Jakobus 3
De tong en de twee soorten wijsheid
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Leraars en de tong
διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’: wij vertalen zo ook in de evangeliën.
Jakobus rekent zichzelf erbij: ‘wij’ zullen een zwaarder oordeel ontvangen. κρίμα (krima), ‘oordeel’.
πταίω (ptaio), ‘struikelen’: zie 2:10. τέλειος (teleios), ‘volmaakt’: zie 1:4. χαλιναγωγέω (chalinagogeo), ‘beteugelen’: zie 1:26. λόγῳ (logo), letterlijk ‘in woord’: in wat iemand zegt.
χαλινός (chalinos), ‘bit’: het ijzeren stuk in de mond van het paard, waaraan de teugels vastzitten.
πηδάλιον (pedalion), ‘roer’. ὁρμή (horme), ‘drang’: wat iemand beweegt. ὁ εὐθύνων (ho euthynon) is letterlijk ‘degene die recht richt’: de stuurman.
De tong is een vuur
μέλος (melos), ‘lid’: een deel van het lichaam. ἡλίκος (helikos) kan zowel ‘hoe groot’ als ‘hoe klein’ betekenen.
Het contrast wordt zo vertaald: een klein vuur, een groot bos. ὕλη (hyle), ‘bos’: ook ‘hout’.
Op deze plaats verschillen sommige oude handschriften; wij volgen de SBLGNT.
Zie Gehenna (dal van Hinnom): Gehenna is de Griekse naam voor het dal van Hinnom, ten zuiden en westen van Jeruzalem.
In Jakobus 3:6 is het een beeld van het oordeel; het punt wijst alleen de plek aan waar de naam vandaan komt.
κόσμος τῆς ἀδικίας (kosmos tes adikias), ‘de wereld van het onrecht’: het woord κόσμος kan ook ‘versiering’ of ‘het geheel’ betekenen.
Wij houden ‘wereld’.
τροχὸς τῆς γενέσεως (trochos tes geneseos), ‘het wiel van de geboorte’: een moeilijke uitdrukking. Vaak wordt zij opgevat als de levensloop van geboorte tot dood. γένεσις is hetzelfde woord als in 1:23 (‘geboorte’).
γέεννα (geenna), ‘Gehenna’: het dal van Hinnom (Hebreeuws ge-hinnom) bij Jeruzalem. In de Schrift is het een beeld van het oordeel door vuur. Wij houden ‘Gehenna’, zoals in de evangeliën.
Zie ook Matt. 5:22; Matt. 10:28.
θηρία (theria), ‘wilde dieren’, πετεινά (peteina), ‘vogels’, ἑρπετά (herpeta), ‘kruipende dieren’, ἐνάλια (enalia), ‘zeedieren’: vergelijk de indeling van de dieren in Gen. 1:26. φύσις (fysis) staat twee keer: eerst ‘soort’, daarna ‘aard’ van de mens.
Zie ook Gen. 1:26.
ἀκατάστατος (akatastatos), ‘onstandvastig’: zie 1:8. ἰός (ios), ‘gif’: hetzelfde woord betekent in 5:3 ‘roest’.
Vergelijk Ps. 140:4, waar het gif van de adder onder de lippen is.
Zie ook Ps. 140:4.
Zegen en vloek uit dezelfde mond
κύριος καὶ πατήρ (kyrios kai pater), ‘Heer en Vader’: hier is Elohim bedoeld.
Sommige oude handschriften hebben hier een ander woord voor ‘Heer’; wij volgen de SBLGNT. ὁμοίωσις (homoiosis), ‘gelijkenis’: het woord uit Gen. 1:26, ‘als Onze gelijkenis’.
Vergelijk Gen. 1:26–27.
Zie ook Gen. 1:26–27.
χρή (chre), ‘het hoort’: wat betaamt.
ὀπή (ope), ‘opening’: een spleet in de rots waaruit een bron komt. μήτι (meti): de vraag verwacht het antwoord ‘nee’; daarom ‘soms’.
Voor de tweede helft van dit vers (‘Evenmin kan zout water zoet water voortbrengen’) verschillen sommige oude handschriften.
Wij volgen de SBLGNT; ‘water’ moeten wij in het Nederlands erbij zetten.
συκῆ (syke), ‘vijgenboom’, ἐλαία (elaia), ‘olijf’, ἄμπελος (ampelos), ‘wijnstok’.
Wijsheid van boven en wijsheid van beneden
ἀναστροφή (anastrophe), ‘levenswandel’: hoe iemand leeft. πραΰτης (prautes), ‘zachtmoedigheid’: zie 1:21.
ζῆλος (zelos), ‘jaloezie’: het woord kan ook ‘ijver’ betekenen; hier is het bitter. ἐριθεία (eritheia), ‘eigenbelang’: zelfzuchtig streven, ook ‘partijzucht’. κατακαυχάομαι (katakauchaomai), ‘roemen tegen’: zie 2:13.
ψυχική (psychike), ‘zielsmatig’: van de ψυχή, de gewone menselijke ziel, in tegenstelling tot wat ‘van boven’ komt. δαιμονιώδης (daimoniodes), ‘demonisch’. ἐπίγειος (epigeios), ‘aards’: wat van de aarde is.
ἀκαταστασία (akatastasia), ‘wanorde’: hoort bij ἀκατάστατος in 1:8 en 3:8. φαῦλος (faulos), ‘slecht’, πρᾶγμα (pragma), ‘zaak’.
ἁγνός (hagnos), ‘zuiver’: zie ook 4:8. ἐπιεικής (epieikes), ‘mild’: redelijk, inschikkelijk. εὐπειθής (eupeithes), ‘luisterbereid’: wie zich laat leiden. ἀδιάκριτος (adiakritos), ‘onpartijdig’: zonder onderscheid of twijfel; het woord hoort bij διακρίνω in 1:6 en 2:4. ἀνυπόκριτος (anypokritos), ‘zonder huichelarij’.
De Griekse datief τοῖς ποιοῦσιν εἰρήνην kan ‘door hen’ of ‘voor hen die vrede maken’ betekenen.
Wij vertalen ‘vrede stichten’, zoals bij ‘vredestichters’ in Matt. 5:9.
Zie ook Matt. 5:9.