Elohim Bijbel

Job 4

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142

Elifaz spreekt

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Elifaz spreekt

1Elifaz uit Teman nam het woord en zei:
וַ֭יַּעַן
(vayaan)
en antwoordde
אֱלִיפַ֥ז
(elifaz)
Elifaz
הַֽתֵּימָנִ֗י
(hateimani)
de Temaniet
וַיֹּאמַֽר
(vayomar)
en zei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië).

Uitleg

Elifaz uit Teman spreekt als eerste van de drie vrienden.

Zijn gedachte, in de hele cyclus: wie onrecht zaait, maait onheil; dus Job moet iets verkeerd hebben gedaan.

2„Neem je het kwalijk als iemand een woord tot je waagt? Maar wie kan zijn woorden binnenhouden?
הֲנִסָּ֬ה
(hanisa)
heeft men gewaagd
דָבָ֣ר
(davar)
een woord
אֵלֶ֣יךָ
(eleikha)
tot jou
תִּלְאֶ֑ה
(tile)
word je moe
וַעְצֹ֥ר
(vatsor)
maar terughouden
בְּ֝מִלִּ֗ין
(bemilin)
van woorden
מִ֣י
(mi)
wie
יוּכָֽל
(yukhal)
kan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֲנִסָּה (hanissah), ‘heeft men gewaagd’: een voorzichtige opening.

Elifaz vraagt of Job het kwalijk neemt als hij iets zegt.

3Zie, jij hebt velen onderwezen en slappe handen sterk gemaakt.
הִ֭נֵּה
(hine)
zie
יִסַּ֣רְתָּ
(yisarta)
jij onderwees
רַבִּ֑ים
(rabim)
velen
וְיָדַ֖יִם
(veyadayim)
en handen
רָפ֣וֹת
(rafot)
slappe
תְּחַזֵּֽק
(techazeq)
versterkte je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Wie struikelde, hielden je woorden overeind, en knikkende knieën gaf je kracht.
כּ֭וֹשֵׁל
(koshel)
struikelende
יְקִימ֣וּן
(yeqimun)
richtten op
מִלֶּ֑יךָ
(mileikha)
je woorden
וּבִרְכַּ֖יִם
(uvirkayim)
en knieën
כֹּרְע֣וֹת
(koreot)
knikkende
תְּאַמֵּֽץ
(teamets)
maakte je sterk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Maar nu het jou overkomt, word je moedeloos. Het raakt jou, en je schrikt.
כִּ֤י
(ki)
want
עַתָּ֨ה
(ata)
nu
תָּב֣וֹא
(tavo)
komt het
אֵלֶ֣יךָ
(eleikha)
tot jou
וַתֵּ֑לֶא
(vatele)
en je wordt moe
תִּגַּ֥ע
(tiga)
raakt het
עָ֝דֶ֗יךָ
(adeikha)
aan jou
וַתִּבָּהֵֽל
(vatibahel)
en je schrikt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Is je ontzag niet je vertrouwen, en je onberispelijke levenswandel je hoop?
הֲלֹ֣א
(halo)
niet?
יִ֭רְאָתְךָ
(yiratekha)
je ontzag
כִּסְלָתֶ֑ךָ
(kislatekha)
je vertrouwen
תִּ֝קְוָתְךָ֗
(tiqvatekha)
je hoop
וְתֹ֣ם
(vetom)
en de onberispelijkheid van
דְּרָכֶֽיךָ
(derakheikha)
je wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִרְאָה (yirah), ‘ontzag’: het Hebreeuws noemt hier geen naam; bedoeld is ontzag voor Elohim (vergelijk 1:1).

Elifaz haalt Jobs eigen vroomheid aan als reden voor vertrouwen, maar gebruikt dat om te zeggen dat Job zich zou moeten herstellen: wie rechtschapen is, komt er wel doorheen (vers 7).

7Bedenk toch: wie is er ooit onschuldig omgekomen? En waar zijn oprechte mensen ooit uitgeroeid?
זְכָר
(zekhar)
bedenk
נָ֗א
(na)
toch
מִ֤י
(mi)
wie
ה֣וּא
(hu)
hij
נָקִ֣י
(naqi)
onschuldig
אָבָ֑ד
(avad)
kwam om
וְ֝אֵיפֹ֗ה
(veeifo)
en waar
יְשָׁרִ֥ים
(yesharim)
oprechten
נִכְחָֽדוּ
(nikhchadu)
zijn uitgeroeid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de leer van vergelding die de vrienden vasthouden: onschuldigen gaan niet ten onder.

Het boek laat zien dat dit in Jobs geval niet klopt (1:8; 2:3).

8Zoals ik het heb gezien: zij die onrecht ploegen en moeite zaaien, maaien dat ook.
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
רָ֭אִיתִי
(raiti)
ik zag
חֹ֣רְשֵׁי
(choreshei)
ploegers van
אָ֑וֶן
(aven)
onrecht
וְזֹרְעֵ֖י
(vezoreei)
en zaaiers van
עָמָ֣ל
(amal)
moeite
יִקְצְרֻֽהוּ
(yiqtseruhu)
maaien het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Door de adem van Eloah komen ze om, door de wind van Zijn toorn gaan ze ten onder.
מִנִּשְׁמַ֣ת
(minishmat)
door de adem van
אֱל֣וֹהַ
(eloha)
Eloah
יֹאבֵ֑דוּ
(yovedu)
komen ze om
וּמֵר֖וּחַ
(umeruach)
en door de wind van
אַפּ֣וֹ
(apo)
Zijn toorn
יִכְלֽוּ
(yikhlu)
gaan ze ten onder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Het gebrul van de leeuw en de stem van de brulleeuw, en de tanden van de jonge leeuwen worden gebroken.
שַׁאֲגַ֣ת
(shaagat)
gebrul van
אַ֭רְיֵה
(arye)
de leeuw
וְק֣וֹל
(veqol)
en stem van
שָׁ֑חַל
(shachal)
de brulleeuw
וְשִׁנֵּ֖י
(veshinei)
en tanden van
כְפִירִ֣ים
(kefirim)
jonge leeuwen
נִתָּֽעוּ
(nitau)
zijn gebroken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 10–11 bevatten vijf verschillende woorden voor ‘leeuw’ (אַרְיֵה, שַׁחַל, כְּפִירִים, לַיִשׁ, לָבִיא): een dichterlijke opsomming van krachtige roofdieren die toch omkomen.

11De leeuw komt om bij gebrek aan prooi, en de jongen van de leeuwin worden verspreid.
לַ֭יִשׁ
(layish)
leeuw
אֹבֵ֣ד
(oved)
komt om
מִבְּלִי
(mibeli)
bij gebrek aan
טָ֑רֶף
(taref)
prooi
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en jongen van
לָ֝בִ֗יא
(lavi)
de leeuwin
יִתְפָּרָֽדוּ
(yitparadu)
worden verspreid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het visioen van Elifaz

12Tot mij kwam heimelijk een woord, en mijn oor ving er een fluistering van op.
וְ֭אֵלַי
(veelay)
en tot mij
דָּבָ֣ר
(davar)
een woord
יְגֻנָּ֑ב
(yegunav)
werd gebracht stiekem
וַתִּקַּ֥ח
(vatiqach)
en nam op
אָ֝זְנִ֗י
(azeni)
mijn oor
שֵׁ֣מֶץ
(shemets)
een fluistering
מֶֽנְהֽוּ
(menhu)
ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier vertelt Elifaz van een nachtelijk visioen.

Hij beroept zich op bovenmenselijk gezag voor wat hij zegt.

13Midden in de gedachten van nachtelijke visioenen, wanneer diepe slaap op mensen valt,
בִּ֭שְׂעִפִּים
(bisipim)
in gedachten
מֵחֶזְיֹנ֣וֹת
(mechezyonot)
gezichten van
לָ֑יְלָה
(layela)
de nacht
בִּנְפֹ֥ל
(binfol)
als valt
תַּ֝רְדֵּמָ֗ה
(tardema)
diepe slaap
עַל
(al)
op
אֲנָשִֽׁים
(anashim)
mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14overviel mij schrik en beving, en mijn beenderen schudden allemaal.
פַּ֣חַד
(pachad)
schrik
קְ֭רָאַנִי
(qeraani)
trof mij
וּרְעָדָ֑ה
(ureada)
en beving
וְרֹ֖ב
(verov)
en veel van
עַצְמוֹתַ֣י
(atsmotay)
mijn beenderen
הִפְחִֽיד
(hifchid)
deed schudden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Een geest gleed langs mijn gezicht. De haren van mijn lijf gingen overeind staan.
וְ֭רוּחַ
(veruach)
en een geest
עַל
(al)
over
פָּנַ֣י
(panay)
mijn gezicht
יַחֲלֹ֑ף
(yachalof)
gleed
תְּ֝סַמֵּ֗ר
(tesamer)
rees overeind
שַֽׂעֲרַ֥ת
(saarat)
het haar van
בְּשָׂרִֽי
(besari)
mijn lichaam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach) is hier ‘geest’ of ‘ademstoot’; de haren die rechtop gaan staan laten zien dat hij een bovennatuurlijke aanwezigheid ervaart.

16Hij bleef staan, maar ik herkende zijn uiterlijk niet. Een gestalte stond voor mijn ogen. Het was stil, en ik hoorde een stem:
יַעֲמֹ֤ד
(yaamod)
hij stond
וְֽלֹא
(velo)
maar niet
אַכִּ֬יר
(akir)
herkende ik
מַרְאֵ֗הוּ
(marehu)
zijn uiterlijk
תְּ֭מוּנָה
(temuna)
een gestalte
לְנֶ֣גֶד
(leneged)
voor
עֵינָ֑י
(einay)
mijn ogen
דְּמָמָ֖ה
(demama)
stilte
וָק֣וֹל
(vaqol)
en een stem
אֶשְׁמָֽע
(eshma)
hoorde ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wie is rechtvaardig voor Eloah?

17‘Is een sterveling rechtvaardig voor Eloah? Is een man zuiver voor zijn Maker?
הַֽ֭אֱנוֹשׁ
(haenosh)
de sterveling
מֵאֱל֣וֹהַ
(meeloha)
voor Eloah
יִצְדָּ֑ק
(yitsdaq)
is rechtvaardig
אִ֥ם
(im)
of
מֵ֝עֹשֵׂ֗הוּ
(meosehu)
voor zijn Maker
יִטְהַר
(yithar)
is zuiver
גָּֽבֶר
(gaver)
een man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

מֵאֱלוֹהַּ (me’Eloah): het voorzetsel מִן (min) kan ‘vóór’ (‘rechtvaardig voor Eloah’) of ‘meer dan’ (‘rechtvaardiger dan Eloah’) betekenen.

Wij kiezen ‘voor’: de tweede helft van het vers (‘zuiver voor zijn Maker’) wijst die kant op.

De lezing ‘meer dan’ is mogelijk, maar zet een mens naast Eloah om hem te vergelijken.

18Zie, op Zijn dienaren vertrouwt Hij niet, en bij Zijn engelen vindt Hij nog dwaling.
הֵ֣ן
(hen)
zie
בַּ֭עֲבָדָיו
(baavadav)
op Zijn dienaren
לֹ֣א
(lo)
niet
יַאֲמִ֑ין
(yaamin)
vertrouwt Hij
וּ֝בְמַלְאָכָ֗יו
(uvemalakhav)
en bij Zijn engelen
יָשִׂ֥ים
(yasim)
legt Hij
תָּהֳלָֽה
(tahola)
dwaling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תָּהֳלָה (tohola) komt nergens anders voor; de betekenis ‘dwaling’ of ‘fout’ is afgeleid van de context.

Als zelfs de hemelse wezens niet volmaakt zijn, hoeveel te minder de mens.

19Hoeveel te meer bij wie in lemen huizen wonen, wier fundament in het stof ligt, die als een mot worden vermorzeld.
אַ֤ף
(af)
ook
שֹׁכְנֵ֬י
(shokhenei)
bewoners van
בָֽתֵּי
(batei)
huizen van
חֹ֗מֶר
(chomer)
leem
אֲשֶׁר
(asher)
die
בֶּעָפָ֥ר
(beafar)
in het stof
יְסוֹדָ֑ם
(yesodam)
hun fundament
יְ֝דַכְּא֗וּם
(yedakeum)
men vermorzelt hen
לִפְנֵי
(lifnei)
voor
עָֽשׁ
(ash)
een mot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Tussen ochtend en avond worden ze verbrijzeld. Ze gaan voorgoed verloren, zonder dat iemand het merkt.
מִבֹּ֣קֶר
(miboqer)
van ochtend
לָעֶ֣רֶב
(laerev)
tot avond
יֻכַּ֑תּוּ
(yukatu)
worden ze verbrijzeld
מִבְּלִ֥י
(mibeli)
zonder
מֵ֝שִׂ֗ים
(mesim)
dat iemand het merkt
לָנֶ֥צַח
(lanetsach)
voor altijd
יֹאבֵֽדוּ
(yovedu)
gaan ze verloren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Wordt hun tentkoord niet losgerukt? Ze sterven, en zonder wijsheid.’”
הֲלֹא
(halo)
niet?
נִסַּ֣ע
(nisa)
wordt uitgerukt
יִתְרָ֣ם
(yitram)
hun tentkoord
בָּ֑ם
(bam)
in hen
יָ֝מ֗וּתוּ
(yamutu)
ze sterven
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
בְחָכְמָֽה
(bechakhema)
in wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִתְרָם (yitram) kan ‘hun tentkoord’ betekenen (het beeld is: de tent wordt afgebroken) of ‘hun voortreffelijkheid’.

Wij volgen de eerste lezing.