Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Elifaz spreekt
1Elifaz uit Teman nam het woord en zei:
וַ֭יַּעַן
(vayaan)
en antwoordde
אֱלִיפַ֥ז
(elifaz)
Elifaz
הַֽתֵּימָנִ֗י
(hateimani)
de Temaniet
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië).
Uitleg
Elifaz uit Teman spreekt als eerste van de drie vrienden.
Zijn gedachte, in de hele cyclus: wie onrecht zaait, maait onheil; dus Job moet iets verkeerd hebben gedaan.
6Is je ontzag niet je vertrouwen, en je onberispelijke levenswandel je hoop?
הֲלֹ֣א
(halo)
niet?
יִ֭רְאָתְךָ
(yiratekha)
je ontzag
כִּסְלָתֶ֑ךָ
(kislatekha)
je vertrouwen
תִּ֝קְוָתְךָ֗
(tiqvatekha)
je hoop
וְתֹ֣ם
(vetom)
en de onberispelijkheid van
דְּרָכֶֽיךָ
(derakheikha)
je wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִרְאָה (yirah), ‘ontzag’: het Hebreeuws noemt hier geen naam; bedoeld is ontzag voor Elohim (vergelijk 1:1).
Elifaz haalt Jobs eigen vroomheid aan als reden voor vertrouwen, maar gebruikt dat om te zeggen dat Job zich zou moeten herstellen: wie rechtschapen is, komt er wel doorheen (vers 7).
10Het gebrul van de leeuw en de stem van de brulleeuw, en de tanden van de jonge leeuwen worden gebroken.
שַׁאֲגַ֣ת
(shaagat)
gebrul van
אַ֭רְיֵה
(arye)
de leeuw
וְק֣וֹל
(veqol)
en stem van
שָׁ֑חַל
(shachal)
de brulleeuw
וְשִׁנֵּ֖י
(veshinei)
en tanden van
כְפִירִ֣ים
(kefirim)
jonge leeuwen
נִתָּֽעוּ
(nitau)
zijn gebroken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vers 10–11 bevatten vijf verschillende woorden voor ‘leeuw’ (אַרְיֵה, שַׁחַל, כְּפִירִים, לַיִשׁ, לָבִיא): een dichterlijke opsomming van krachtige roofdieren die toch omkomen.