Elohim Bijbel

2 Samuël 7

123456789101112131415161718192021222324

Yahweh bouwt een huis voor David

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David wil een huis bouwen voor de ark

1Het gebeurde dat de koning in zijn huis woonde. Yahweh had hem rust gegeven van al zijn vijanden rondom.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
כִּי
(ki)
toen
יָשַׁ֥ב
(yashav)
woonde
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּבֵית֑וֹ
(beveito)
in zijn huis
וַיהוָ֛ה
(vaYahweh)
en Yahweh
הֵנִֽיחַ
(heniach)
had rust gegeven
ל֥וֹ
(lo)
hem
מִסָּבִ֖יב
(misaviv)
rondom
מִכָּל
(mikal)
van al
אֹיְבָֽיו
(oyevav)
zijn vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2De koning zei tegen de profeet Natan: „Zie toch, ik woon in een huis van cederhout. Maar de ark van Elohim woont midden in de tentkleden.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tegen
נָתָ֣ן
(natan)
Natan
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
רְאֵ֣ה
(ree)
zie
נָ֔א
(na)
toch
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
wonend
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in een huis van
אֲרָזִ֑ים
(arazim)
cederen
וַֽאֲרוֹן֙
(vaaron)
en de ark van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
יֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
woont
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
midden in
הַיְרִיעָֽה
(hayria)
de tentkleden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָתָן הַנָּבִיא (Natan hanavi), ‘Natan, de profeet’: Natan komt hier voor het eerst voor.

Hij komt ook voor in 2 Sam. 12 en 1 Kon. 1.

הַיְרִיעָה (hayeriah), ‘de tentkleden’: de tentdoeken van de tent. Vergelijk Exod. 26:1. De ark staat in een tent, David in een huis van ceder.

3Natan zei tegen de koning: „Ga heen en doe alles wat in je hart is, want Yahweh is met je.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
נָתָן֙
(natan)
Natan
אֶל
(el)
tegen
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כֹּ֛ל
(kol)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
בִּֽלְבָבְךָ֖
(bilvavekha)
in je hart
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga heen
עֲשֵׂ֑ה
(ase)
doe
כִּ֥י
(ki)
want
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמָּֽךְ
(imakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het woord van Yahweh aan Natan

4In die nacht kwam het woord van Yahweh tot Natan:
וַיְהִ֖י
(vayhi)
en het was
בַּלַּ֣יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַה֑וּא
(hahu)
die
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
נָתָ֖ן
(natan)
Natan
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het woord van Yahweh komt ‘in die nacht’ tot Natan.

Dit gebeurt in een visioen (vers 17).

5„Ga en zeg tegen Mijn dienaar, tegen David: ‘Zo zegt Yahweh: Ben jij het die voor Mij een huis zult bouwen om in te wonen?
לֵ֤ךְ
(lekh)
ga
וְאָֽמַרְתָּ֙
(veamarta)
en zeg
אֶל
(el)
tegen
עַבְדִּ֣י
(avdi)
Mijn dienaar
אֶל
(el)
tegen
דָּוִ֔ד
(david)
David
כֹּ֖ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הַאַתָּ֛ה
(haata)
ben jij het
תִּבְנֶה
(tivne)
die zult bouwen
לִּ֥י
(li)
voor Mij
בַ֖יִת
(bayit)
een huis
לְשִׁבְתִּֽי
(leshivti)
om in te wonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De volgende verzen (5–16) zijn de woorden van Yahweh aan Natan, die hij aan David doorgeeft.

Wij zetten ze zwart, met enkele aanhalingstekens waar Natan Yahweh citeert.

הַאַתָּה תִּבְנֶה־לִּי בַיִת (haattah tivneh li bayit), ‘Ben jij het die voor Mij een huis zult bouwen?’: een vraag. In 1 Kron. 17:4 staat dit als een stelling.

6Want Ik heb niet in een huis gewoond sinds de dag dat Ik de zonen van Israël uit Egypte heb geleid, tot op deze dag. Ik trok rond in een tent en in een tabernakel.
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
יָשַׁ֨בְתִּי֙
(yashavti)
heb Ik gewoond
בְּבַ֔יִת
(bevayit)
in een huis
לְ֠מִיּוֹם
(lemiyom)
sinds de dag
הַעֲלֹתִ֞י
(haaloti)
dat Ik omhoog bracht
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וָאֶֽהְיֶה֙
(vaehye)
en Ik was
מִתְהַלֵּ֔ךְ
(mithalekh)
rondtrekkend
בְּאֹ֖הֶל
(beohel)
in een tent
וּבְמִשְׁכָּֽן
(uvemishkan)
en in een tabernakel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מִשְׁכָּן (mishkan), ‘tabernakel’: de woning van Yahweh.

Yahweh heeft nooit in een huis gewoond, maar in de tent die Mozes maakte (Exod. 25:8–9).

7Heb Ik overal waar Ik onder alle zonen van Israël rondtrok ooit een woord gesproken tegen een van de stammen van Israël? Ik had hun bevolen Mijn volk Israël te weiden. Heb Ik gezegd: „Waarom hebben jullie geen huis van cederhout voor Mij gebouwd?”’
בְּכֹ֥ל
(bekhol)
in alles
אֲשֶֽׁר
(asher)
wat
הִתְהַלַּכְתִּי֮
(hithalakhti)
Ik heb rondgetrokken
בְּכָל
(bekhal)
onder alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
הֲדָבָ֣ר
(hadavar)
het woord
דִּבַּ֗רְתִּי
(dibarti)
heb Ik gesproken
אֶת
(et)
met
אַחַד֙
(achad)
een van
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
de stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
צִוִּ֗יתִי
(tsiviti)
Ik had bevolen
לִרְע֛וֹת
(lirot)
om te weiden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֥י
(ami)
Mijn volk
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לָ֛מָּה
(lama)
waarom
לֹֽא
(lo)
niet
בְנִיתֶ֥ם
(benitem)
hebben jullie gebouwd
לִ֖י
(li)
voor Mij
בֵּ֥ית
(beit)
een huis van
אֲרָזִֽים
(arazim)
cederen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft hier geen vraagwoord.

Wij lezen de zin als een retorische vraag en voegen ‘ooit’ toe.

In het Hebreeuws is ‘die Ik beval Mijn volk te weiden’ een bijzin; wij maken er een eigen zin van.

Lezing

שִׁבְטֵי (shivte), ‘stammen van’: zo staat het in de Masoretische tekst.

In 1 Kron. 17:6 staat שֹׁפְטֵי (shofte), ‘rechters van’.

Vers 11 spreekt van ‘rechters’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

8Nu dan, zeg zo tegen Mijn dienaar, tegen David: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten: Ik heb jou genomen van de weide, van achter het kleinvee. Ik deed het om je leider te maken over Mijn volk, over Israël.
וְ֠עַתָּה
(veata)
en nu
כֹּֽה
(ko)
zo
תֹאמַ֞ר
(tomar)
moet je zeggen
לְעַבְדִּ֣י
(leavdi)
tegen Mijn dienaar
לְדָוִ֗ד
(ledavid)
tegen David
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
לְקַחְתִּ֨יךָ֙
(leqachtikha)
heb jou genomen
מִן
(min)
van
הַנָּוֶ֔ה
(hanave)
de weide
מֵאַחַ֖ר
(meachar)
van achter
הַצֹּ֑אן
(hatson)
het kleinvee
לִֽהְי֣וֹת
(lihyot)
om te zijn
נָגִ֔יד
(nagid)
leider
עַל
(al)
over
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָגִיד (nagid), ‘leider’: zoals in 2 Sam. 5:2 en 6:21.

נָוֶה (naveh), ‘weide’: het grasland van de schaapskudde. David was herder (1 Sam. 16:11).

9Ik ben met je geweest overal waar je ging. Ik heb al je vijanden voor je uit afgesneden. Ik zal je een grote naam maken, zoals de naam van de groten die op aarde zijn.
וָאֶהְיֶ֣ה
(vaehye)
en Ik was
עִמְּךָ֗
(imekha)
met je
בְּכֹל֙
(bekhol)
overal
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
הָלַ֔כְתָּ
(halakhta)
je ging
וָאַכְרִ֥תָה
(vaakhrita)
en Ik heb afgesneden
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
אֹיְבֶ֖יךָ
(oyeveikha)
je vijanden
מִפָּנֶ֑יךָ
(mipaneikha)
voor je aangezicht
וְעָשִׂ֤תִֽי
(veasiti)
en Ik zal maken
לְךָ֙
(lekha)
voor je
שֵׁ֣ם
(shem)
een naam
גָּד֔וֹל
(gadol)
grote
כְּשֵׁ֥ם
(keshem)
zoals de naam van
הַגְּדֹלִ֖ים
(hagedolim)
de groten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
op aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וָאַכְרִתָה (vaachrita), ‘Ik heb afgesneden’: de vijanden worden uit het land ‘afgesneden’.

Het woord is hetzelfde als bij ‘een verbond sluiten’ (letterlijk ‘een verbond snijden’).

10Ik zal een plaats aanwijzen voor Mijn volk Israël. Ik zal het planten en het zal op zijn eigen plek wonen. Het zal niet meer beven. Mensen van onrecht zullen het niet meer verdrukken, zoals in het begin,
וְשַׂמְתִּ֣י
(vesamti)
en Ik zal stellen
מָ֠קוֹם
(maqom)
een plaats
לְעַמִּ֨י
(leami)
voor Mijn volk
לְיִשְׂרָאֵ֤ל
(leyisrael)
voor Israël
וּנְטַעְתִּיו֙
(unetativ)
en Ik zal het planten
וְשָׁכַ֣ן
(veshakhan)
en het zal wonen
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
onder zich
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִרְגַּ֖ז
(yirgaz)
zal beven
ע֑וֹד
(od)
nog
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יֹסִ֤יפוּ
(yosifu)
zullen voortgaan
בְנֵֽי
(benei)
mensen van
עַוְלָה֙
(avla)
onrecht
לְעַנּוֹת֔וֹ
(leanoto)
om het te verdrukken
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
בָּרִאשׁוֹנָֽה
(barishona)
in het begin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי עַוְלָה (bene avlah), ‘mensen van onrecht’: mensen die onrecht doen.

לַעֲנוֹתוֹ (laanoto), ‘om het te verdrukken’: zoals in Egypte (Exod. 1:11–12).

11vanaf de dag dat Ik rechters over Mijn volk Israël heb aangesteld. Ik zal je rust geven van al je vijanden. Yahweh maakt je bekend dat Yahweh een huis voor je zal maken.
וּלְמִן
(ulemin)
en vanaf
הַיּ֗וֹם
(hayom)
de dag
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
צִוִּ֤יתִי
(tsiviti)
Ik heb bevolen
שֹֽׁפְטִים֙
(shofetim)
rechters
עַל
(al)
over
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַהֲנִיחֹ֥תִי
(vahanichoti)
en Ik zal rust geven
לְךָ֖
(lekha)
je
מִכָּל
(mikal)
van al
אֹיְבֶ֑יךָ
(oyeveikha)
je vijanden
וְהִגִּ֤יד
(vehigid)
en maakt bekend
לְךָ֙
(lekha)
je
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּי
(ki)
dat
בַ֖יִת
(bayit)
een huis
יַעֲשֶׂה
(yaase)
zal maken
לְּךָ֥
(lekha)
voor je
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het deel ‘vanaf de dag dat Ik rechters heb aangesteld’ hoort bij vers 10: het volk wordt sinds de tijd van de rechters verdrukt.

Zie Richt. 2:16–19.

In de laatste zin spreekt Yahweh over Zichzelf als ‘Yahweh’. Dat staat zo in de tekst.

12Wanneer je dagen vol zijn en je bij je vaders ligt, dan zal Ik na jou je nageslacht laten opstaan. Dat nageslacht zal uit je lichaam komen. Ik zal zijn koningschap bevestigen.
כִּ֣י
(ki)
wanneer
יִמְלְא֣וּ
(yimleu)
vol zijn
יָמֶ֗יךָ
(yameikha)
je dagen
וְשָֽׁכַבְתָּ֙
(veshakhavta)
en je ligt
אֶת
(et)
bij
אֲבֹתֶ֔יךָ
(avoteikha)
je vaders
וַהֲקִימֹתִ֤י
(vahaqimoti)
en Ik zal laten opstaan
אֶֽת
(et)
(obj.)
זַרְעֲךָ֙
(zarakha)
je nageslacht
אַחֲרֶ֔יךָ
(achareikha)
na je
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
יֵצֵ֖א
(yetse)
zal uitgaan
מִמֵּעֶ֑יךָ
(mimeeikha)
uit je lichaam
וַהֲכִינֹתִ֖י
(vahakhinoti)
en Ik zal bevestigen
אֶת
(et)
(obj.)
מַמְלַכְתּֽוֹ
(mamlakhto)
zijn koningschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֶרַע (zera), ‘nageslacht’: het woord is enkelvoud en wijst hier naar één opvolger, die vanaf vers 13 ‘hij’ heet.

Zie ook Gen. 49:10.

שָׁכַב עִם־אֲבֹתֶיךָ (shachav im avotecha), ‘bij je vaders liggen’: sterven. Vergelijk Deut. 31:16.

13Hij zal een huis bouwen voor Mijn naam. Ik zal de troon van zijn koningschap voor altijd bevestigen.
ה֥וּא
(hu)
hij
יִבְנֶה
(yivne)
zal bouwen
בַּ֖יִת
(bayit)
een huis
לִשְׁמִ֑י
(lishmi)
voor Mijn naam
וְכֹנַנְתִּ֛י
(vekhonanti)
en Ik zal bevestigen
אֶת
(et)
(obj.)
כִּסֵּ֥א
(kise)
de troon van
מַמְלַכְתּ֖וֹ
(mamlakhto)
zijn koningschap
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּיִת לִשְׁמִי (bayit lishmi), ‘een huis voor Mijn naam’: de tempel.

Zie 1 Kon. 8:19–20.

עַד עוֹלָם (ad olam), ‘voor altijd’: letterlijk ‘tot in de verre tijd’.

14Ik zal voor hem een vader zijn, en hij zal voor Mij een zoon zijn. Wanneer hij verkeerd handelt, zal Ik hem tuchtigen met de stok van mensen en met de slagen van mensenkinderen.
אֲנִי֙
(ani)
Ik
אֶהְיֶה
(ehye)
zal zijn
לּ֣וֹ
(lo)
voor hem
לְאָ֔ב
(leav)
tot vader
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
יִהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לִּ֣י
(li)
voor Mij
לְבֵ֑ן
(leven)
tot zoon
אֲשֶׁר֙
(asher)
wanneer
בְּהַ֣עֲוֺת֔וֹ
(behaavoto)
hij verkeerd handelt
וְהֹֽכַחְתִּיו֙
(vehokhachtiv)
en Ik zal hem tuchtigen
בְּשֵׁ֣בֶט
(beshevet)
met de stok van
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mensen
וּבְנִגְעֵ֖י
(uvenigei)
en met de slagen van
בְּנֵ֥י
(benei)
de kinderen van
אָדָֽם
(adam)
mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers wordt aangehaald in Hebr. 1:5.

בְּהַעֲוֺתוֹ (behaavoto), ‘wanneer hij verkeerd handelt’: het werkwoord betekent ‘krom maken’, ‘verkeerd doen’.

Lezing

Deze zin ontbreekt in 1 Kron. 17:13.

Wij volgen de Masoretische tekst.

De tuchtiging gaat ‘met de stok van mensen’: Yahweh gebruikt mensen om te tuchtigen.

15Maar Mijn trouw zal niet van hem wijken, zoals Ik die heb weggenomen van Saul, die Ik voor je aangezicht heb weggedaan.
וְחַסְדִּ֖י
(vechasdi)
en Mijn trouw
לֹא
(lo)
niet
יָס֣וּר
(yasur)
zal wijken
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
van hem
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
הֲסִרֹ֨תִי֙
(hasiroti)
Ik heb weggenomen
מֵעִ֣ם
(meim)
van bij
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֲסִרֹ֖תִי
(hasiroti)
Ik heb weggedaan
מִלְּפָנֶֽיךָ
(milefaneikha)
voor je aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: Yahweh blijft trouw aan het huis van David, anders dan bij Saul (1 Sam. 15:23,28; 16:14).

16Je huis en je koningschap zullen voor je aangezicht voor altijd standhouden. Je troon zal voor altijd vast staan.’”
וְנֶאְמַ֨ן
(veneman)
en bevestigd zal zijn
בֵּיתְךָ֧
(beitekha)
je huis
וּמַֽמְלַכְתְּךָ֛
(umamlakhtekha)
en je koningschap
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֖ם
(olam)
altijd
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor je aangezicht
כִּֽסְאֲךָ֔
(kisakha)
je troon
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
נָכ֖וֹן
(nakhon)
vast
עַד
(ad)
tot
עוֹלָֽם
(olam)
altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier eindigt het woord dat Natan aan David moet doorgeven (zie vers 17).

17Natan sprak tot David naar al deze woorden en naar heel dit visioen.
כְּכֹל֙
(kekhol)
naar alle
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
וּכְכֹ֖ל
(ukhekhol)
en naar alle
הַחִזָּי֣וֹן
(hachizayon)
het visioen
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
כֵּ֛ן
(ken)
zo
דִּבֶּ֥ר
(diber)
sprak
נָתָ֖ן
(natan)
Natan
אֶל
(el)
tot
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חִזָּיוֹן (chizzayon), ‘visioen’: Yahweh sprak in de nacht in een visioen.

Zie ook 1 Kron. 17:15.

Het gebed van David

18Koning David ging naar binnen en ging zitten voor het aangezicht van Yahweh. Hij zei: „Wie ben ik, mijn Heer Yahweh, en wie is mijn huis, dat U mij tot hier hebt gebracht?
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en ging naar binnen
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֔ד
(david)
David
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en zat
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
מִ֣י
(mi)
wie
אָנֹכִ֞י
(anokhi)
ben ik
אֲדֹנָ֤י
(adonay)
mijn Heer
יְהוִה֙
(Yahweh)
Yahweh
וּמִ֣י
(umi)
en wie
בֵיתִ֔י
(beiti)
is mijn huis
כִּ֥י
(ki)
dat
הֲבִיאֹתַ֖נִי
(haviotani)
U hebt mij gebracht
עַד
(ad)
tot
הֲלֹֽם
(halom)
hier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘mijn Heer Yahweh’.

Het eerste woord is de aanspreking ‘mijn Heer’.

וַיֵּשֶׁב (vayeshev), ‘en hij zat’: David zit voor het aangezicht van Yahweh. De tekst zegt niet precies waar; de ark staat in de tent (2 Sam. 6:17).

19En dit was nog te klein in Uw ogen, mijn Heer Yahweh. U hebt ook gesproken over het huis van Uw dienaar, voor de verre toekomst. Is dit de wet van de mens, mijn Heer Yahweh?
וַתִּקְטַן֩
(vatiqtan)
en was klein
ע֨וֹד
(od)
nog
זֹ֤את
(zot)
dit
בְּעֵינֶ֨יךָ֙
(beeineikha)
in Uw ogen
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
mijn Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתְּדַבֵּ֛ר
(vatedaber)
en U hebt gesproken
גַּ֥ם
(gam)
ook
אֶל
(el)
over
בֵּֽית
(beit)
het huis van
עַבְדְּךָ֖
(avdekha)
Uw dienaar
לְמֵֽרָח֑וֹק
(lemerachoq)
voor de verre toekomst
וְזֹ֛את
(vezot)
en dit
תּוֹרַ֥ת
(torat)
de wet van
הָאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
mijn Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְמֵרָחוֹק (lemerachoq), ‘voor de verre toekomst’: letterlijk ‘van ver’.

Het gaat om een lange tijd vooruit.

תּוֹרַת הָאָדָם (torat haadam), ‘de wet van de mens’: de betekenis is onzeker. Het kan zijn: ‘Is dit hoe mensen behandeld worden?’ of ‘Is dit een wet voor de mensheid?’ In 1 Kron. 17:17 staat een andere zin.

20Wat kan David nog meer tegen U zeggen? U kent Uw dienaar, mijn Heer Yahweh.
וּמַה
(uma)
en wat
יּוֹסִ֥יף
(yosif)
kan toevoegen
דָּוִ֛ד
(david)
David
ע֖וֹד
(od)
nog
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
om te spreken
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
tot U
וְאַתָּ֛ה
(veata)
en U
יָדַ֥עְתָּ
(yadata)
kent
אֶֽת
(et)
(obj.)
עַבְדְּךָ֖
(avdekha)
Uw dienaar
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
mijn Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Omwille van Uw woord en naar Uw hart hebt U al dit grote gedaan, om het Uw dienaar te laten weten.
בַּעֲב֤וּר
(baavur)
omwille van
דְּבָֽרְךָ֙
(devarekha)
Uw woord
וּֽכְלִבְּךָ֔
(ukhelibekha)
en naar Uw hart
עָשִׂ֕יתָ
(asita)
hebt U gedaan
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַגְּדוּלָּ֖ה
(hagedula)
het grote
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
לְהוֹדִ֖יעַ
(lehodia)
om bekend te maken
אֶת
(et)
(obj.)
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
Uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Daarom bent U groot, mijn Heer Yahweh. Want niemand is zoals U, en er is geen Elohim behalve U, in alles wat wij met onze oren hebben gehoord.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֥ן
(ken)
zo
גָּדַ֖לְתָּ
(gadalta)
bent U groot
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
mijn Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
אֵ֣ין
(ein)
er is niet
כָּמ֗וֹךָ
(kamokha)
zoals U
וְאֵ֤ין
(veein)
en er is niet
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
זֽוּלָתֶ֔ךָ
(zulatekha)
behalve U
בְּכֹ֥ל
(bekhol)
in alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
שָׁמַ֖עְנוּ
(shamanu)
wij hebben gehoord
בְּאָזְנֵֽינוּ
(beazeneinu)
met onze oren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵין כָּמוֹךָ (ein kamocha), ‘niemand is zoals U’: vergelijk Exod. 15:11 en Deut. 4:35.

23Welk volk op aarde is zoals Uw volk, zoals Israël? Het is het ene volk waarvoor Elohim is gegaan om het voor Zich vrij te kopen als volk en om Zich een naam te maken. Zo deed Hij voor jullie het grote en ontzagwekkende, voor Uw land, voor het aangezicht van Uw volk. U hebt dat volk voor Uzelf vrijgekocht uit Egypte, volken en hun goden.
וּמִ֤י
(umi)
en wie
כְעַמְּךָ֙
(keamekha)
is zoals Uw volk
כְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(keyisrael)
zoals Israël
גּ֥וֹי
(goy)
volk
אֶחָ֖ד
(echad)
één
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
op aarde
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָלְכֽוּ
(halekhu)
zijn gegaan
אֱ֠לֹהִים
(Elohim)
Elohim
לִפְדּֽוֹת
(lifdot)
om vrij te kopen
ל֨וֹ
(lo)
voor Zich
לְעָ֜ם
(leam)
als volk
וְלָשׂ֧וּם
(velasum)
en om te maken
ל֣וֹ
(lo)
voor Zich
שֵׁ֗ם
(shem)
een naam
וְלַעֲשׂ֨וֹת
(velaasot)
en om te doen
לָכֶ֜ם
(lakhem)
voor jullie
הַגְּדוּלָּ֤ה
(hagedula)
het grote
וְנֹֽרָאוֹת֙
(venoraot)
en ontzagwekkende
לְאַרְצֶ֔ךָ
(leartsekha)
voor Uw land
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor het aangezicht van
עַמְּךָ֗
(amekha)
Uw volk
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
פָּדִ֤יתָ
(padita)
U hebt vrijgekocht
לְּךָ֙
(lekha)
voor U
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
גּוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
וֵאלֹהָֽיו
(velohav)
en zijn goden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

הָלְכוּ אֱלֹהִים (halchu Elohim), ‘Elohim is gegaan’: het werkwoord staat in het Hebreeuws in het meervoud.

Vergelijk Gen. 20:13 en 35:7.

Wij vertalen in het enkelvoud.

לַעֲשׂוֹת לָכֶם (laasot lachem), ‘voor jullie te doen’: het Hebreeuws springt hier van ‘Zich’ naar ‘jullie’.

מִצְרַיִם גּוֹיִם וֵאלֹהָיו (mitsrayim goyim velohav), ‘Egypte, volken en zijn goden’: de zin is kort en moeilijk. In het Hebreeuws is het één lange vraag; wij splitsen haar in korte zinnen en voegen ‘Het is’ en ‘Zo deed Hij’ toe. Het achtervoegsel in ‘zijn goden’ staat in het enkelvoud.

Lezing

Dit vers verschilt veel van 1 Kron. 17:21.

Wij volgen de Masoretische tekst.

24U hebt Uw volk Israël voor Uzelf bevestigd als volk voor altijd. En U, Yahweh, bent voor hen Elohim geworden.
וַתְּכ֣וֹנֵֽן
(vatekhonen)
en U hebt bevestigd
לְ֠ךָ
(lekha)
voor U
אֶת
(et)
(obj.)
עַמְּךָ֨
(amekha)
Uw volk
יִשְׂרָאֵ֧ל
(yisrael)
Israël
לְךָ֛
(lekha)
voor U
לְעָ֖ם
(leam)
als volk
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֑ם
(olam)
altijd
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en U
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הָיִ֥יתָ
(hayita)
bent geworden
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
tot Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers hoort bij het verbond: ‘Ik zal hun tot Elohim zijn’ (Gen. 17:7–8; Exod. 6:7).

25Nu dan, Yahweh Elohim, laat het woord dat U over Uw dienaar en over zijn huis hebt gesproken voor altijd standhouden. Doe zoals U hebt gesproken.
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
הַדָּבָ֗ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
דִּבַּ֤רְתָּ
(dibarta)
U hebt gesproken
עַֽל
(al)
over
עַבְדְּךָ֙
(avdekha)
Uw dienaar
וְעַל
(veal)
en over
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
הָקֵ֖ם
(haqem)
laat standhouden
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֑ם
(olam)
altijd
וַעֲשֵׂ֖ה
(vaase)
en doe
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
דִּבַּֽרְתָּ
(dibarta)
U hebt gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Laat Uw naam groot worden voor altijd, zodat men zegt: ‘Yahweh van de legermachten is Elohim over Israël.’ Laat het huis van Uw dienaar David voor Uw aangezicht bevestigd zijn.
וְיִגְדַּ֨ל
(veyigdal)
en groot worde
שִׁמְךָ֤
(shimkha)
Uw naam
עַד
(ad)
tot
עוֹלָם֙
(olam)
altijd
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וּבֵית֙
(uveit)
en het huis van
עַבְדְּךָ֣
(avdekha)
Uw dienaar
דָוִ֔ד
(david)
David
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
נָכ֖וֹן
(nakhon)
bevestigd
לְפָנֶֽיךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David bidt dat Yahweh groot wordt gemaakt door wat Hij doet, zodat de volken Yahweh van de legermachten als Elohim over Israël erkennen.

27Want U, Yahweh van de legermachten, Elohim van Israël, hebt het oor van Uw dienaar geopend en gezegd: ‘Een huis zal Ik voor je bouwen.’ Daarom heeft Uw dienaar de moed gevonden om dit gebed tot U te bidden.
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּה֩
(ata)
U
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
גָּלִ֜יתָה
(galita)
hebt geopend
אֶת
(et)
(obj.)
אֹ֤זֶן
(ozen)
het oor van
עַבְדְּךָ֙
(avdekha)
Uw dienaar
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בַּ֖יִת
(bayit)
een huis
אֶבְנֶה
(evne)
zal Ik bouwen
לָּ֑ךְ
(lakh)
voor je
עַל
(al)
daarom
כֵּ֗ן
(ken)
zo
מָצָ֤א
(matsa)
heeft gevonden
עַבְדְּךָ֙
(avdekha)
Uw dienaar
אֶת
(et)
(obj.)
לִבּ֔וֹ
(libo)
zijn hart
לְהִתְפַּלֵּ֣ל
(lehitpalel)
om te bidden
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot U
אֶת
(et)
(obj.)
הַתְּפִלָּ֖ה
(hatefila)
het gebed
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּלָה אֶת־אֹזֶן (galah et ozen), ‘het oor openen’: onthullen, laten horen.

De uitdrukking staat ook in 1 Sam. 9:15.

מָצָא אֶת־לִבּוֹ (matsa et libbo), ‘de moed vinden’: letterlijk ‘zijn hart vinden’. Het betekent dat hij de moed of het besef heeft gevonden.

28Nu dan, mijn Heer Yahweh, U bent de Elohim, en Uw woorden zijn waarheid. U hebt dit goede tegen Uw dienaar gesproken.
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
mijn Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אַתָּה
(ata)
U
הוּא֙
(hu)
bent
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
וּדְבָרֶ֖יךָ
(udevareikha)
en Uw woorden
יִהְי֣וּ
(yihyu)
zijn
אֱמֶ֑ת
(emet)
waarheid
וַתְּדַבֵּר֙
(vatedaber)
en U hebt gesproken
אֶֽל
(el)
tot
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
Uw dienaar
אֶת
(et)
(obj.)
הַטּוֹבָ֖ה
(hatova)
het goede
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַתָּה־הוּא הָאֱלֹהִים (attah hu haElohim), ‘U bent de Elohim’: U bent de ware Elohim.

Vergelijk Deut. 4:35 en 4:39.

29Wees dus bereid het huis van Uw dienaar te zegenen, zodat het voor altijd voor Uw aangezicht blijft. Want U, mijn Heer Yahweh, hebt gesproken. Door Uw zegen zal het huis van Uw dienaar voor altijd gezegend zijn.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הוֹאֵל֙
(hoel)
wees bereid
וּבָרֵךְ֙
(uvarekh)
en zegen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
Uw dienaar
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
לְעוֹלָ֖ם
(leolam)
voor altijd
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֞ה
(ata)
U
אֲדֹנָ֤י
(adonay)
mijn Heer
יְהוִה֙
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּ֔רְתָּ
(dibarta)
hebt gesproken
וּמִבִּרְכָ֣תְךָ֔
(umibirkhatekha)
en door Uw zegen
יְבֹרַ֥ךְ
(yevorakh)
zal gezegend zijn
בֵּֽית
(beit)
het huis van
עַבְדְּךָ֖
(avdekha)
Uw dienaar
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹאֵל (hoel), ‘wees bereid’: het woord betekent ook ‘besluit’ of ‘heb de goedheid’.

Het is een beleefde bede.