:8 en 3:8. φαῦλος (faulos), ‘slecht’, πρᾶγμα (pragma), ‘zaak’.

17Maar de wijsheid van boven is eerst zuiver, daarna vredelievend, mild en luisterbereid. Zij is vol barmhartigheid en goede vruchten, onpartijdig en zonder huichelarij.
ἡ
(he)
de
δὲ
(de)
maar
ἄνωθεν
(anothen)
van boven
σοφία
(sophia)
wijsheid
πρῶτον
(proton)
eerst
μὲν
(men)
immers
ἁγνή
(hagne)
zuiver
ἐστιν
(estin)
is
ἔπειτα
(epeita)
daarna
εἰρηνική
(eirenike)
vredelievend
ἐπιεικής
(epieikes)
mild
εὐπειθής
(eupeithes)
luisterbereid
μεστὴ
(meste)
vol
ἐλέους
(eleous)
van barmhartigheid
καὶ
(kai)
en
καρπῶν
(karpon)
van vruchten
ἀγαθῶν
(agathon)
goede
ἀδιάκριτος
(adiakritos)
onpartijdig
ἀνυπόκριτος
(anypokritos)
zonder huichelarij
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἁγνός (hagnos), ‘zuiver’: zie ook 4:8. ἐπιεικής (epieikes), ‘mild’: redelijk, inschikkelijk. εὐπειθής (eupeithes), ‘luisterbereid’: wie zich laat leiden. ἀδιάκριτος (adiakritos), ‘onpartijdig’: zonder onderscheid of twijfel; het woord hoort bij διακρίνω in 1:6 en 2:4. ἀνυπόκριτος (anypokritos), ‘zonder huichelarij’.

18En de vrucht van gerechtigheid wordt in vrede gezaaid door hen die vrede stichten.
καρπὸς
(karpos)
vrucht
δὲ
(de)
maar
δικαιοσύνης
(dikaiosynes)
van gerechtigheid
ἐν
(en)
in
εἰρήνῃ
(eirene)
vrede
σπείρεται
(speiretai)
wordt gezaaid
τοῖς
(tois)
door de
ποιοῦσιν
(poiousin)
stichtenden
εἰρήνην
(eirenen)
vrede
Bron: SBLGNT
Uitleg

De Griekse datief τοῖς ποιοῦσιν εἰρήνην kan ‘door hen’ of ‘voor hen die vrede maken’ betekenen.

Wij vertalen ‘vrede stichten’, zoals bij ‘vredestichters’ in Matt. 5:9.

Zie ook Matt. 5:9.

Zie ookMat 5:9