Elohim Bijbel

Jesaja 1

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Yahweh klaagt Zijn volk aan en roept tot recht en reiniging

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Het visioen van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem in de dagen van Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia, koningen van Juda.
חֲזוֹן֙
(chazon)
het visioen van
יְשַֽׁעְיָ֣הוּ
(yeshayahu)
Jesaja
בֶן
(ben)
zoon van
אָמ֔וֹץ
(amots)
Amoz
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
חָזָ֔ה
(chaza)
hij zag
עַל
(al)
over
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וִירוּשָׁלִָ֑ם
(virushaliam)
en Jeruzalem
בִּימֵ֨י
(bimei)
in de dagen van
עֻזִּיָּ֧הוּ
(uziyahu)
Uzzia
יוֹתָ֛ם
(yotam)
Jotam
אָחָ֥ז
(achaz)
Achaz
יְחִזְקִיָּ֖הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חָזוֹן (chazon), ‘visioen’: iets wat de profeet ‘ziet’.

Het werkwoord ‘zien’ (חָזָה, chazah) staat in hetzelfde vers.

יְשַׁעְיָהוּ (Yesha’yahu), ‘Jesaja’: de naam betekent ‘Yahweh redt’.

Dezelfde vier koningen staan in Hos. 1:1. Voor Uzzia zie 2 Kon. 15:1 en 2 Kron. 26:1, voor Jotam 2 Kon. 15:32, voor Achaz 2 Kon. 16:1 en voor Hizkia 2 Kon. 18:1. Jesaja is dus profeet in dezelfde eeuw als Hosea.

Kinderen die in opstand kwamen

2Hoor, hemel, en luister, aarde, want Yahweh heeft gesproken: „Kinderen heb Ik grootgebracht en verheven, maar zij zijn tegen Mij in opstand gekomen.
שִׁמְע֤וּ
(shimu)
hoort
שָׁמַ֨יִם֙
(shamayim)
hemel
וְהַאֲזִ֣ינִי
(vehaazini)
en luister
אֶ֔רֶץ
(erets)
aarde
כִּ֥י
(ki)
want
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבֵּ֑ר
(diber)
heeft gesproken
בָּנִים֙
(banim)
kinderen
גִּדַּ֣לְתִּי
(gidalti)
Ik heb grootgebracht
וְרוֹמַ֔מְתִּי
(veromamti)
en verheven
וְהֵ֖ם
(vehem)
en zij
פָּ֥שְׁעוּ
(pasheu)
zijn in opstand gekomen
בִֽי
(bi)
tegen Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hemel en aarde worden opgeroepen als getuigen in een rechtszaak, zoals in Deut. 4:26, 30:19 en 32:1.

Yahweh bepleit Zijn zaak tegen Zijn eigen volk.

גִּדַּלְתִּי וְרוֹמַמְתִּי (giddalti verommamti), ‘Ik heb grootgebracht en verheven’: Yahweh heeft Zijn kinderen groot gemaakt en hoog geplaatst.

פָּשְׁעוּ בִי (pash’u vi), ‘zij zijn tegen Mij in opstand gekomen’: het werkwoord פָּשַׁע (pasha) betekent ‘in opstand komen’. Het zelfstandig naamwoord פֶּשַׁע (pesha), ‘overtreding’, is er een afleiding van.

Hier begint Yahweh te spreken; Zijn woorden staan rood. Het begin van het vers (‘Hoor, hemel’) is de oproep van de profeet.

3De os kent zijn bezitter en de ezel de krib van zijn eigenaar. Israël weet het niet. Mijn volk heeft geen inzicht.”
יָדַ֥ע
(yada)
kent
שׁוֹר֙
(shor)
os
קֹנֵ֔הוּ
(qonehu)
zijn bezitter
וַחֲמ֖וֹר
(vachamor)
en ezel
אֵב֣וּס
(evus)
krib van
בְּעָלָ֑יו
(bealav)
zijn eigenaar
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדַ֔ע
(yada)
weet
עַמִּ֖י
(ami)
mijn volk
לֹ֥א
(lo)
niet
הִתְבּוֹנָֽן
(hitbonan)
heeft inzicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵבוּס (evus), ‘krib’: de voerbak van het vee, zoals in Spr. 14:4 en Job 39:9.

Zelfs het dier weet bij wie het hoort.

Israël weet het niet.

עַמִּי (ammi), ‘Mijn volk’: Yahweh noemt Israël nog steeds zo.

Een volk vol wonden

4Wee, zondig volk, volk zwaar van schuld, nageslacht van kwaaddoeners, kinderen die verderf brengen! Zij hebben Yahweh verlaten. Zij hebben de Heilige van Israël veracht. Zij hebben zich afgekeerd en zijn teruggeweken.
ה֣וֹי
(hoy)
wee
גּ֣וֹי
(goy)
volk
חֹטֵ֗א
(chote)
zondig
עַ֚ם
(am)
volk
כֶּ֣בֶד
(keved)
zwaar van
עָוֺ֔ן
(avon)
schuld
זֶ֣רַע
(zera)
nageslacht van
מְרֵעִ֔ים
(mereim)
kwaaddoeners
בָּנִ֖ים
(banim)
kinderen
מַשְׁחִיתִ֑ים
(mashchitim)
die verderf brengen
עָזְב֣וּ
(azevu)
zij hebben verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
נִֽאֲצ֛וּ
(niatsu)
zij hebben veracht
אֶת
(et)
(obj.)
קְד֥וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
נָזֹ֥רוּ
(nazoru)
zij hebben zich afgekeerd
אָחֽוֹר
(achor)
achterwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹי (hoy), ‘wee’: een uitroep van schrik of aanklacht.

Het is de eerste van vele kreten van ‘wee’ in dit boek.

קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een titel van Yahweh die Jesaja vaak gebruikt.

נָזֹרוּ אָחוֹר (nazoru achor), ‘zij zijn teruggeweken’: letterlijk ‘zij zijn achterwaarts vreemd geworden’. Ze hebben Yahweh de rug toegekeerd.

5Waarom zouden jullie nog geslagen worden? Jullie gaan door met afvalligheid. Heel het hoofd is ziek en heel het hart is zwak.
עַ֣ל
(al)
op
מֶ֥ה
(me)
wat
תֻכּ֛וּ
(tuku)
zouden jullie geslagen worden
ע֖וֹד
(od)
nog
תּוֹסִ֣יפוּ
(tosifu)
jullie gaan door
סָרָ֑ה
(sara)
met afvalligheid
כָּל
(kal)
heel
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd
לָחֳלִ֔י
(lacholi)
is ziek
וְכָל
(vekhal)
en heel
לֵבָ֖ב
(levav)
hart
דַּוָּֽי
(davay)
is zwak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָרָה (sarah), ‘afvalligheid’: opstand, een afwijken van Yahweh.

Het woord is verwant met סוּר (sur), ‘afwijken’.

Het beeld van een geslagen lichaam loopt door tot en met vers 6. Het lichaam is het volk.

6Van de voetzool tot het hoofd is er niets heel aan hem: wond, striem en verse slagwond. Ze zijn niet uitgedrukt, niet verbonden en niet verzacht met olie.
מִכַּף
(mikaf)
van de zool van
רֶ֤גֶל
(regel)
de voet
וְעַד
(vead)
en tot
רֹאשׁ֙
(rosh)
het hoofd
אֵֽין
(ein)
niet
בּ֣וֹ
(bo)
in hem
מְתֹ֔ם
(metom)
heel
פֶּ֥צַע
(petsa)
wond
וְחַבּוּרָ֖ה
(vechabura)
en striem
וּמַכָּ֣ה
(umaka)
en slagwond
טְרִיָּ֑ה
(teriya)
vers
לֹא
(lo)
niet
זֹ֨רוּ֙
(zoru)
zijn uitgedrukt
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
חֻבָּ֔שׁוּ
(chubashu)
zijn verbonden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
רֻכְּכָ֖ה
(rukekha)
zijn verzacht
בַּשָּֽׁמֶן
(bashamen)
met olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֹרוּ (zoru), ‘uitgedrukt’: de etter wordt uit de wond gedrukt.

חֻבָּשׁוּ (chubbashu) betekent ‘verbonden’ en רֻכְּכָה (rukkekhah) ‘verzacht’.

פֶּצַע (petsa), ‘wond’, חַבּוּרָה (chabburah), ‘striem’, en מַכָּה טְרִיָּה (makkah teriyyah), ‘verse slagwond’: drie woorden voor verwondingen.

7Jullie land is een woestenij. Jullie steden zijn met vuur verbrand. Jullie grond: vreemden eten haar op, voor jullie ogen. Het is een woestenij, zoals bij de omkering door vreemden.
אַרְצְכֶ֣ם
(artsekhem)
jullie land
שְׁמָמָ֔ה
(shemama)
woestenij
עָרֵיכֶ֖ם
(areikhem)
jullie steden
שְׂרֻפ֣וֹת
(serufot)
verbrand met
אֵ֑שׁ
(esh)
vuur
אַדְמַתְכֶ֗ם
(admatkhem)
jullie grond
לְנֶגְדְּכֶם֙
(lenegdekhem)
voor jullie ogen
זָרִים֙
(zarim)
vreemden
אֹכְלִ֣ים
(okhelim)
eten
אֹתָ֔הּ
(otah)
haar op
וּשְׁמָמָ֖ה
(ushemama)
en woestenij
כְּמַהְפֵּכַ֥ת
(kemahpekhat)
zoals de omkering door
זָרִֽים
(zarim)
vreemden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַהְפֵּכָה (mahpekhah), ‘omkering’: hetzelfde woord als in Deut. 29:22, ‘de omkering van Sodom en Gomorra’.

Het land is verwoest als na een ramp.

Sommige oude vertalingen lezen aan het slot van het vers anders.

אֲדָמָה (adamah), ‘grond’: het land als akkergrond.

8Dochter Sion blijft over als een hut in een wijngaard, als een nachthut in een komkommerveld, als een belegerde stad.
וְנוֹתְרָ֥ה
(venotera)
en blijft over
בַת
(bat)
dochter van
צִיּ֖וֹן
(tsiyon)
Sion
כְּסֻכָּ֣ה
(kesuka)
als een hut
בְכָ֑רֶם
(bekharem)
in een wijngaard
כִּמְלוּנָ֥ה
(kimluna)
als een nachthut
בְמִקְשָׁ֖ה
(bemiqsha)
in een komkommerveld
כְּעִ֥יר
(keir)
als een stad
נְצוּרָֽה
(netsura)
belegerde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בַּת־צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: Jeruzalem en haar inwoners als een jonge vrouw voorgesteld; zie ook 2 Kon. 19:21.

Wij houden ‘Dochter Sion’ als vaste naam.

סֻכָּה (sukkah), ‘hut’, מְלוּנָה (melunah), ‘nachthut’, en מִקְשָׁה (miqshah), ‘komkommerveld’: een tijdelijk hutje van een veldwachter. Na de oogst blijft het alleen en leeg achter.

נְצוּרָה (netsurah), ‘belegerde’: het woord kan ook ‘bewaakte’ betekenen.

9Als Yahweh van de legermachten ons niet een klein aantal overlevenden had laten overblijven, dan waren wij als Sodom geworden en gelijk aan Gomorra.
לוּלֵי֙
(lulei)
als niet
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
הוֹתִ֥יר
(hotir)
had laten overblijven
לָ֛נוּ
(lanu)
voor ons
שָׂרִ֖יד
(sarid)
een overlevende
כִּמְעָ֑ט
(kimat)
een klein aantal
כִּסְדֹ֣ם
(kisdom)
als Sodom
הָיִ֔ינוּ
(hayinu)
waren wij geworden
לַעֲמֹרָ֖ה
(laamora)
aan Gomorra
דָּמִֽינוּ
(daminu)
waren wij gelijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.

Uitleg

יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): צְבָאוֹת (tsevaot) betekent ‘legers’ of ‘heerscharen’.

Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’.

Zie ook Ps. 24:10.

שָׂרִיד (sarid), ‘overlevende’: iemand die aan een ramp ontkomt. Het is een ander woord dan שְׁאָר (she’ar), ‘wat overblijft’.

Sodom en Gomorra: de steden die Yahweh verwoestte (Gen. 19:24–25).

Hoor het woord van Yahweh

10Hoor het woord van Yahweh, aanvoerders van Sodom. Luister naar de wet van onze Elohim, volk van Gomorra.
שִׁמְע֥וּ
(shimu)
hoort
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
קְצִינֵ֣י
(qetsinei)
aanvoerders van
סְדֹ֑ם
(sedom)
Sodom
הַאֲזִ֛ינוּ
(haazinu)
luistert
תּוֹרַ֥ת
(torat)
wet van
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
עַ֥ם
(am)
volk van
עֲמֹרָֽה
(amora)
Gomorra
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְצִינֵי (qetsinei), ‘aanvoerders’: zoals in Richt. 11:6.

Jesaja noemt de leiders van Jeruzalem ‘aanvoerders van Sodom’ en het volk ‘volk van Gomorra’.

Dat is een scherpe vergelijking.

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’. Het is hier de leer van Yahweh, door de profeet gebracht.

Wat Yahweh haat: lege offers

11„Wat heb Ik aan jullie vele slachtoffers, zegt Yahweh? Ik ben verzadigd van brandoffers van rammen en van het vet van gemeste dieren. In het bloed van stieren, lammeren en bokken heb Ik geen behagen.
לָמָּה
(lama)
waartoe
לִּ֤י
(li)
voor Mij
רֹב
(rov)
menigte van
זִבְחֵיכֶם֙
(zivcheikhem)
jullie slachtoffers
יֹאמַ֣ר
(yomar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שָׂבַ֛עְתִּי
(savati)
Ik ben verzadigd
עֹל֥וֹת
(olot)
brandoffers van
אֵילִ֖ים
(eilim)
rammen
וְחֵ֣לֶב
(vechelev)
en vet van
מְרִיאִ֑ים
(meriim)
gemeste dieren
וְדַ֨ם
(vedam)
en bloed van
פָּרִ֧ים
(parim)
stieren
וּכְבָשִׂ֛ים
(ukhevasim)
en lammeren
וְעַתּוּדִ֖ים
(veatudim)
en bokken
לֹ֥א
(lo)
niet
חָפָֽצְתִּי
(chafatsti)
heb Ik behagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יֹאמַר יְהוָה (yomar Yahweh), ‘zegt Yahweh’: Yahweh spreekt hier zelf.

Hij verwerpt de offers niet omdat ze verboden zijn, maar omdat de mensen die ze brengen onrecht doen (vers 15–17).

זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’: een dier dat geslacht en gegeten wordt. עֹלָה (olah) is het ‘brandoffer’.

מְרִיאִים (meri’im), ‘gemeste dieren’: zoals in Amos 5:22.

חָפָצְתִּי (chafatsti), ‘Ik heb behagen’: zoals in Amos 5:22. Vergelijk Hos. 6:6.

12Wanneer jullie komen om voor Mijn aangezicht te verschijnen: wie heeft dit van jullie gevraagd, het vertrappen van Mijn voorhoven?
כִּ֣י
(ki)
want
תָבֹ֔אוּ
(tavou)
jullie komen
לֵרָא֖וֹת
(leraot)
om te verschijnen
פָּנָ֑י
(panay)
voor Mijn aangezicht
מִי
(mi)
wie
בִקֵּ֥שׁ
(biqesh)
heeft gevraagd
זֹ֛את
(zot)
dit
מִיֶּדְכֶ֖ם
(miyedkhem)
van jullie hand
רְמֹ֥ס
(remos)
het vertrappen van
חֲצֵרָֽי
(chatseray)
Mijn voorhoven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֵרָאוֹת פָּנָי (lera’ot panai), ‘om voor Mijn aangezicht te verschijnen’: letterlijk ‘om gezien te worden’.

Zo noemt men het bezoek aan de tempel op de feesten.

חֲצֵרָי (chatserai), ‘Mijn voorhoven’: de ruimte rond het heiligdom.

13Breng niet langer een nutteloos graanoffer. Wierook is een gruwel voor Mij. Nieuwe maan en sabbat, het uitroepen van een samenkomst: onrecht en slotsamenkomst kan Ik niet verdragen.
לֹ֣א
(lo)
niet
תוֹסִ֗יפוּ
(tosifu)
jullie zullen voortgaan
הָבִיא֙
(havi)
te brengen
מִנְחַת
(minchat)
graanoffer van
שָׁ֔וְא
(shave)
leegte
קְטֹ֧רֶת
(qetoret)
wierook van
תּוֹעֵבָ֛ה
(toeva)
gruwel
הִ֖יא
(hi)
het is
לִ֑י
(li)
voor Mij
חֹ֤דֶשׁ
(chodesh)
nieuwe maan
וְשַׁבָּת֙
(veshabat)
en sabbat
קְרֹ֣א
(qero)
het uitroepen van
מִקְרָ֔א
(miqra)
samenkomst
לֹא
(lo)
niet
אוּכַ֥ל
(ukhal)
kan Ik verdragen
אָ֖וֶן
(aven)
onrecht
וַעֲצָרָֽה
(vaatsara)
en slotsamenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִנְחַת שָׁוְא (minchat shav), ‘nutteloos graanoffer’: letterlijk ‘graanoffer van leegte’.

קְטֹרֶת (qetoret), ‘wierook’: zoals in Exod. 30:1–10. Het offer zelf is geboden, maar nu is het een gruwel.

חֹדֶשׁ (chodesh), ‘nieuwe maan’: de eerste dag van de maand; zie Num. 28:11. שַׁבָּת (shabbat), ‘sabbat’.

אָוֶן (aven), ‘onrecht’: ook ‘onheil’, zoals in Bet-Awen (Hos. 4:15).

עֲצָרָה (atsarah), ‘slotsamenkomst’: zoals Lev. 23:36 en Amos 5:21.

Het Hebreeuws is kort: ‘onrecht en slotsamenkomst’. Bedoeld is: Yahweh kan onrecht niet verdragen, zeker niet als het samengaat met een plechtige samenkomst.

14Jullie nieuwe manen en jullie feesttijden haat Mijn ziel. Ze zijn Mij tot last geworden. Ik ben het moe ze te dragen.
חָדְשֵׁיכֶ֤ם
(chadesheikhem)
jullie nieuwe manen
וּמוֹעֲדֵיכֶם֙
(umoadeikhem)
en jullie feesttijden
שָׂנְאָ֣ה
(sanea)
haat
נַפְשִׁ֔י
(nafshi)
Mijn ziel
הָי֥וּ
(hayu)
zij zijn geworden
עָלַ֖י
(alay)
voor Mij
לָטֹ֑רַח
(latorach)
tot last
נִלְאֵ֖יתִי
(nileiti)
Ik ben het moe
נְשֹֽׂא
(neso)
te dragen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַפְשִׁי (nafshi), ‘Mijn ziel’: Yahweh spreekt over Zichzelf.

Het woord נֶפֶשׁ (nefesh) staat voor het innerlijk, het zelf.

מוֹעֲדֵיכֶם (mo’adeikhem), ‘jullie feesttijden’: de vaste tijden van de feesten, zoals in Lev. 23.

נָשֹׂא (naso), ‘dragen’: het gewicht van hun offers is Hem te zwaar geworden.

15Wanneer jullie jullie handen uitspreiden, verberg Ik Mijn ogen voor jullie. Ook als jullie veel bidden, luister Ik niet. Jullie handen zijn vol bloed.
וּבְפָרִשְׂכֶ֣ם
(uvefariskhem)
en wanneer jullie uitspreiden
כַּפֵּיכֶ֗ם
(kapeikhem)
jullie handen
אַעְלִ֤ים
(alim)
verberg Ik
עֵינַי֙
(einay)
Mijn ogen
מִכֶּ֔ם
(mikem)
voor jullie
גַּ֛ם
(gam)
ook
כִּֽי
(ki)
als
תַרְבּ֥וּ
(tarbu)
jullie maken veel
תְפִלָּ֖ה
(tefila)
gebed
אֵינֶ֣נִּי
(eineni)
niet ben Ik
שֹׁמֵ֑עַ
(shomea)
luisterend
יְדֵיכֶ֖ם
(yedeikhem)
jullie handen
דָּמִ֥ים
(damim)
bloed
מָלֵֽאוּ
(maleu)
zijn vol
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּפָרִשְׂכֶם כַּפֵּיכֶם (befarisakhem kappeikhem), ‘wanneer jullie jullie handen uitspreiden’: de houding van het gebed.

דָּמִים (damim), ‘bloed’: het meervoud wijst op bloedvergieten, geweld tegen mensen.

Was jullie en doe wat goed is

16Was jullie, reinig jullie. Doe het kwaad van jullie daden weg, van voor Mijn ogen. Houd op kwaad te doen.
רַחֲצוּ֙
(rachatsu)
wast jullie
הִזַּכּ֔וּ
(hizaku)
reinigt jullie
הָסִ֛ירוּ
(hasiru)
doet weg
רֹ֥עַ
(roa)
het kwaad van
מַעַלְלֵיכֶ֖ם
(maalleikhem)
jullie daden
מִנֶּ֣גֶד
(mineged)
van voor
עֵינָ֑י
(einay)
Mijn ogen
חִדְל֖וּ
(chidlu)
houdt op
הָרֵֽעַ
(harea)
kwaad te doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Leer goed te doen. Zoek recht. Help de onderdrukte. Verschaf de wees recht. Verdedig de zaak van de weduwe.
לִמְד֥וּ
(limdu)
leert
הֵיטֵ֛ב
(heitev)
goed te doen
דִּרְשׁ֥וּ
(dirshu)
zoekt
מִשְׁפָּ֖ט
(mishpat)
recht
אַשְּׁר֣וּ
(asheru)
helpt
חָמ֑וֹץ
(chamots)
de onderdrukte
שִׁפְט֣וּ
(shiftu)
verschaft recht aan
יָת֔וֹם
(yatom)
de wees
רִ֖יבוּ
(rivu)
verdedigt de zaak van
אַלְמָנָֽה
(almana)
de weduwe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַשְּׁרוּ חָמוֹץ (ashru chamots), ‘help de onderdrukte’: het woord חָמוֹץ (chamots) is onzeker.

Het kan ‘de onderdrukte’ zijn, of ‘de onderdrukker’ (‘wijs de onderdrukker terecht’).

Wij kiezen ‘de onderdrukte’.

ריבוּ (rivu), ‘verdedig de zaak’: een rechtszaak voeren voor iemand.

Kom, laten wij het uitpraten

18Kom nu, laten wij het samen uitpraten, zegt Yahweh. Al zijn jullie zonden als scharlaken, ze worden wit als sneeuw. Al zijn ze rood als karmozijn, ze worden als wol.
לְכוּ
(lekhu)
komt
נָ֛א
(na)
nu
וְנִוָּֽכְחָ֖ה
(venivakhecha)
en laten wij uitpraten
יֹאמַ֣ר
(yomar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
al
יִֽהְי֨וּ
(yihyu)
zijn
חֲטָאֵיכֶ֤ם
(chataeikhem)
jullie zonden
כַּשָּׁנִים֙
(kashanim)
als scharlaken
כַּשֶּׁ֣לֶג
(kasheleg)
als sneeuw
יַלְבִּ֔ינוּ
(yalbinu)
worden ze wit
אִם
(im)
al
יַאְדִּ֥ימוּ
(yadimu)
zijn ze rood
כַתּוֹלָ֖ע
(katola)
als karmozijn
כַּצֶּ֥מֶר
(katsemer)
als wol
יִהְיֽוּ
(yihyu)
worden ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנִוָּכְחָה (venivvakhechah), ‘laten wij het uitpraten’: het werkwoord hoort bij het rechtsgeding en betekent ‘de zaak bepleiten, elkaar terechtwijzen’.

Yahweh nodigt Zijn volk uit voor een gesprek.

שָׁנִים (shanim), ‘scharlaken’, en תוֹלָע (tola), ‘karmozijn’: diepe rode kleuren. Het rood is hier het beeld van bloedschuld (vers 15).

19Als jullie bereid zijn en luisteren, zullen jullie het goede van het land eten.
אִם
(im)
als
תֹּאב֖וּ
(tovu)
jullie bereid zijn
וּשְׁמַעְתֶּ֑ם
(ushematem)
en jullie luisteren
ט֥וּב
(tuv)
het goede van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
תֹּאכֵֽלוּ
(tokhelu)
zullen jullie eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Maar als jullie weigeren en weerspannig zijn, zullen jullie door het zwaard verslonden worden.” Want de mond van Yahweh heeft gesproken.
וְאִם
(veim)
en als
תְּמָאֲנ֖וּ
(temaanu)
jullie weigeren
וּמְרִיתֶ֑ם
(umeritem)
en jullie weerspannig zijn
חֶ֣רֶב
(cherev)
door het zwaard
תְּאֻכְּל֔וּ
(teukelu)
zullen jullie verslonden worden
כִּ֛י
(ki)
want
פִּ֥י
(pi)
de mond van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבֵּֽר
(diber)
heeft gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פִּי יְהוָה (pi Yahweh), ‘de mond van Yahweh’: een afsluiting die de profeet erbij zegt.

Yahweh heeft het gezegd.

Dit slot staat zwart, omdat het over Yahweh in de derde persoon gaat.

De trouwe stad is een hoer geworden

21Hoe is de trouwe stad een hoer geworden! Zij was vol recht. Gerechtigheid overnachtte in haar. Maar nu: moordenaars.
אֵיכָה֙
(eikha)
hoe
הָיְתָ֣ה
(hayeta)
is geworden
לְזוֹנָ֔ה
(lezona)
tot een hoer
קִרְיָ֖ה
(qirya)
stad
נֶאֱמָנָ֑ה
(neemana)
trouwe
מְלֵאֲתִ֣י
(meleati)
vol van
מִשְׁפָּ֗ט
(mishpat)
recht
צֶ֛דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
יָלִ֥ין
(yalin)
overnachtte
בָּ֖הּ
(bah)
in haar
וְעַתָּ֥ה
(veata)
en nu
מְרַצְּחִֽים
(meratsechim)
moordenaars
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵיכָה (eikhah), ‘hoe’: het begin van een klaagzang.

Hetzelfde woord opent Klaagl. 1:1.

קִרְיָה נֶאֱמָנָה (qiryah ne’emanah), ‘trouwe stad’: de stad waarop men kon vertrouwen. Zie vers 26, waar zij weer zo zal heten.

זוֹנָה (zonah), ‘hoer’: het beeld van ontrouw, zoals in Hos. 1:2.

22Je zilver is tot slakken geworden. Je wijn is verdund met water.
כַּסְפֵּ֖ךְ
(kaspekh)
je zilver
הָיָ֣ה
(haya)
is geworden
לְסִיגִ֑ים
(lesigim)
tot slakken
סָבְאֵ֖ךְ
(saveekh)
je wijn
מָה֥וּל
(mahul)
is verdund
בַּמָּֽיִם
(bamayim)
met water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סִיגִים (sigim), ‘slakken’: het afval dat bij het smelten van zilver naar boven komt.

Zilver dat slakken is geworden, is waardeloos.

סָבְאֵךְ (sovekh), ‘je wijn’: sterke drank. Hij is met water verdund en dus waardeloos.

23Je oversten zijn weerspannig en metgezellen van dieven. Ieder van hen houdt van omkoopgeld en jaagt geschenken na. Zij doen de wees geen recht, en de zaak van de weduwe komt niet bij hen.
שָׂרַ֣יִךְ
(sarayikh)
je oversten
סוֹרְרִ֗ים
(sorerim)
weerspannig
וְחַבְרֵי֙
(vechavrei)
en metgezellen van
גַּנָּבִ֔ים
(ganavim)
dieven
כֻּלּוֹ֙
(kulo)
ieder van hen
אֹהֵ֣ב
(ohev)
houdt van
שֹׁ֔חַד
(shochad)
omkoopgeld
וְרֹדֵ֖ף
(verodef)
en jaagt na
שַׁלְמֹנִ֑ים
(shalmonim)
geschenken
יָתוֹם֙
(yatom)
de wees
לֹ֣א
(lo)
niet
יִשְׁפֹּ֔טוּ
(yishpotu)
zij doen recht
וְרִ֥יב
(veriv)
en de zaak van
אַלְמָנָ֖ה
(almana)
de weduwe
לֹֽא
(lo)
niet
יָב֥וֹא
(yavo)
komt
אֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
bij hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁלְמֹנִים (shalmonim), ‘geschenken’: dit woord komt alleen hier voor.

Het betekent waarschijnlijk ‘beloningen, steekpenningen’.

שַׂר (sar), ‘overste’: een leider of ambtenaar.

De wees en de weduwe zijn de zwakke mensen zonder beschermer. Zie vers 17.

Yahweh zuivert Sion

24Daarom, godsspraak van de Heer, Yahweh van de legermachten, de Machtige van Israël: „Ach, Ik zal Mij verlichting verschaffen op Mijn tegenstanders. Ik zal Mij wreken op Mijn vijanden.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
נְאֻ֤ם
(neum)
godsspraak van
הָֽאָדוֹן֙
(haadon)
de Heer
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֲבִ֖יר
(avir)
de Machtige van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
ה֚וֹי
(hoy)
ach
אֶנָּחֵ֣ם
(enachem)
Ik zal Mij verlichting verschaffen
מִצָּרַ֔י
(mitsaray)
op Mijn tegenstanders
וְאִנָּקְמָ֖ה
(veinaqema)
en Ik zal Mij wreken
מֵאוֹיְבָֽי
(meoyevay)
op Mijn vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: een vaste formule in de profeten (ne’um Yahweh, ‘godsspraak van Yahweh’).

Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt.

Wij zetten de formule in rood als ze midden in Zijn woorden staat.

Hier is ze de aanhef van de toespraak en staat ze zwart, zoals de inleiding ‘Zo zegt Yahweh’.

הָאָדוֹן (ha’adon), ‘de Heer’: met lidwoord, een titel voor Yahweh. Zie ook Jes. 3:1.

אֲבִיר יִשְׂרָאֵל (avir Yisra’el), ‘de Machtige van Israël’: een oude titel van Yahweh, zoals ‘de Machtige van Jakob’ in Gen. 49:24 en Ps. 132:2.

אֶנָּחֵם (ennachem), ‘Ik zal Mij verlichting verschaffen’: het werkwoord נָחַם (nacham) betekent hier dat Yahweh opluchting krijgt doordat Hij Zijn vijanden straft. Elders betekent het ‘Zich laten rouwen’ of ‘troosten’.

25Ik zal Mijn hand tegen je keren. Ik zal je slakken wegsmelten als met loog en al je tin verwijderen.
וְאָשִׁ֤יבָה
(veashiva)
en Ik zal keren
יָדִי֙
(yadi)
Mijn hand
עָלַ֔יִךְ
(alayikh)
tegen je
וְאֶצְרֹ֥ף
(veetsrof)
en Ik zal wegsmelten
כַּבֹּ֖ר
(kabor)
als met loog
סִיגָ֑יִךְ
(sigayikh)
je slakken
וְאָסִ֖ירָה
(veasira)
en Ik zal verwijderen
כָּל
(kal)
al
בְּדִילָֽיִךְ
(bedilayikh)
je tin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּבֹּר (kabbor), ‘als met loog’: loog is een scherpe, uit as gemaakte stof die bij het zuiveren van metaal werd gebruikt.

De betekenis is niet helemaal zeker; het kan ook ‘geheel en al’ betekenen.

בְּדִילַיִךְ (bedilayikh), ‘je tin’: een onzuiver metaal dat bij het zilver zit. Het beeld: Yahweh zuivert Jeruzalem zoals een smelter zilver zuivert.

26Ik zal je rechters terugbrengen zoals vroeger en je raadgevers zoals in het begin. Daarna zal men je noemen: ‘Stad van gerechtigheid’, ‘Trouwe stad’.”
וְאָשִׁ֤יבָה
(veashiva)
en Ik zal terugbrengen
שֹׁפְטַ֨יִךְ֙
(shofetayikh)
je rechters
כְּבָרִ֣אשֹׁנָ֔ה
(kevarishona)
zoals vroeger
וְיֹעֲצַ֖יִךְ
(veyoatsayikh)
en je raadgevers
כְּבַתְּחִלָּ֑ה
(kevatechila)
zoals in het begin
אַחֲרֵי
(acharei)
daarna
כֵ֗ן
(ken)
dit
יִקָּ֤רֵא
(yiqare)
zal genoemd worden
לָךְ֙
(lakh)
voor je
עִ֣יר
(ir)
stad van
הַצֶּ֔דֶק
(hatsedeq)
de gerechtigheid
קִרְיָ֖ה
(qirya)
stad
נֶאֱמָנָֽה
(neemana)
trouwe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עִיר הַצֶּדֶק (ir hatsedeq), ‘Stad van gerechtigheid’: een eernaam voor Jeruzalem.

Het is het omgekeerde van vers 21, waar de stad een hoer is geworden en de gerechtigheid er niet meer woont.

27Sion zal door recht vrijgekocht worden, en haar terugkerenden door gerechtigheid.
צִיּ֖וֹן
(tsiyon)
Sion
בְּמִשְׁפָּ֣ט
(bemishpat)
door recht
תִּפָּדֶ֑ה
(tipade)
zal vrijgekocht worden
וְשָׁבֶ֖יהָ
(veshaveiha)
en haar terugkerenden
בִּצְדָקָֽה
(bitsdaqa)
door gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

תִּפָּדֶה (tippadeh), ‘zal vrijgekocht worden’: het werkwoord פָּדָה (padah) betekent ‘vrijkopen’, zoals in Deut. 7:8.

שָׁבֶיהָ (shaveha), ‘haar terugkerenden’: wie zich bekeert. Het woord kan ook ‘haar gevangenen’ betekenen.

28De ondergang van overtreders en zondaars komt tegelijk, en wie Yahweh verlaten, zullen omkomen.
וְשֶׁ֧בֶר
(veshever)
en ondergang van
פֹּשְׁעִ֛ים
(posheim)
overtreders
וְחַטָּאִ֖ים
(vechataim)
en zondaars
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
tegelijk
וְעֹזְבֵ֥י
(veozevei)
en die verlaten
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יִכְלֽוּ
(yikhlu)
zullen omkomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Beschaamd om de terebinten

29Want zij zullen zich schamen voor de terebinten die jullie begeerd hebben. En jullie zullen beschaamd zijn voor de tuinen die jullie hebben uitgekozen.
כִּ֣י
(ki)
want
יֵבֹ֔שׁוּ
(yevoshu)
zij zullen zich schamen
מֵאֵילִ֖ים
(meeilim)
voor de terebinten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חֲמַדְתֶּ֑ם
(chamadtem)
jullie hebben begeerd
וְתַ֨חְפְּר֔וּ
(vetachperu)
en jullie zullen beschaamd zijn
מֵהַגַּנּ֖וֹת
(mehaganot)
voor de tuinen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּחַרְתֶּֽם
(bechartem)
jullie hebben uitgekozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵילִים (eilim), ‘terebinten’: grote bomen, in vers 30 אֵלָה (elah).

Onder zulke bomen werd afgodsdienst bedreven; zie Hos. 4:13.

Ook de ‘tuinen’ zijn plaatsen van afgodsdienst, zie Jes. 65:3.

30Want jullie zullen zijn als een terebint waarvan het blad verwelkt, en als een tuin waarin geen water is.
כִּ֣י
(ki)
want
תִֽהְי֔וּ
(tihyu)
jullie zullen zijn
כְּאֵלָ֖ה
(keela)
als een terebint
נֹבֶ֣לֶת
(novelet)
verwelkend
עָלֶ֑הָ
(aleha)
blad ervan
וּֽכְגַנָּ֔ה
(ukhegana)
en als een tuin
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
מַ֖יִם
(mayim)
water
אֵ֥ין
(ein)
niet is
לָֽהּ
(lah)
voor haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31De sterke zal tot een prop vlas worden en zijn werk tot een vonk. Beiden zullen samen branden, en niemand blust.
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en zal zijn
הֶחָסֹן֙
(hechason)
de sterke
לִנְעֹ֔רֶת
(linoret)
tot een prop vlas
וּפֹעֲל֖וֹ
(ufoalo)
en zijn werk
לְנִיצ֑וֹץ
(lenitsots)
tot een vonk
וּבָעֲר֧וּ
(uvaaru)
en zullen branden
שְׁנֵיהֶ֛ם
(sheneihem)
beiden
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
tegelijk
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
מְכַבֶּֽה
(mekhabe)
een blusser
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶחָסֹן (hechason), ‘de sterke’: een machtig man.

נְעֹרֶת (ne’oret), ‘prop vlas’: het afval van vlas, dat licht vlam vat.

פֹעֲלוֹ (fo’alo), ‘zijn werk’: het kan ook ‘zijn maker’ betekenen. Wij volgen ‘zijn werk’.