Elohim Bijbel

Matteüs 10

12345678910111213141516171819202122232425262728

De uitzending van de twaalf apostelen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua roept Zijn twaalf leerlingen

1Hij riep Zijn twaalf leerlingen bij Zich. Hij gaf hun gezag over onreine geesten, om ze uit te drijven en om elke ziekte en elke kwaal te genezen.
Καὶ
(Kai)
en
προσκαλεσάμενος
(proskalesamenos)
bij Zich roepend
τοὺς
(tous)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
αὐτοῖς
(autois)
hun
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
πνευμάτων
(pneumaton)
over geesten
ἀκαθάρτων
(akatharton)
onreine
ὥστε
(hoste)
zodat
ἐκβάλλειν
(ekballein)
uit te drijven
αὐτὰ
(auta)
ze
καὶ
(kai)
en
θεραπεύειν
(therapeuein)
te genezen
πᾶσαν
(pasan)
elke
νόσον
(noson)
ziekte
καὶ
(kai)
en
πᾶσαν
(pasan)
elke
μαλακίαν
(malakian)
kwaal
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: zie 8:9. ἀκάθαρτος (akathartos), ‘onrein’: een onreine geest is een boze geest.

De twaalf leerlingen vormen een getal dat doet denken aan de twaalf stammen van Israël.

Zie ook Mark. 6:7; Luc. 9:1–2.

2Dit zijn de namen van de twaalf apostelen: eerst Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, Jakobus de zoon van Zebedeüs en zijn broer Johannes,
τῶν
(ton)
van de
δὲ
(de)
maar
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
ἀποστόλων
(apostolon)
apostelen
τὰ
(ta)
de
ὀνόματά
(onomata)
namen
ἐστιν
(estin)
zijn
ταῦτα
(tauta)
deze
πρῶτος
(protos)
eerst
Σίμων
(Simon)
Simon
ὁ
(ho)
die
λεγόμενος
(legomenos)
genoemd
Πέτρος
(Petros)
Petrus
καὶ
(kai)
en
Ἀνδρέας
(Andreas)
Andreas
ὁ
(ho)
de
ἀδελφὸς
(adelphos)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Ἰάκωβος
(Iakobos)
Jakobus
ὁ
(ho)
de
τοῦ
(tou)
van de
Ζεβεδαίου
(Zebedaiou)
Zebedeüs
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
ὁ
(ho)
de
ἀδελφὸς
(adelphos)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden wordt.

Zie ook Mark. 3:13–19; Luc. 6:12–16.

3Filippus en Bartolomeüs, Tomas en Matteüs de tollenaar, Jakobus de zoon van Alfeüs, en Taddeüs,
Φίλιππος
(Philippos)
Filippus
καὶ
(kai)
en
Βαρθολομαῖος
(Bartholomaios)
Bartolomeüs
Θωμᾶς
(Thomas)
Tomas
καὶ
(kai)
en
Μαθθαῖος
(Maththaios)
Matteüs
ὁ
(ho)
de
τελώνης
(telones)
tollenaar
Ἰάκωβος
(Iakobos)
Jakobus
ὁ
(ho)
de
τοῦ
(tou)
van de
Ἁλφαίου
(Halphaiou)
Alfeüs
καὶ
(kai)
en
Θαδδαῖος
(Thaddaios)
Taddeüs
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ἀλφαῖος (Alfeüs) is een nieuwe naam in ons boek.

Matteüs de tollenaar: zie 9:9.

Lezing

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat hier ‘Lebbeüs, bijgenaamd Taddeüs’; de SBLGNT heeft alleen ‘Taddeüs’.

4Simon de Zeloot en Judas Iskariot, die Hem ook heeft overgeleverd.
Σίμων
(Simon)
Simon
ὁ
(ho)
de
Καναναῖος
(Kananaios)
Zeloot
καὶ
(kai)
en
Ἰούδας
(Ioudas)
Judas
ὁ
(ho)
de
Ἰσκαριώτης
(Iskariotes)
Iskariot
ὁ
(ho)
die
καὶ
(kai)
ook
παραδοὺς
(paradous)
overleverde
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Καναναῖος (Kananaios) komt van een Aramees woord voor ‘ijveraar’ (qan’ana); het betekent dus niet ‘uit Kana’.

Wij vertalen ‘de Zeloot’ (ζηλωτής, zelotes), zoals Luc. 6:15 en Mark. 3:18 hem noemen.

Ἰσκαριώτης (Iskariotes), ‘Iskariot’: waarschijnlijk ‘man uit Kerijot’ (vergelijk Joz. 15:25); dat is niet zeker. παραδίδωμι (paradidomi), ‘overleveren’: zie 4:12.

De opdracht aan de twaalf

5Deze twaalf zond Yeshua uit en gaf hun opdracht: „Ga niet de weg van de volken op. Ga geen stad van de Samaritanen binnen.
Τούτους
(Toutous)
dezen
τοὺς
(tous)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
ἀπέστειλεν
(apesteilen)
zond uit
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
παραγγείλας
(parangeilas)
opdracht gevend
αὐτοῖς
(autois)
hun
λέγων
(legon)
zeggend
Εἰς
(Eis)
naar
ὁδὸν
(hodon)
weg
ἐθνῶν
(ethnon)
van volken
μὴ
(me)
niet
ἀπέλθητε
(apelthete)
ga
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
naar
πόλιν
(polin)
stad
Σαμαριτῶν
(Samariton)
van Samaritanen
μὴ
(me)
niet
εἰσέλθητε
(eiselthete)
ga binnen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἔθνος (ethnos), ‘volk’; in het meervoud ‘de volken’: de niet-Joden.

De Samaritanen woonden in het gebied van Samaria; zie 2 Kon. 17:24–41.

6Ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël.
πορεύεσθε
(poreuesthe)
ga
δὲ
(de)
maar
μᾶλλον
(mallon)
liever
πρὸς
(pros)
naar
τὰ
(ta)
de
πρόβατα
(probata)
schapen
τὰ
(ta)
de
ἀπολωλότα
(apololota)
verloren
οἴκου
(oikou)
van het huis
Ἰσραήλ
(Israel)
Israël
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘De verloren schapen van het huis van Israël’: vergelijk Jer. 50:6, ‘Mijn volk was een kudde verloren schapen’.

Zie ookJer 50:6
7Verkondig onderweg: ‘Het koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen.’
πορευόμενοι
(poreuomenoi)
gaand
δὲ
(de)
maar
κηρύσσετε
(keryssete)
verkondig
λέγοντες
(legontes)
zeggend
ὅτι
(hoti)
dat
Ἤγγικεν
(Engiken)
is nabij gekomen
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τῶν
(ton)
van de
οὐρανῶν
(ouranon)
hemelen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Dezelfde woorden als in 3:2 en 4:17.

8Genees zieken, wek doden op, maak melaatsen rein, drijf demonen uit. Gratis hebben jullie ontvangen, geef gratis.
ἀσθενοῦντας
(asthenountas)
zieken
θεραπεύετε
(therapeuete)
genees
νεκροὺς
(nekrous)
doden
ἐγείρετε
(egeirete)
wek op
λεπροὺς
(leprous)
melaatsen
καθαρίζετε
(katharizete)
maak rein
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
ἐκβάλλετε
(ekballete)
drijf uit
δωρεὰν
(dorean)
gratis
ἐλάβετε
(elabete)
jullie hebben ontvangen
δωρεὰν
(dorean)
gratis
δότε
(dote)
geef
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Luc. 10:9. λεπρός (lepros), ‘melaatse’: zie 8:2.

Zie ookLuc 10:9
9Schaf geen goud, zilver of koper aan voor in jullie gordels,
μὴ
(me)
niet
κτήσησθε
(ktesesthe)
schaf aan
χρυσὸν
(chryson)
goud
μηδὲ
(mede)
noch
ἄργυρον
(argyron)
zilver
μηδὲ
(mede)
noch
χαλκὸν
(chalkon)
koper
εἰς
(eis)
in
τὰς
(tas)
de
ζώνας
(zonas)
gordels
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

Wij vertalen κτάομαι (ktaomai) letterlijk als ‘aanschaffen’. χαλκός (chalkos) is ‘koper’ en staat hier voor koperen munten. ζώνη (zone), ‘gordel’: een band om het middel, waarin men geld kon dragen.

10en geen reistas voor onderweg, geen twee hemden, geen sandalen en geen staf. Want de arbeider is zijn voedsel waard.
μὴ
(me)
niet
πήραν
(peran)
reistas
εἰς
(eis)
voor
ὁδὸν
(hodon)
onderweg
μηδὲ
(mede)
noch
δύο
(dyo)
twee
χιτῶνας
(chitonas)
hemden
μηδὲ
(mede)
noch
ὑποδήματα
(hypodemata)
sandalen
μηδὲ
(mede)
noch
ῥάβδον
(rhabdon)
staf
ἄξιος
(axios)
waard
γὰρ
(gar)
want
ὁ
(ho)
de
ἐργάτης
(ergates)
arbeider
τῆς
(tes)
van het
τροφῆς
(trophes)
voedsel
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

πήρα (pera), ‘reistas’: een tas voor onderweg. χιτών (chiton), ‘hemd’: het lange kledingstuk dat men onder de mantel droeg. τροφή (trophe), ‘voedsel’: zie 3:4.

Zie ook Mark. 6:8–9; Luc. 9:3; Luc. 10:4.

11In welke stad of welk dorp jullie ook binnengaan, onderzoek wie daar waardig is, en blijf daar tot jullie weggaan.
εἰς
(eis)
in
ἣν
(hen)
welke
δ’
(d’)
maar
ἂν
(an)
ook
πόλιν
(polin)
stad
ἢ
(e)
of
κώμην
(komen)
dorp
εἰσέλθητε
(eiselthete)
jullie binnengaan
ἐξετάσατε
(exetasate)
onderzoek
τίς
(tis)
wie
ἐν
(en)
in
αὐτῇ
(aute)
haar
ἄξιός
(axios)
waardig
ἐστιν
(estin)
is
κἀκεῖ
(kakei)
en daar
μείνατε
(meinate)
blijf
ἕως
(heos)
tot
ἂν
(an)
ook
ἐξέλθητε
(exelthete)
jullie weggaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄξιος (axios), ‘waardig’: iemand die bereid is jullie te ontvangen.

12Als jullie het huis binnengaan, groet het.
εἰσερχόμενοι
(eiserchomenoi)
binnengaand
δὲ
(de)
maar
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
ἀσπάσασθε
(aspasasthe)
groet
αὐτήν
(auten)
het
Bron: SBLGNT
13Als het huis waardig is, laat jullie vrede erover komen. Maar als het niet waardig is, laat jullie vrede dan naar jullie terugkeren.
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
μὲν
(men)
wel
ᾖ
(e)
is
ἡ
(he)
het
οἰκία
(oikia)
huis
ἀξία
(axia)
waardig
ἐλθάτω
(elthato)
laat komen
ἡ
(he)
de
εἰρήνη
(eirene)
vrede
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτήν
(auten)
het
ἐὰν
(ean)
als
δὲ
(de)
maar
μὴ
(me)
niet
ᾖ
(e)
is
ἀξία
(axia)
waardig
ἡ
(he)
de
εἰρήνη
(eirene)
vrede
ὑμῶν
(hymon)
jullie
πρὸς
(pros)
naar
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἐπιστραφήτω
(epistrapheto)
laat terugkeren
Bron: SBLGNT
Uitleg

εἰρήνη (eirene), ‘vrede’: het Hebreeuwse שָׁלוֹם (shalom), het groeten en zegenen met vrede.

14Wie jullie niet ontvangt en niet naar jullie woorden luistert: ga naar buiten, uit dat huis of die stad. Schud het stof van jullie voeten.
καὶ
(kai)
en
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
ook
μὴ
(me)
niet
δέξηται
(dexetai)
ontvangt
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
μηδὲ
(mede)
noch
ἀκούσῃ
(akouse)
luistert naar
τοὺς
(tous)
de
λόγους
(logous)
woorden
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἐξερχόμενοι
(exerchomenoi)
naar buiten gaand
ἔξω
(exo)
buiten
τῆς
(tes)
het
οἰκίας
(oikias)
huis
ἢ
(e)
of
τῆς
(tes)
de
πόλεως
(poleos)
stad
ἐκείνης
(ekeines)
dat
ἐκτινάξατε
(ektinaxate)
schud af
τὸν
(ton)
het
κονιορτὸν
(koniorton)
stof
τῶν
(ton)
van de
ποδῶν
(podon)
voeten
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het stof van de voeten schudden was een teken dat men niets met die plaats te maken wilde hebben.

Zie ook Mark. 6:10–11; Luc. 9:4–5; Luc. 10:5–12.

15Voorwaar, Ik zeg jullie: het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad.
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἀνεκτότερον
(anektoteron)
draaglijker
ἔσται
(estai)
zal zijn
γῇ
(ge)
land
Σοδόμων
(Sodomon)
van Sodom
καὶ
(kai)
en
Γομόρρων
(Gomorron)
Gomorra
ἐν
(en)
op
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
κρίσεως
(kriseos)
van oordeel
ἢ
(e)
dan
τῇ
(te)
voor de
πόλει
(polei)
stad
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Uitleg

Sodom en Gomorra: zie Gen. 19:24–25. κρίσις (krisis), ‘oordeel’.

Schapen te midden van wolven

16Zie, Ik zend jullie als schapen te midden van wolven. Wees dus verstandig als de slangen en zuiver als de duiven.
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ἐγὼ
(ego)
Ik
ἀποστέλλω
(apostello)
zend
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ὡς
(hos)
als
πρόβατα
(probata)
schapen
ἐν
(en)
in
μέσῳ
(meso)
midden
λύκων
(lykon)
van wolven
γίνεσθε
(ginesthe)
wees
οὖν
(oun)
dus
φρόνιμοι
(phronimoi)
verstandig
ὡς
(hos)
als
οἱ
(hoi)
de
ὄφεις
(opheis)
slangen
καὶ
(kai)
en
ἀκέραιοι
(akeraioi)
zuiver
ὡς
(hos)
als
αἱ
(hai)
de
περιστεραί
(peristerai)
duiven
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀκέραιος (akeraios), ‘zuiver’: onvermengd, zonder bedrog. φρόνιμος (phronimos), ‘verstandig’: slim in wat men doet.

17Pas op voor de mensen, want zij zullen jullie overleveren aan raden en jullie geselen in hun synagogen.
προσέχετε
(prosechete)
pas op
δὲ
(de)
maar
ἀπὸ
(apo)
voor
τῶν
(ton)
de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
παραδώσουσιν
(paradosousin)
zullen overleveren
γὰρ
(gar)
want
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
εἰς
(eis)
aan
συνέδρια
(synedria)
raden
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
συναγωγαῖς
(synagogais)
synagogen
αὐτῶν
(auton)
hun
μαστιγώσουσιν
(mastigosousin)
zullen geselen
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

συνέδριον (synedrion), ‘raad’: hier in het meervoud, dus plaatselijke raden die recht spraken.

Vergelijk ‘de Raad’ in 5:22. μαστιγόω (mastigoo), ‘geselen’: met een zweep slaan.

Zie ook Mark. 13:9–13.

18Ook zullen jullie omwille van Mij voor stadhouders en koningen gebracht worden, tot een getuigenis voor hen en voor de volken.
καὶ
(kai)
en
ἐπὶ
(epi)
voor
ἡγεμόνας
(hegemonas)
stadhouders
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
en
βασιλεῖς
(basileis)
koningen
ἀχθήσεσθε
(achthesesthe)
zullen worden gebracht
ἕνεκεν
(heneken)
omwille van
ἐμοῦ
(emou)
Mij
εἰς
(eis)
tot
μαρτύριον
(martyrion)
getuigenis
αὐτοῖς
(autois)
voor hen
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
voor de
ἔθνεσιν
(ethnesin)
volken
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἡγεμών (hegemon), ‘stadhouder’: een bestuurder die namens de keizer een gebied regeerde.

Zo heet ook Pilatus in 27:2. μαρτύριον (martyrion), ‘getuigenis’: zie 8:4.

19Maar wanneer zij jullie overleveren, maak je dan geen zorgen over hoe of wat jullie moeten spreken. Want op dat uur zal jullie gegeven worden wat jullie moeten spreken.
ὅταν
(hotan)
wanneer
δὲ
(de)
maar
παραδῶσιν
(paradosin)
zij overleveren
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
μὴ
(me)
niet
μεριμνήσητε
(merimnesete)
maak je zorgen
πῶς
(pos)
hoe
ἢ
(e)
of
τί
(ti)
wat
λαλήσητε
(lalesete)
jullie spreken
δοθήσεται
(dothesetai)
zal gegeven worden
γὰρ
(gar)
want
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἐν
(en)
in
ἐκείνῃ
(ekeine)
dat
τῇ
(te)
het
ὥρᾳ
(hora)
uur
τί
(ti)
wat
λαλήσητε
(lalesete)
jullie spreken
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Mark. 13:11; Luc. 12:11–12.

20Want jullie zijn het niet die spreken, maar de Geest van jullie Vader spreekt in jullie.
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ἐστε
(este)
zijn
οἱ
(hoi)
de
λαλοῦντες
(lalountes)
sprekenden
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὸ
(to)
de
πνεῦμα
(pneuma)
Geest
τοῦ
(tou)
van de
πατρὸς
(patros)
Vader
ὑμῶν
(hymon)
jullie
τὸ
(to)
de
λαλοῦν
(laloun)
sprekende
ἐν
(en)
in
ὑμῖν
(hymin)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Jullie Vader’ is Elohim; ‘de Geest’ is de Geest van Elohim, zoals in 3:16.

21Een broer zal zijn broer overleveren aan de dood, en een vader zijn kind. Kinderen zullen tegen hun ouders opstaan en hen ter dood brengen.
παραδώσει
(paradosei)
zal overleveren
δὲ
(de)
maar
ἀδελφὸς
(adelphos)
broer
ἀδελφὸν
(adelphon)
broer
εἰς
(eis)
tot
θάνατον
(thanaton)
dood
καὶ
(kai)
en
πατὴρ
(pater)
vader
τέκνον
(teknon)
kind
καὶ
(kai)
en
ἐπαναστήσονται
(epanastesontai)
zullen opstaan
τέκνα
(tekna)
kinderen
ἐπὶ
(epi)
tegen
γονεῖς
(goneis)
ouders
καὶ
(kai)
en
θανατώσουσιν
(thanatosousin)
zullen ter dood brengen
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Micha 7:6, dat in vers 35–36 wordt aangehaald.

Zie ook Mark. 13:12; Luc. 21:16.

22Jullie zullen door allen gehaat worden vanwege Mijn naam. Maar wie standhoudt tot het einde, die zal gered worden.
καὶ
(kai)
en
ἔσεσθε
(esesthe)
zult zijn
μισούμενοι
(misoumenoi)
gehaat
ὑπὸ
(hypo)
door
πάντων
(panton)
allen
διὰ
(dia)
vanwege
τὸ
(to)
de
ὄνομά
(onoma)
naam
μου
(mou)
Mijn
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ὑπομείνας
(hypomeinas)
standgehouden hebbende
εἰς
(eis)
tot
τέλος
(telos)
einde
οὗτος
(houtos)
die
σωθήσεται
(sothesetai)
zal gered worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Mark. 13:13; Luc. 21:17.

23Wanneer zij jullie vervolgen in deze stad, vlucht naar de volgende. Voorwaar, Ik zeg jullie: jullie zullen beslist niet klaar zijn met de steden van Israël voordat de Mensenzoon komt.
ὅταν
(hotan)
wanneer
δὲ
(de)
maar
διώκωσιν
(diokosin)
zij vervolgen
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
πόλει
(polei)
stad
ταύτῃ
(taute)
deze
φεύγετε
(pheugete)
vlucht
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
ἑτέραν
(heteran)
andere
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
γὰρ
(gar)
want
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
τελέσητε
(telesete)
zult afmaken
τὰς
(tas)
de
πόλεις
(poleis)
steden
τοῦ
(tou)
van het
Ἰσραὴλ
(Israel)
Israël
ἕως
(heos)
totdat
ἂν
(an)
ook
ἔλθῃ
(elthe)
komt
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
Bron: SBLGNT
Uitleg

τελέω (teleo), ‘voltooien, ten einde brengen’: wij vertalen letterlijk ‘klaar zijn met’.

Wat Yeshua met de komst van de Mensenzoon bedoelt, laat de tekst open.

Over de Mensenzoon: zie 8:20 en Dan. 7:13.

Zie ookDan 7:13

Wees niet bang

24Een leerling staat niet boven de leraar, en een knecht niet boven zijn heer.
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
μαθητὴς
(mathetes)
leerling
ὑπὲρ
(hyper)
boven
τὸν
(ton)
de
διδάσκαλον
(didaskalon)
leraar
οὐδὲ
(oude)
noch
δοῦλος
(doulos)
knecht
ὑπὲρ
(hyper)
boven
τὸν
(ton)
de
κύριον
(kyrion)
heer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Luc. 6:40; Joh. 13:16; Joh. 15:20.

25Het is genoeg voor de leerling dat hij wordt als zijn leraar, en voor de knecht dat hij wordt als zijn heer. Als zij de heer van het huis Beëlzebul hebben genoemd, hoeveel te meer zijn huisgenoten!
ἀρκετὸν
(arketon)
genoeg
τῷ
(to)
voor de
μαθητῇ
(mathete)
leerling
ἵνα
(hina)
dat
γένηται
(genetai)
wordt
ὡς
(hos)
als
ὁ
(ho)
de
διδάσκαλος
(didaskalos)
leraar
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
δοῦλος
(doulos)
knecht
ὡς
(hos)
als
ὁ
(ho)
de
κύριος
(kyrios)
heer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
εἰ
(ei)
als
τὸν
(ton)
de
οἰκοδεσπότην
(oikodespoten)
heer van het huis
Βεελζεβοὺλ
(Beelzeboul)
Beëlzebul
ἐπεκάλεσαν
(epekalesan)
hebben genoemd
πόσῳ
(poso)
hoeveel
μᾶλλον
(mallon)
meer
τοὺς
(tous)
de
οἰκιακοὺς
(oikiakous)
huisgenoten
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Βεελζεβούλ (Beelzeboul), ‘Beëlzebul’: de naam lijkt op Baäl-Zebub, de god van Ekron (2 Kon. 1:2–3).

De betekenis is niet zeker. οἰκοδεσπότης (oikodespotes) is de heer van het huis; Yeshua bedoelt Zichzelf. οἰκιακοί (oikiakoi), ‘huisgenoten’.

Vergelijk 9:34.

26Wees dus niet bang voor hen. Want er is niets bedekt wat niet onthuld zal worden, en niets verborgen wat niet bekend zal worden.
Μὴ
(Me)
niet
οὖν
(oun)
dus
φοβηθῆτε
(phobethete)
wees bang
αὐτούς
(autous)
voor hen
οὐδὲν
(ouden)
niets
γάρ
(gar)
want
ἐστιν
(estin)
is
κεκαλυμμένον
(kekalymmenon)
bedekt
ὃ
(ho)
wat
οὐκ
(ouk)
niet
ἀποκαλυφθήσεται
(apokalyphthesetai)
onthuld zal worden
καὶ
(kai)
en
κρυπτὸν
(krypton)
verborgen
ὃ
(ho)
wat
οὐ
(ou)
niet
γνωσθήσεται
(gnosthesetai)
bekend zal worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀποκαλύπτω (apokalypto), ‘onthullen’: het bedekte wegnemen.

Zie ook Mark. 4:22; Luc. 12:2–9.

27Wat Ik jullie zeg in het donker, zeg dat in het licht. En wat jullie in het oor horen, verkondig dat vanaf de daken.
ὃ
(ho)
wat
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
σκοτίᾳ
(skotia)
donker
εἴπατε
(eipate)
zeg
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
φωτί
(photi)
licht
καὶ
(kai)
en
ὃ
(ho)
wat
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
het
οὖς
(ous)
oor
ἀκούετε
(akouete)
jullie horen
κηρύξατε
(keryxate)
verkondig
ἐπὶ
(epi)
op
τῶν
(ton)
de
δωμάτων
(domaton)
daken
Bron: SBLGNT
28Wees niet bang voor hen die het lichaam doden maar de ziel niet kunnen doden. Wees liever bang voor Hem die zowel ziel als lichaam kan laten omkomen in de Gehenna.
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
φοβεῖσθε
(phobeisthe)
wees bang
ἀπὸ
(apo)
voor
τῶν
(ton)
de
ἀποκτεννόντων
(apoktennonton)
doden
τὸ
(to)
het
σῶμα
(soma)
lichaam
τὴν
(ten)
de
δὲ
(de)
maar
ψυχὴν
(psychen)
ziel
μὴ
(me)
niet
δυναμένων
(dynamenon)
kunnen
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
doden
φοβεῖσθε
(phobeisthe)
wees bang
δὲ
(de)
maar
μᾶλλον
(mallon)
liever
τὸν
(ton)
de
δυνάμενον
(dynamenon)
kunnende
καὶ
(kai)
zowel
ψυχὴν
(psychen)
ziel
καὶ
(kai)
als
σῶμα
(soma)
lichaam
ἀπολέσαι
(apolesai)
laten omkomen
ἐν
(en)
in
γεέννῃ
(geenne)
Gehenna
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψυχή (psyche) kan ‘ziel’ en ‘leven’ betekenen.

Hier staat het tegenover het lichaam, dus ‘ziel’; in vers 39 vertalen wij ‘leven’. γέεννα (geenna), ‘Gehenna’: van het Hebreeuwse גֵּי הִנֹּם (ge-hinnom), het dal van Hinnom ten zuiden van Jeruzalem (Joz. 15:8; Jer. 7:31).

29Worden niet twee mussen voor een assarion verkocht? En niet één van hen valt op de grond zonder jullie Vader.
οὐχὶ
(ouchi)
niet
δύο
(dyo)
twee
στρουθία
(strouthia)
mussen
ἀσσαρίου
(assariou)
voor een assarion
πωλεῖται
(poleitai)
worden verkocht
καὶ
(kai)
en
ἓν
(hen)
één
ἐξ
(ex)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
οὐ
(ou)
niet
πεσεῖται
(peseitai)
zal vallen
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
grond
ἄνευ
(aneu)
zonder
τοῦ
(tou)
de
πατρὸς
(patros)
Vader
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀσσάριον (assarion): een kleine koperen munt, ongeveer een zestiende deel van een denarie.

Een denarie was ongeveer het loon voor een dag werk. στρουθίον (strouthion), ‘mus’: een klein vogeltje.

30Van jullie zijn zelfs alle haren van het hoofd geteld.
ὑμῶν
(hymon)
van jullie
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
αἱ
(hai)
de
τρίχες
(triches)
haren
τῆς
(tes)
van het
κεφαλῆς
(kephales)
hoofd
πᾶσαι
(pasai)
alle
ἠριθμημέναι
(erithmemenai)
geteld
εἰσίν
(eisin)
zijn
Bron: SBLGNT
31Wees dus niet bang: jullie zijn meer waard dan veel mussen.
μὴ
(me)
niet
οὖν
(oun)
dus
φοβεῖσθε
(phobeisthe)
wees bang
πολλῶν
(pollon)
veel
στρουθίων
(strouthion)
mussen
διαφέρετε
(diapherete)
zijn meer waard
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
Bron: SBLGNT

Belijden en verloochenen

32Ieder dus die Mij belijdt voor de mensen, ook Ik zal hem belijden voor Mijn Vader in de hemelen.
Πᾶς
(Pas)
ieder
οὖν
(oun)
dus
ὅστις
(hostis)
wie
ὁμολογήσει
(homologesei)
zal belijden
ἐν
(en)
in
ἐμοὶ
(emoi)
Mij
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
τῶν
(ton)
de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
ὁμολογήσω
(homologeso)
zal belijden
κἀγὼ
(kago)
ook Ik
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
hem
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
τοῦ
(tou)
de
πατρός
(patros)
Vader
μου
(mou)
Mijn
τοῦ
(tou)
die
ἐν
(en)
in
οὐρανοῖς
(ouranois)
hemelen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Letterlijk ‘belijdt in Mij’; dat is een Semitische manier van zeggen.

‘Mijn Vader’ is Elohim.

Zie ook Luc. 12:8–9.

33Maar wie Mij verloochent voor de mensen, ook die zal Ik verloochenen voor Mijn Vader in de hemelen.
ὅστις
(hostis)
wie
δ’
(d’)
maar
ἂν
(an)
ook
ἀρνήσηταί
(arnesetai)
zal verloochenen
με
(me)
Mij
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
τῶν
(ton)
de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
ἀρνήσομαι
(arnesomai)
zal verloochenen
κἀγὼ
(kago)
ook Ik
αὐτὸν
(auton)
hem
ἔμπροσθεν
(emprosthen)
voor
τοῦ
(tou)
de
πατρός
(patros)
Vader
μου
(mou)
Mijn
τοῦ
(tou)
die
ἐν
(en)
in
οὐρανοῖς
(ouranois)
hemelen
Bron: SBLGNT

Het zwaard en het kruis

34Denk niet dat Ik gekomen ben om vrede op de aarde te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.
Μὴ
(Me)
niet
νομίσητε
(nomisete)
denk
ὅτι
(hoti)
dat
ἦλθον
(elthon)
Ik kwam
βαλεῖν
(balein)
te brengen
εἰρήνην
(eirenen)
vrede
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
aarde
οὐκ
(ouk)
niet
ἦλθον
(elthon)
Ik kwam
βαλεῖν
(balein)
te brengen
εἰρήνην
(eirenen)
vrede
ἀλλὰ
(alla)
maar
μάχαιραν
(machairan)
zwaard
Bron: SBLGNT
Uitleg

μάχαιρα (machaira), ‘zwaard’: een kort zwaard.

Zie ook Luc. 12:51–53.

35Want Ik ben gekomen om een mens tegen zijn vader te verdelen, en een dochter tegen haar moeder, en een schoondochter tegen haar schoonmoeder.
ἦλθον
(elthon)
Ik kwam
γὰρ
(gar)
want
διχάσαι
(dichasai)
te verdelen
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
κατὰ
(kata)
tegen
τοῦ
(tou)
de
πατρὸς
(patros)
vader
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
θυγατέρα
(thygatera)
dochter
κατὰ
(kata)
tegen
τῆς
(tes)
de
μητρὸς
(metros)
moeder
αὐτῆς
(autes)
haar
καὶ
(kai)
en
νύμφην
(nymphen)
schoondochter
κατὰ
(kata)
tegen
τῆς
(tes)
de
πενθερᾶς
(pentheras)
schoonmoeder
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Micha 7:6.

Het Hebreeuws heeft ‘de zoon veracht zijn vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder’; de Griekse tekst heeft ‘een mens tegen zijn vader’ en ‘verdelen’ (διχάζω, dichazo).

Vers 36 geeft het slot van Micha 7:6.

36En de vijanden van de mens zijn zijn huisgenoten.
καὶ
(kai)
en
ἐχθροὶ
(echthroi)
vijanden
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
οἱ
(hoi)
de
οἰκιακοὶ
(oikiakoi)
huisgenoten
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
37Wie vader of moeder meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waard. En wie zoon of dochter meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waard.
ὁ
(ho)
de
φιλῶν
(philon)
liefhebbende
πατέρα
(patera)
vader
ἢ
(e)
of
μητέρα
(metera)
moeder
ὑπὲρ
(hyper)
boven
ἐμὲ
(eme)
Mij
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
μου
(mou)
Mij
ἄξιος
(axios)
waard
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
φιλῶν
(philon)
liefhebbende
υἱὸν
(huion)
zoon
ἢ
(e)
of
θυγατέρα
(thygatera)
dochter
ὑπὲρ
(hyper)
boven
ἐμὲ
(eme)
Mij
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
μου
(mou)
Mij
ἄξιος
(axios)
waard
Bron: SBLGNT
Uitleg

φιλέω (phileo), ‘liefhebben’.

Zie ook Luc. 14:26–27.

38En wie zijn kruis niet neemt en achter Mij aan volgt, is Mij niet waard.
καὶ
(kai)
en
ὃς
(hos)
wie
οὐ
(ou)
niet
λαμβάνει
(lambanei)
neemt
τὸν
(ton)
het
σταυρὸν
(stauron)
kruis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἀκολουθεῖ
(akolouthei)
volgt
ὀπίσω
(opiso)
achter
μου
(mou)
Mij
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
μου
(mou)
Mij
ἄξιος
(axios)
waard
Bron: SBLGNT
Uitleg

σταυρός (stauros), ‘kruis’: de paal of balk waaraan de Romeinen mensen terechtstelden.

Zie ook Matt. 16:24; Mark. 8:34.

39Wie zijn leven vindt, zal het verliezen. En wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden.
ὁ
(ho)
de
εὑρὼν
(heuron)
vindende
τὴν
(ten)
het
ψυχὴν
(psychen)
leven
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἀπολέσει
(apolesei)
zal verliezen
αὐτήν
(auten)
het
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
ἀπολέσας
(apolesas)
verliezende
τὴν
(ten)
het
ψυχὴν
(psychen)
leven
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἕνεκεν
(heneken)
omwille van
ἐμοῦ
(emou)
Mij
εὑρήσει
(heuresei)
zal vinden
αὐτήν
(auten)
het
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψυχή (psyche), ‘leven’: zie vers 28.

Zie ook Matt. 16:25; Mark. 8:35; Luc. 17:33; Joh. 12:25.

Ontvangen en loon

40Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft.
Ὁ
(Ho)
de
δεχόμενος
(dechomenos)
ontvangende
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
ἐμὲ
(eme)
Mij
δέχεται
(dechetai)
ontvangt
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
ἐμὲ
(eme)
Mij
δεχόμενος
(dechomenos)
ontvangende
δέχεται
(dechetai)
ontvangt
τὸν
(ton)
de
ἀποστείλαντά
(aposteilanta)
gezonden hebbende
με
(me)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

δέχομαι (dechomai), ‘ontvangen’: als gast welkom heten.

‘Hem die Mij gezonden heeft’ is de Vader.

Zie ook Luc. 10:16.

Zie ookLuc 10:16
41Wie een profeet ontvangt omdat hij een profeet is, zal het loon van een profeet krijgen. En wie een rechtvaardige ontvangt omdat hij een rechtvaardige is, zal het loon van een rechtvaardige krijgen.
ὁ
(ho)
de
δεχόμενος
(dechomenos)
ontvangende
προφήτην
(propheten)
profeet
εἰς
(eis)
in
ὄνομα
(onoma)
naam
προφήτου
(prophetou)
van een profeet
μισθὸν
(misthon)
loon
προφήτου
(prophetou)
van een profeet
λήμψεται
(lempsetai)
zal krijgen
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
δεχόμενος
(dechomenos)
ontvangende
δίκαιον
(dikaion)
rechtvaardige
εἰς
(eis)
in
ὄνομα
(onoma)
naam
δικαίου
(dikaiou)
van een rechtvaardige
μισθὸν
(misthon)
loon
δικαίου
(dikaiou)
van een rechtvaardige
λήμψεται
(lempsetai)
zal krijgen
Bron: SBLGNT
Uitleg

εἰς ὄνομα (eis onoma), letterlijk ‘in de naam van’: wij schrijven ‘omdat hij een profeet is’. μισθός (misthos), ‘loon’.

42En wie een van deze kleinen alleen een beker koud water te drinken geeft omdat hij een leerling is: voorwaar, Ik zeg jullie, hij zal zijn loon beslist niet verliezen.”
καὶ
(kai)
en
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
ook
ποτίσῃ
(potise)
te drinken geeft
ἕνα
(hena)
één
τῶν
(ton)
van de
μικρῶν
(mikron)
kleinen
τούτων
(touton)
deze
ποτήριον
(poterion)
beker
ψυχροῦ
(psychrou)
van koud
μόνον
(monon)
alleen
εἰς
(eis)
in
ὄνομα
(onoma)
naam
μαθητοῦ
(mathetou)
van een leerling
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
beslist
ἀπολέσῃ
(apolese)
zal verliezen
τὸν
(ton)
het
μισθὸν
(misthon)
loon
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft alleen ψυχροῦ (psychrou), ‘koud’; ‘water’ voegt het Nederlands toe.

‘Deze kleinen’ zijn de leerlingen.

Zie ook Mark. 9:41.

Zie ookMar 9:41